blog

Het eiland van Anna

Onlangs verscheen ‘Het eiland van Anna’ bij uitgeverij Atlas Contact, geschreven door Eva Vriend. Een boek over de laatste bewoners van Schokland en hun nazaten. Wat betekent het om een eiland te moeten verlaten en hoe werkt dit generaties door? Hoe verhoud je je tot het stukje grond van je voorouders? En wat voor invloed heeft sociale klasse op geschiedschrijving?

Ik heb veel van het boek geleerd en nam een korte boekbespreking op.

Tussen Koningsbergen en Duinkerken ligt het eiland Urk

Een deel van mij leeft in de negentiende eeuw. Er is een vreemd verlangen naar een tijd die ik nooit heb gekend. Duitsers hebben er een woord voor: Sehnsucht.

Over taal gesproken. Er was een tijd dat van de streken en plaatsen aan de Oostzee tot aan het noordwesten van Frankrijk een zelfde soort taal werd gesproken. Het Nederduits(ch). Iets dat we inmiddels (een beetje kort door de bocht) het Nederlands zijn gaan noemen. Maar om het wel wat ingewikkelder te maken: met Nederduits wordt in deze context een verzameling dialecten bedoeld, zowel Nederfrankische als Nedersaksische dialecten.

Het idee dat je vanaf Koningsbergen langs de hele Oost- en Noordzeekust, tot aan Duinkerken elkaar min of meer kon verstaan maakt me gek. Waarom? Dat was ooit zo en nu niet meer. Ik ben geen dialectoloog, maar misschien wel dialectofiel: ik houd van mijn ‘eerste taal’ Nedersaksisch, en dan wel de variant ‘Urkers’. Ik houd er ook van dat ik in een stad woon waar je ’s zomers op een terras met gemak vijf verschillende dialecten kan horen spreken. En ik houd er ook van om in de geschiedenis van die dialecten te duiken.

Een man, uit de negentiende eeuw, die deze lange sliert aan soortgelijke dialecten ook interessant vond: de dialectoloog Johan Winkler. P.C. Meertens (naamgever van het Meertens Instituut) schreef: ‘Jongere tijdgenoten beschrijven hem als een vroom christen, en een ernstig, maar gemoedelijk man, die vooral op het laatst van zijn leven opviel door een zekere ouderwetse deftigheid.’1 (Wie wil dit nou niet over zich gezegd hebben?) En ook: ‘Tot de boeken die ik nog hoop te kunnen lezen behoort dat over Johan Winkler. Nog is het ongeschreven, maar zeker zal het eens geschreven worden, want deze Johan Winkler is niet alleen een merkwaardig, maar vooral een belangrijk man geweest.’2

Al had Johan Winkler (1840-1916) geen wetenschappelijke opleiding genoten, na het overlijden van zijn vrouw stortte hij zich volledig op taal.3 Misschien zat daar een troost in. Wat zeker is: zij liet hem veel geld na, waarna hij zich volledig op studie kon storten.4 Het werk waaraan zijn naam voorgoed verbonden zal zijn: het Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon5, of kortweg: ‘Dialecticon’.

En niet alleen over dialecten schreef-ie, maar ontpopte zich ook als naamkundige en historicus. Zo verschenen respectievelijk de werken Nederlandse Geslachtsnamen en Oud-Nederland.

Johan Winkler, ‘Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon’. 1874.

Voor we naar de inhoud van het Dialecticon gaan, eerst nog even iets over de passie van Winkler. Hij merkte op hoe dialecten geleidelijk aan nivelleerden of verdrongen werden door het gesproken Nederlands, wat we nu ‘Standaardnederlands’ noemen, door Winkler ‘modern Hollands’ genoemd6. En dat Hollands staat Winkler niet aan:

‘De geijkte nederlandsche taal is dood en maakt dood tevens. Ze dringt het nederduitsch in ons vaderland plat en dood. Boven is reeds gezeid dat ze volmaakt ongeschikt is om gesproken te worden in ’t dagelijksche leven; zelfs voor den kansel, den rechterstoel en den leerstoel deugt ze niet. Door niemand, door geen mensch in Holland zoomin als in een der andere nederlandsche gewesten, die spreekt zoo als zijn moeder ’t hem leerde en het harte ’t hem ingeeft, frisch en vrij en eerlijk, wie ihm der Schnabel gewachsen ist en juist zóo als hij gebekt is, niet gekunsteld en valsch, wordt ooit nederlandsch gesproken.’7 

Dialectoloog en schrijver Harrie Scholtmeijer merkt twee dingen op: ‘Winklers Dialecticon is een documentatie van de dialecten die door de moderne maatschappelijke ontwikkelingen in hun voortbestaan bedreigd worden. Maar het Dialecticon documenteert ook een heel nieuwe taal: de spreektaal die gebaseerd is op het geschreven Nederlands.’8 Door de industrialisatie, verstedelijking en verhoogde mobiliteit volstond het dialect niet meer als communicatiemiddel. Men ging steeds vaker de geschreven gestandaardiseerde taal – want dat is het Standaardnederlands – spreken. En daar had het onderwijs een belangrijke rol in, in de loop van de negentiende eeuw kregen steeds meer kinderen toegang tot les in lezen en schrijven.

Tijdens Winklers leven veranderde dus het spreken, de spreektaal. Dialecten, streektalen, zouden verdwijnen en verdrongen worden door de gestandaardiseerde talen van de opkomende natiestaten. En Winkler, zelf uit Leeuwarden afkomstig, beschouwde het als zijn taak om het ‘Nederduitsch en Friesch’ te documenteren en te bundelen in zijn Dialecticon. Een erfgoedhoeder dus, en hoewel Winkler amateur-dialectoloog was, wordt zijn werk honderdvijftig jaar later nog steeds als zeer belangrijk beschouwd.

Misschien moeten we het straks nog even over het onderzoek van Winkler hebben. Vooral omdat ik daar ook iets over te zeggen heb. Maar wat is nou de kern van het Dialecticon?

‘Dit boek bevat den uitslag van mijn arbeid. Het bevat 186 vertalingen van de gelijkenis des verlorenen zoons in even zoo veel onderscheidende tongevallen van de nederduitse en friesche talen. […] Bijna allen zijn ze door bekwame en vertrouwbare mannen mij persoonlijk medegedeeld.’9 Een verzameling vertalingen van de gelijkenis van de verloren zoon dus. Maar waarom juist dit bijbelverhaal? ‘Wel, omdat juist die gelijkenis, voor dat doel, mij bij uitstek geschikt voorkwam. Het moest toch iets wezen dat aan iedereen bekend en voor iedereen toegankelijk was; het moest noch te lang, noch te kort zijn; het moest over zaken en voorvallen uit het alledaagsche leven der menschen handelen, en gelegenheid aanbieden om de dagelijksche volks-spreektaal er in te pas te brengen. Aan al die vereischten voldoet dit schoone verhaal.’10 Nog op dezelfde pagina voegt Winkler hieraan toe dat andere onderzoekers ook dit verhaal gebruikten en dat het dus geen origineel idee is geweest.11

En het is ook een mooi verhaal. Het is terug te vinden in Lukas 15:11-32.12 Het is een van de gelijkenissen van Jezus. Een gelijkenis is eigenlijk een parabel, iets wat in de joodse traditie werd gebruikt om de schriften te interpreteren. Het verhaal gaat over een vader met twee zonen. De jongste zoon vraagt zijn vader om zijn erfdeel, verlaat het huis en verspilt zijn fortuin met een losbandig leven. Wanneer hij uiteindelijk alles verliest en in armoede belandt, besluit hij terug te keren naar zijn vader en smeekt hij om vergeving. De vader verwelkomt hem hartelijk, organiseert zelfs een feest voor zijn terugkeer en verklaart dat zijn verloren zoon is teruggevonden. De oudere broer, die altijd trouw is geweest aan zijn vader, is jaloers op de ontvangst die zijn verloren broer krijgt. Maar de vader legt uit dat het gepast is om te vieren wanneer iets verloren is geweest en is teruggevonden.13 De gelijkenis illustreert Gods genade en vergevingsgezindheid jegens de berouwvolle zondaar.

Rembrandt, ‘De terugkeer van de verloren zoon (Lucas 15: 20-24)’, jaren 1660. Olieverf, 262 x 205 cm. Hermitage Sint-Petersburg.

De gelijkenis van de verloren zoon is een van de bekendste verhalen uit het Nieuwe Testament en spreekt tot de verbeelding. In de tijd van Winkler moet zo’n beetje iedereen in deze hoek van de wereld het verhaal gekend hebben. Geen wonder dat dit de keuze werd. En de karakterschets van Winkler als ‘vroom christen’ zal zeker bij de keus voor dit verhaal meegespeeld hebben.

Bijna tweehonderd vertalingen van deze gelijkenis dus, die stuk voor stuk interessant zijn om te lezen. Uit sommige plaatsen is het Nederduitsch inmiddels althans in het spreken – volledig verdwenen, zoals in Dantzig. Opvallend is dat Winkler opmerkt hoe het Fries plaatsmaakt voor het plat op de Duitse Wadden. Zo’n honderdvijftig jaar later zal hier echter dan waarschijnlijk het Hoogduits klinken. Winkler beschrijft ook de verfransing in België – in de tijd van Winkler lag die taalgrens nog een stuk zuidelijker dan nu. Het is daarbij fascinerend hoe hij de taal aan identiteit koppelt: ‘De echte Brusselaars zijn volbloed Brabanders, de kern der brusselsche bevolking, de nakomelingschap van de oude burgers der stad, is door en door dietsch (of tiesj zooals de Brusselaars zeggen), door en door nederduitsch en niet fransch of waalsch.’14 In Noord-Frankrijk, Frans-Vlaanderen, wordt in Winklers tijd nog Vlaams gesproken15, nu is het er bijna uitgestorven. (Wie vanuit het noorden door de Vlaamse Westhoek richting Calais [ooit, ver voor Winkler, in het Nederlands ‘Kales’ genoemd] rijdt kan aan de namen van plaatsen op de borden nog wel zien dat hier ooit Nederlands gesproken moet zijn.)

Winkler kan het trouwens niet laten een persoonlijke mening te geven. Van de dialecten moet vooral het Gronings het ontgelden: ‘Van alle, grootendeels von Haus aus reeds harde en zware, onaangenaam in de ooren klinkende saksische tongvallen, is het groninger friso-saksisch verre weg het hardste, zwaarste leelijkste. […] In éen woord, groningerlandsch is voor fijn gevoelige ooren, vooral die der friezen bewesten Lauwers, niets meer of minder dan afschuwelijk en onuitstaanbaar.’16 Oud-sprekers van een dialect noemt hij zonder blikken of blozen dom en dwaas. Om even terug te gaan naar de Belgische hoofdstad: ‘Er zijn te Brussel dwazen, ja, er zijn er velen zoo, die, ofschoon ze van ouder tot ouder goede nederlandsche of dietsche Brusselaars zijn, wier echte moedertaal het nederlandsch is, en die in hun ouders huis nooit een woord fransch hoorden, toch tot hun eigen kinderen slechts fransch spreken, die met zorg waken dat zoo zelden mogelijk een nederlandsch woord het oor van hun kroost bereike, en die slechts brusselsch-nederlandsch tot hun bedienden willen spreken, omdat de noodzakelijkheid hen daartoe wel dwingt. Ook in de andere groote steden van nederduitsch-Belgie zijn velen zoo dom.’17

Als geboren Urker ben ik natuurlijk vooral geïnteresseerd in het ‘hoofdstuk 107. Het eiland Urk’. En laat de daar te lezen gelijkenis nou zijn medegedeeld aan Winkler door mijn oudvader (de opa van mijn overgrootmoeder) Klaas Koffeman (1833 – 1885), hulponderwijzer.18 En op de bladzijde daarvoor zegt Winkler het zelf al: ‘Voor zoo verre mij bekend is, is er nog nooit iets over of in den urker tongval, ofschoon die zoo hoogst merkwaardig is, geschreven.’19 Wat dit hoofdstuk dus zo bijzonder maakt, is dat dit de eerste tekst in het Urker dialect is. En je begrijpt, voor mij extra bijzonder.

Even over die grootvader-van-mijn-overgrootmoeder Klaas Koffeman. Klaas’ broers waren vissers. Klaas daarentegen koos een andere carrière en kwam voor de klas te staan. Bijzonder, voor die tijd. Hij had een passie voor taal en schreef in 1868 een gedicht naar aanleiding van een stormramp in datzelfde jaar, waarbij 26 Urker vissers in de storm verdronken.20 Het gedicht werd in kranten gepubliceerd en bereikte zelfs de burelen van koning Willem III. Mede dankzij dit gedicht werden duizenden euro’s ingezameld voor de Urker vissersgemeenschap. Misschien was dit de enige manier om aandacht te krijgen voor het leed op het eiland: met de pen. Die pen, en passie voor taal, gaf hij trouwens door aan zijn zoon Iede Klaas, die in de jaren 1940 eerder genoemde Pieter Meertens en Louise Kaiser hielp bij hun werk ‘Het eiland Urk’21, en aan zijn kleindochter Mariap van Urk-Koffeman, die landelijke bekendheid kreeg als ‘dichteres van de drooglegging’22.

K. Koffeman, Hartverscheurende zeeramp op het Eiland Urk. 1868. Collectie Museum het Oude Raadhuis, Urk.

Winkler werd op het spoor van Koffeman gebracht door professor Cosijn (1840 – 1899), taalkundige en filoloog.23 Hoe Cosijn de Urker Klaas kende, is mij nog niet duidelijk. Misschien had hij het gedicht gelezen over de zeeramp? Hieruit bleek in ieder geval dat Koffeman in goed Nederlands kon schrijven. Hoe het ook zij, Klaas Koffeman vertaalde voor Winkler de gelijkenis van de verloren zoon naar het Urker dialect, in Nederlandse spelling.

Voor we naar Winklers beschrijving van het Urker dialect gaan, eerst even over de vertaling. In 1874 was er nog geen standaardspelling van het Nedersaksisch, waarin het geschreven Urkers tegenwoordig goed tot z’n recht komt. Klaas Koffeman moest voortdurend bedenken hoe de vele unieke klanken van het Urker dialect, dat veel meer klinkers bevat dan het Nederlands, op schrift het best overgebracht konden worden. Voor Koffeman had daar nog nooit, voor zover mij bekend, een poging tot gedaan!

Dialecticon, vol. 2, 1874, p. 54-55 (klik voor een uitvergroting)

Juist daarom is het zo bijzonder om als spreker van het Urker dialect te beseffen hoe vitaal dit taaltje is gebleven. Nu, honderdvijftig jaar later, kost het maar heel weinig moeite de tekst hardop voor te lezen. De meeste woorden en klanken zijn in anderhalve eeuw hetzelfde gebleven, waar andere dialecten zijn verwaterd of uitgestorven.

Ik ga de tekst hier niet helemaal uitpluizen, maar een paar zaken vallen mij op:

  • Er is in honderdvijftig jaar maar een enkele klankverschuiving waar te nemen (als we uitgaan van Koffemans tekst). De klank (in Nedersaksisch) -ea-, hier geschreven als -ææ- is in de meeste woorden gebleven, behalve, in deze tekst, in ‘weard (waard)’ en ‘mear (meer)’. Deze woorden worden tegenwoordig uitgesproken als respectievelijk ‘waard (waard)’ en ‘maar (meer)’. Uit een andere vertaling, eind twintigste eeuw, van de gelijkenis, lijkt deze -ea- veranderd te zijn in -ee-.24 En in deze laatste vorm heb ik het zelf ook nog wel gehoord.
  • Het woord ’taote’ voor ‘vader’ (naast ‘mimme’ voor ‘moeder’) wordt niet meer in het Urkers gebruikt, maar is nog wel bekend. Het woord is inmiddels vervangen door ‘va’ en een ‘mimme’ wordt ‘moe’ genoemd. ‘Mimme’ wordt nog wel gebruikt in uitdrukkingen: ‘Oe, mimme!’.
  • De aanbiedende wijs (is dit de aanbiedende wijs? Wie helpt mij hier?), zoals in ’toeloopende’ en ‘biddede’, kun je tegenwoordig een Urker nog een enkele keer horen gebruiken, al zal het niet veel voorkomen. In het Nederlands klinkt dit echter zeer archaïsch.
  • Er zijn kleine veranderingen opgetreden in de lengte van sommige klanken. Sommige klanken, zoals de -ie- in ‘dielde’, zijn tegenwoordig korter, terwijl de -ie- in ‘gieven’ lang is gebleven.
  • Hoewel ’taote’ niet meer gebruikt wordt, wordt ‘poezen’ (voor ‘zoenen’ of ‘kussen’) nog algemeen gebruikt. Het is een oud Nederduits woord, zegt ook Winkler zelf.25

Om te bewijzen dat deze tekst van honderdvijftig jaar oud nu nog (bijna) moeiteloos voorgelezen kan worden, ben ik zelf achter de microfoon gesproken. In het eerste fragment lees ik de tekst van Koffeman voor as is, zoals ik denk dat het ongeveer geklonken moet hebben. (Een disclaimer: ik kan mij hier niet baseren op andere bronnen, omdat er geen andere teksten uit die tijd zijn opgeschreven en omdat er logischerwijs geen audio-opnames in deze tijd zijn gemaakt.)

In het tweede fragment lees ik een wat aangepaste de tekst voor, zoals de gelijkenis van de verloren zoon in het Urkers van tegenwoordig zou klinken. Voor deze opname heb ik de hervertaling gebruikt, die werd verzameld door Harrie Scholtmeijer in 1996 voor ‘De Nieuwe Winkler’.26 Deze heb ik nog iets naar smaak aangepast, ook in de laatste dertig jaar is het Urkers weer een klein beetje veranderd.

Laten we verder ingaan op wat Winkler over Urk en het dialect te zeggen heeft. Dat begint goed: ‘De tongval der bewoners van ’t eiland Urk vooral, is een der merkwaardigste en bijzonderste van Nederland.’27 Winkler ziet veel overeenkomsten met de dialectsprekers van het (dan al verlaten) eiland Schokland en – merkwaardig genoeg – het eiland Vlieland.28 Wat het Schokkers betreft: wie de audio-opnames in de Nederlandse Dialectenbank beluistert, hoort zeker overeenkomsten met het Urkers.29 Niet zo gek ook: de opgezetenen van de eilanden Urk en Schokland stonden doorheen de eeuwen in contact met elkaar, net als overigens met bewoners van de andere plaatsen rondom de Zuiderzee. In diezelfde Dialectenbank is een opname van het Vlielands te vinden, maar of dit dialect nauw verwant is aan het Urkers?30

Ook geeft Winkler aan dat het Urkers een zogenaamd overgangsdialect is, wat in zekere zin ook klopt. ‘De urker tongval is zoo min zuiver friesch als hij zuiver saksisch of zuiver frankisch is; hij maakt eigenlijk de overgang uit van het friesch tot het frankische en ook eenigszins tot het saksische nederduitsch’.31 Urkers en Fries? Er zijn zeker woorden of klanken uit het Fries het Urkers ingeslopen, toch denkik dat het Fries echt van het Urkers losstaat. Maar dat het een dialect is op de grens van het Nederfrankisch en het Nedersaksisch, daar kunnen we niet omheen. Het Urkers zal trouwens ook zeker tijdens de Amsterdamse tijd beïnvloed zijn door het Nederfrankische Hollands, eerder nog door de nauwe contacten met Enkhuizen, en veel later nog, tot 1950, bleef Urk als gemeente onderdeel van de provincie Noord-Holland. De dienstmeisjes, die in de negentiende en twintigste eeuw in de rijke Hollandse steden werkten, namen woorden mee terug naar het eiland (naast Hollands ook bijvoorbeeld woorden uit het Jiddisch). Maar vooral vertoont het Urkers kenmerken van het Nedersaksisch, en daar wordt het Urkers tegenwoordig ook onder geschaard. Zo stelt ook dialectologe Jo Daan: ‘Vergelijken we het Urksch met de omringende Nederlandsche dialecten, dan zien we, uit de ons ter beschikking staande gegevens, een groter overeenkomst met het oosten dan met het westen.’32 En door die grotere overeenkomst met de oostelijke dialecten, zoals het Sallands en in zekere mate het West-Veluws, rekenen we het Urkers voor het gemak tot het Nedersaksisch, daarbij opmerkend dat het een overgangsdialect is. Nog over deze passage: het lijkt wel alsof Winkler het Urkers per se in alledrie dialectfamilies wil indelen. Alsof hij iets wil aantonen.

Wat zo fascinerend is aan Winkler: zijn lange verhandelingen over hoe mooi of lelijk een dialect is, maar het wordt helemaal interessant wanneer hij op zoek gaat naar de oorsprong van een dialect. Het Vlielands, Urkers en Schokkers zou aan hun overeenkomsten komen doordat de opgezetenen ooit behoorden tot één oervolkje, dat op het eiland ‘Flevo’ woonde. Winkler: ‘In oude tijden, omstreeks het begin onzer tijdrekening en nog zeer lang daarna (wellicht tot in de tiende eeuw), was de Zuiderzee, zooals die thans bestaat, nog niet aanwezig.’33 Tot zover klopt het enigszins, de Zuiderzee ontstond pas na een reeks stormvloeden in de twaalfde en dertiende eeuw, zo wordt algemeen aangenomen. Maar dan ontvouwt Winkler zijn theorie: deze bewoners van het eiland Flevo – ‘een bijzonderen stam, die zich vooral ook door zijn eigenen tongval van de andere Friezen onderscheidde’34 – zochten na het ontstaan van de Zuiderzee een veilig heenkomen op hoger gelegen gebieden (Vlieland, Schokland en Urk) of gingen wonen aan de kustplaatsen: ze ‘werden de eerste bewoners, geheel of gedeeltelijk, van de stad Enkhuizen, van ’t dorp Huizen in ’t Gooiland, van Vollenhove, en misschien van de Kuinder en Genemuiden in Overijssel’35. En dit is niet alleen te horen, volgens Winkler, aan de tongval, maar ook te zien in hun beroepskeuze: ‘niet zonder beteekenis is de omstandigheid dat de Enkhuizers en de Huizers, even als ook ten deele de Vollenhovers volbloed-visscherlui zijn, zoo wel als de Urkers en de Schokkers. Enkhuizen had in vorige eeuwen opkomst en grooten bloei aan de visscherij te danken, die er nog bestaat, hoewel ze er, helaas! deerlijk in verval is. De Huizers zijn nog grootendeels visschers […]; de Vollenhovers zijn gedeeltelijk ook echte visschers’.36 De oer-Zuiderzeeër.

En in deze passages sijpelt die negentiende-eeuwse gedachte door, dat er een oer-Nederlander moet zijn geweest, die zowel een Friese, Frankische als Saksische tongval heeft; een stam die de Nederlandse delta bevolkte en leefde met het water. De Batavus genuinus. Onderzoekers stonden in de rij om aanwijzingen vinden voor het bestaan van die oer-Nederlander (terwijl Nederland als natiestaat dan pas een paar decennia oud was). Even voor Winkler deelde Ph.C. van den Bergh de Nederlanders in drie ‘rassen’ in: de Friezen, de Franken en de Saksen.37 Was Winkler aan het ‘inpassen’?

De Duitse arts en antropoloog Rudolf Virchow publiceerde in 1877 een studie, waaruit moest blijken dat zowel de bevolking van Marken als van Urk tot het ‘Friese ras’ behoren. Virchow linkte het ‘Friese ras’ aan de Neanderthaler.38 In datzelfde jaar bracht de Hilversumse arts Van Hengel een bezoek aan het eiland Urk. Hij maakte het wel heel bont: zijn fascinatie voor het eiland en de cranologie (onderzoek, waarbij schedels werden gemeten) bewoog hem ertoe schedels te ontvreemden van de Urker begraafplaats. Al in de jaren 1850 was de wetenschapper Harting op Urk geweest, die concludeerde: ‘de bevolking van Urk is inzonderheid […] merkwaardig, dat het een zuiver nagenoeg geheel onvermengd ras is, dat gerekend kan worden van de oude bewoners van het eiland schier onveranderd af te stammen’.39 Van Hengel zou Harting een paar Urker schedels sturen, in ruil voor zijn publicatie.

Deze vormen van fysische antropologie, in het bijzonder de cranologie, zouden een eeuw later volledig geïncorporeerd worden door het nationaal-socialistische gedachtegoed. Het idee dat gedragskenmerken af te leiden zijn van uiterlijke kenmerken ontstond in de negentiende eeuw en werd overgenomen in andere onderzoeksgebieden, zoals de dialectologie, zo zien we in het Dialecticon. Gelukkig vinden we deze ideeën nu verderfelijk, maar tot in de jaren 1950, zo zal dadelijk blijken, konden wetenschappers vrijelijk mensen opmeten en daar al dan niet fantasierijke conclusies aan verbinden.

Misschien werden in Nederland (in de voormalige koloniën leefden de wetenschappers zich trouwens ook uit!) de bewoners van het eiland Urk wel het meest aan fysisch antropologisch onderzoek onderworpen. In 1927 kwam een zoveelste schedelmeter naar Urk.40 In 1997 kon de dan hoogbejaarde Urker Albert van Veen dit zich nog goed herinneren: ‘Ik was acht jaar, toen kregen we orders van de meester op school. In groepjes van vijf moesten we naar het schoolplein en daar werd ons hoofd opgemeten. Je ogen, oren, neus, mond, de schedels van achteren en van voren, alles.’41

J. Sasse meet de schedels van schoolkinderen op Urk, ca. 1912. Bron: particuliere collectie, foto via Comité Urker Schedels.

De indirecte gevolgen voor de Urkers? Urkers konden geen aanspraak maken op een plek in de nieuwe Noordoostpolder. De door de overheid beoogde modelsamenleving bood namelijk geen plaats aan de, door wetenschap ‘achterlijk’ en ‘onzakelijk’ genoemde, Urkers.42 Adviseur-sociograaf Groenman stelde zelfs in 1947 maar voor de helft van de bevolking te deporteren.43 Nee, in die nieuwe Noordoostpolder moesten moderne mensen komen te wonen, niet die rare vissersvolkjes.

Zelfs na de Tweede Wereldoorlog, in 1956, vond nog fysisch antropologisch onderzoek plaats in Elburg, toen de nieuwe Oostelijke Flevopolder werd aangelegd. 70 kinderen werden aan onderzoek onderworpen. De onderzoekers van de Stichting voor het Bevolkingsonderzoek in de Drooggelegde Zuiderzeepolders noteren dat bij vijf van de onderzochte 11- en 12-jarige meisjes de borsten ‘al goed ontwikkeld’ zijn en dat twee meisjes al schaamhaar hebben.44 Misselijkmakend.

En die ontvreemde Urker schedels? Die keerden pas in 2010 terug,45 waarna ze plechtig werden herbegraven. Daar ging wel een lang proces aan vooraf, waarin een ‘Comité Urker Schedels’ zich hard maakte voor teruggaaf. Een uitspraak van de Ethische Codecommissie voor Musea deed de Universiteit Utrecht – waar de schedels al die tijd [volgens auteur] doelloos in een depot hadden gelegen – pas daadwerkelijk bewegen de schedels terug te geven.46

Deze trieste geschiedenis had mijn oudvader Klaas Koffeman op dat moment natuurlijk nog niet kunnen voorzien. Een beetje chauvinistisch gezegd: hij deed wat een Urker doet, namelijk een ‘vreemde’ helpen als-ie daarom vraagt. En Winkler was natuurlijk geen schedelmeter: hij volgde gewoon de publicaties van zijn tijdsgenoten en nam ze voor waar aan. Maar Winklers vele aannames, die nu hilarisch lijken, hebben indirect wel bijgedragen aan de stigmatisering van de bewoners van de eilanden en oevers van de Zuiderzee.

Moeten we Winkler dan maar afschrijven? Geenszins. Bovenal probeerde Winkler met zijn Dialecticon de verscheidenheid aan dialecten voor de toekomst te bewaren. En honderdvijfig jaar later plukken we daar de vruchten van. Het Dialecticon is een uniek tweedelig boekwerk, een documentatiewerk van het immateriële: de gesproken taal, die veelal verloren is gegaan, maar in sommige plaatsen nog springlevend is. Ergens tussen ‘Koningsbergen’ en ‘Duinkerken’ ligt Urk, met misschien wel het (tot op heden, dan) vitaalste dialect van al deze door Winkler behandelde plaatsen. (Of zijn er andere dialecten die net zo levend zijn? Ik zou het heel graag horen!)

Maar de grote vraag is: hoe kun je een dialect eigenlijk levend houden? Beleid kan helpen: in 2018 is bijvoorbeeld het ‘Convenant inzake de Nederlandse erkenning van de regionale Nedersaksische taal’ getekend47, waarmee het Nedersaksisch een officieel erkende taal werd. Maar ook andere instrumenten zouden kunnen helpen bij het levend houden van een taal of dialect, zoals een aanmelding in het Netwerk Immaterieel Erfgoed of een daarop volgende bijschrijving in de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland, waarmee een erfgoedgemeenschap laat zien dat het een eigen cultuuruiting erkent als immaterieel erfgoed.48 Er zijn natuurlijk nog veel meer manieren: door onderwijs (dialect in de klas), popmuziek in dialect, subsidies voor onderzoek, podcasts, een lokale dialectstichting, concerten of vespers in dialect, het gebruik van de eigen taal binnen overheidsgebouwen, het aanstellen van een stadsdichter… Welke gemeenschappen laten zien dat zij hun eigen taal belangrijk vinden?

En nog even terug naar die gelijkenis van de verloren zoon: zou Winkler met de berouwvolle zondaar diegene bedoelen, die zijn dialect inruilde voor een standaardtaal?

En tot slot: zullen we een dialect voortaan gewoon een taal noemen?

Met dank aan een andere nazaat van Klaas Koffeman, Iede Klaas Koffeman, die mij de gedigitaliseerde versie van het gedicht van onze voorouder toestuurde.

  1. H. Scholtmeijer, Meertens Instituut, “Tussen ‘Flevisch’ en ‘modern hollandsch’: Winklers Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon.”, versie onbekend, https://books.meertens.knaw.nl/winkler/inleiding.html, geraadpleegd 18 maart 2024. ↩︎
  2. P.C. Meertens, Taal en Tongval. Jaargang 10. (Bosvoorde: Willem Pée, 1958), 4-15 ↩︎
  3. H. Scholtmeijer, Meertens Instituut, “Tussen ‘Flevisch’ en ‘modern hollandsch’: Winklers Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon.”, versie onbekend, https://books.meertens.knaw.nl/winkler/inleiding.html, geraadpleegd 18 maart 2024. ↩︎
  4. Ibidem ↩︎
  5. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 1 en 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874) ↩︎
  6. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 4 ↩︎
  7. Ibidem ↩︎
  8. H. Scholtmeijer, Meertens Instituut, “Tussen ‘Flevisch’ en ‘modern hollandsch’: Winklers Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon.”, versie onbekend, https://books.meertens.knaw.nl/winkler/inleiding.html, geraadpleegd 18 maart 2024. ↩︎
  9. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 1. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), V-VI ↩︎
  10. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 1. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), X ↩︎
  11. Ibidem ↩︎
  12. Statenvertaling, “Lukas 15”, https://www.statenvertaling.net/bijbel/luka/15.html ↩︎
  13. Ibidem ↩︎
  14. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 264 ↩︎
  15. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 395 ↩︎
  16. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 1. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 398-399 ↩︎
  17. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), ↩︎
  18. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 54 ↩︎
  19. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 53 ↩︎
  20. K. Koffeman, Hartverscheurende zeeramp op het Eiland Urk. 1868. https://www.google.nl/books/edition/Hartverscheurende_zeeramp_op_het_eiland/8M_v6RglQkAC?hl=en&gbpv=1 ↩︎
  21. P.C. Meertens en L. Kaiser, Het Eiland Urk. (Alphen aan de Rijn: Samson N.V., 1942), XII ↩︎
  22. Elders op deze website: “De strijd van Mariap van Urk” https://blog.basvisscher.com/de-strijd-van-mariap-van-urk/ ↩︎
  23. P.C. Meertens en L. Kaiser, Het Eiland Urk. (Alphen aan de Rijn: Samson N.V., 1942), XI ↩︎
  24. H. Scholtmeijer, Meertens Instituut, “De nieuwe Winkler. Urk.”, versie onbekend, https://books.meertens.knaw.nl/winkler/urk.html, geraadpleegd 18 maart 2024. ↩︎
  25. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 56 ↩︎
  26. H. Scholtmeijer, Meertens Instituut, “De nieuwe Winkler. Urk.”, versie onbekend, https://books.meertens.knaw.nl/winkler/urk.html, geraadpleegd 18 maart 2024. ↩︎
  27. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 52 ↩︎
  28. Ibidem ↩︎
  29. Meertens Instituut, “Nederlandse Dialectenbank, Ens, Schokland.” (versie onbekend), https://ndb.meertens.knaw.nl/soundbites.php?p=F079p, geraadpleegd 11 maart 2024. ↩︎
  30. Meertens Instituut, “Nederlandse Dialectenbank, Vlieland, Oost-Vlieland.” (versie onbekend),
    https://ndb.meertens.knaw.nl/soundbites.php?p=A003p, geraadpleegd 11 maart 2024. ↩︎
  31. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 52 ↩︎
  32. P.C. Meertens en L. Kaiser, Het Eiland Urk. (Alphen aan de Rijn: Samson N.V., 1942), 325 ↩︎
  33. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 52 ↩︎
  34. Ibidem ↩︎
  35. Ibidem ↩︎
  36. Ibidem ↩︎
  37. L. Ph. C. van den Bergh, Handboek der Middel-Nederlandse geografie. (Den Haag, 1872), 110 ↩︎
  38. R. van Diepen, Historiek, “Op zoek naar de oer-Nederlander in het Zuiderzeegebied”, versie 3 december 2019, https://historiek.net/op-zoek-naar-de-oer-nederlander-in-het-zuiderzeegebied/54711/, geraadpleegd 10 maart 2024. ↩︎
  39. P. Harting, Het Eiland Urk: Zijn Bodem, voortbrengselen en bewoners. (Utrecht: Van Paddenburg & Comp., 1853). ↩︎
  40. “Afkomst der Urkers”, Haarlems dagblad, 23 augustus 1927, 10 ↩︎
  41. R. van den Berg en K. van Noppen, “Het probleem Urk”, De Ochtenden, datum onbekend, bron via Urker Schedels, https://urkerschedels.files.wordpress.com/2012/06/write-up-rien-van-de-berg-het-probleem-urk.pdf, geraadpleegd 10 december 2020. ↩︎
  42. T. Roos, lid Comité Urker Schedels, geïnterviewd door auteur op 15 december 2020. ↩︎
  43. D. Schaap, “Sloop alle schepen en bouw een groene vloot”, Groene Amsterdammer, 18 augustus 2010, https://www.groene.nl/artikel/sloop-alle-schepen-en-bouw-een-groene-vloot, geraadpleegd 2 december 2020. ↩︎
  44. E. Hakkenes, Polderkoorts: Hoe de Zuiderzee verdween. (Amsterdam: De Bezige Bij, 2017), 237. ↩︎
  45. ANP, “Urk heeft zijn schedels weer terug”, Reformatorisch Dagblad, 5 juni 2010, https://www.rd.nl/artikel/355600, geraadpleegd 10 januari 2021. ↩︎
  46. Museumvereniging, “Schedels van verre verwanten – bewaren of herbegraven?” (versie onbekend), https://www.museumvereniging.nl/schedels-van-verre-verwanten-bewaren-of-herbegraven, geraadpleegd 24 november 2020. ↩︎
  47. Rijksoverheid, “Convenant Nedersaksisch”, versie 10 oktober 2018. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/convenanten/2018/10/10/convenant-nedersaksisch, geraadpleegd 17 maart 2024. ↩︎
  48. Immaterieel Erfgoed, “Netwerk, Inventaris en Register” (versie onbekend), https://www.immaterieelerfgoed.nl/nl/netwerkinventarisregister, geraadpleegd 10 maart 2024. ↩︎

In Keulen zal ik kotsen

‘Maar waarom hebben kippen geen gebitje?’ Er is niemand die zo over gekte kon schrijven als Maarten Biesheuvel. Inmiddels ben ik toch een heel eind gekomen met de canon van de Nederlandstalige literatuur, maar weinig verhalen blijven me zo bij als die van Biesheuvel.

Biesheuvel bond met zijn schrijven de strijd aan met zijn eigen gekte. Dat resulteerde in een stroom van korte verhalen. En het knappe aan die verhalen is de lichtvoetigheid waarmee hij de dwaasheid van het bestaan, de gekte in ieder mens en de relatie tussen mensen beschreef. De hoofdpersoon zit in een auto en denkt: ‘In Keulen zal ik kotsen!’ Wanneer heb je voor het laatst zo’n zin gelezen?

‘In de Bovenkooi’ (1972) is het debuut van J.M.A. – Maarten – Biesheuvel (Schiedam, 1939). Een verzameling verhalen met thema’s als geluk, zinloosheid, eenzaamheid, God, wetenschap. Het bekendste verhaal is ‘Brommer op zee’, een hallucinant verhaal over iemand die over zee aan komt rijden naar een schip en uitlegt hoe men over water kan rijden (je begint met een speld, die blijft drijven). Maar minstens zo goed is bijvoorbeeld ‘De maan’, over een gesprek met een groentekweker die zo zijn eigen opvattingen heeft over wetenschappelijk onderzoek over de maan.

Biesheuvel vond zelf dat hij ‘de gave van het Woord’ had. Klopt, hij had net zo goed dominee kunnen zijn. Dat merk je ook als Biesheuvel zelf voorleest: de verhalen komen dan pas echt tot leven. Voor de podcast ‘Het beste van Biesheuvel’, verschenen in 2019, selecteerden Remy van den Brand en Erik de Bruin twintig fragmenten waarin Biesheuvel uit eigen werk voorleest. En die fragmenten zijn geestig, soms zelfs hilarisch, en vaak ontroerend.

‘Maar waarom hebben kippen geen gebitje?’, vroeg Maarten al in de inleiding. Deze zin komt uit een van die mooie verhalen, Scarabaeus cogitans. Een Belgische arts, genaamd Guido Bostoen, bevindt zich op een rustige Stille Oceaan op het schip de Aurora, waar hij zich bezighoudt met het oefenen van een specifieke operatie. Hij herinnert zich zijn broer Sjef, die aan een zeldzame aandoening leed genaamd ‘Scarabaeus cogitans’, een kever die tussen de hersenen en de schedel leeft. Hierdoor stoten patiënten rare dingen uit, als ‘Grijp de rechterhand van de Christus Jezus. 1-0! De ijskappen smelten. Stop de zeehond! Maar waarom hebben kippen geen gebitje?’ Ondanks zijn expertise slaagde Guido er niet in zijn broer te redden van deze aandoening, wat hem blijft achtervolgen. Hij blijft wachten op een kans om deze ziekte te wreken, terwijl hij zichzelf voorbereidt op een operatie die nooit zal plaatsvinden.

De zinsnede ‘Maar waarom hebben kippen geen gebitje?’ is net zo krachtig als ‘In Keulen zal ik kotsen’ uit ‘De grote weg’. Zo krachtig, dat het zelfs in het hoofd van Vader Abraham bleef hangen, die het Kinderen voor Kinderen-liedje ‘Waarom hebben kippen geen gebitjes?’ schreef en componeerde. Dan wordt pas echt duidelijk wat literatuur vermag, als zelfs Pierre Kartner door je verhaal geïnspireerd raakt.

Kostelijk is ‘Spreken in tongen’, waarin Maarten een vriendin opvoert die over haar evangelische jeugd vertelt:

Toen ineens begon er een ouderling uit Amsterdam door de tent te rennen. “Achwataballa!” riep hij uit, “gnoerstikom Pelkman passejewietsj huichsja Ter Vreeze patom, etiem djelo snatsietjelno objechtsjajetsje, halleluja.” […] Een andere ouderling uit Amsterdam sprong op een verhoging en sprak met luide stem: “Gode zij dank kan ik verstaan wat ouderling Ruisblad heeft gesproken. Hij zegt namelijk dat ouderling Pelkman gelijk heeft en niet meneer Ter Vreeze. Aldus spreekt namelijk God: ‘De collectezakjes blijven gewoon in hun oude vorm gehandhaafd en de voordeur van de kerk der Haagse gemeente wordt groen geverfd.'”

Achwataballa. In Keulen zal ik kotsen.

Eieren voor Aletta Jacobs

Sommige bekende mensen, die in de media sympathiek overkomen, zijn in het echt heel akelig. En sommige mensen, waarvan je niet verwacht dat ze sympathiek kunnen zijn, blijken verrassend vriendelijk.

Neem nou bijvoorbeeld het hele mediacircus rondom Matthijs van Nieuwkerk. Onveilige werksfeer, toxisch gedrag. We doen alsof dit een uitzondering is, maar het is dagelijkse praktijk in tal van sectoren. Als je een publiek figuur bent, moeten je hulpjes daar blijkbaar onder lijden.

Hulpjes. Waar gaat dit artikel naartoe?

In het begin van de vorige eeuw – toen het verschil tussen arm en rijk ook al zo groot was – had je dienstmeisjes. Dit waren jonge meisjes uit een wat armoedig milieu, vaak uit een vissers- of boerendorp, die in die tijd tot de lagere sociaal-economische klasse behoorden. Ze – vaak nog in hun tienerjaren – gingen in de steden aan het werk bij rijkere gezinnen, om ze te ontlasten in de huishouding. Nee, ze deden eigenlijk álles in die huizen, tot de opvoeding van de kinderen aan toe.

De van Urk afkomstige Zwolse historica Lucia de Vries doet onderzoek naar de ‘Urker dienstmeisjes’. Ze verzamelt egodocumenten en verhalen en blogt erover. Zo schrijft ze ook over Lammertje Kramer (Den Helder, 1898), die op haar twaalfde (!) in dienst kwam van Aletta Jacobs. Jawel, de arts, feministe, pacifiste. We kennen haar allemaal uit de geschiedenisboeken. Jacobs is één van de vensters in de Canon van Nederland.

Lammertje Kramer. Foto via Lucia de Vries, vrouwenbrieven.home.blog.

Jacobs was ‘Onvriendelijk, heerserig, zeer veeleisend en veel verwachtend’, zo vertelt Lammertje Kramers zoon aan De Vries. ‘[Lammertje] had een soort trauma overgehouden aan haar tijd bij dr. Jacobs.’ Facetten van Aletta Jacobs die maar moeilijk te rijmen zijn met het collectieve beeld dat wij van de feministe hebben.

‘Lam’ Kramer kwam uit een Urker gezin, dat zich in Den Helder had gevestigd. Urk leverde veel dienstmeisjes: in bijvoorbeeld Den Haag en Amsterdam zochten de jonge meisjes elkaar op om steun bij elkaar te zoeken, bij te praten en naar catechisatie te gaan. Het was hard werken, de dienstmeisjes kenden hun plek in het huishouden. Maar meestal was de relatie met hun werkgever (voor die tijd) goed te noemen.

De Vries probeert het gedrag van Jacobs te duiden in haar blogartikel. ‘Was het de rouw [om het overlijden van haar man en enige kind] die dr. Jacobs tot een onsympathieke werkgever maakte? Was ze eenvoudigweg te druk en gestrest door de bittere strijd voor het vrouwenkiesrecht, zowel landelijk als internationaal? Of was het standverschil tussen de hoog opgeleide Dr Jacobs en ongeschoolde Lammertje eenvoudig te groot? Maakte de beroemde feministe in haar sympathieën onderscheid tussen arbeidersvrouwen als gratis patiënten buitenshuis, en betaalde volksmeisjes als hulp thuis?’ Ik neig naar dat laatste.

We kunnen er slechts naar gissen. Wat we wel weten, is dat Kramer het ondankbare werk bij Jacobs in ieder geval zo beu was, dat toen ze ontslag nam een mand eieren kapotgooide in de hal van Jacobs’ woning aan de Tesselschadestraat, Amsterdam: ‘Ik heb dat mandje met inhoud en al tegen de grond gegooid en ben hard weggelopen…’ En gelijk had ze.

In de nieuwe podcast ‘Mina en Mevrouw’ doet Maartje Duin (die eerder ‘De plantage van onze voorouders’ maakte) onderzoek naar Mina Marinusse, die het dienstmeisje was van Marietje gravin van Lynden-Calkoen, de overgrootmoeder van Maartje Duin.

Boere op die Aardsdrempel

Op school heeft iedere Nederlander les gehad over Zuid-Afrika: de Boerenoorlogen, de apartheid, Nelson Mandela. En als dat al was weggezakt, dan had je in 2017 de tentoonstelling ‘Goede Hoop. Zuid-Afrika en Nederland vanaf 1600’ in het Rijksmuseum kunnen zien. Of het prijswinnende boek ‘De Boerenoorlog’ van Martin Bossenbroek kunnen lezen. Een complexe geschiedenis, een beladen geschiedenis en een gedeelde geschiedenis.

Voor de Eerste Wereldoorlog waren veel Nederlanders anti-Engels vanwege de Boerenoorlog. Toen de Britten concentratiekampen bouwden om de Zuid-Afrikaanse bevolking op te sluiten, zwart en wit. Bijna 10.000 Afrikaners (Boeren), zwarte Afrikanen (die vaak gedwongen moesten vechten) en vrijwilligers uit tal van Europese landen vonden de dood op het slagveld, bijna 50.000 Afrikanen en Boeren (vrouwen en kinderen) stierven in de concentratiekampen.

Het volgende was mij onbekend: na de Tweede Boerenoorlog leek de situatie uitzichtloos voor de Afrikaners. Argentinië nodigde Boeren uit naar Patagonië te komen, om daar het land te ontginnen en zich permanent te vestigen. En dat deden ze. Tussen 1903 en 1906 lieten zo’n 600 Afrikaner families zich inschepen om in Argentinië een nieuw leven op te bouwen, ver weg van de nieuwe Britse onderdrukking. Een Grote Trek, eens te meer.

Het leven was zwaar in Argentinië en de boerende Boeren werden niet rijk. Tijdens een zoektocht naar water stuitten ze op olie, waar ze vervolgens geen cent aan konden verdienen. Velen reisden na verloop van tijd terug naar Zuid-Afrika. De achterblijvers bleven het land bewerken, trouwden met elkaar en dachten zo nu en dan aan hun verre neven en nichten in Zuid-Afrika.

In de documentaire ‘The Boers at the End of the World / Boere op die Aardsdrempel’ uit 2015 worden een paar Afrikaner Argentijnse families gevolgd. Een voetnootje in de geschiedenis, deze geïsoleerde gemeenschap, maar uitermate fascinerend omdat zij een eeuw lang haar gebruiken en taal bewaarde.

Trailer van de documentaire (2015) onder regie van Richard Finn Gregory

De documentaire zoomt voornamelijk in op de tweede generatie Afrikaner Argentijnen: zij die in Patagonië zijn geboren. Ze schakelen moeiteloos over tussen het zingen van een Afrikaner volksliedje en het spreken van Spaans met hun kinderen. Zij zijn patriottisch over een land waar ze nooit zijn geweest en kennen uit familieverhalen. Ze hebben de officiële rassensegregatie van de apartheid niet meegemaakt en kunnen zich ook geen voorstelling maken van Zuid-Afrika van na 1994. Ze leven parallel aan Zuid-Afrika.

Als Nederlandse kijker krijgt deze documentaire natuurlijk nog een dimensie: deze gemeenschap is indirect het gevolg van de ongebreidelde kolonisatiezucht van de Nederlanders (Jan van Riebeeck landde in de 17e eeuw op de Kaap). Het Afrikaans klinkt als een zoveelste dialect dat je ook op zou kunnen vangen op een zonnig terras in een provinciestadje in ons eigen land. Maar dan wordt het gesproken in Patagonië. 13.000 kilometer van Zwolle.

Waar ik naar toe wil: wanneer voel je je Afrikaner? Dat is de vraag die in deze documentaire centraal staat. Ik ben dan ook benieuwd wanneer de inwoners van Zuid-Afrika gestopt zijn zich Nederlander te voelen. In Patagonië wordt duidelijk: de derde generatie spreekt al geen Afrikaans meer, de vierde generatie trekt naar de stad en gaat op in een bredere, Argentijnse gemeenschap. Het Afrikaans wordt er misschien nog een decennium of twee door een handjevol Argentijnen gesproken en dan is deze gemeenschap ook geschiedenis.

Of leeft de identiteit nog langer voort in gebruiken en verhalen? Deze documentaire doet een prima poging dit erfgoed te bewaren.

Mooi: een van de hoofdpersonen krijgt van zijn zoon een retourvlucht naar Zuid-Afrika cadeau. Het land waar ze het dagelijks over hebben. Wanneer ze er eenmaal zijn, lijkt het toch anders te zijn dan ze zich hadden voorgesteld. Mooi, dat wel. Maar is het moederland Zuid-Afrika of Argentinië?

De documentaire kun je trouwens huren op Vimeo.

Niemandsland in De Klos, 18 november 2023

Tussen alle beslommeringen van werk, de was doen, boodschappen, liefde en formulieren, formulieren, formulieren… door, is er natuurlijk ook tijd voor muziek. Na het einde van ons vorige bandje (wereldberoemd in heel Flevoland) hebben we sinds 2018 al enige tijd aangerommeld onder de naam Niemandsland. Nu werd het toch eens tijd – inmiddels is het tweemanscollectief een viermansformatie geworden – naar buiten te treden. Dat werd het podium van De Klos in Emmeloord (dat al sinds 1969! bestaat), ons vertrouwd en het geluid is er goed.

Vriend T. heeft van de ij’s ij’s gemaakt, dat taalgevoel waardeer ik erg aan hem. Er volgt nog een blogpost over waarom de ij wel degelijk één letter is, en niet twee, zoals sommige kwade, onwetende tongen beweren.

Nu zijn wij dus nog niet zo goed. We hebben welgeteld twee nummers uitgebracht en in deze hoedanigheid nog geen podiumervaring. Je moet ergens beginnen en dat deden we 18 november jongstleden. Vriend J. had er al een stukje over geschreven. Hij heeft alles gefilmd op een rode oude camera (ik denk omdat hij dat leuk vond, iets met vreemde kostgangers, anyway bedankt J.) maar ik maakte dankbaar gebruik van zijn beelden in combinatie met de bootleg op mijn fieldrecorder.

We speelden een paar covers: Nog een kopje koffie (One more cup of coffee van Dylan), Beste Bill van Gorki en Huis op palen (Gimme Shelter van de Stones). Die laatste blijkt nog erg actueel. Jagger mag deze versie wel eens spelen, hij spreekt immers een aardig woordje Nederlands.

Middenstand was een try-out, het is een van onze nieuwe nummers. Met een knipoog naar Mia van Gorki natuurlijk. Tenminste, dat denk ik, want deze tekst is van A. Grappig dat de verkiezingen, drie dagen later, uitwezen dat we juist niet verloren hebben van de middenstand.

Over arbeidersklasse gesproken: het laatste nummer – tekst ook van A. – dat ik hier deel is inmiddels aangekocht als campagnelied voor de BBB in aanloop naar de volgende Tweede Kamerverkiezingen, over een half jaar. Het is in dialect en je kan meelezen, als je de ondertitels op YouTube (vreemd dat YouTube geen Nedersaksisch kent, in tegenstelling tot Wiki) aanzet. En de vertaling staat in het bijschrift.

Ik ben blij met deze “eerste” gig, het maakt dat we weer gestaag aan het opnemen en componeren zijn. Veel kan beter, veel kan slechter, het duurt nog wel even voordat we in de Ancienne Belgique staan.

Dit huis is op een rots gebouwd

Ik heb de eer mij ‘stadsdichter’ van Urk te noemen. Wat dit inhoudt: zo nu en verschijnt er een gedicht van mij in de plaatselijke courant en ik draag weleens een gedicht voor bij een belangrijke gebeurtenis. Het wordt echt leuk als anderen met je werk aan de slag gaan. Dat gebeurde de afgelopen weken: zes jonge Urker kunstenaars (‘JUK’) maakten werk rondom mijn gedicht ‘Dit huis is op een rots gebouwd’, dat ik in 2021 schreef om een kunstmanifest vanuit de gemeenschap kracht bij te zetten.

Vandaag opende de mini-expositie in Museum het Oude Raadhuis. Hier begon JUK vijf jaar geleden met een eerste kunstmanifestatie. Sindsdien organiseren we ieder jaar een makersdag, kunstroute door het oude centrum of een expositie.

Er is geen bloeiende kunstscene op Urk, er gaat mijns inziens relatief weinig geld naar kunst en cultuur en voor jonge makers is er niet echt een podium. Dit begint te veranderen sinds de komst van Plein 1890, een lokale galerie, en sinds SCAB thema-avonden voor jongeren houdt. Met de gedachte dat representatie belangrijk is: als je iemand ziet die serieus met kunst bezig is, dan is naar de kunstacademie gaan misschien niet zo’n heel gek idee.

Mooi dus om ieder jaar het werk van de jonge Urker makers – zowel professionals als amateurs – te zien. Dit jaar maakten Salam Kadhim, Hinke Brouwer, Jennie Koffeman, Johan Steller, Pieter Brouwer en Laura Zijlstra beeldend werk bij mijn gedicht. Het gedicht werd in stukken geknipt: ieder werk verhoudt zich tot een deel van het gedicht. Je moet van Urk komen om alle referenties te begrijpen, maar ik heb destijds wel geprobeerd het gedicht een universeel karakter te geven.

Dit huis is op een rots gebouwd

Tekenles. Hier heb ik een lijn getrokken. Nog een keer het hoekje om. Het lijntje wordt een vierkant. Het vierkant wordt een kubus. Dak erop: de kubus wordt een huisje. Tuintje achter, straat van voren, rondom kan wel een leiboom groeien, stokroos bloeien. Op het dak een makelaar. Huisje klaar.

Een huis hoort aan een weg te staan. Prins Hendrikstraat of Raadhuisstraat, Oude Dijk of Staartweg, Vlaak, stuk grond waar nu mijn wiegje staat. Ik zie de weg: er lopen mensen. ‘Dag’, zwaai ik. Bedenk de kachel aan, laat de wereld langs de ramen gaan, want ik heb nog zoveel wensen.

Hier kan mooi een boekenkast. Plank vol oude, maar ook nieuwe schrijvers, boeken die ik niet mag missen, tal van stenen in de vijvers. Plaats voor dichters die de woorden schikken, denkers die de wonden likken. Nog een plank: de Bosatlas. Ik kijk waar Nova Zembla ligt en voel mij Gerrit Westerneng,

aardbol plots wat minder eng. De muren dan, nog wit en kaal, een canvas voor een groot verhaal. Ik maak een spieraam, breed en sterk, span het doek en ga aan ’t werk. Leyden, Sluijters, Lussenburg, Van Mastenbroek, aangenaam! Zovelen zijn u voorgegaan. Terpentijn en handen schoon, aan de muur een monochroom

van blauw op blauw. De zee zo heilig, zo onveilig, altijd in mijn hart gesloten. Dit huis is op een rots gebouwd. Want als ik in de kelder kijk, met mijn handen langs de muren strijk, voel ik keileem als een vaste basis. De bodem is een tijdmachine: fossielen, keien, weerspiegeling, zoveel leven in een laagje aarde. Zoveel meer nog

is van waarde: ik voel de kennis door mijn aderen stromen, leer verhalen die ik nooit kon dromen. Het houdt de bruine ratten buiten, doet vrienden in mijn armen sluiten. Dan nog slechts een naam verzinnen. Het Wakend Oog. Een huis voor eeuwen.

Ook dit jaar stelde Museum het Oude Raadhuis weer een ruimte beschikbaar, waarvoor dank. De expositie is tot en met eind november te zien.

Op zoek naar Neutraal Moresnet

Ik was vorig weekend vlak over de grens bij Klein-Kuttingen. Niet zozeer vanwege die plaatsnaam, maar omdat twee vrienden daar een huisje hadden gehuurd, waar deze ontheemde een paar dagen mocht komen te logeren. Meer precies in Beusdael, in Wallonië, aan de voet van het Kasteel van Beusdael, waarvan de geschiedenis teruggaat tot de twaalfde eeuw. Lekker. We aten vis en dronken wijn en wandelden door het mooie grensgebied. Ik blijf in mijn hart een kustbewoner, ben altijd op zoek naar zee en de verre horizon, maar ook in een heuvellandschap kan ik mij bijzonder goed voelen.

Abdijbier, Hugo Claus en het hier behandelde boek Moresnet.

Mijn leven hangt van toevalligheden aan elkaar. Ook nu: vlak voor deze onaangekondigde, impulsieve vakantie was ik namelijk net in het boek Moresnet van Philip Dröge begonnen. Een hele fijne, leesbare geschiedenis van het ministaatje, landje, of beter gezegd ‘geval’, dat iets meer dan honderd jaar bestaan heeft en vlakbij Beusdael lag. Neutraal Moresnet was een driehoekig gebied waarvan de noordelijke punt het drielandenpunt (dat later nog een tijdje een vierlandenpunt werd) bij Vaals raakte.

Dröge beschrijft in dit boek hoe Moresnet ontstond als slordigheid tijdens het Congres van Wenen, na 1815 dus. Na de val van Napoleon vond een nieuwe staatkundige en politieke ordening plaats. Zo kwam in de Nederlanden Koning Willem I aan de macht, de zoon van stadhouder Willem V, die tevens groothertog van Luxemburg werd. Het blok moest ten noorden van Frankrijk een stevige buffer gaan vormen. De grenzen werden met potlood getrokken en in alle haast ontstond een stukje betwist gebied: het was niet duidelijk of de zinkmijn en omgeving in Moresnet nou bij de Nederlanden of Pruisen zou moeten gaan horen. Twee artikelen in het Weense verdrag spraken elkaar tegen. Het onverdeelde gebied Moresnet was geboren.

Ik weet niet goed wanneer ik voor het eerst van Neutraal Moresnet heb gehoord. Het zal ergens in mijn kindertijd geweest zijn: ik was verzot op zulke marges in de geschiedenis. Ministaatjes, verre eilanden… En op tv was Boudewijn Büch, die andere fantast, die zijn fascinaties de huiskamer inslingerde. (Man man man, wat mis ik zulke televisie.)

Ik heb Moresnet van Philip Dröge bij aankomst in Beusdael dus maar snel uitgelezen en leerde hoe Neutraal Moresnet een gebied werd dat meer dan honderd jaar min of meer autonoom bestond. Met een eigen burgemeester, een eigen veldwachter, een eigen school, een eigen industrie en vooral veel casino’s en sekswerkers.

Na de afscheiding van België in 1830 werd het drielandenpunt een vierlandenpunt: hier ontmoetten de grenzen van Pruisen, Nederland, België en Moresnet elkaar. Het staatje, wat in feite geen staat was maar neutraal gebied, geregeerd door een ‘mannetje’ uit België en een ‘mannetje’ uit Pruisen, bleef bestaan tot 1920. Niemand durfde echt zijn vingers aan Moresnet te branden. Intussen ontwikkelde Moresnet zich tot een bijna echt landje: er werden Moresnetters werden geboren (in feite statelozen). Na wat getouwtrek stabiliseerde de situatie rondom het neutrale gebied. Een generatie Moresnetters groeide erop: voor hen was dit staatkundige foutje een werkelijkheid.

Andere leuke thema’s rondom Moresnet, die in het boek uitgebreid aan bod komen: dankzij het ontbreken van een douaneapparaat kon driftig worden gesmokkeld via Moresnet, omdat het geen staat was had het aanvankelijk ook geen belastingplicht, er werden (clandestien) postzegels uitgegeven en als je wilde ontsnappen aan de dienstplicht ging je naar Moresnet. Vergeet ik iets? Ohja, het ministaatje werd ook bekend vanwege een culturele beweging, namelijk de beweging rondom de kunsttaal Esperanto.

Het huidige drielandenpunt bij Vaals

Esperanto kende ik dankzij onze schoolbibliotheek. Daar had je van die kleine boekjes over een bepaald onderwerp. Ik vond zo’n kunsttaal mateloos interessant. Toen we internet in huis kregen kwam ik op een site terecht waar je het kon leren. Het duurde niet lang voor ik mijzelf kon voorstellen en friet kon bestellen in het Esperanto. Maar er was niemand die het sprak.

De internationale taal werd in 1887 bedacht door een Poolse oogarts. In de tijd van opkomend nationalisme zou zo’n kunsttaal ervoor zorgen dat mensen beter met elkaar gingen communiceren. Met de gedachte dat conflicten vermeden konden worden door een gemeenschappelijke taal. Want wie elkaar verstaat, slaat elkaar niet de hersens in.

Een taal heeft sprekers nodig. En nog mooier: een thuisland, dat als basis kon dienen. De ogen vielen op Neutraal Moresnet, waar Duits, Nederlands, Frans, Engels en streektalen gesproken werden. Hoe mooi zou het zijn om het Centrale Bureau van de Esperantogemeenschap daarheen te verhuizen en de Esperantocongressen daar plaats te laten vinden? Door de toenemende spanningen in Pruisen, in de aanloop naar de Grote Oorlog, ontstond de vrees voor een diplomatiek conflict en raakten de plannen van de baan. Moresnet zou nooit een Esperantoparadijs worden, maar de kunsttaal werd wel voor eeuwig verbonden aan het neutrale gebied.

Die Eerste Wereldoorlog betekende ook het einde van Moresnet. Het nieuwe Duitsland wilde al langer het ‘probleem Moresnet’ oplossen. Bij de Belgische inval werd Moresnet ingelijfd door Duitsland. Na de oorlog ging het bij België horen. En zo kwam er een einde aan het bijzondere landje.

Het kostelijke museum ‘Vieille Montagne’.

Veel meer nog over Moresnet lees je dus in dat boek van Philip Dröge. Of je gaat naar het museum ‘Vieille Montagne’, een heel aardig museum (met vriendelijke medewerkers) over de geschiedenis van het gebied. Er is een audiotour beschikbaar in het Nederlands, de meeste A- en B-teksten in het museum zijn in het Frans en Duits en sommige teksten in het Nederlands.

Als je, na het bezoek aan dit fijne museum, al een beetje hebt rondgedwaald door het gebied, moet je natuurlijk een bezoekje brengen aan het drielandenpunt in Vaals. Met de geschiedenis van Neutraal Moresnet in het achterhoofd wordt zo’n toeristische attractie natuurlijk heel wat interessanter. Ga maar niet googelen naar de geschiedenissen van het gehannes met al die grenspalen die daar staan, want voor je het weet ben je een avond kwijt.

De grensmarkering is godzijdank verlegd.

Büch zit zich in bovengenoemde tv-aflevering op te winden over waar de grens tussen Nederland en België nou precies loopt. Ik heb het even nagekeken: in de tussentijd is de grensmarkering een stukje verlegd. Verstandig, voor je het weet heb je weer een nieuw Neutraal Moresnet.

#12 – Einde

Verhalen van Schokland
Verhalen van Schokland
#12 - Einde
Aan het laden
/

De samenwerking tussen Black Pencil en Schokland is onderdeel van de Zomer op Schokland en kwam tot stand dankzij bijdragen van onder andere Stichting Zabawas, Stichting Gravin van Bylandt en VSB fonds.

#11 – Jaloers op de botternostalgie

Verhalen van Schokland
Verhalen van Schokland
#11 - Jaloers op de botternostalgie
Aan het laden
/

Over folklore, identiteit en een vanzelfsprekend verhaal waarmee mensen zich verbonden voelen, zoals de nazaten van de Schokkers.

#10 – Schokkers zaten apart in de kerk

Verhalen van Schokland
Verhalen van Schokland
#10 - Schokkers zaten apart in de kerk
Aan het laden
/

Eva vertelt over de televisiebewerking van haar boek Eens ging de zee hier tekeer en over hoe het de oud-Schokkers verging in hun nieuwe woonplaatsen.

#9 – Naar Schokland gaan als het slecht weer is

Verhalen van Schokland
Verhalen van Schokland
#9 - Naar Schokland gaan als het slecht weer is
Aan het laden
/

Over de band die de nazaten van de Schokkers hebben met het eilandje Schokland.