Tijdens een zaprondje kwam ik langs ‘Het verhaal van Nederland – De Tweede Wereldoorlog’. Ik heb het niet gekeken. Maar ik heb zo’n ongelooflijke lol gehad om het idee dat Daan Schuurmans de loop van de oorlog ten goede kan beïnvloeden, maar dat hij daar te ijdel voor is en liever een televisieprogramma presenteert. De gedachte dat er mensen naar de televisie schreeuwen: “doe er wat aan, Daan!” Of: “sta daar niet zo man, grijp die Mussert!”, als Daan Schuurmans weer opeens de geschiedenis binnenstapt.
Auteur: Bas Visscher
Onder spanning
Dat ik tijdens mijn weekje vakantie onderweg was naar het plaatsje – laten we zeggen – H., had alles te maken met de emdr-therapie die ik aan het afronden ben. De afgelopen weken heb ik achter zo’n lichtgevend balkje gezeten om wat shitzooi te verschuiven van de ene krocht in mijn hoofd, naar een plaats waar het wat minder kwaad kan. Als je jezelf dan daar, vanuit een hoek van de kamer, ziet zitten (en dat zie ik dan), dan lijkt het grote homeopathisch verdunde onzin, maar het werkt dus wel.
Je sluit het af met blootstelling, en de plek H. bezoeken is daar onderdeel van. Jezelf confronteren met een plaats of persoon of iets anders, waardoor je het een plekje kan geven en verder kan. Ik reed dus op de snelweg en hoe dichterbij ik bij H. kwam, hoe meer spanning ik in mijn lichaam voelde komen. Ik wilde dit niet en toch reed ik door.
In de verte, aan stuurboordzijde, zag ik een gigantische rookpluim. Iedereen reed gewoon door, de rookpluim kwam steeds dichter op ons, weggebruikers, af. Op de vluchtstrook bleek een gigantisch vuur te branden. Een oudtestamentisch beeld. En even zakte de spanning in mijn lichaam weg: hier gebeurde iets anders, iets groters. Dit moet een duister voorteken zijn, dacht ik. Ik voelde een flits van de hitte, toen ik er langsreed.
Het bleek om een aanhanger te gaan, die vlam had gevat. En toen ik in het plaatsje H. was, reed ik op mijn gemak wat rond en dat was onprettig, maar het ging wel. Ik wachtte niet op een heftige reactie, want ik wist dat die niet zou komen. De paniek zakte langzaamaan af en ik werd, gewoon, een beetje nurks.
Ik ben zo’n calvinist dat mijn voorkomen nauwelijks een verbinding heeft met mijn binnenste. Er zijn wel emoties, maar uiten lukt me nooit. Oh, soms zou ik zo heftig willen dat er iets in mij knapt, dat ik in huilen kan uitbarsten of eens woedend een spiegel kapot kan slaan. Op de terugweg dacht ik weer aan dat verterende vuur, dat in de bijbel juist vaak op Gods nabijheid wijst. Toen knapte er toch iets: de v-snaar onder de motorkap. Die had onder te grote spanning gestaan.
De vrouw met de zon in het haar
‘Het leven heeft geen zin, maar ik wel: Leven en werk van Maarten van Roozendaal’, door Patrick van den Hanenberg (Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2019), staat vol wetenswaardigheden over de een van de grootste kunstenaars van Nederland, helaas veel te vroeg gestorven. Man, wat had ik hem graag eens zien optreden. Ik weet nog dat hij in Emmeloord zou optreden, ik zat daar op de havo. Geen geld, geen tijd, zoiets moet het geweest zijn.
Ik denk niet dat ik veel muziek van hem kende, want streamen bestond toen nog niet. Misschien zag ik hem bij VPRO Vrije Geluiden (met Hans Flupsen!), waar ik op zondagochtend naar keek (juist omdat ik dacht dat dit een prima alternatief was voor de kerk, denk ik).
De werkelijke waarde van de muziek ontdekte ik pas later. Het ging soms over leven in de breedte: het grote gebaar, maar nog vaker nog over het kleine leven: miniatuurtjes van zomaar mensen. Ik herkende veel van Lou Reed in zijn teksten, naast Tom Waits blijkt, zo lees ik in die aardige biografie, dat ook zeker een inspiratiebron te zijn geweest.
Van Roozendaal bereikte nooit écht het ‘grote publiek’ (hence dat optreden in Emmeloord). Maar voor veel muzikanten en tekstschrijvers is hij een enorme inspiratiebron.
Troostrijk is ‘Christoffel’. Lang, 6/8 maat, met brede, open akkoorden door Marcel de Groot, goed basspel door Egon Kracht. En Maarten van Roozendaal die je mee op reis neemt door een oh zo Hollands landschap.
Dankzij de biografie kwam ik erachter dat de tekst niet helemaal van Van Roozendaal is. Hij liet zich sterk inspireren door ‘Waiting’, van Raymond Carver: Van Roozendaals partner Eva tipte hem het gedicht. Ik kende het niet, maar het is minstens zo mooi als het lied.
Waiting
Left off the highway and
down the hill. At the
bottom, hang another left.
Keep bearing left. The road
will make a Y. Left again.
There’s a creek on the left.
Keep going. Just before
the road ends, there’ll be
another road. Take it
and no other. Otherwise,
your life will be ruined
forever. There’s a log house
with a shake roof, on the left.
It’s not that house. It’s
the next house, just over
a rise. The house
where trees are laden with
fruit. Where phlox, forsythia,
and marigold grow. It’s
the house where the woman
stands in the doorway
wearing the sun in her hair. The one
who’s been waiting
all this time.
The woman who loves you.
The one who can say,
“What’s kept you?”
– Raymond Carver
Ik maak de laatste tijd veel lange wandelingen en moet vaak aan dit lied denken. Ik ontdekte ook nog dat Rogi Wieg een gedicht had geschreven over, natuurlijk, juist dit gedicht.
Raymond Carver
Raymond Carver schreef het al. Ik herinner me zijn regels vaag,
ga niet naar links, maar naar rechts. Neem de bocht, ga langs de rivier
en daar bij het huis, dat ene huis, staat de vrouw die van je houdt,
zoiets schreef hij, maar dan anders, al heb ik het onthouden.
Waarom moest hij zo vroeg dood? Er is weinig meer dan wat liefde en kunst
in sommige levens. En als het allemaal niet gaat, als het misloopt, je
wel naar links gaat… Verdomme, waar blíjf ik? De vrouw in het late zonlicht toch?
Neem de bocht, ga langs de rivier, de vrouw in wiens haar het zonlicht schijnt.
Het is daar bij dat ene huis, waar de auto van Carver staat. Ik kan hem
zien achter het stuur, al hangt hij naar voren en ademt hij niet meer in of uit.
– Rogi Wieg, 2007
Binnen roken
Intussen ben ik alweer een tijd van het roken af. Een keer of vijf per dag krijg ik nog wel een ontzettend sterk verlangen naar een sigaret, nee eigenlijk vooral naar het roken, de handeling. Misschien omdat het nog zo gewoon voelt. Of omdat ik lees hoe Knausgård om iedere andere bladzijde een sigaret opsteekt.
Ik hoor bij de laatste generatie voor wie roken nog enigszins normaal was. Een logische stap naar volwassenheid, een jongen die een man wordt. Een merk kiezen dat bij je past, een pakje sigaretten dragen als een horloge.
Dat er nog ruimtes waren waar je binnen mocht roken. Roken in een restaurant maakte ik dan wel niet meer mee, maar nog wel het roken in het café. Zo’n hok dat vanaf het begin van de avond helemaal blauw stond van de rook. Of lekker binnen roken tijdens een verjaardag, bij iemand thuis.
Asbakken vullen. De pakjes shag en sigaretten op tafel, zoals telefoons nu liggen uitgestald. Als er geen asbakkenbeleid was, dan ging het in de lege flesjes bier. Dan gebeurde het nogal eens dat je een slok van het verkeerde flesje nam. Een slok nicotine, soms met een plukje tabak of ronddrijvende filters. Dat was altijd een vermakelijk gebeuren, zolang je maar niet zelf het slachtoffer was.
Of assen in wat verder maar voor handen was: een leeg pakje sigaretten, een colaglas, op je bord. Een vriend kan smakelijk vertellen over hoe vroeger bij hen thuis, na het eten, de peuken werden uitgedrukt in de etensresten. Ik heb eens iemand een sigaret zien uitdrukken in een half aangegeten moot warmgerookte zalm. Maar dat was op Urk en dit kan alleen maar daar. (Nu ik hieraan denk dwalen mijn gedachten af naar het verhaal ‘Korte metten’ van Biesheuvel.)
Vandaag realiseerde ik me dat de laatste plaats in mijn omgeving waar nog binnen kan worden gerookt, de oefenruimte van ons bandje, binnenkort verleden tijd is. Er zijn nog tal van andere, meer voor de hand liggende redenen waarom ik daar weemoedig over kan doen. Toch is dit er wel eentje van.
De stranding van de UK 53 bij Scheveningen
Soms heb ik ergens een gaatje in mijn agenda en zoek ik online door oude video’s van Schokland, Urk, Kampen, noem maar op. Door digitalisering worden steeds meer oude filmbeelden, die intussen onder het publiek domein vallen of een CC-licentie krijgen, ontsloten.
En dat is een feestje. Zo kwam ik al meerdere beelden van verschillende overgrootouders tegen, bewegende beelden van de Urker kunstenaar ‘Jan de Knipper’ – maar soms is het een simpel fragment, van een seconde of tien, dat je plots aan andere bronnen kunt koppelen.
Zo kwam ik onderstaand fragment tegen van de gestrande UK 53, bezuiden het Ververschingskanaal (Afwateringskanaal) bij Scheveningen, gepubliceerd op 19 februari 1931.
De kranten van die tijd deden uitgebreid verslag van de stranding.
Het verhaal van een stranding bij Scheveningen
Op 18 februari 1931 wilde de UK 53, bijgenaamd “De jonge Hendricus”, onder barre weersomstandigheden de haven van Scheveningen binnenlopen. Maar dat ging helemaal mis.
Terugkerend van de visserij met aan boord schipper K.L. Kramer en de bemanningsleden K. Kramer en L.G. Post, werd het schip rond 13.00 uur tijdens een zware sneeuwstorm gegrepen door wind en stroming.
Slechts veertig meter van de zuidelijke pier verwijderd sloeg het schip lek. Het roer ging verloren en het schip werd stuurloos. De schokker (in het Visserijregister ingeschreven als ‘motorbotter’) strandde uiteindelijk een kilometer bezuiden het verversingskanaal, dus in de richting van Kijkduin.
Terwijl het water snel opkwam en het schip begon te zinken, klom de bemanning in het want van de mast, waar ze, vanaf het strand gezien, boven de zee hingen, terwijl de golven over hen heen sloegen. De Scheveningse reddingsboot “Zeemanshoop” voer direct uit en bereikte al snel de plek des onheils.
Toch lukte het door de verraderlijke branding pas na meerdere pogingen om de mannen één voor één aan boord te krijgen. Eén van hen, een vijftigjarige Urker, was zo verkleumd dat hij niet meer zelfstandig kon overstappen en letterlijk van het schip getrokken moest worden.
De schipbreukelingen werden opgevangen in het huis van monteur Andries Kamp, kregen daar warme dekens en koffie, en werden daarna met spoed naar een ziekenhuis in Den Haag gebracht. Dankzij de snelle actie van de reddingsboot kwamen alle drie de opvarenden met de schrik vrij.
In september 1931 werden de moedige redders van de “Zeemanshoop” in Den Haag gehuldigd voor hun menslievende optreden.
De UK 53 werd als verloren beschouwd.
De UK 53
Ik vond in de collectie van het Centraal Visserijregister / Zuiderzeecollectie de inschrijving van de UK 53 (zie hieronder). Daarop lezen we: “18-2-31 doorgehaald, bij Scheveningen gestrand en wrak.” Voor iedere verandering (nieuw schip, nieuwe cijfers, nieuwe eigenaar etc.) werd zo’n kaart gemaakt. Bij “Dagteekening van inschrijving” lezen we “Januari 1931”.
De trieste conclusie die we uit deze (doorgehaalde, want niet meer in de vaart) kaart kunnen trekken is dat de UK 53, of het nou een botter of schokker was, maar een kleine twee maanden in de vaart moet zijn geweest.

En het verhaal van de stranding van het schip van mijn eigen overgrootvader, Klaas van Urk, in 1932 indachtig, vrees ik dat deze Klaas Kramer ook niet verzekerd was.
De Zeemanshoop

Nog even over de reddingsboot. De motorreddingsboot “Zeemanshoop” werd in 1925 te Scheveningen in dienst gesteld. Ze kreeg al snel de reputatie van een zeer zeewaardig schip en volbracht meerdere reddingsacties succesvol. Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelde de reddingsboot van de N.Z.H.R.M. nog een zekere rol van betekenis (op Wikipedia lezen we hier meer over).
En dan een wending, die het verhaal van de stranding van de UK 53 mooi rond maakt: eind jaren 1960 werd de boot gestationeerd op Urk:
“In 1960 zien wij haar te Lemmer en Harlingen, daarna vier jaar te Nijkerk. Toen dit station in 1965 werd opgeheven, ging de Zeemanshoop haar drukste jaren als reddingboot tegemoet. In de ruim vijf jaar, dat de boot te Urk was gestationeerd (11 december 1971 werd zij aldaar vervangen door de motorreddingvlet Hessel Snoek), kwam dit station 99 maal in actie en werden 189 mensen door de Zeemanshoop uit gevaar bevrijd. Een waardig besluit van 46 jaren actieve dienst.”
– KNRM, ‘Het avontuurlijke leven van de reddingboot Zeemanshoop’, datum onbekend. https://www.knrm.nl/blog/historie/zeemanshoop-avonturen, geraadpleegd 5 augustus 2025.
Bronnen
Hieronder volgen een passage uit het boekje ‘Vissers van Urk’, van Stichting Urker Uitgaven, en een krantenknipsel, die samen nog wat meer context geven. Overigens vonden meer strandingen plaats voor de Noordzeekust in de jaren 1930. En in de crisistijd kon zo’n stranding een flinke economische impact hebben op een gezin…
UK 53, 18 februari 1931. ,,De jonge Hendricus”
Terugkerende van de visserij trachtte de schokker met aan boord K.L. Kramer, K. Kramer en L.G. Post onder moeilijke weersomstandigheden de haven binnen te lopen: sneeuw, wind en hoge zee. Om circa 13.00 uur gebeurde het ongeluk. Nog ca. 40 meter verwijderd van de kop van de zuidelijke pier, raakte het schip onklaar en sloeg met kracht daar tegenaan. Met wind en stroom mee dreef het lekgeslagen vaartuig zuidwaarts en strandde tenslotte ten zuiden van het verversingskanaal. De bemanning klom in de mast. Snel voer de reddingsboot ,,Zeemanshoop” uit. Deze was na ongeveer een kwartier al ter plaatse, maar door de stroom en de zware branding lukte het niet de botter zelf te bereiken. Maar na enige vergeefse pogingen konden toch de bemanningsleden een voor een gered worden. Ze werden in het ziekenhuis ,,Zuidwal” opgenomen, en konden na een goede verzorging weer naar huis vertrekken. Ook de reddingboot had schade opgelopen. In september werden de moedige redders in Den Haag gehuldigd. Ze kregen een medaille met getuigschrift voor hun betoon van menslievendheid.
– T. de Vries et al., Vissers van Urk (Urk: Stichting Urker Uitgaven, 1983). p. 140

In veel kranten werd verslag gedaan van de stranding, middels een kort bericht. Maar in De Avondpost stond – nog diezelfde avond – een uitgebreid en spectaculair verslag, dat ik hier overgenomen heb.
Scheepsramp te Scheveningen
Een schokker is vanmiddag tusschen Afvoerkanaal en Kijkduin gestrand en gezonken
Tegen havenhoofd lek geslagen
Verkleumde bemanning gered
Hedenmiddag tegen half twee is de Urker schokker no. 53, ongeveer 1 K.M. ten Zuiden van het Afvoer- of Ververschingskanaal, dus in de richting Kijkduin, gestrand.
Aan boord bevonden zich 3 man. Vermoed werd, dat de schokker eerst tegen één der havenhoofden is lekgeslagen. Door den zwaren sneeuwstorm was het zicht zeer slecht. De Scheveningsche reddingsboot „Zeemanshoop” is aanstonds uitgevaren tot het verleenen, zoo noodig, van assistentie.
DE BEMANNING GERED!
Schokker gezonken.
Bij een onderzoek, door onzen verlaggever ter plaatse ingesteld, bleek, dat de schokker –de U.K. 53 – dusdanig lek geslagen was, dat hij in zinkenden toestand op het strandwas gezet.
Doordat terzelfder tijd de vloed kwam opzetten en het zwaar bleef sneeuwen was er weldra van het schip niets meer te zien, dan de mast en het want.
Zwevend boven zee
De bemanning zat in het want. Door de vrij felle branding lag de boot scheef, zoodat, vanaf het strand bezien, de 3 menschen als ’t ware inde sneeuw boven de zee zweefden.
De Zeemanshoop
is direct naar de plek van het onheil gestevend en voer pal op de zinkende schokker aan. De drie in nood verkeerende mannen waren in staat de uit de reddingboot hangende touwen te grijpen, waarna zij spoedig uit hun netelige positie waren bevrijd. Full speed keerde toen de Zeemanshoop naar de haven terug. De kranige bemanning had een met dit weer niet ongevaarlijke redding, volbracht!
Totaal verkleumd werden de schipbreukelingen door dep G. G. D. naar den Centralen Post gebracht en vervolgens naar het Ziekenhuis aan den Zuidwal.
DE OORZAAK VAN DE RAMP
Naar de schipper van het gestrande scheepje, tijdens zijn overbrenging naar de haven, aan den schipper van de reddingboot mededeelde, is de schokker tegen de Zuiderpier van de haven gehotst, en daarbij dusdanig lek geslagen, dat het scheepje weldra begon te zinken.
Van pompen was geen sprake meer, zoodat hij besloot zijn vaartuig op het strand te zetten.
Daarbij stootte de schokker echter op den kop vaneen golfbreker, waardoor het roer verspeeld werd, waardoor de opvarenden aan. het spel van wind en golven waren overgeleverd.
Na eenige uiterst benauwde oogenblikken sloeg het zinkende scheepje opnieuw op den kop van den breker en bleef daar vastzitten, waarbij het tot aan de verschansing onder’ water kwam te leggen. Door den Noordwester en door de branding kwam de vloed snel opzetten, zoodat men weldra tot het middel in ’t water stond. Toen door den zwarer. golfslag het scheepje bovendien naar stuurboord kantelde, werd de toestand kritiek en was de bemanning genoodzaakt in het want te klimmen.
Net op tijd.
De reddingsboot, aldus schipper Kramer van de U. K. 52, kwam nog net op tijd, want wij hadden gedrieën het geen kwartier meer kunnen volhouden. Zoo verkleumd waren we van de kou.
De golven sloegen reeds over de visschers heen en vooral één van de twee knechts kreeg daarbij veel water binnen. Het vaartuig waar alleen de mast nog van te zien is, moet als verloren worden beschouwd.
Aan den wal gebracht
In het huisje van den monteur der reddingsboot Andries Kamp, werden de doorweekte schipbreukelingen aanstonds opgenomen, in dekens gewikkeld en vaneen heete kop koffie voorzien.
Snelle redding.
De reddingboot „De Zeemanshoop” is 7 minuten nadat het bericht van de stranding binnen was gekomen, reeds uitgevaren, en was bemand met den tweeden schipper Harteveld, den havenbediende Mos, den vletterman Otto Klaassen en den reeds genoemden monteur Andries Kamp.
Laatstgenoemde vertelde ons nog, dat de boot door de zware branding genoodzaakt was eerst een goed eind zee in te varen, eer men op het in nood verkeerende schip kon afstevenen.
Toen men echter door de kijkers waarnam, dat de bemanning reeds in het want hing, en dus iedere minuut, ja zelfs elke seconde, kostbaar was, heeft men het gevaar van de branding getrotseerd en is de schipper recht op de UK. 53 afgevaren.
Tweemaal stootte de reddingboot eveneens op den golfbreker. Een derde maal raakte de schroef even een tros van het in nood verkeerende schip. Men heeft toen een anker uitgeworpen en zich naar het scheepje laten afzakken. De eerste maal kon eender in nood verkeerende menschen een uithangend touw grijpen en binnen boord worden gehaald. De tweede maal botste de boot met groote kracht tegen het gestrande vaartuig, waarbij schipper Kramer eveneens kans zag een gedeelte van de tuigage te grijpen en op de reddingboot te klimmen. De derde opvarende echter was. zoo verkleumd van de koude, dat hij geen kans zag zelf over te springen. Mos en Otto Klaassen zijn toen met gevaar voor eigen leven buiten boord gaan hangen, waarop men de „Zeemanshoop” zóó dicht dc U.K. 53 liet naderen, dat men den verkleumden man, die circa 50 jaar oud is, kon grijpen en van ’t vaartuig aftrekken.
Met hoera begroet.
Toen is de „Zeemanshoop” in volle snelheid naar de haven teruggekeerd, waar redders en geredden met een hoera-geroep werden begroet.
Terwijl Kamp ons dit zat te vertellen, kwam de vletterman Klaassen nog doornat binnen met de mededeeling, dat hij de reddingsboot weer op haar- plaats had gelegd. „De verf is nogal wat beschadigd”, voegde hij er laconiek bij.
Bij het ter perse gaan van dit nummer waren de medici en zusters druk doende de 3 mannen, die eenige uren tevoren een kwaad avontuur hadden doorstaan op te knappen. Voor noodlottige gevolgen werd niet gevreesd.
– De Avondpost, 18 februari 1931
Tot slot
Ik blijf achter met een paar kleine vragen.
De UK 53 lijkt me, gezien de rondingen, eerder een botter dan een schokker. Maar in alle artikelen wordt gesproken van een schokker – vandaar dat ik dit hier ook heb aangehouden. Wie verlost mij van mijn twijfel?
En bestaat er een foto van de UK 53?
En in dezelfde beeldbank vond ik videomateriaal van een ander gestrand schip, ergens in maart 1931. Maar ik heb dat schip nog niet kunnen identificeren. Wie helpt me mee?
‘Urker’ oorlogsverhalen en de Eerebegraafplaats Bloemendaal
In de duinen bij Overveen ligt de Eerebegraafplaats Bloemendaal. Langs de Zeeweg, richting de kust, vind je de ingang. De begraafplaats wordt geflankeerd door een groot ruwhouten kruis.

Na de bevrijding keerden veel verzetsleden niet terug naar hun families. In de zomer van 1945 werd in 45 grafkuilen in de duinen, verdeeld over zes verschillende plaatsen, de stoffelijke overschotten gevonden van 422 mensen.
De herbegrafenis moet een helse klus zijn geweest. De gefusilleerden waren nog nauwelijks te herkennen.
‘Oud, jong, bankier, los werkman, rechtbankpresident, drogist, familievader, trotse homo, communist, gereformeerde, beeldhouwer, boerenknecht. Een typische dwarsdoorsnede, kortom, van het verzet in westelijk Nederland’, aldus Geert Mak op 5 mei 2006 in NRC Handelsblad.
Op de sobere begraafplaats, die zo prachtig aansluit bij de natuur, zijn bekende namen terug te vinden, zoals Hannie Schaft (overigens de enige vrouw op de begraafplaats) en Gerrit van der Veen. De Eerebegraafplaats werd zo ingedeeld, dat zij die op dezelfde plaats gevonden werden, ook bij elkaar herbegraven werden.
Opvallend veel van de verzetsmensen waren afkomstig uit de Zaan, de Zaanstreek. En ontzettend veel gefusilleerden waren communist, of hervormd of gereformeerd.

In 1953 wilde men een gedenkteken op de begraafplaats laten verrijzen. H.M. van Randwijk leverde twee opties aan, een stuk proza en een gedicht. De keuze viel op het proza en de krachtige tekst werd op vier platen op de begraafplaats aangebracht.
‘Tegen het geweld des vijands stelden zij overtuiging en geloof, tegenover het Germaanse heidendom het getuigenis van Christendom en Humanisme, tegenover de georganiseerde millioenen de onvervangbare waarde van den mens. […] Bedenk, dat hetgeen gisteren bedreigd werd, heden en morgen opnieuw in gevaar kan verkeren. Bescherm het en wees waakzaam.’
Het gedicht, dat een plek op de begraafplaats niet haalde, zou overigens later nog bekender worden. De slotregels daarvan luiden: ‘een volk dat voor tirannen zwicht, / zal meer dan lijf en goed verliezen, / dan dooft het licht.’
Willem Arondéus
Het was in de lente van 2018, toen ik, in de IHLIA-sectie in de Openbare Bibliotheek in Amsterdam, met mijn neus in de biografie (door Rudi van Dantzig) over Willem Arondéus zat. Deze verzetsstrijder en openlijk homoseksueel had voor de oorlog twee jaar op Urk gewoond.
Arondéus was dikwijls ongelukkig en geplaagd door psychische problemen. Maar zijn psychische en financiële zorgen maakten niet dat hij zijn kunstenaarschap opgaf. Op Urk kon hij zich rond 1920 in afzondering op zijn werk storten. Tot grote doorbraken in de kunst leidde dit echter niet.
Wel was hij ook op Urk openlijk over zijn geaardheid, iets dat in die jaren een groot taboe was in het hele land. Geïnspireerd door de poëzie van P.C. Boutens schreef hij op het eiland, waar hij ondanks zijn depressies ook dikwijls gelukkig was, een bundel met twintig gedichten, waarin hij gewag maakte van zijn verhoudingen met twee Urker mannen.
Twintig jaar na zijn periode op Urk brak de oorlog aan. Arondéus verzette zich moedig tegen de bezetter. Hij schreef al in 1942 de ‘Brandarisbrief’, een pamflet waarin hij kunstenaars opriep zich te verzetten tegen de bezetter.
Het daaropvolgende jaar blies hij, met leden van de verzetsgroep Gerrit van der Veen, het bevolkingsregister aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam op.
Arondéus werd opgepakt en gefusilleerd. Vlak voor zijn dood wendde hij zich tot zijn advocate en vroeg haar: ‘Zeg de mensen dat homoseksuelen niet per definitie zwakkelingen zijn’.

Hoewel Arondéus leider van de actie was, zou vooral Gerrit van der Veen na de oorlog herinnerd worden. Waarschijnlijk paste Arondéus als homoseksueel niet in het na-oorlogse herdenkingsnarratief. Ook Frieda Belinfante, homoseksueel en dochter van een joodse vader, die de oorlog overleefde, kreeg weinig erkenning.
De aanslag op het bevolkingsregister was één van de grootste verzetsdaden in ons land. Tijdens de aanslag werd overigens, opzettelijk, geen enkele Duitser omgebracht. In 1946 werd op de gevel van het bevolkingsregister een gedenkplaat aangebracht.
Ik kwam erachter dat Arondéus begraven ligt op de Eerebegraafplaats. Als jongen ‘uit het oosten’ had ik nog nooit van deze begraafplaats gehoord en ik kwam erachter dat het op slechts een kwartier fietsen van mijn toenmalige appartement in Zandvoort lag.
Roelof Tiede Oost
Op die lentedag in 2018, op zoek naar Arondéus, viel mijn oog op een mij bekende naam: Roelof Tiede Oost. Niet dat ik wist om wie dit ging. Nee, mijn overgrootvader droeg dezelfde naam. Familie?
Roelof Tiede Oost was een gewone man met een buitengewone moed. Samen met zijn gezin woonde hij in Medemblik, waar hij werkte als portier en later als klerk in het Provinciaal Ziekenhuis. Daarnaast vervulde hij een administratieve rol bij het ziekenfonds. Maar in de loop van de Tweede Wereldoorlog werd hij veel meer dan dat: een uitgesproken tegenstander van de NSB en de Duitse bezetter.
Vanaf 1942 raakte Oost actief betrokken bij het verzet. Hij hielp onderduikers door hen onderdak te bieden en zorgde ervoor dat zij veilig konden blijven. Daarnaast verspreidde hij verboden kranten, waaronder het verzetsblad Vrij Nederland.
In de laatste maanden van de oorlog gebruikte hij een verborgen radiotoestel in het ziekenhuis om naar de Engelse zender te luisteren. Hij noteerde belangrijke berichten, typte ze uit en verspreidde ze onder vertrouwde collega’s en bekenden. Het was gevaarlijk werk, en begin 1945 werd de dreiging te groot: hij moest onderduiken.
Op 14 februari 1945 dacht Oost dat het weer veilig was om zich buitenshuis te begeven. Hij had het mis. In zijn eigen woning werd hij gearresteerd en opgesloten in Alkmaar. Later werd hij overgebracht naar het Huis van Bewaring in Amsterdam, waar hij op de lijst van Todeskandidaten werd geplaatst – mensen die geëxecuteerd zouden worden als vergelding voor verzetsdaden.
Op 12 maart 1945 werd het vonnis voltrokken. Samen met 29 anderen werd Roelof Oost gefusilleerd bij het Eerste Weteringplantsoen in Amsterdam, als represaille voor de moord op een Duitse officier, Ernst Wehner.

Roelof Tiede Oost was geboren op Urk, Nederlands Hervormd… en was inderdaad een volle neef van mijn overgrootvader.
Harm Hendrik Gerssen
Terwijl ik over de begraafplaats liep, zo sereen en tegelijkertijd zo indrukwekkend, viel mijn oog op nog een gedenksteen. Harm Hendrik Gerssen. Een Urker naam, dacht ik direct.
Net als veel andere Urkers kwam de gereformeerde Gerssen in de Zaanstreek terecht. Daar was voldoende werk te vinden. De Urkers vormden er in sommige plaatsen zelfs een gemeenschap binnen een gemeenschap. Tot begin 1942 werkte Harm Gerssen als fabrieksarbeider bij Stijfselfabriek De Bijenkorf in Koog aan de Zaan. Daarna koos hij voor een zelfstandig bestaan als vishandelaar.
Gerssen sloot zich tijdens de oorlog aan bij de verzetsgroep Koog-Bloemwijk, een moedige groep strijders die overvallen pleegde om persoonsbewijzen en bonkaarten te bemachtigen voor onderduikers. Een van de meest gedurfde acties vond plaats op 9 november 1943. Samen met zijn kameraden overviel hij het politiebureau, distributiekantoor en raadhuis van Oegstgeest.
De buit was: 14.000 bonkaarten, honderden blanco persoonsbewijzen, duizenden zegels en een geldbedrag van bijna 1.500 gulden. Een deel van de bonkaarten werd op Urk afgestempeld en verspreid onder degenen die ze het hardst nodig hadden.
Maar daar stopte het niet. Op 11 januari 1944 nam Gerssen deel aan een overval op het postkantoor in Purmerend, waarbij distributiebescheiden en maar liefst 22.000 gulden werden buitgemaakt.

Ook sabotage was een belangrijk onderdeel van zijn verzet. In januari 1944 hielp hij bij een poging een vrachtschip in aanbouw – bedoeld voor de Duitse Wehrmacht – in brand te steken op scheepswerf Czaar Peter in Zaandam. Daarnaast zette hij zich in voor geallieerde vliegers die in Nederland waren neergekomen. Hij bood hen tijdelijk onderdak en hielp hen de grens over naar veiliger gebieden.
Op 22 januari 1944 sloeg het noodlot toe. Door verraad van een V-mann – een infiltrant die verzetsgroepen uitleverde aan de bezetter – werd Gerssen in zijn eigen huis gearresteerd door de Sicherheitspolizei. Zijn strijd eindigde een maand later. Op 23 februari 1944 werd hij, samen met zes andere verzetsleden, geëxecuteerd in de duinen bij Overveen.
Jacobus Jozef Heijdra
Tijdens het schrijven van dit artikel, zeven jaar na het bezoek aan de begraafplaats, ontdekte ik dat op de Eerebegraafplaats nog iemand met ‘Urker banden’ begraven ligt: Jacobus Jozef Heijdra.
De rooms-katholieke Heijdra was in dienst van de marechaussee en het Amsterdamse politiekorps. In die functie kreeg hij in 1942 de opdracht om Joden op te pakken. Maar Heijdra weigerde dit en dook onder in de Zaanstreek. In de onderduik sloot hij zich aan bij bovengenoemde verzetsgroep Koog-Bloemwijk.
Hij hielp Joodse landgenoten met het vervoer naar hun onderduikadres. In de buurt van Urk hielp hij met het opsporen van neergestorte geallieerde vliegers. Misschien wel samen met Gerssen?
In 1943 hiel Heijdra twee gewonde verzetsmensen uit het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam te ontsnappen. Ook was hij betrokken bij de bevrijding van een medewerker van verzetskrant Trouw. Helaas mislukte die actie.
Ook nam Heijdra deel aan de eerdergenoemde overval in Oegstgeest. Hij werd net als Gerssen verraden en ook gefusilleerd op 23 februari 1944.
Vergeten verhalen
Deze verhalen vertellen iets over hoe we de oorlog herinneren en herdenken. Op Urk kennen we onze ‘eigen’ oorlogshelden. Zoals de Engelandvaarder Pieter Hakvoort. De broer van mijn overgrootvader, Jan Ras, kwam niet uit de concentratiekampen terug. Ook zijn naam is op het Urker ‘monument voor gevallen Urkers’ terug te vinden.
In 1995, vijftig jaar na de oorlog, werden de drie namen toegevoegd van Joodse bewoners van Urk: de familie Kropveld. Ook dit zegt iets over welke verhalen we herinneren, op welk moment in de tijd.
Geboren Urkers of oud-inwoners Oost, Gerssen en Arondéus staan niet op het Urker oorlogsmonument genoemd, omdat ze tijdens de oorlog niet op Urk woonden. Misschien dat daarom hun aandeel in de oorlog op Urk niet gemeenschapsbreed bekend is.
Misschien moeten we daarom de komende 4 mei ook eens in gedachten stilstaan bij de ‘Urkers’ op de Eerebegraafplaats in Bloemendaal.
Over Oost en Gerssen valt voor mij nog genoeg uit te zoeken. Ik zou bijvoorbeeld graag meer willen weten over de contacten tussen Gerssen en Urk. Op 4 mei 2024 verscheen in ‘Het Urkerland’ trouwens een mooi portret van Roelof Tiede Oost.
Veel van de biografische gegevens uit bovenstaand artikel zijn terug te vinden op de website van de ‘Stichting de Eerebegraafplaats te Bloemendaal’. Over Willem Arondéus schreef ik eerder op mijn blog. De ‘Stichting Urk in Oorlogstijd’ beheerde een informatieve website over de Tweede Wereldoorlog en Urk, helaas zijn veel van de verhalen van hun website verdwenen.
Urk werd hun Elba
Toen de Eerste Wereldoorlog in 1914 uitbrak, koos Nederland voor neutraliteit. Toch bleef de oorlog niet zonder gevolgen voor ons land. Veel mensen, voornamelijk Belgen, zochten hier een veilig heenkomen, op de vlucht voor het oorlogsgeweld. Daarnaast kwamen ook militairen Nederland binnen, soms per ongeluk, soms bewust.
Degenen die hun erewoord (‘parole d’honneur’) gaven dat ze niet zouden ontsnappen, kregen een relatief vrij bestaan. Wie dat weigerde, werd geïnterneerd en verbleef in speciale kampen.
Urk was een ideale locatie voor zo’n interneringskamp: klein en overzichtelijk, omringd door de Zuiderzee en met een bevolking die gewend was aan gezag.

Schrijfster en journaliste Mandy van Dijk vernoemde haar boek, uitgegeven door Atlas Contact in 2021, naar de bijnaam die de officieren Urk gaven: Île du Diable, oftewel: Duivelseiland.
In 2021 keuvelden Linda van der Pol en ik in een podcast over het leven van de buitenlandse officieren in het interneringskamp op Urk. Wie waren zij en waar kwamen ze vandaan? Hebben ze echt een tunnel gegraven? En waarom is het onderzoek van Van Dijk zo waardevol?
Ik vond dat ik dit gesprek ook een plekje op mijn blog moest geven.
In de aflevering laten we een fragment van een interview horen met Albert van Urk (wiki). Zijn korte publicatie over dit onderwerp draagt de titel ‘Elba in de Zuiderzee’. (Verschenen in: Enne Koops en Henk van der Linden (red.): De kogel door de kerk? Het Nederlandse christendom en de Eerste Wereldoorlog. (Soesterberg: Uitgeverij Aspekt, 2014.))
De datum van het interview is mij onbekend, maar het zal waarschijnlijk in 1996 hebben plaatsgevonden. Ik heb het van een cassettebandje overgenomen en geüpload naar YouTube.
Het boek van Mandy van Dijk is een aanrader voor iedereen die een fascinatie heeft voor ‘kleine’ geschiedenissen. Het is fijn geschreven en het zit vol spanning en wetenswaardigheden. Ook begrijp je door het lezen van dit boek beter welke impact de Eerste Wereldoorlog had voor de gemeenschappen in Nederland.

Vriend Jan van den Berg interviewde Mandy van Dijk in 2021 voor SCAB (hieronder). Ook in Het spoor terug, een rubriek van OVT, werd aandacht besteed aan Duivelseiland, in een mooie documentaire van René Oomen.
Terug in De Klos
Zaterdag 8 februari jl. speelde ons Niemandsland voor de tweede keer in De Klos, Emmeloord. Dit keer hadden we alle vier in meer of mindere mate last van onze gezondheid, dat krijg je als je geen twintigers meer bent. Maar met een griepje kun je ook prima optreden. We speelden zo’n veertig minuten en met wat trouw support vanuit Urk en Zwolle overleef je zoiets wel.
We speelden in het voorprogramma van Treehook. En die verplaatsten naar het einde van hun set het drumstel naar de dansvloer. Een feestje in Emmeloord.
We speelden voor het eerst onze nieuwe single ‘Voor altijd, voor eeuwig’ live.
Deze gig was misschien ook een afscheid van De Klos. Want dit culturele centrum zal waarschijnlijk rond 2026-2027 moeten wijken voor woningbouw.
Heemschut bellen? Een petitie starten?
Ik weet het niet.
Ik weet wel dat ik, en menig ander, er veel dierbare herinneringen heb liggen.
Een monument voor prima mensen
Het duurt even voor we het monument vinden. K. en ik rijden op een mistige zaterdagmiddag over het ‘Lowlandsweggetje’, langs de dijk bij Biddinghuizen. ‘Het zou hier ergens moeten zijn…’
Dan doemt uit de mist, op de rand van de Flevopolder, een brutalistisch kunstwerk op. Het heeft iets weg van een communistisch monument. Beton. Op een hoge plek. Een ster… van vijf meter hoog… met twee uitgestoken duimen. Direct giert door onze lijven een gevoel van verrukking.
Het ‘Monument voor prima mensen’ is een werk van de Nederlandse kunstenaar Domenique Himmelsbach de Vries. Het monument wordt onthuld in november 2014. De twee opgestoken duimen zijn een verwijzing naar het ‘like’-symbool op sociale media, aldus de sympathieke kunstenaar.
Uit de tekst op zijn website begrijp ik dat het doel van het monument is om bijzondere, vaak onbekende en meestal levende mensen en hun verhalen te eren en zo een alternatieve en eigentijdse geschiedenis te schrijven waaraan het publiek kan bijdragen.
Aan de voet van het monument zien we tegels met namen liggen. Ze zijn geplaatst ter ere van de ‘prima mensen’. We vragen ons hardop af voor wie we zo’n steen zouden kopen.

Himmelsbach de Vries: ‘[Het monument is] een betonnen hommage voor de prima mens; een gedenkplek voor inspirerende vuilnismannen, kunstenaars, schrijvers, goeroes en vrienden. Het monument moet Nederland tot vers optimisme inspireren en dienst doen als verbindend verhaal tussen prima mensen.’
Onwillekeurig moet ik aan Reve’s ‘Roeping’ denken:
Zuster Immaculata die al vier en dertig jaar
verlamde oude mensen wast, in bed verschoont,
en eten voert,
zal nooit haar naam vermeld zien.
Maar elke ongewassen aap die met een bord: dat hij
vóór dit, of tegen dat is, het verkeer verspert,
ziet ‘s avonds reeds zijn smoel op de tee vee.
Toch goed dat er een God is.
Dan staat het beeld ook nog eens op de grens van het oude en het nieuwe land. Is het misschien ook een ode aan de hardwerkende eerste Flevolanders? Wie weet, want de namen van de vroegste bewoners van Biddinghuizen zijn op de tegels terug te vinden.
En ergens spookt toch wel dat communistische ideaal, zowel in Flevoland als in dit kunstwerk. Maar het monument propageert geen onbereikbaar ideaal, het neemt genoegen met ‘prima’.
In het gedicht van Reve krijgt de lezer sympathie voor de zuster. De God van Reve grijpt echter niet in. Misschien zijn zowel de zuster als de aap nodig in onze samenleving. Zou dat zijn wat Reve ons wil zeggen?
Himmelsbach de Vries is er duidelijk over: ‘Het monument kan gebruikt worden als tool om sociale cohesie te bevorderen […]. Een betonnen verbinding, een concrete connectie tussen hen wie prima zijn.’
Wij vinden het in ieder geval helemaal prima.
Toch goed dat er ook kunst is.
Het reizende doopvont van Schokland en het gespikkelde huwelijk
De of het doopvont? Beide lidwoorden zijn hier correct, aldus de Van Dale. Als dialectspreker ben ik gewend het doopvont te zeggen.
Een doopvont is een waterbekken, voor de toediening van de doop in de christelijke traditie. Zo is mijn voorhoofd besprenkeld met het water uit het vont van de Nederlands Hervormde Kerk de Ark op Urk. Het gebouw waar nu de Hersteld Hervormde Gemeente de Moria gehuisvest is.
Van doleanties is in de laatste eeuwen van de geschiedenis van Schokland nog geen sprake. Je bent er of protestant of katholiek. En dat heeft te maken met waar je op Schokland woont.
Het eiland is al bestuurlijk opgesplitst, als het na de reformatie ook nog religieus wordt opgesplitst. Het noordelijke deel, ‘Emmeloord’, blijft de oude religie aanhangen. Daar krijgt de ‘ware leer’ geen voet aan wal. Het zuidelijke deel, ‘Ens’, gaat over naar het protestantisme. Wanneer in de Franse tijd het hele eiland één gemeente wordt, blijft de religieuze scheiding.
Gespikkeld huwelijk
Een huwelijk tussen beide geloofsgroepen wordt een ‘gespikkeld huwelijk’ genoemd. Het woord gespikkeld verwijst naar Genesis 30, het verhaal van Jacob en Laban. De tale Kanaäns is onder de rechtlijnige protestanten geliefd en misschien komt zo de term ‘gespikkeld’ wel in de historische bronnen over Schokland terecht.
Dat een gemengd huwelijk not done is op Schokland, betekent niet dat dit niet gebeurt. Hiervan zijn het aanwijsbare aantal gespikkelde huwelijken getuige. In mijn eigen stamboom kom ik een huwelijk tussen iemand uit Ens en Emmeloord tegen. (En wat zegt dit over mij?)

Nagele en het doopvont
Het Zuiderzeegebied is sinds het ontstaan, waarschijnlijk ergens in de loop van de middeleeuwen, voortdurend in verandering. Mede doordat een groot deel van het land uit veengrond bestaat, en door menselijke bewerking van het landschap, slaat de Zuiderzee steeds meer land af. De zee wordt alsmaar breder en groter. In het gebied dat we nu als Noordoostpolder kennen, zijn eeuwenlang meer nederzettingen dan alleen Urk en Schokland, de eilanden die tot 1932 het geweld van de Zuiderzee overleven.
Bij veel Nederlanders is de ‘legende van Nagele’ bekend. Bij een gevecht in de lokale herberg op het eilandje of terp Nagele springt de lokale pastoor tussenbeide. Hij wordt bruut neergestoken. In zijn laatste woorden voorspelt hij dat Nagele zal verdrinken en dat vissers hun netten aan de grafzerken zullen scheuren.
Dit verhaal maakt invoelbaar hoe hele dorpen verdwijnen in de Zuiderzee.
Eind achttiende eeuw wordt tussen Urk en Schokland een doopvont opgevist, nadat eerder een kandelaar met de vangst naar boven komt. Vissers vertellen elkaar dan al een tijd over opgeviste grafzerken ter hoogte van het ‘Urker kerkhof’, een deel van het water dat ze ook wel ‘de Nagel’ noemen. Misschien maken ze elkaar bij zo’n vondst wel bang met de legende van Nagele.
Het schijnt dat in 1922 een hoogbejaarde Schokker nazaat, uit Kampen, nog beweert dat het zijn grootvader is, die de bovengenoemde kandelaar heeft opgevist. De verhalen van Nagele blijven meereizen met de tijd, ook ver na de ontruiming van Schokland in 1859.

Verdronken dorpen
Yftinus van Popta, maritiem archeoloog, combineert in 2020 gegevens over vloeden, historische bronnen en archeologische vondsten in zijn proefschrift ‘When the Shore becomes the Sea‘. De positie van het verdronken dorp Nagele zou heel goed ten noorden van Urk en Schokland kunnen zijn. De plek van het ‘kerkhof’.
Niet alleen onderzoekt hij Nagele, ook doet hij onderzoek naar de andere ‘verdronken dorpen’, zoals Fenehuysen en Marcnesse. Hiermee ontstaat een beter beeld van het gebied in de middeleeuwen. Ik begrijp nu beter hoe het leven er tussen 1100 en 1400 voor de Schokkers en Urkers uitziet.
Bijvangst van zijn onderzoek: de huidige namen van de polderdorpen zijn weliswaar gebaseerd op voormalige plaatsen, maar corresponderen niet met hun ligging. Het huidige Nagele bijvoorbeeld ligt dan wel tussen Urk en Schokland, maar dan een stuk zuidelijker dan de historische naamsgenoot.
Van Schokland naar Ommen
Tijdens de watersnoodramp van 1825 wordt het altaar in de kerk op Emmeloord weggespoeld. In 1826 krijgt de Rooms-Katholieke kerk op Emmeloord een nieuw altaar. De pastoor koopt het vont aan en laat er zijn naam in beitelen. Na de ontruiming van Schokland in 1859 verhuizen zowel de ‘nieuwe’ ‘Waterstaatskerk’ van Emmeloord, in 1842 gebouwd ter vervanging van het vorige godshuis, als het doopvont, naar Ommen.
Na het einde van de ‘Schokker kerk’ van Ommen in 1938, verhuist het opnieuw, nu naar het Ommense Rooms-Katholieke kerkgebouw St. Brigitta, dat in 1939 wordt gewijd.
“’t Vont laat de duiding van het water weten”
Een regel uit een gedicht van de Urker Tromp de Vries, bij een replica van het doopvont. Urkers zijn na de inpoldering betrokken bij de geschiedenis van Schokland. Er ontbreekt iets op Schokland, zo wordt gedacht. Beeldhouwer Piet Brouwer maakt een replica van het doopvont, dat in 1996 in de hervormde Enserkerk wordt geplaatst.
Van het verdronken Nagele naar Schokland en van Schokland naar Ommen. Een geschiedenis van acht eeuwen (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed geeft de twaalfde of dertiende eeuw mee als datering) in één object.
En drie eeuwen nadat de reformatie op Schokland komt, is er sinds 1996 ook een hervormd Schokker doopvont, een replica van een katholiek Nagelees doopvont. Gemaakt door een gereformeerde Urker.
Hoe we de herinnering aan de Zuiderzee levend kunnen houden
‘Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven, / Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’, / Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven / Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.’
Zo begint het bekendste gedicht van de Urker dorpsdichteres Mariap (Marretje) van Urk-Koffeman (wiki). Een emotioneel afscheid van een geliefde en gevreesde zee.

Afgelopen woensdag gaf ik, op uitnodiging van Herderewich, in Harderwijk een lezing over mijn overgrootmoeder Mariap.
Ik moest even nazoeken wanneer ik zoiets voor het laatst deed. Dat was alweer zes jaar geleden! Ik publiceerde daarna een bewerking van mijn lezing elders op deze website.
Er is een aardige stapel boeken verschenen over de Zuiderzee. Zo verschenen bijvoorbeeld ‘Eens ging de zee hier tekeer‘ en ‘Het eiland van Anna‘ van Eva Vriend. De bewoners van de kusten van de Zuiderzee, en hun nazaten, kregen dankzij deze boeken, het grondige onderzoek van Vriend, weer een stem.
Ronald Nijboer schreef ‘Wereldzee in de polder‘: een ontdekkingsreis langs de IJsselmeerregio, in het voetspoor van Henry Havard. Honderdvijftig jaar na het bezoek van Havard aan de Zuiderzeeplaatsen onderzoekt Nijboer hoe we zijn omgegaan met ons landschap en onze cultuur, mede aan de hand van gesprekken met bewoners.
Ook verscheen ‘Duivelseiland‘, van Mandy van Dijk. Ze deed uitgebreid en waardevol onderzoek naar op Urk geïnterneerde officieren tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Deze boeken dragen bij aan de aandacht voor de geschiedenis van de Zuiderzee. Hoe herinneren we ons de in 1932 verdwenen binnenzee eigenlijk? En was er tijdens de afsluiting en inpoldering van ‘ons zeetje’ eigenlijk aandacht voor die bewoners van de Zuiderzeeplaatsjes, de ecologische gevolgen, het verdwijnen van cultureel erfgoed?
Ze dragen ook bij aan mijn eigen onderzoek naar Mariap van Urk. Ze brengen nieuwe inzichten en maken dat ik gebeurtenissen beter kan plaatsen en met steeds meer zekerheid met elkaar in verband kan brengen.
Ook het onderzoek van Babs Boter naar Mary Pos, en de ontvangen mailtjes over Mariap en Mary, deden mij in de afgelopen jaren beter begrijpen met wie Mariap contacten onderhield.
Mary Pos was, net als Mariap, een mediapersoonlijkheid. Toch verstomden in de loop van de tijd hun stemmen. (Afgelopen woensdag was er in de zaal toch één persoon die de naam Mary Pos iets zei.)
De kracht van je stem, daar kon ik de lezing mooi mee openen. Lucia de Vries, die zo bijzonder veel onderzoek doet naar de Urker geschiedenis, ontsloot op haar website het verhaal van Lammertje Kramer. Iedereen in de zaal herkende Aletta Jacobs. Maar de naam van haar dienstmeisje Lammertje? De kracht van je stem wordt niet alleen bepaald door of je bijvoorbeeld man of vrouw bent, maar ook bijvoorbeeld door je sociale klasse, familiebanden, religie, huidskleur.
Een dankbaar bruggetje naar Mariap. De jonge Mariap gaat begin vorige eeuw ook ‘dienen’. Zwaar en ondankbaar werk, waarbij de ongelijke verhouding tussen werkgever en dienstbode altijd aanwezig is. (De podcast ‘Mina en mevrouw’ van Maartje Duin maakt dit onderwerp prachtig invoelbaar.)
In aanloop naar mijn afstuderen aan de Reinwardt Academie hoefde ik niet lang over een onderwerp na te denken. Wat betekent het fysisch antropologisch onderzoek, de roof van menselijke resten door wetenschappers, en de teruggaaf van de schedels, voor de inwoners van Urk?
Door de eerste coronalockdowns had ik niet de ruimte om het onderzoek breed uit te voeren. Het onderzoek bleef beperkt tot interviews met betrokkenen en bureauonderzoek. (Zo zou ik bijvoorbeeld de betrokken erfgoedinstellingen nog graag in het onderzoek willen meenemen. Misschien kan ik er daarna nog eens over publiceren.)
Ik kan dankzij dit onderzoek nu bijvoorbeeld inzichtelijk maken hoe de bewoners van de voormalige Zuiderzeeplaatsen werden uitgesloten van een plek in het ‘nieuwe land’, mede aan de hand van de bevindingen van de wetenschappers. Dat sprak ook de Harderwijker toehoorders aan. Dergelijk onderzoek werd in 1956 nog gedaan in Elburg.
Waar ik de laatste maanden meer over ben gaan nadenken: de ecologische gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee. Hoe had Mariap het gevonden dat de Waddenzee bijvoorbeeld nu UNESCO Werelderfgoed is? Hoe kunnen we met terugwerkende kracht de uitzonderlijke waarden van de Zuiderzee benaderen? Op het strand van Urk lagen zeehonden, er was eb en vloed, een rijk ecosysteem. De Zuiderzee als levend onderdeel van onze delta.
In de presentatie liet ik het volgende citaat zien: ‘De aanleg van de Afsluitdijk in 1932 is een huzarenstuk in onze strijd tegen het water. Tegelijk is het één van de grootste ecologische rampen die ons land ooit trof. Want hoe indrukwekkend dit iconische en meer dan dertig kilometer lange bouwwerk ook is, het betekende het einde van de Zuiderzee. En daarmee van een unieke binnenzee met bijzondere planten en dieren. De geleidelijke overgang tussen rivier en zee werd teruggedrongen tot één lijn.’ (Rijkswaterstaat, ‘Project Afsluitdijk. Aandacht voor de natuur’. December 2021.).
Ik kon in een volgende slide verwijzen naar de uitkomsten van het recente onderzoek ‘Afsluitdijk decimeerde biodiversiteit Zuiderzee en IJsselmeer’, door Jan-Eike Rossius, Maarten Kleinhans en Katja Philippart, waarover ze in maart 2023 publiceerden in het tijdschrift De Levende Natuur.
Toevallig las ik vandaag in NRC een artikel van eerdergenoemde Ronald Nijboer, dat afgelopen vrijdag verscheen. In ‘Hoe mijn oma haar horizon verloor‘ gaat Nijboer in op de beleving van natuur en landschap en de ecologische gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee. Zo’n goed geschreven essay, waarin verschillende invalshoeken worden uitgelicht, maakt dat ik beter begrijp hoe ik de stellingname in de twintigste eeuw tegen de Zuiderzeewerken op waarde kan schatten.
Terug naar de lezing. Richting het einde vroeg ik het publiek: ‘had Mariap van Urk misschien toch een klein beetje gelijk dat die Afsluitdijk er niet had moeten komen?’
Het voorkomen van de Afsluitdijk, en voorkomen dat die zee ingepolderd zou worden, kon ze in ieder geval niet. In een gedicht beschrijft Mariap een baggermolen van de Zuiderzeewerken: ‘Men vroeg mij vele malen / om in een dicht of lied / de molen uit te malen, / helaas, ik kan het niet!’.
Maar haar verslaglegging van de inpoldering en het eilandleven in proza en poëzie, haar verzet tegen de inpoldering, haar inzet voor het behoud van het immateriële en materiële erfgoed van Urk en de Zuiderzee, haar veelkleurige mediapersoonlijkheid, haar gigantische netwerk, maken Mariap tot een belangrijke stem in de geschiedenis van de Zuiderzee.
Maar neem het maar eens op tegen een Cornelis Lely en consorten. En het narratief van ‘Waar wij steden doen verrijzen‘.
Wat bijzonder om met een groep mensen, zoals afgelopen woensdag in Harderwijk, over zulke onderwerpen na te kunnen denken. En goed om af en toe eens stil te staan bij het belang van onderzoek door historici, schrijvers, journalisten, wetenschappers – zolang het maar geen schedelmeters zijn.
Mariap moest eens weten: de Zuiderzeegeschiedenis is hot.
‘Onze wateren, van het IJsselmeer en de Waddenzee tot aan de Noordzee, worden almaar verder volgebouwd. Nederland kent een geschiedenis van ingrijpende veranderingen in het landschap. Iedere halve eeuw ziet de landkaart er weer anders uit dan daarvoor. Dat zal over vijftig jaar niet anders zijn. We kijken daarbij vooral vooruit, zonder stil te staan en om te kijken wat er allemaal verloren gaat. Zonder te begrijpen in wat voor land onze ouders en grootouders leefden. Bij het vormgeven van onze toekomst kan het geen kwaad om af en toe eens door de ogen van onze grootouders te kijken.’
Zo besluit Ronald Nijboer zijn essay. Met een prachtige slotzin.
Laten we inderdaad eens wat meer door de ogen van onze (over)grootouders kijken. En houden we niet alleen de herinnering aan de Zuiderzee levend, maar ook aan al die mensen die, soms tegen de keer, zich ingezet hebben voor al het erfgoed, de verhalen en de gemeenschappen rondom dat zeetje.
Eerder verscheen de tekst van een korte een ingekorte lezing uit 2019 over Mariap van Urk elders op mijn blog. De grootvader van Mariap komt aan bod in mijn artikel over het Dialecticon. Een artikel over Mariap en de dijken van de Noordoostpolder verscheen eerder deze week.
Filmbeelden van Urk in 1921
Steeds meer filmbeelden komen in het publieke domein. En door moderne technieken worden collecties steeds gemakkelijker gedigitaliseerd en online ontsloten.
Aan, met behulp van AI, ingekleurde en ‘gerestaureerde’ films heb ik een broertje dood. Ze tasten de informatiedrager aan, waardoor gebruikers een vertekend beeld van de bron, of zelfs van de geschiedenis, krijgen.
Nee, dan de verrukking als filmbeelden in hoge resolutie worden gedigitaliseerd. Zoals dit filmpje van Urk in 1921.
Deze video van het eiland Urk uit 1921 opent met shots van de haveningang aan de zeezijde. De torenspitsen van de hervormde en gereformeerde kerken zijn te zien, en de torenspits van het gemeentehuis.
We zien de scheepswerven (‘elleges’) van het eiland met botters op de kant. Een groep Urkers staat langs de wal. Een schip meert af. Een oude Urker steekt een sigaar op.
Scholieren verlaten het schoolgebouw voor lager onderwijs, de ‘Wilhelminaschool’. Er is een optocht van bewoners in klederdracht, begeleid door gehelmde politieagenten en voorafgegaan door het Christelijke muziekcorps ‘Adrianus Valerius’.
Mensen in Urker kleder- en burgerdracht passeren de camera. Daarna een panorama (vanaf de vuurtoren) van het eiland met kerkje aan de waterkant, weilanden, huizen en gebouwen (waaronder het interneringskamp voor officieren, dat tijdens de Eerste Wereldoorlog werd gebouwd [boek van Mandy van Dijk over dit onderwerp]), de haven met afgemeerde schepen, ‘de Kaap’ en het havenhoofd.

Van de bittere armoede van de eilandbewoners is op film maar weinig te zien. Vanwege de armoede moesten jonge meisjes als werkslaafje ‘dienen’ bij welgestelde stadsbewoners. Hele gezinnen verhuisden voor de oorlog naar ‘de Zaan’, op zoek naar werk.
Nee, lachende mensen, gearmd door de straten. Gezichten die je vaag herkent van oude foto’s.
En de verrukking dat ik als klein Urkertje, ruim zeventig jaar later, door die nauwe straatjes van datzelfde oude dorp liep. Waarin nog iets te voelen was van dat leven van vroeger. Met al die gebruiken, tradities, karakteristieke houten geveltjes. Nog net voordat de folklorisering het authentieke verdrong.
Een laatste zucht van het oude eiland.
Bron film: Open Beelden / Publiek domein Maker: Haghefilm / Willy Mullens – Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (beheerder)