Opa op de radio

Sinds de openstelling van het archief van Beeld & Geluid, heb ik al veel plezier gehad met het terugkijken van items over Urk en Schokland. Natuurlijk zocht ik ook naar mijn opa (beabe) Albert van Urk in het archief. Ik vond een prachtig item met De meiden van Halal, waarin hij een ginkiestocht geeft aan het gezelschap.

Maar ook een radio-item met Marjoke Roorda, een VPRO-radiomaker met heerlijke Delftse tongval. In het programma De plek ging het over veiligheid, waterhuishouding en natuur rond het
IJsselmeer.

Geen bijster interessante aflevering, maar wel met een mooie afsluiter: (Roorda:) ‘Ik heb een toetje! Ik heb een toetje! (…) Ik was op Urk zo ongelooflijk gecharmeerd van de cultuurhistoricus, dat ik een extra klein mini-reportagetje heb gemaakt met Albert van Urk.’

Ik werd gegrepen door de dynamiek tussen Roorda en mijn grootvader.

Uit: De plek, Het natte hart van Nederland, VPRO: 19 december 2000.

Ik dacht, ik zoek Marjoke Roorda online op en vraag haar of ze herinneringen heeft aan het gesprek, maar zij overleed in 2024.

Onbewuste evangelisatie

Wanneer ik met mijn goede vriend M. spreek over straatpredikers en -evangelisten in onze mooie stad Z., mompelt hij steevast: ‘…binnenskamers!’ (Matteüs 6:6). Ik had laatst weer zo’n gesprek met hem en toen dacht ik aan de hele geschiedenis van de Peugeot in Haarlem. In die stad zat ik tien jaar geleden met mijn neef L. op kamers. Wij studeerden beiden en woonden toen in Schalkwijk, een arbeidersbuurt buiten het centrum van de provinciehoofdstad.

Hoe het nou precies zat, kan ik mij niet herinneren. Maar we konden de rode Peugeot van de hoofdhuurder lenen of kopen, ze kwam in ieder geval in ons bezit en in de weekenden reden we er oftig mee van Haarlem naar Urk en weer terug (over die hoofdhuurder zou je trouwens een goed boek kunnen schrijven). Het was zo’n prachtig vierkant en rood Peugeotje, ik meen een 105. We waren er onmeunig blij mee en het wagentje maakte in de korte tijd dat het in ons bezit was aardig wat kilometers.

De bewuste Peugeot in Wijk 4 op Urk.

Nu had de auto geen radio, die was eruitgesloopt of eruitgestolen. En de rit van Haarlem naar Urk duurde dikwijls langer dan een uur, dus neef L. en ik besloten een autoradio te kopen. Daarvoor gingen we naar een dubieus autobedrijf op Urk, die in één van de vele garageboxen op het industrieterrein gevestigd was of is. We kochten daar een tweedehands autoradio, mét cd-speler.

Het duurde even voordat ik de juiste draden van de radio en de draden van de speakertjes bij elkaar kreeg, eerst kwam er alleen geluid van rechts, later alleen geluid van links, maar uiteindelijk was daar het stereogeluid. We konden The Verve draaien! Massive Attack! Oasis! Neil Young! Portishead!

Op een gegeven moment wilden we zo’n cd’tje afspelen. Het was even uitzoeken welk knopje daarvoor diende. We drukten het in en tot onze verbazing en verrassing zat er nog een cd in de radio! Van een vorige eigenaar, waarschijnlijk.

Daar galmden de voor ons bekende klanken van broer en zus Schinkel door de auto: ‘haal het stof van je bijbel…’. Cult! Dit duo heeft een legendarische status op Urk: de voorgeprogrammeerde keyboards, basgitaren en drums, waarover met een overduidelijk Urker accent geestelijke liederen worden gezongen. Op youtube worden de liedjes voorzien met slideshows van afwisselend religieuze symboliek en foto’s van Urk en Urker kotters.

Toen ik in de jaren daarvoor probeerde iets van het leven te maken en een eigen bedrijf had met bijbehorend verzamelkantoor, draaiden we met de andere daar aanwezige Urker techreuzen graag ‘‘k Heb gehoord van een land‘ tijdens het schoonmaken op zaterdagochtend, of het prachtige ‘Gebleven vissers‘.

Enfin, het bleek dus om een gebrand cd’tje te gaan en iedere keer als we van Haarlem naar Urk of van Urk naar Haarlem reden zetten we het weleens op.

De maanden verstreken en de auto begon te morren. Zo viel het rode wagentje een keer stil, op zondagmiddag op Urk, toen net de Oud-Gereformeerde Kerk uitkwam en ik (tot op de dag van vandaag) verrast werd door de adequate hulp van de zwartgeklede kerkgangers.

We hadden er veel plezier van, maar op een gegeven moment, na een periode van opeenvolgende mankementen, kwam toch het afscheid. We konden het wagentje gelukkig verpatsen aan onze Roemeens-Haarlemse buren, waarvan het hoofd van het gezin nogal opdringerig was en weleens voor de deur stond om een biertje te eisen. De jaren verstreken en ik was die hele auto, en onze Roemeens-Haarlemse buren, bijna vergeten.

Tot ik dus in het bruin café in Z. zat en het met M. over de evangelisten had. Toen moest ik opeens weer denken aan dat gebrande cd’tje in die autoradio.

En ik werd met geluk vervuld toen ik aan dat Haarlems-Roemeense gezin dacht, die, op een zaterdagochtend begin 2017, met het rode Peugeotje boodschappen deden, terwijl Janne en Gerrit Schinkel door de speakers bliezen. ‘Haal het stof van je bijbel, want dat is de moeite waard.’

Ze zullen het niet hebben verstaan, maar ik vraag me af of ze meeklapten, of ze fonetisch meezongen (‘et-gaat-oër-de-eiland-oër-abram-en-lot‘) en of ze het cd’tje hebben bewaard.

Al met al mag ik wel stellen dat ik mijn geloof niet binnenskamers (binnensauto’s) heb gehouden en dat ik – en neef L. – toch echt onbewust hebben geëvangeliseerd in 2017.

Misschien zit op dit moment een Haarlemmer Roemeen youtube-filmpjes te kijken van broer en zus Schinkel van Urk. Die gedachte doet mij grinniken.

De bewuste autoradio.

Mijn Schokker voorouder Jannegien

In mijn kwartierstaat vind ik voorouders uit Urk (natuurlijk) en heel veel uit Vollenhove. In mindere mate – voor zover mij bekend, natuurlijk – werden ze geboren in Zwartsluis, Hasselt, Kuinre, het verdronken dorp Beulake, Enkhuizen. Een enkeling op de lijst was Fries, Duitser of Amsterdammer. Maar de meesten kwamen dus uit ‘de kom’ van de Zuiderzee. Watermensen.

Zelf werd ik geboren op Urk. Mijn opa Hendrik Visscher kwam uit een familie uit Zwartsluis en Hasselt. Mijn andere grootouders werden geboren op Urk. Ik voel mij een Urker, maar ook een Tollebeker, want daar woonde ik ook. En nu ook een Zwollenaar. Maar of ik me ook een Vollenhovenaar of Hasselter voel? Voel ik de roep van verre voorouders als ik over de Beulakerwiede vaar? Ik weet het niet.

Ik vind het gebied wel mooi. Maar het kost wat moeite je een voorstelling te maken van hoe het ‘oude land’ vroeger was, toen het nog aan de Zuiderzee lag. Nu grenst het aan – of ligt het ín – de Noordoostpolder.

Kaart van de Zuiderzee door Willem van Baarsel uit 1886. Rechts in het midden de eilanden Urk en Schokland. Zuiderzeecollectie / Zuiderzeemuseum Enkhuizen. Licentie: BY-SA.

Nu ben ik de meeste dagen van de week op het prachtige voormalige eiland Schokland, want ik werk daar.

Of ik ook Schokker voorouders heb? Ja… in ieder geval is daar Jannegien.

Jannegien Bruins

In mijn stamboom vind ik, ruim tien generaties terug, Jannegien Bruins. Zij werd geboren op Ens, het zuidelijke deel van Schokland, in 1680. Dit deel van Schokland ging zo tegen het einde van de zeventiende eeuw over naar de nieuwe leer. Het noordelijke deel, Emmeloord, ging niet over tot de reformatie en bleef het oude geloof aanhangen.

Deze scheiding kan verklaard worden doordat het bestuur van Ens in die tijd toebehoorde aan Overijssel. Emmeloord (en Urk), was rond die tijd een ambachtsheerlijkheid en vanaf 1660 werd het bestuurd door de stad Amsterdam. Op Urk en in Emmeloord ging de reformatie moeizamer dan op Ens, het zou nog tot ongeveer 1725 duren voordat het hele eiland Urk écht gerifformaard was1, op Emmeloord kreeg de reformatie geen vaste voet aan de grond, ondanks meerdere pogingen.

Jannegien Bruins werd dus geboren in een bijzonder tijdsgewricht: dat van de onrusten rondom de nije lare.

Schokland is nooit een geïsoleerd eiland geweest. Door handel en landbouw, en later door de visserij, was er veel contact met andere plaatsen rondom de Zuiderzee. Schokland lag op scheepvaartroutes richting het oosten, via de IJssel en de Overijsselse Vecht.

Niet gek dat ze een Urker aan de haak sloeg: Jacob Jansz. Romkes. Jacob Janszoon trouwde op 14 mei 1702 op Urk met Jannegien, beiden waren toen begin twintig. Ze werden ingeschreven in het trouwboek van de gereformeerde kerk van Ens, op bladzijde 121 (verso)2.

Een vroeg gereformeerd stel, dus.

Gespikkeld huwelijk?

In mijn kwartierstaat zie ik staan dat Jannegien een tweede maal huwde, op Schokland, met Albert Stevensen. Opmerkelijk, want zij zouden getrouwd zijn in Emmeloord, als rooms-katholieken dus. En inderdaad, in het trouwboek van de rooms-katholieke kerk zie ik Albert Stevensen en Jannetjen Bruins staan.

Daarom heb ik dus een tijd gedacht dat mijn voorouder Jannegien, als gereformeerde vrouw, een tweede keer trouwde, dit keer met een katholiek. Een gespikkeld huwelijk, werd zoiets op Schokland genoemd. Want twee geloven op één kussen… (Dat woord ‘gespikkeld’ is hoogstwaarschijnlijk afkomstig uit Genesis 30.)

Maar dan zie ik bij de vermelding in het trouwboek ‘Obiit 14 7bris 1726’3 onder de naam van Jannetjen staan (‘overleden op 14 september 1726’). Én dat klopt niet met het grafregister. Jannegien overleed in 1773 en ligt begraven ín het Kerkje aan de Zee, met kerkgrafnummer 38.4 Het zijn dus niet dezelfde vrouwen.

Jannegien was de nieuwe leer dus trouw gebleven en trad niet voor de tweede keer in het huwelijk. Het is niet gek dat personen verward worden, het is altijd een goed idee om de bronnen er op na te slaan. En wat fijn dat er zoveel gedigitaliseerd is.

Het Kerkje aan de Zee, Urk. eigen foto

Moeder van de schout

Een zoon van de Schokker vrouw zou de Urker geschiedenis ingaan als schout. Cornelis Jacobszoon Romkes werd in 1748 benoemd tot nieuwe schout, op voordracht van dominee Weerman.5 Dit nadat er veel te doen was over Romkes’ voorganger Anthony van Dompzelaer. Een niet-Urker, die op Urk niet geliefd was.

Een schout zorgde ten tijde van de Republiek voor het lokale bestuur, de handhaving van de openbare orde en de rechtspraak. Een belangrijke functie, dus.

Deze Van Dompzelaer was een driftig mens. Cornelis de Vries, een belangrijke geschiedschrijver van Urk, beschrijft dat hij zijn tong uitstak naar een diaken6 en dominee De Bruyn een stomp in de borst gaf7 (‘een manier van doen, die hij in dergelijke gevallen meer volgde’). Ik kan me geen groter kwaad voorstellen dan iemand die op Urk een dominee aanvalt.

‘De gegevens voor dit hoofdstuk (…) zouden te verwerken zijn tot een spannenden historischen roman met b.v. als titel: Dominee en Schout, en als ondertitel: Een afmattende strijd tegen politieke aanmatiging.‘, schrijft De Vries veelzeggend8. Van Dompzelaer werd in 1718 tot schout aangesteld, werd later ook nog ouderling9, en pas na ingrijpen van de stad Amsterdam in 1747 uit zijn ambt ontheven. ‘Hij werd dus, plat gezegd, van Urk weggejaagd’, aldus De Vries10. Wie verder over deze soapserie lezen wil, zal blz. 231 tot 260 van Geschiedenis van het eiland Urk erop moeten naslaan.

‘In zijn plaats werd aangesteld Cornelis Jacobs Romkes, een man van ongeveer 50 jaar oud uit een der beste familiën van Urk.’, aldus De Vries.11

Bedenk hier ook de landelijke onrust bij, die ook het eiland Urk niet onberoerd liet. In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden kwam het Tweede Stadhouderloze Tijdperk ten einde, in 1747 kwam stadhouder Willem IV aan de macht. Waarschijnlijk hadden bestuurlijke crises daaromtrent ook hun doorwerking op Urk12, waar ze wel toe waren aan wat rust. Die rust vonden ze, na decennia gehannes met de vorige schout, in Cornelis Romkes, zoon van Schokker Jannegien.

Cornelis was schout van Urk van 1748 tot zijn dood in 1779 en werd begraven bij zijn Schokker moeder in het kerkje aan de zee, grafnummer 38.13 Dat er in het boek van De Vries niet veel over schout Cornelis te vinden is, zegt veel over zijn functioneren. Ik stel mij een rechtgeaard oranjegetrouw mens voor. Zou hij nog vaak hebben gedacht aan het Schokland van zijn moeder?

De kleinzoon van Jannegien

Na de dood van Cornelis brak er nog een machtsstrijd los over zijn opvolging waarbij zijn zoon – de kleinzoon van Jannegien – betrokken was. In 1787 kwam de strijd tussen de patriotten en de orangisten landelijk tot een hoogtepunt en op Urk ondertekenden 83 tegenstanders (een meerderheid van de Urker mannen) van schout Barends een brief. Bij nummer 14 staat de naam van Jacob Cornelisz. Romkes.14 Jannegiens kleinzoon!

Dit alles heeft grootmoeder Jannegien gelukkig niet hoeven meemaken. Ze overleed in 1773. 92 of 93 jaren oud werd zij, een hele leeftijd, helemaal voor die tijd: de bijbel uit, zeggen we op Urk, ouder dan de leeftijd der zeer sterken (Psalm 90).

Vooraan in de kerk

Historica Lucia de Vries stuurde mij een foto van het grafregister, waaruit blijkt dat Jannegien (en Cornelis) vooraan in de kerk begraven ligt. Dat zegt iets over de status van mensen en zou kunnen wijzen op een rooms idee: zo dicht mogelijk bij het altaar. Dat hadden de Urkers waarschijnlijk nog niet helemaal losgelaten.

Tot de verre nakomelingen van Jannegien behoren – als ik het wel heb – onder anderen Klaos ‘de Measter’ Koffeman, dichteres Mariap van Urk-Koffeman en historicus Albert van Urk. En opa (beabe) Albert leverde inspanningen voor de geschiedenis van Schokland. Was hij zich bewust van zijn Schokker voormoeder? Ik kan het hem helaas niet meer navragen.

Cornelis de Vries had dus gelijk, toen hij schreef over ‘een der beste familiën van Urk’.

– Bas Visscher

Met dank aan Bruno Klappe, die transcripties maakte van de trouwboeken van zowel de rooms-katholieke als de gereformeerde kerk van Schokland. En met dank aan Lucia de Vries, voor de informatie in het artikel over de reformatie op Urk. De Vries publiceerde onlangs ook een mooi en persoonlijk artikel over haar voorouders en de graven in en rondom het Kerkje aan de Zee, waarin ze ook een afbeelding van het grafregister heeft opgenomen. Urker vriend Jan van den Berg schreef vorig jaar ook een mooie blogpost over de graven van zijn voorouders.

  1. L. de Vries, Stichting Urker Uitgaven, “Een katholieke vrijstaat”, versie onbekend, geraadpleegd 30 mei 2026, https://www.urkeruitgaven.nl/kort-historisch/een-katholieke-vrijstaat/. ↩︎
  2. B. Klappe, Het Nederduits-Gereformeerde trouwboek van Ens op het eiland Schokland, 1688-1791. (Eindhoven, 2012), 13. ↩︎
  3. B. Klappe, ‘Het Rooms-Katholieke trouwboek van Emmeloord op het eiland Schokland, 1714-1812’. (Eindhoven, 2012), 7. ↩︎
  4. Online Begraafplaatsen, “Urk”, versie onbekend, geraadpleegd 30 mei 2026, https://www.online-begraafplaatsen.nl/zerken.asp?command=showzerken&bgp=218. ↩︎
  5. K. de Vries & T. de Vries, Veranderd land. (Urk: Urker Uitgaven, 1985), 57 ↩︎
  6. C. de Vries, Geschiedenis van het eiland Urk. (Kampen: Zalsman, 1962), 240 ↩︎
  7. Ibidem, 241 ↩︎
  8. Ibidem, 230 ↩︎
  9. Ibidem, 235 ↩︎
  10. Ibidem, 260 ↩︎
  11. Ibidem, 260 ↩︎
  12. K. de Vries & T. de Vries, Veranderd land. (Urk: Urker Uitgaven, 1985), 57 ↩︎
  13. Online Begraafplaatsen, “Urk”, versie onbekend, geraadpleegd 30 mei 2026, https://www.online-begraafplaatsen.nl/zerken.asp?command=showzerken&bgp=218. ↩︎
  14. K. de Vries & T. de Vries, Veranderd land. (Urk: Urker Uitgaven, 1985), 58-61 ↩︎

Over spreken in tongen

Ik denk niet dat ik de enige gedoopte knul ben bij wie de volgende associatie bij Pinksteren naar boven komt: de vlammetjes op de hoofden van de leerlingen van Jezus. Ik denk dat dit – meer nog dan door het lezen in de Bijbel – komt door de kleurplaat die we gedwee maakten tijdens de kindernevendienst.

Gratis kleurplaat via topkleurplaat.nl

Die ziet er in mijn herinnering ongeveer uit als bovenstaande plaat. De leerlingen kregen de Geest, ze gingen spreken in tongen. (Over dat spreken in tongen heeft J.M.A. Biesheuvel een hilarisch kort verhaal, trouwens.)

Op de vrijdag voor Pinksteren sprak Cees Romkes in tongen, in het Urker dialect dan, welteverstaan. Er vond weer een vespers plaats, geheel in dialect.

Kerkje aan de zee, Urk. eigen foto

Ik vind het erg prettig om naar die dominee te luisteren. Niet alleen omdat hij in mijn eigen dialect spreekt, maar ook omdat hij iets te zeggen heeft. ‘Dogmatiek is spelen met woorden over God.’ De kern van de preek: barmhartigheid, als ruggengraat van het geloof. Het kwam allemaal binnen, ook door Romkes’ vertaling van het lied van Sytze de Vries (‘Ga maar gerust want Ik zal met je meegaan‘).

Goon mar gerust

En dat in het kerkje waar ik jaren op heb uitgekeken vanuit mijn slaapkamerraam, waar mijn hele familie heeft gekerkt, waaromheen mijn voorouders begraven liggen.

Van Pienksteren naar Pentecôte. Ik was er al vaak aan voorbijgelopen, want mijn favoriete kroeg zit een straatje verder. De Waalse Kerk, Église Wallone, van Zwolle. Ik besloot er nu maar eens een dienstje mee te pakken. De Waalse Kerk is gesticht door gevluchte Hugenoten in de zeventiende eeuw en maakte deel uit van de Nederlands Hervormde Kerk, tegenwoordig PKN. De liturgie is conservatief, de signatuur liberaal. En die combinatie spreekt mij wel aan. Laat mij maar psalmen zingen in plaats van Ha-aa-a-llelu-u-u-jaaa. En wat is er nou hervormder dan een Hugenotenkerk?

Bijzonder, ook wel een beetje gek: de voertaal is er nog steeds Frans. Wel krijgen bezoekers een Nederlandse vertaling van de preek bij binnenkomst overhandigd. Dogmatiek is spelen met woorden over God.

De treurigheid van de kerk in het land: veertig bezoekers wordt al als veel gezien. In al die kerkjes waar ik in mijn studentenjaren ben geweest zag ik nooit meer dan een handjevol goed, grijs, volk. Hier was het niet veel anders, maar door een prachtig koor én het zingen van bekende melodieën kan zo’n dienst toch overeind blijven staan.

Waalse Kerk Zwolle. eigen foto

Ik bedacht hoe mijn verre voorouders (van de familie Oost) zelf vluchteling waren tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Zij verbleven een paar jaar (ik meen zo rond 1572) in ballingsoord Emden. Echte hervormden dus, een lijn die zich naar mij doortrekt. Zoals die Waalse Kerk, met haar bijzondere cultureel erfgoed, ook de eeuwen overleefd heeft.

De overdenking ging ook over vluchtelingen, daarom dacht ik daaraan. En over het verband tussen ratio en polarisatie. Maar vooral dat Pinksteren een uitnodiging mag zijn om te voelen en mee te voelen, ook als je een ander niet helemaal begrijpt.

Ik begrijp mijzelf meestal niet.

En als ik anderen vertel over dit ‘proefgeloven’, word ik van geïnteresseerd tot meewarig tot onbegrepen aangekeken. En zowel zelfverklaarde progressieven als conservatieven willen je er ook nog eens graag op aan- of afvallen: over dogma’s gesproken.

Soms zijn een paar kleine ervaringen genoeg om je paradigma te veranderen. En die ervaringen kunnen ook prima in de kleinste kerkjes, of in een paar woorden, zitten. Een uitnodiging om te voelen, nou vooruit.

Dogmatiek is misschien ook wel spelen met woorden over jezelf, ofzo. En als dat in het Frans en Urkers moet, dat zij dan maar zo. Spreken in tongen.

Achwataballa!
– uit: J.M.A. Biesheuvel, ‘Spreken in tongen’

Wie met Gods klokken schiet…

Op de website van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed kwam deze week een blogartikel voorbij over de klokkenroof tijdens de Tweede Wereldoorlog. Nederlandse kerkklokken werden door de bezetter gevorderd voor de oorlogsindustrie in Duitsland.

Zo gingen zowel ‘gewone’ als monumentale klokken en carillons verloren. Maar meer dan tweehonderd klokken werden echter gespaard: zij wachtten op de bodem van het IJsselmeer, tot het einde van de oorlog.

Mijn opa Albert van Urk deed veel onderzoek naar het zinken zogenaamde ‘klokkenschip’, waarover vele verhalen de ronde doen. Hij toonde aan waarom het schip zonk: het was een daad van klein verzet was (de vuurtorenwachter doofde het licht en een sleper saboteerde het schip).

Boven één van zijn publicaties over het klokkenschip stond ‘Wie met Gods klokken schiet, die wint de oorlog niet’, een uitspraak die in de oorlogsjaren veel werd gedaan.

Mooi dat zijn onderzoek voortleeft, al wordt hij niet bij naam genoemd in het betreffende artikel – dat is dan weer jammer. Aan de andere kant had het wel bij zijn bescheidenheid gepast.

This Is

Een band die ik pas vorig jaar ontdekte (!). De zanger, Christy Dignam, was toen al twee jaar overleden. Vreemd dat ik deze band pas zo laat tegenkwam, ik luister bijna alles wat uit Ierland komt.

Officiële releases zijn er online bijna niet te vinden, ook weinig muziek op de streamingplatforms. Nooit echt doorgebroken op het vasteland, denk ik. Maar groot in Ierland. Terecht ook, als je naar de muziek luistert. En de getroebleerde zanger werd, tussen het afkicken door, een national treasure in het land.

Er staat een clipje op youtube waarin hij met Finbar Furey (van The Fureys) ‘The Green Fields of France’ (een lied dat tot het Schots/Ierse erfgoed kan worden gerekend) zingt. Je hoort daarin goed hoe prachtig, gepassioneerd en doorvoeld hij zingt.

Maar nog mooier is onderstaande video. Aslan, de band, bestaat dan al acht jaar en de zanger heeft, door zijn drugsgebruik, spanning met zijn bandmaten. Misschien mede door de stress van een geplande tour door Amerika (hier zit wat overlap met Ian Curtis/Joy Division).

Als je zijn levensgeschiedenis leest, dan is het niet vreemd dat hij naar de middelen greep. Maar hier zingt hij, solo, slechts begeleid door een piano, de track te zingen die hem groot maakte en ook zwaar op hem woog. Zo’n uniek fragment.

Zo’n figuur die je live had willen zien.

Oorlogsherinneringen van ome Rinke Oost

In het Urkerland van 27 april 2006 verscheen een artikel van de hand van Jaap Bakker, met daarin de herinneringen van mijn oud-oom Rinke Oost.

Die (geliefde) ome Rinke overleed in 2018, zijn (geliefde) vrouw Bep Cazant in 2022. Ze woonden in Arnhem. Rinke was de oudste van het Urker gezin van Roelof Tiede Oost (‘Roelof van Rinke’) en Elisabeth Koffeman. Roelof was timmerman en nam het bedrijf over van zijn opa. Ook zijn nakomelingen werden timmerman (Gebroeders Oost).

Er werd door mijn familie Oost (mijn opoe Jent was de zus van Rinke) wel zo nu en dan over de oorlog gepraat. Het waren anekdotes over klein verzet. Maar toch ook van heldenmoed, zoals ik er nu, op wat latere leeftijd, aan denk.

Ik moest gisteren en vandaag weer aan dat inmiddels alweer twintig jaar oude artikel denken, dat hier te lezen is (en hier als pdf).

Het artikel wordt als volgt door de opsteller afgesloten: “Opdat wij niet vergeten hoe boze machten ons de vrijheid kunnen ontnemen en hoe duur de vrijheid herverkregen is. Moge het een levensles zijn om ons niet in haat te laten meeslepen in vooroordelen en voorkomen dat mensen elkaar het recht op vrijheid en vrije meningsuiting ontnemen.”

Over andere Urker oorlogsverhalen schreef ik eerder dit artikel.

Zaprondje

Tijdens een zaprondje kwam ik langs ‘Het verhaal van Nederland – De Tweede Wereldoorlog’. Ik heb het niet gekeken. Maar ik heb zo’n ongelooflijke lol gehad om het idee dat Daan Schuurmans de loop van de oorlog ten goede kan beïnvloeden, maar dat hij daar te ijdel voor is en liever een televisieprogramma presenteert. De gedachte dat er mensen naar de televisie schreeuwen: “doe er wat aan, Daan!” Of: “sta daar niet zo man, grijp die Mussert!”, als Daan Schuurmans weer opeens de geschiedenis binnenstapt.

Onder spanning

Dat ik tijdens mijn weekje vakantie onderweg was naar het plaatsje – laten we zeggen – H., had alles te maken met de emdr-therapie die ik aan het afronden ben. De afgelopen weken heb ik achter zo’n lichtgevend balkje gezeten om wat shitzooi te verschuiven van de ene krocht in mijn hoofd, naar een plaats waar het wat minder kwaad kan. Als je jezelf dan daar, vanuit een hoek van de kamer, ziet zitten (en dat zie ik dan), dan lijkt het grote homeopathisch verdunde onzin, maar het werkt dus wel.

Je sluit het af met blootstelling, en de plek H. bezoeken is daar onderdeel van. Jezelf confronteren met een plaats of persoon of iets anders, waardoor je het een plekje kan geven en verder kan. Ik reed dus op de snelweg en hoe dichterbij ik bij H. kwam, hoe meer spanning ik in mijn lichaam voelde komen. Ik wilde dit niet en toch reed ik door.

In de verte, aan stuurboordzijde, zag ik een gigantische rookpluim. Iedereen reed gewoon door, de rookpluim kwam steeds dichter op ons, weggebruikers, af. Op de vluchtstrook bleek een gigantisch vuur te branden. Een oudtestamentisch beeld. En even zakte de spanning in mijn lichaam weg: hier gebeurde iets anders, iets groters. Dit moet een duister voorteken zijn, dacht ik. Ik voelde een flits van de hitte, toen ik er langsreed.

Het bleek om een aanhanger te gaan, die vlam had gevat. En toen ik in het plaatsje H. was, reed ik op mijn gemak wat rond en dat was onprettig, maar het ging wel. Ik wachtte niet op een heftige reactie, want ik wist dat die niet zou komen. De paniek zakte langzaamaan af en ik werd, gewoon, een beetje nurks.

Ik ben zo’n calvinist dat mijn voorkomen nauwelijks een verbinding heeft met mijn binnenste. Er zijn wel emoties, maar uiten lukt me nooit. Oh, soms zou ik zo heftig willen dat er iets in mij knapt, dat ik in huilen kan uitbarsten of eens woedend een spiegel kapot kan slaan. Op de terugweg dacht ik weer aan dat verterende vuur, dat in de bijbel juist vaak op Gods nabijheid wijst. Toen knapte er toch iets: de v-snaar onder de motorkap. Die had onder te grote spanning gestaan.

De vrouw met de zon in het haar

‘Het leven heeft geen zin, maar ik wel: Leven en werk van Maarten van Roozendaal’, door Patrick van den Hanenberg (Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2019), staat vol wetenswaardigheden over de een van de grootste kunstenaars van Nederland, helaas veel te vroeg gestorven. Man, wat had ik hem graag eens zien optreden. Ik weet nog dat hij in Emmeloord zou optreden, ik zat daar op de havo. Geen geld, geen tijd, zoiets moet het geweest zijn.

Ik denk niet dat ik veel muziek van hem kende, want streamen bestond toen nog niet. Misschien zag ik hem bij VPRO Vrije Geluiden (met Hans Flupsen!), waar ik op zondagochtend naar keek (juist omdat ik dacht dat dit een prima alternatief was voor de kerk, denk ik).

De werkelijke waarde van de muziek ontdekte ik pas later. Het ging soms over leven in de breedte: het grote gebaar, maar nog vaker nog over het kleine leven: miniatuurtjes van zomaar mensen. Ik herkende veel van Lou Reed in zijn teksten, naast Tom Waits blijkt, zo lees ik in die aardige biografie, dat ook zeker een inspiratiebron te zijn geweest.

Van Roozendaal bereikte nooit écht het ‘grote publiek’ (hence dat optreden in Emmeloord). Maar voor veel muzikanten en tekstschrijvers is hij een enorme inspiratiebron.

Troostrijk is ‘Christoffel’. Lang, 6/8 maat, met brede, open akkoorden door Marcel de Groot, goed basspel door Egon Kracht. En Maarten van Roozendaal die je mee op reis neemt door een oh zo Hollands landschap.

Dankzij de biografie kwam ik erachter dat de tekst niet helemaal van Van Roozendaal is. Hij liet zich sterk inspireren door ‘Waiting’, van Raymond Carver: Van Roozendaals partner Eva tipte hem het gedicht. Ik kende het niet, maar het is minstens zo mooi als het lied.

Waiting 

Left off the highway and
down the hill. At the
bottom, hang another left.
Keep bearing left. The road
will make a Y. Left again.
There’s a creek on the left.
Keep going. Just before
the road ends, there’ll be
another road. Take it
and no other. Otherwise,
your life will be ruined
forever. There’s a log house
with a shake roof, on the left.
It’s not that house. It’s
the next house, just over
a rise. The house
where trees are laden with
fruit. Where phlox, forsythia,
and marigold grow. It’s
the house where the woman
stands in the doorway
wearing the sun in her hair. The one
who’s been waiting
all this time.
The woman who loves you.
The one who can say,
“What’s kept you?”

– Raymond Carver

Ik maak de laatste tijd veel lange wandelingen en moet vaak aan dit lied denken. Ik ontdekte ook nog dat Rogi Wieg een gedicht had geschreven over, natuurlijk, juist dit gedicht.

Raymond Carver

Raymond Carver schreef het al. Ik herinner me zijn regels vaag,
ga niet naar links, maar naar rechts. Neem de bocht, ga langs de rivier
en daar bij het huis, dat ene huis, staat de vrouw die van je houdt,

zoiets schreef hij, maar dan anders, al heb ik het onthouden.

Waarom moest hij zo vroeg dood? Er is weinig meer dan wat liefde en kunst
in sommige levens. En als het allemaal niet gaat, als het misloopt, je
wel naar links gaat… Verdomme, waar blíjf ik? De vrouw in het late zonlicht toch?
Neem de bocht, ga langs de rivier, de vrouw in wiens haar het zonlicht schijnt.

Het is daar bij dat ene huis, waar de auto van Carver staat. Ik kan hem
zien achter het stuur, al hangt hij naar voren en ademt hij niet meer in of uit.

– Rogi Wieg, 2007

Binnen roken

Intussen ben ik alweer een tijd van het roken af. Een keer of vijf per dag krijg ik nog wel een ontzettend sterk verlangen naar een sigaret, nee eigenlijk vooral naar het roken, de handeling. Misschien omdat het nog zo gewoon voelt. Of omdat ik lees hoe Knausgård om iedere andere bladzijde een sigaret opsteekt.

Ik hoor bij de laatste generatie voor wie roken nog enigszins normaal was. Een logische stap naar volwassenheid, een jongen die een man wordt. Een merk kiezen dat bij je past, een pakje sigaretten dragen als een horloge.

Dat er nog ruimtes waren waar je binnen mocht roken. Roken in een restaurant maakte ik dan wel niet meer mee, maar nog wel het roken in het café. Zo’n hok dat vanaf het begin van de avond helemaal blauw stond van de rook. Of lekker binnen roken tijdens een verjaardag, bij iemand thuis.

Asbakken vullen. De pakjes shag en sigaretten op tafel, zoals telefoons nu liggen uitgestald. Als er geen asbakkenbeleid was, dan ging het in de lege flesjes bier. Dan gebeurde het nogal eens dat je een slok van het verkeerde flesje nam. Een slok nicotine, soms met een plukje tabak of ronddrijvende filters. Dat was altijd een vermakelijk gebeuren, zolang je maar niet zelf het slachtoffer was.

Of assen in wat verder maar voor handen was: een leeg pakje sigaretten, een colaglas, op je bord. Een vriend kan smakelijk vertellen over hoe vroeger bij hen thuis, na het eten, de peuken werden uitgedrukt in de etensresten. Ik heb eens iemand een sigaret zien uitdrukken in een half aangegeten moot warmgerookte zalm. Maar dat was op Urk en dit kan alleen maar daar. (Nu ik hieraan denk dwalen mijn gedachten af naar het verhaal ‘Korte metten’ van Biesheuvel.)

Vandaag realiseerde ik me dat de laatste plaats in mijn omgeving waar nog binnen kan worden gerookt, de oefenruimte van ons bandje, binnenkort verleden tijd is. Er zijn nog tal van andere, meer voor de hand liggende redenen waarom ik daar weemoedig over kan doen. Toch is dit er wel eentje van.