Vuurtorens in de Noordoostpolder en op Urk

Onderstaande tekst is een bewerking van de lezing ‘Vuurtorens in de Noordoostpolder en op Urk’, uitgesproken bij de opening van de Maand van de Geschiedenis op 3 oktober 2026 in de Museumkerk op Schokland.

Boudewijn Büch sprak over ‘het vuurtorengevoel’.1 Hij voelde zich sterk aangetrokken tot eilanden, afgelegen plekken en alles wat met eenzaamheid te maken had (‘Als ik iets zoek, dan is het eenzaamheid’)2. Voor Büch was een vuurtoren daarom meer dan een technisch bouwwerk. Het was bijna een symbool voor zijn eigen fascinaties: alleen staan aan de rand van de wereld, maar toch met een licht contact houden met anderen. Juist die combinatie van afzondering, melancholie en verlangen maakt de vuurtoren zo bijzonder.

De vuurtorens van de Noordoostpolder en Urk

Luchtfoto Werelderfgoed Schokland, van Zuid naar Noord. Foto: Freddy Schinkel.

Wie naar de Zuidpunt van Schokland gaat, komt daar op een merkwaardige plek terecht. Er staat geen vuurtoren meer. Schepen varen er niet langer meer voorbij. En toch lag daar, op de zuidelijkste punt van het eiland, eeuwenlang een van de belangrijkste lichtpunten van deze omgeving.

Wanneer je nu vanaf de Zuidpunt om je heen kijkt, zie je akkers, de strakke percelen van de Noordoostpolder. In de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw keek je vanaf precies diezelfde plek uit over de Zuiderzee. In het donker kon je misschien het licht van dat andere eiland, Urk, waarnemen. Op het water zag je de lantaarns van schepen. Stuurboord- en bakboordlichten, hek- en ankerlichten. En achter je brandde het vuur dat ervoor moest zorgen dat die schepen langs Schokland en Urk konden navigeren.

In dit artikel iets over die lichten. Over de vuurtorens van Schokland, Urk, Oud-Kraggenburg, Blokzijl en later de Noordoostpolder. Maar eigenlijk wil ik het vooral hebben over de mensen die het licht brandende hielden. Want een vuurtoren was eeuwenlang helemaal niet automatisch. Iemand moest kolen aanslepen. Een vuur onderhouden. Schoonmaken. Mechanismen opwinden. Naar de einder staren. Een mistklok bedienen. Een peilschaal aflezen. Maar vooral: wakker blijven wanneer anderen sliepen.

Daarmee past het beroep van lichtwachter bijzonder goed bij het thema van deze Maand van de Geschiedenis (oktober 2026): Lichaam en Geest. Want de lichtwachter werkte met zijn hele lichaam. Maar misschien nog meer met zijn hoofd, want hij had de taak om te waken.

Het licht van Ens

De Zuidpunt op Ens, met de ruïne van de middeleeuwse kerk. Foto: Freddy Schinkel.

Laten we beginnen op Werelderfgoed Schokland, op de Zuidpunt, op het voormalige Ens. Het zuidelijke deel van Schokland heette Ens en het noordelijke deel Emmeloord. Al voordat er op de Zuidpunt een echte vuurtoren stond, was de plek een oriëntatiepunt voor de scheepvaart. De oude kerk op de Zuidpunt was vanaf het water zichtbaar. Daarnaast werd er door de eilanders een zogenaamd ‘vissersvuur’ gestookt. Maar dit open vuur was niet betrouwbaar.34

In 1618 besloten de Staten van Overijssel samen met Holland een vuurbaak te laten plaatsen. Daarmee behoorde Schokland tot de vroegste plaatsen rond de Zuiderzee met een georganiseerd kustlicht. Er kwam een stenen vuurboet met een open kolenvuur. Voor onderhoud aan de vuurbaak werd tot 1801 tol geven. Dit werd het ‘Ensser geld’ genoemd. Ook onderhoud aan het palenscherm, het salaris van de predikant, de schoolmeester en de vroedvrouw werden van dit geld betaald.5 6 7

De vuurstoker moest voldoende brandstof, voor tenminste drie maanden, hebben en moest in de donkere maanden nachtenlang voor het vuur zorgen. Alleen wanneer de Zuiderzee volledig door ijs was afgesloten en er geen scheepvaart mogelijk was, hoefde het vuur niet te worden gestookt. Als er niet werd gestookt, kreeg de vuurtorenwachter ook geen vergoeding…8

Maar er was nog iets. Naast de vuurbaak op de Zuidpunt stond vanaf 1821 een mistklok. Die sloeg 36 keer per minuut. Het uurwerk moest om de twee uur opnieuw worden opgewonden.9 Om de twee uur. Ook ’s nachts. Bedenk maar eens wat dat met het ritme van een mens deed. De lichtwachter leefde niet volgens kantooruren. Zijn werk werd bepaald door duisternis, mist en storm.

In februari 1825 werd Schokland getroffen door een enorme stormvloed.10 Een gebeurtenis die we vorig jaar hebben herdacht in de Enserkerk, de Museumkerk. Een aantal Schokkers kwam om het leven. Huizen werden weggespoeld. Een schokker schuit werd bij Zwolle, ver van Schokland, teruggevonden.11 Ook de bestaande vuurbaak werd vernield.12 Nog datzelfde jaar verrees op de Zuidpunt een nieuwe ronde stenen vuurtoren.13

Het fundament van de vuurtoren van 1825 op de Zuidpunt. Foto: Freddy Schinkel.

Van die toren is tegenwoordig alleen het ronde fundament zichtbaar. In een inventaris uit 1835 door burgemeester Gillot krijgen we een bijna huiselijk inkijkje in het leven daar. Er was een stenen woning voor de vuurstoker met drie vertrekken, een klokkentoren, een loopbrug naar de vuurtoren, roosters voor het vuur, een vuurschop, een koperen vuuremmer en een weegschaal voor de brandstof.14 Dat vind ik mooi, omdat het verhaal daardoor wat meer gaat leven. De vuurtoren was een werkplek.

In 1845 verdween het open kolenvuur en kwam er een lamp met prismatisch geslepen glas.15 Er kwam eindelijk een eind aan het naar boven slepen van steenkool. Het licht van Schokland werd een vast licht. Dat was belangrijk, want op Urk brandde een draailicht.16 Een schipper die ’s nachts twee lichten zag, kon dus aan het lichtkarakter herkennen welk eiland hij voor zich had.

De ontruiming van Schokland in 1859

In 1859 werd Schokland ontruimd. Dat is u wellicht bekend. Het onderhoud aan het eiland werd te duur en de opgezetenen waren in een neerwaartse spiraal van armoede terechtgekomen. De bewoners vertrokken en kwamen terecht in plaatsen als Kampen, Vollenhove, Volendam en Urk. Schokland werd verlaten, maar werd geen onbewoond eiland.

Het Nationaal Binnenvaart Monument. Foto: Stichting het Flevo-landschap.

Voor de scheepvaart, en dus voor Rijkswaterstaat, bleef het eiland belangrijk. Een Nationaal Binnenvaart Monument, bij de haven van Emmeloord, herinnert nog aan de succesvolle lobby van de binnenvaart, door Willem Jan Schuttevaer, voor het behoud van de vluchthaven van Emmeloord.17 Dit monument werd op 5 juni 2009 onthuld door Koningin Beatrix.18

Ook het belang van de vuurbaken voor de binnenvaart werd blijkbaar ingezien. Er bleven daarom ambtenaren, havenmeesters, kantonniers en lichtwachters nodig. Deze verschillende functies werden belegd bij een paar personen, die met hun gezinnen op het eiland kwamen wonen.

Luchtfoto van Schokland in 1933. Foto: Wikipedia / Aviodrome / KLM Aerophoto, publiek domein.

En daarmee ontstond een bijzondere situatie: een eiland waar bijna geen mensen meer woonden, maar waar een handjevol mensen achterbleef om voor de haven en het licht te zorgen. Op de Zuidpunt werd de lichtwachter Wiechert van Eerde, een derde generatie lichtwachter, na de ontruiming verantwoordelijk voor de lichtopstand en de mistbel.19 Daarna volgden Jelle Loosman, Hendrik Loosman, Theunis van Eerde en later opnieuw leden van de familie Van Eerde.20 De familie van Eerde zou uiteindelijk vijf generaties lang lichtwachter zijn op Schokland. En hoewel dit Urkers waren, kunt u aan de naam horen dat zij van Schokker afkomst waren.  

En nu komen we bij het moeilijkste deel van dit verhaal. Geschiedschrijving vermeldt dat twee broers van Eerde, Jacob en een jongere broer Theunis, in 1911 van Schokland vertrokken nadat zij, in ieder geval Jacob, geestesziek waren geworden.21 22 In sommige verhalen wordt de eenzaamheid van de Zuidpunt daarvoor als oorzaak genoemd.

Nou, we moeten hier een beetje voorzichtig zijn. Wij kunnen meer dan een eeuw later geen diagnose stellen. We weten niet preciés wat er met deze mannen aan de hand was en we kunnen niet bewijzen dat hun verblijf op Schokland de oorzaak was. Maar hun verhaal vertelt wel iets over de manier waarop tijdgenoten en latere generaties naar deze plek keken. Als een plek van afzondering.

Wind, water en duisternis. Een huis met daarachter de oude begraafplaats. Bij hoogwater konden menselijke resten uit de begraafplaats bloot komen te liggen.23 En pas kilometers verderop woonden de andere mensen op het eiland. De romantiek van de eenzame vuurtorenwachter krijgt hier een veel donkerder kant.

In zijn boek ‘De stervende Zuiderzee’ beschrijft schilder Jos Lussenburg het voorval als volgt. Ongetwijfeld geromantiseerd, maar ik wil het u niet onthouden.

Die nacht van 5 op 6 oktober, toen het aankolkende water over de kisting denderde en de graven rond de fundering van de oude kerk omwoelde, had hij [Jacob van Eerde] uren in angstige spanning naar de bulderende storm geluisterd. Grote stukken water ranselden de muren van zijn huisje en rukten er de pannen af. Brandde het licht nog wel op de toren? Als het vuur gedoofd was, zou men het hem aanrekenen als er schepen op de wal vergingen. De spanningen in deze besloten ruimte, waar je niets anders kon doen dan met de angst in je lijf afwachten, vrat aan zijn laatste restje weerstand. Telkens meende hij de roep van een mens in nood te horen. Het rukken van de deur in de sponning, het geroffel van neervallende pannen, de angst voor het gedoofde vuur en de gevolgen daarvan, deden hem in wanhoop besluiten de sprong naar buiten, naar de toren te wagen. Daarbuiten regeerden de almachtige krachten, maar hierbinnen was niet was niets dan angst, de spoken van zijn opgejaagde verbeelding. De oliejas met een end touw om het lijf gesjord, de zuidwester op de verwilderde kop gebonden, met een stormlantaarn in de bevende hand, deed hij de grendels van de deur. De deur sloeg met een verschrikkelijke slag tegen de kamerwand, de lamp vloog uit. De vuurwachter stortte zich in wanhoop naar buiten in de baaierd van geweld.

Het basalt van het pad naar de toren was door het water weggerukt. De zee had grote gaten in de terp geslagen en de oude graven omgewoeld. Oude planken, doodshoofden en beenderen dreven in een schuimende brij van modder en schuim over de terp. Buiten adem worstelde hij zich aan de ijzeren trapspijlen naar boven. totaal uitgeput viel hij neer op de overloop van de op zijn voetstuk trillende lichtopstand. Een flauw schijnsel viel vanuit het lichthuis over de witgekuifde golven. Als een wezenloze, totaal ontredderde ziel staarde de vuurwachter naar het paalwerk rond de terp. aar dook met de deining telkens het lichaam van een mens omhoog, verward in een om de palen van de zeewering vastgelopen lijn. Twee dagen en nachten hield de storm aan en bleef de vuurwachter op de omloop met een wezenloze blik over de aanstormende zee staren.

Toen de lijken van de schipper, vrouw en knecht van de op het zuid van Schokland vergane tjalk naar Kampen werden gebracht, bracht men ook de laatste vuurwachter op het zuid naar de vaste walk. Het laatste slachtoffer der vereenzaming op de verlaten zuidpunt van Schokland.24

Dat Jacob van Eerde de laatste lichtwachter op de Zuidpunt was, klopt trouwens niet, net zoals meer van dit verhaal niet zal kloppen. Hij werd nog opgevolgd door Klaas van Loo en Pieter Verschoor. Kantonniers Harm Prins en Jan Schuurman, woonachtig op de Middelbuurt van Schokland, waren vervolgens nog verantwoordelijk voor het licht op de Zuidpunt. Pieter Verschoor zou de werkelijk laatste lichtwachter van de Zuidpunt worden. Jacob van Eerdes naam leefde trouwens voort: de vuurtoren werd in de volksmond ‘Schokker Jaap’ genoemd.25 26

Nou, we hebben het hier over vuurtorens en eenzaamheid. Maar we moeten dit ook een beetje nuanceren. Een vuurtorenwachter was namelijk lang niet altijd alleen. Op Schokland woonden gezinnen in de lichtwachterswoningen. Dat gold eveneens voor Oud-Kraggenburg en Urk. Eenzaamheid betekent is niet noodzakelijk: er is niemand anders. Het kan ook betekenen: je bent met een klein aantal mensen op een plaats waarvan je moeilijk weg kunt.

Oud-Kraggenburg

Het Zwolsche Diep, rechts, ten noorden van Genemuiden. Links het eiland Schokland. Situatie eind 19e eeuw. Afbeelding: screenshot topotijdreis.nl.

Dat verschil wordt zichtbaar bij Oud-Kraggenburg. Halverwege de negentiende eeuw wilde Zwolle een betere vaarroute naar de Zuiderzee. Er werden kilometerslange leidammen door het Zwolse Diep aangelegd. Helemaal aan het uiteinde van de zuidelijke dam kwam een kunstmatig eiland met een vluchthaven en een woning voor een lichtwachter.27 In december 1848 trok Hendrik Willem Winkel daar met zijn vrouw en kinderen in.28 Sta nou eens een stil bij die locatie. Een huis omgeven door water, aan het einde van een dam van zo’n zes kilometer.

De lichtwachter moest hier niet alleen de lichten verzorgen. Hij inde havengeld en tol, hield toezicht op materialen, beheerde een klein winkeltje voor passerende schippers en moest opletten dat er niets werd gestolen of vernield.29

En dan kwam de winter. In de winter van 1854-1855 werd de situatie tijdens een storm zo ernstig dat Winkel maatregelen moest nemen om zijn gezin te beschermen. Kort daarna vroeg hij ontslag.30 31

Ook de daaropvolgende lichtwachtersfamilies moesten menigmaal de vlag hijzen, wanneer ze in nood gezeten waren. Gelukkig konden Vollenhoofse vissers ze keer op keer in veiligheid brengen.32

Pieter Verschoor en de stormvloed van 1916

Zuidpunt Schokland met vuurtoren. Bron: Zuiderzeecollectie / Collectie Zuiderzeemuseum Enkhuizen, CC BY-SA 4.0 (licentie).

Op Schokland krijgen we van zo’n storm nog een voorbeeld. In 1915 kwam Pieter Verschoor, met zijn vrouw en hun drie kinderen, op de Zuidpunt wonen. Verschoor was oud-marineman.33 Een paar maanden later, in de nacht van 13 op 14 januari 1916, kwam de stormvloed.34 Juist, de stormvloed van 1916, die Cornelis Lely het laatste duwtje gaf om zijn Zuiderzeewet door de kamer ter krijgen, het startsein van de aanleg van Flevoland.

Het water steeg alras en bereikte de hoger gelegen woning van de familie Verschoor. Het gezin bracht matrassen naar boven in de vuurtoren. In huis klommen zij op tafels en het aanrecht. Verschoor was, als oud-marineman, waarschijnlijk niet snel onder de indruk van wat golven. Maar midden in de nacht belde Verschoor naar Harm Smit, zijn collega in Emmeloord. Hij zou wanhopig geroepen hebben: “Moeten we allemaal omkomen?” Waarop Harm Smit hem moed insprak.35 36

De familie op de Zuidpunt kwam de nacht gelukkig door, want op een gegeven moment stopte het water met stijgen.

Hoogwatermerken op het museumterrein, zoals aan de buitenzijde van de Museumkerk, geven nu nog een beeld van de situatie in 1916 en de eerder genoemde stormramp van 1825.

Emmeloord: lichtwachter én havenmeester

Gezicht op Emmeloord. De lichtwachterswoning, de vuuropstand en helemaal rechts het misthoornhuisje zijn duidelijk te zien. Foto: Zuiderzeecollectie / Collectie Zuiderzeemuseum Enkhuizen, CC BY-SA 4.0 (licentie).

Aan de andere kant van Schokland ontwikkelde zich ondertussen een andere lichtpost. Op Emmeloord, het noorden, lag de haven. De woning die we nu nog kennen als Rijksmonument De Lichtwachter werd in 1901 gebouwd. De havenmeester was tegelijkertijd verantwoordelijk voor de lichten. Lammert Smit en zijn gezin waren de eerste bewoners van de nieuwe woning.37

Eerst werd ’s avonds een olielamp in een houten driepoot gehesen. In 1914 kwam er een ongeveer tien meter hoge stalen lichtopstand. Het licht brandde op carbid. De toren die je tegenwoordig bij de haven ziet is overigens geen origineel: het is een reconstructie uit 2007.38

Harm Smit, directeur van de visafslag op Schokland, telefoonbeambte, havenmeester en lichtwachter groeide uit tot een bekendheid en werd door Jos Lussenburg innemend de ‘grand old man’ van de Zuiderzee genoemd.39 Zijn grafsteen ligt in de tuin van de lichtwachterswoning op Schokland, de plaats waar hij zo verknocht aan was.

We vonden een prachtig detail over de laatste havenmeester van Emmeloord, Jan Spit, een ingetogen man. In ‘Zwervend langs het IJsselmeer’ lezen we dat Spit al ruim voor zonsondergang naar zijn schuur ging om de petroleumlantaarns voor de haven gereed te maken. Groen voor het ene havenhoofd, rood voor het andere. Hij poetste ze, stelde de vlam af en bracht ze naar buiten. En dan keek hij later op de avond nóg eens. Hij nam zijn beroep uiterst serieus, was nooit helemaal gerust. Want misschien was een lamp toch gaan loeven. Misschien zou uitgerekend die ene nacht een schip op dat licht vertrouwen.40

Mist

De lichtwachterswoning, de replica van de vuurtoren en het misthoorngebouw op Emmeloord, Schokland. Foto: Bertel Kolthof / Stichting Werelderfgoed Nederland.

En dan was er mist. Een vuurtoren werkt alleen wanneer je hem kunt zien. Dus kreeg de lichtwachter ook geluid tot zijn beschikking. Op de Noordpunt van Schokland kwam in 1921 een misthoorninstallatie. Het sein was heel precies: twee stoten per veertig seconden. De broers Hendrik en Harm Smit moesten de installatie onderhouden en iedere week proef laten draaien. De misthoorn verdween, maar het gebouw bleef bestaan. Nu is het een Rijksmonument, net als de Lichtwachterswoning.41

Ook op Urk bestonden achtereenvolgens een mistklok, misthoorn en nautofoon.42 Ik heb het geluid in mijn jeugd op Urk nog regelmatig gehoord. Het waarschuwde ook, wanneer schepen te dicht onder de kust kwamen.

Urk: een vuurtoren sinds de zeventiende eeuw

De vuurtoren van Urk voor de bouw van de Bethelkerk. Foto: Zuiderzeecollectie / Zuiderzeemuseum Enkhuizen, CC BY-SA 4.0 (licentie).

Urk heeft de langste ononderbroken lichttraditie van de streek. Al in 1617 werd er een vuurbaak gebouwd. De huidige witte vuurtoren dateert uit 1844-1845. Ze werkt nog en de lichtwachterswoning wordt thans bewoond door het echtpaar Bakker. In 1901 werd de toren ongeveer vijf meter verhoogd, vanwege de bouw van een nieuwe kerk op Urk: de Bethelkerk. De vuurtoren moest daar overheen kunnen schijnen.43

In 1876 kreeg de toren een nieuw draailicht. Dat werd aangedreven door een valgewicht.44 Later werd de techniek moderner. Maar het menselijke oog bleef belangrijk. De vuurtorenwachter moest de zee in de gaten blijven houden.

Over dat menselijke oog. Het kon ook zijn dat een vuurtorenwachter een oogje dichtkneep. Dit brengt ons op het oorlogsverhaal van het ‘klokkenschip’, een schip vol met monumentale klokken, uit het hele land geroofd, onderweg naar Duitsland, klaar om daar omgesmolten te worden voor de oorlogsindustrie. Het schip zou langs Urk varen en de vuurtorenwachter, Jacob Schraal, was op de hoogte. Hij trok de stekker van de noodverlichting eruit en het schip liep vast op de ondiepte de Vormt. De klokken wachtten op de bodem van de Zuiderzee tot het einde van de oorlog. Ze waren gered, mede door de kleine verzetsdaad van de vuurtorenwachter.45

Een saillant detail: Onder deze klokken bevond zich een klok die oorspronkelijk van Schokland kwam, die door de watergeuzen werd geroofd en daarna in een kerkje in Noord-Holland, namelijk Lambertschaag, hing. Die keerde dus bijna weer terug naar Schokland, in die oorlogsjaren.46 47

Een ander opmerkelijk feit van de Urker vuurtoren is de enige vuurtoren in Nederland die linksom draait. Alle andere vuurtorens draaien rechtsom.48 Of dit ook iets zegt over de aard van de Urker bevolking, laat ik aan de lezer over.

Het havenlicht van Blokzijl

Havenlicht van Blokzijl. Foto: Gemeentearchief Steenwijkerland.

Een licht dat tegenwoordig merkwaardig genoeg in de Noordoostpolder staat, hoorde oorspronkelijk helemaal niet bij de polder. Het was het havenlicht van Blokzijl.

Blokzijl was eeuwenlang een havenstad aan de Zuiderzee. Maar de haven had een probleem dat we op meer plaatsen rondom die zee tegenkomen: verzanding. Om schepen veilig naar binnen te kunnen leiden, werd de vaargeul steeds verder de Zuiderzee in uitgebouwd. Al in de zeventiende eeuw werden daar lange strekdammen aangelegd. Aan het uiteinde van de noordelijke dam kwam een lichtopstand.49

In 1907 werd de strekdam nog eens met ongeveer vijfhonderd meter verlengd. Helemaal aan het uiteinde kwam een nieuwe stalen lichtopstand. Op 1 januari 1908 werd het nieuwe witte havenlicht officieel ontstoken.50

De laatste vuurtorenwachter van Blokzijl was Cees Klinkert. En Klinkert maakte iets mee wat maar weinig vuurtorenwachters zullen hebben meegemaakt. Niet zijn vuurtoren verdween als eerste, maar de zee verdween. In 1942 viel de Noordoostpolder droog. Waar Klinkert enkele jaren eerder vanaf zijn lichtopstand over de Zuiderzee en later het IJsselmeer had uitgekeken, lag ineens land.

De oude lichtopstand werd vervolgens opgeblazen. De strekdam werd afgegraven. De basaltblokken kregen elders een nieuwe bestemming bij de aanleg van dijken en het puin van de dam werd gebruikt als ondergrond voor de Steenwijkerweg.51 De vuurtoren verdween dus bijna letterlijk in de nieuwe polder. Maar het verhaal kreeg nog een bijzonder vervolg.

In 2008 werd op de oorspronkelijke locatie een replica van het havenlicht gebouwd.52 De vuurtoren staat ongeveer 2,3 kilometer van het huidige Blokzijl, op dezelfde plek waar vroeger het einde van de strekdam lag.

En bij de opening in 2008 was één man aanwezig die de oude situatie nog werkelijk had gekend. Cees Klinkert. De laatste vuurtorenwachter van Blokzijl was inmiddels 94 jaar oud. Zesenzestig jaar nadat hij het oorspronkelijke licht had gedoofd, mocht hij het herbouwde havenlicht openen.53

Dat vind ik een van de mooiste verhalen uit deze hele geschiedenis. Een jonge man doet in 1942 het licht uit omdat de zee verdwijnt. Een oude man keert in 2008 terug naar precies dezelfde plek om het licht weer aan te steken.

De Rotterdamse Hoek

De Rotterdamse Hoek. Foto: Visit Flevoland.

We keren even terug naar de oorlogsjaren. Bij de Rotterdamse Hoek, waar de Westermeerdijk overgaat in de Noordermeerdijk, staat een vierkante bakstenen lichtopstand. De plek draagt haar naam vanwege het puin van het in mei 1940 gebombardeerde Rotterdam dat bij de aanleg en afwerking van de dijk werd gebruikt. Vandaar ook de naam: Rotterdamse Hoek. Bedacht door de polderwerkers, om nooit de herinnering aan een gitzwarte bladzijde uit onze geschiedenis te vergeten.54 55

Het licht daar was geen bemande vuurtoren zoals op Urk of het oude Schokland. Maar er zat toch weer een mens achter. De vuurtorenwachter van Urk was verantwoordelijk voor controle en onderhoud van het licht en de misthoorn op de Rotterdamse Hoek. De gasvoorraad moest aanvankelijk zelfs per schip worden aangevoerd; omdat het schip niet bij de dijk kon komen, werden gasflessen in een vlet overgeladen en over het basalt omhoog gedragen. Zelfs een geautomatiseerd licht vroeg dus nog om aandacht en mankracht.56 57

Het einde van een beroep

Vuurtoren van Kraggenburg. Foto: Wikipedia / Uberprutser / CC BY-SA 4.0 (licentie).

Op de Zuidpunt van Schokland werd het licht vanaf 1922 automatisch ontstoken.58 Ook op Kraggenburg werden de lichten geautomatiseerd. Lichtwachter Barend Kroese vertrok in 1920 met zijn gezin. Daarna kwam bakenmeester Kasper Kombrink nog wekelijks vanuit Genemuiden langs voor inspectie en de peilschaal.59

Op Urk bleef de menselijke lichtwachter veel langer bestaan.60 Uiteindelijk maakte ook daar de automatisering de traditionele functie overbodig. Het licht bleef schijnen, maar de mens verdween. En misschien is dat wel de meest fundamentele verandering in de geschiedenis van de vuurtoren. Eeuwenlang was veiligheid afhankelijk van iemand die wakker bleef. Iemand die twijfelde of de lamp wel goed brandde en daarom tóch nog één keer naar buiten liep.

Tot slot

Wanneer wij naar een vuurtoren kijken, krijgen we daar meestal een romantisch beeld bij. Iets eenzaams, maar mooi. Iets pastoraals, maar dan met een gebouw en de zee. Een toren aan de horizon, een herderlijk licht in de duisternis.

Achter dat beeld zat een beroep. En achter dat beroep zat een mens. Iemand die de kou voelde. Iemand die moe kon worden en bang kon zijn. Iemand die verantwoordelijkheid droeg voor mensen die hij vaak niet eens kende.

Daarom gaan de verhalen van de vuurtorens van Urk en de Noordoostpolder volgens mij uiteindelijk niet alleen over techniek of scheepvaart. Maar het gaat over waken. Over wat er van lichaam en geest wordt gevraagd wanneer anderen op jou vertrouwen.

Als je nu nog eens op de Zuidpunt van Schokland komt, probeer dan eens over het vlakke polderland te duren, je inbeeldend dat de Zuiderzee hier nog heer en meester is. Dat rondom de terp alleen maar water is. Dat ergens in de verte een schip voorbij vaart. En dat je wakker moet blijven, omdat het licht niet uit mag gaan.

In de gratis audiotour De Laatste Lichtwachter wandel je vanaf Museum Schokland naar de Zuidpunt van het voormalige eiland. Onderweg vertelt de lichtwachter zijn verhaal en komen het landschap, de geschiedenis van Schokland en het eenzame bestaan bij het licht tot leven. De audiotour werd gemaakt door Prins te Paard locatietheater, met Martin-Jan van Santen als Jacob en Radio de Zwarte Kat, audiomontage door Egbert Hermsen, beeld van Martijn van der Riet en productie door Liset Moerdijk. De productie werd mede mogelijk gemaakt door de Provincie Flevoland. In oktober 2026 is deze audiotour opnieuw onder de aandacht gebracht in het kader van de Maand van de Geschiedenis. Meer informatie op de website van Museum Schokland.

Voor dit artikel maakte ik dankbaar gebruik van o.a. Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder van Peter Kouwenhoven, uitgegeven door de vuurtoren van Urk. Ook van onschatbare waarde is het boek ‘Pastoors, predikanten en vuurstokers van het eiland Schokland’, geschreven door Bruno Klappe en in 1993 uitgegeven door Stichting Urker Uitgaven; de website Schokland door de eeuwen heen en de website van de Schokkervereniging.

– Bas Visscher, oktober 2026

  1. Boudewijn Büch, Eenzaam. (Amsterdam/Antwerpen: Atlas, 1992), 9. ↩︎
  2. Ibidem, 11. ↩︎
  3. Flevoland Erfgoed, “Vuurtoren”, https://www.flevolanderfgoed.nl/home/erfgoed/noordoostpolder-2/schokland-3/vuurtoren.html, geraadpleegd 1 oktober 2026. ↩︎
  4. Schokland door de eeuwen heen, “Zuidpunt met vuurtoren”, https://www.schoklanddoordeeeuwenheen.nl/zuidpunt-met-vuurtoren.htm?, geraadpleegd 30 september 2026. ↩︎
  5. Peter Kouwenhoven, Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder. (Urk: Vuurtoren Urk, 2021), 21. ↩︎
  6. Flevoland Erfgoed, “Vuurtoren”, https://www.flevolanderfgoed.nl/home/erfgoed/noordoostpolder-2/schokland-3/vuurtoren.html, geraadpleegd 1 oktober 2026 ↩︎
  7. Schokland door de eeuwen heen, “Zuidpunt met vuurtoren”, https://www.schoklanddoordeeeuwenheen.nl/zuidpunt-met-vuurtoren.htm?utm_source=chatgpt.com, geraadpleegd 30 september 2026. ↩︎
  8. Bruno Klappe, “De vuurtorens op de Zuidpunt (1618-)”, Schokkervereniging, https://www.schokkervereniging.nl/index.php/schokker-erf/artikelen-uit-het-schokker-erf/186-de-vuurtorens-op-de-zuidpunt-1618 geraadpleegd 30 september 2026. ↩︎
  9. Peter Kouwenhoven, Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder. (Urk: Vuurtoren Urk, 2021), 22. ↩︎
  10. Ibidem. ↩︎
  11. Schokland door de eeuwen heen, “Stormvloed over Schokland”, http://www.schoklanddoordeeeuwenheen.nl/stormramp-1825.htm, geraadpleegd 6 oktober 2026. ↩︎
  12. Schokland door de eeuwen heen, Zuidpunt met vuurtoren, https://www.schoklanddoordeeeuwenheen.nl/zuidpunt-met-vuurtoren.htm?utm_source=chatgpt.com, geraadpleegd 30 september 2026 ↩︎
  13. Bruno Klappe, “De vuurtorens op de Zuidpunt (1618-)”, Schokkervereniging, https://www.schokkervereniging.nl/index.php/schokker-erf/artikelen-uit-het-schokker-erf/186-de-vuurtorens-op-de-zuidpunt-1618, geraadpleegd 30 september 2026. ↩︎
  14. Ibidem. ↩︎
  15. Peter Kouwenhoven, Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder. (Urk: Vuurtoren Urk, 2021), 23. ↩︎
  16. Ibidem. ↩︎
  17. Flevoland Erfgoed, “Nationaal Binnenvaart Monument”, https://www.flevolanderfgoed.nl/home/herinneringsmonumenten/noordoostpolder-4/schokland-2/binnenvaart-monument.html, geraadpleegd 2 oktober 2026. ↩︎
  18. Koninklijk Huis, “Koningin onthult 5 juni 2009 Nationaal Binnenvaart Monument”, https://www.koninklijkhuis.nl/actueel/nieuws/2009/04/28/koningin-onthult-5-juni-2009-nationaal-binnenvaart-monument-op-schokland, geraadpleegd 6 oktober 2026. ↩︎
  19. Bruno Klappe, Pastoors, predikanten en vuurstokers van het eiland Schokland. (Urk, Stichting Urker Uitgaven, 1993), 141-142. ↩︎
  20. Ibidem, 142-143. ↩︎
  21. Ibidem, 143-145. ↩︎
  22. Schokland door de eeuwen heen, “Zuidpunt met vuurtoren”, https://www.schoklanddoordeeeuwenheen.nl/zuidpunt-met-vuurtoren.htm?utm_source=chatgpt.com, geraadpleegd 30 september 2026. ↩︎
  23. Ibidem. ↩︎
  24. Jos Lussenburg, De stervende Zuiderzee. (Apeldoorn: Semper Agendo, onbekend), 45-46. ↩︎
  25. Schokker vereniging, De vuurtorens op de Zuidpunt, https://www.schokkervereniging.nl/index.php/schokker-erf/artikelen-uit-het-schokker-erf/186-de-vuurtorens-op-de-zuidpunt-1618 geraadpleegd 30 september 2026. ↩︎
  26. Bruno Klappe, Pastoors, predikanten en vuurstokers van het eiland Schokland. (Urk, Stichting Urker Uitgaven, 1993), 145-146. ↩︎
  27. Peter Kouwenhoven, Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder. (Urk: Vuurtoren Urk, 2021), 28-29. ↩︎
  28. Flevoland Erfgoed, “Lichtwachterswoning Oud Kraggenburg”, https://www.flevolanderfgoed.nl/home/erfgoed/noordoostpolder-2/kraggenburg-2/lichtwachterswoning.html, geraadpleegd 1 oktober 2026. ↩︎
  29. Ibidem. ↩︎
  30. Schokland door de eeuwen heen, “Stormvloeden, terpen, dijken en landverlies in de kom van de Zuiderzee, ‘die vloeden van jare tot jare hogher‘ – deel 3: 1825 – 2017”, http://www.schoklanddoordeeeuwenheen.nl/stormen-3.htm. geraadpleegd 1 oktober 2026. ↩︎
  31. Zuiderkrib, “Historie”, https://zuiderkrib.nl/historie/, geraadpleegd 3 oktober 2026. ↩︎
  32. Peter Kouwenhoven, Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder. (Urk: Vuurtoren Urk, 2021), 30. ↩︎
  33. Bruno Klappe, Pastoors, predikanten en vuurstokers van het eiland Schokland. (Urk, Stichting Urker Uitgaven, 1993), 145 ↩︎
  34. Ibidem, 146 ↩︎
  35. Ibidem, 146 ↩︎
  36. Schokland door de eeuwen heen, “De Stormvloed van 1916 en haar gevolgen”, http://www.schoklanddoordeeeuwenheen.nl/stormvloed-1916.htm, geraadpleegd 1 oktober 2026. ↩︎
  37. Peter Kouwenhoven, Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder. (Urk: Vuurtoren Urk, 2021), 25 ↩︎
  38. Ibidem, 25-26 ↩︎
  39. Smit Schokland, “Harm Smit 1880-1950 ‘Grand old man’ van de Zuiderzee'”, https://smitschokland.nl/2018/11/01/harm-smit/, geraadpleegd 7 oktober 2026. ↩︎
  40. Wim Kuyper, Zwervend langs het IJsselmeer: heden en verleden van het hart van Nederland. (Bussum: De Boer Maritiem/Unieboek, 1978), 131-132. ↩︎
  41. Peter Kouwenhoven, Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder. (Urk: Vuurtoren Urk, 2021), 26-27 ↩︎
  42. Ibidem, 16-18 ↩︎
  43. Ibidem, 8-18 ↩︎
  44. Ibidem, 14 ↩︎
  45. Albert van Urk, “Het Klokkenschip”, Mijn Zuiderzee, https://www.mijnzuiderzee.nl/page/7386/het-klokkenschip, geraadpleegd 1 oktober 2026. ↩︎
  46. Schokland door de eeuwen heen, “De geuzen en de Schokker kerkklok van Lambertschaag”, http://www.schoklanddoordeeeuwenheen.nl/geuzen-lambertschaag-1581.htm, geraadpleegd 7 oktober 2026. ↩︎
  47. Privéarchief Albert van Urk, “Lijst geroofde klokken die zich bevonden op het klokkenschip ‘Hoop op zegen'”. ↩︎
  48. Peter Kouwenhoven, Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder. (Urk: Vuurtoren Urk, 2021), 15 ↩︎
  49. Ibidem, 36 ↩︎
  50. Ibidem. ↩︎
  51. Ibidem, 37 ↩︎
  52. Ibidem, 37-38. ↩︎
  53. Ibidem, 38 ↩︎
  54. Flevoland Erfgoed, “Rotterdamse Hoek”, https://www.flevolanderfgoed.nl/home/erfgoed/noordoostpolder-2/creil-3/rotterdamse-hoek-2.html, geraadpleegd 1 oktober 2026. ↩︎
  55. Peter Kouwenhoven, Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder. (Urk: Vuurtoren Urk, 2021), 42. ↩︎
  56. Flevoland Erfgoed, “Rotterdamse Hoek”, https://www.flevolanderfgoed.nl/home/erfgoed/noordoostpolder-2/creil-3/rotterdamse-hoek-2.html, Geraadpleegd 1 oktober 2026. ↩︎
  57. Peter Kouwenhoven, Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder. (Urk: Vuurtoren Urk, 2021), 42. ↩︎
  58. Bruno Klappe, “De vuurtorens op de zuidpunt (1618-)”, Schokkervereniging, https://www.schokkervereniging.nl/index.php/schokker-erf/artikelen-uit-het-schokker-erf/186-de-vuurtorens-op-de-zuidpunt-1618 geraadpleegd 30 september 2026. ↩︎
  59. Peter Kouwenhoven, Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder. (Urk: Vuurtoren Urk, 2021), 32. ↩︎
  60. Ibidem, 18. ↩︎

Overwinteren op Schokland, een verslag

Het hele land ligt onder een laagje sneeuw. Dat leverde ook op Werelderfgoed Schokland weer mooie beelden op:

Over winters gesproken. Die waren vroeger net een tikkeltje intenser. En als je dan ook nog ingevroren raakt bij het haast onbewoonde eiland Schokland… Een zeventienjarige schippersdochter maakte het mee.

Het verslag van deze overwintering hieronder integraal overgenomen.

Een overwintering op het eiland Schokland

Belevenissen van een 17-jarige schippersdochter in de winter van 1927-1928

Wij waren met ons lege schip – een zeilklipper van 154 ton genaamd de Annigje – onderweg van Meppel naar Amsterdam. Mijn vader wilde graag met de Kerst in Amsterdam liggen. Het begon al stevig te vriezen. Tegen de avond waren wij bij het eiland Schokland, dat lag nog in de toenmalige Zuiderzee. Mijn vader besloot die nacht voor anker te gaan achter het eiland (in het zogenaamde gat van Ens) om de andere morgen vroeg te gaan varen. Zodoende om te proberen de ijsgang voor te zijn.

Het vroor die nacht hard en ’s morgens was de Zuiderzee bedekt met grondijs. En daar is met een zeilschip niet door te komen. Dus besloot mijn vader om de haven van Schokland binnen te komen, wat met veel moeite is gelukt. Niet vermoedend dat wij de Kerst en Nieuwjaar zouden vieren. Wij waren het enige schip in de haven, dus ligplaats genoeg. Maar gelukkig woonden er nog twee gezinnen op Schokland, de Rijks havenmeester en de lichtwachter, allebei genaamd Smit; het waren broers. De lichtwachter verzorgde de verlichting op het eiland. De verlichting was toen al elektrisch. In het huisje van de misthoorn stond de Kromhoutmotor voor de stroomopwekking. Dit kromhoutje staat nu (1985) nog in de Marker vuurtoren. De havenmeester had een dienstvaartuig tot zijn beschikking: een spierwitte stalen zeilbotter (bijgenaamd het varken).

Gelukkig waren er onder die gezinnen ook jongelui van onze leeftijd en hadden mijn jongere broer ik al gauw contact. Mijn ouders waren goed bevriend met de ouderen en gingen bij deze mensen buurten.

Omdat het bleef vriezen, gingen wij al gauw schaatsenrijden op de Zuiderzee. Wij schaatsten van de haven aan de Noordpunt naar de Middelbuurt waar nu het Museum is in de kerk. In mijn tijd werd de kerk gebruikt als onderkomen voor seizoenarbeiders, maar zo langzamerhand raakte het eten op. En het liep tegen Kerst. Bij de familie Smit, de havenmeester, was een onderwijzeres in huis. De kinderen op het eiland kregen daar op rijkskosten onderwijs thuis. De onderwijzeres wilde graag naar huis met de Kerst. Ze woonde in Groningen en omdat er toch eten gehaald moest worden in Kampen, ging ze met de mannen mee naar Kampen.

Op het eiland was een grote slee en die werd klaargemaakt, ’s morgens bij het aanbreken van de dag waren ze klaar voor vertrek. De onderwijzeres werd in dekens gewikkeld op de slee gezet. Mijn broer mocht ook mee om te helpen. De mannen trokken en duwden de slee zelf op de schaatsen over de Zuiderzee naar hert Kampereiland. De tocht was niet zonder gevaar, wegens de wakken en scheuren in het ijs. Vanaf het Kampereiland werd er gelopen naar Kampen. Een pittige wandeling van ongeveer 15 km. Om niet te verdwalen bij mist of sneeuw op het ijs, hadden ze een kompas meegenomen. Voor de achterblijvers was het ook een spannende dag, want het ijs kon zo gaan scheuren.

Een foto van het betreffende schip. Bron: Museum Schokland.

Maar gelukkig, in de namiddag kwamen de mannen er weer aan, met de slee vol proviand, melk, spek, meel, enz. Nadien is deze reis nog tweemaal herhaald, met aldoor een goede afloop.

Mijn ouders gingen ’s avonds buurten bij de familie Smit. De jongelui kwamen dan bij ons aan boord in de roef en dan werden er spelletjes gedaan. Op een avond tussen Kerst en Nieuwjaar waren wij weer met de hele club bij ons aan boord in de roef en zijn wij kaarten gaan schrijven voor familie en kennissen, maar er waren alleen kaarten met de afbeelding van Schokland er op.

Er kon wel post worden verstuurd en er werd ook post gebracht. Er was een geul gebroken in het ijs van de Zuidpunt van het eiland naar Kampen. Als het mogelijk was, bracht de botter de post. En als de botter op de Zuidpunt was gearriveerd, moesten de mannen over een glad dammetje naar de Zuidpunt lopen om de post op te halen. Het was levensgevaarlijk en zo’n ander halfuur lopen. Ze deden dan sokken over de klompen om niet uit te glijden. Wij hebben ook nog een kaart naar Koningin Wilhelmina gestuurd met de namen van alle eilandbewoners er op. Later hoorden wij dat de Koningin een brief terug had gestuurd.

Omdat er weer meel genoeg was, gingen wij oliebollen en wafels bakken. Je moest toch wat doen. Radio en TV was er nog niet.

Na Nieuwjaar waren de mannen begonnen met grote ijszagen ons schip los te zagen, maar dat ging erg langzaam en was bar zwaar werk. Dit werd gedaan omdat het ondertussen was gaan dooien.

Op een avond zaten wij weer bij elkaar in de roef. Een van ons tuurde door de ramen van de roef naar buiten naar de haveningang en zag ineens boordlichten naar de haveningang komen. Het was de beurtmotor, die wilde in de haven overnachten. De andere dag heeft de beurtmotor het ijs om ons schip heen losgebroken en ons naar buiten gesleept. Vandaar zijn wij onder zeil richting Amsterdam gevaren. Het viel niet mee om op de zeilen door dat losse ijs te varen, maar het is gelukt en zijn wij veilig in Amsterdam aangekomen. Al met al hebben wij vijf weken ingevroren gezeten in de haven van Schokland. Wij hebben ons daar best vermaakt, maar waren toch ook weer blij dat we weer in de vaart waren.

Dit verhaal is waar gebeurd en verteld door Mevr. A. Jetses-van Veen (1908 – 1989) aan haar oudste zoon dhr. A. Jetses wonend te Zaandam.

Bovenstaand artikel werd een paar jaar geleden toegestuurd aan Museum Schokland. Het verscheen eerder ook op de website van de Schokkervereniging en in Het Schokker Erf nr. 28, p. 36-38. Ook verscheen het in De Vriendenkring (Vrienden van Schokland), jaargang 47, nr. 4 (winter 2007), p. 30-32.

De waterzoon en offervaardigheid

Eva Vriend is essayist van de Maand van de Geschiedenis. Ieder jaar krijgt een andere historicus de eer om het essay te schrijven, naar aanleiding van een jaarlijks wisselend thema.

Eva schreef over de polder in ‘Het nieuwe land’, over de Zuiderzeewerken in ‘Eens ging de zee hier tekeer’ en over Schokland en de Schokker nazaten in ‘Het eiland van Anna’.

Eva Vriend over ‘De waterzoon’.

27 september jl. vond op Schokland de landelijke aftrap van de Maand van de Geschiedenis plaats. De Maand stelde Schokland als locatie voor. En plots stond de Museumkerk vol radio-apparatuur. Het werd een bijzondere ochtend, met twee Schokker nazaten, Eva Vriend en een mooie column van Nelleke Noordervliet. Gaaf hoe alles samenkomt en dat we Werelderfgoed Schokland weer landelijk onder de aandacht kunnen brengen.

Het essay van Eva heet ‘De waterzoon. Jac. P. Thijsse, zijn zoon en onze verhouding tot de natuur’. Iedereen kent Jac. P. van de Verkade-albums.

Minder bekend dan Jac. P. is diens zoon Jo, de ‘rekenmachine’ achter onder andere de Zuiderzeewerken.

Eva schetst de familiegeschiedenis van de Thijsses. Ze zoekt naar de relatie tussen vader en zoon en brengt ook moeder en schoondochter in beeld. Het essay is ook persoonlijk: het begint op de boerderij waar Eva opgroeide. Haar vader had een melkveehouderij.

‘Zelf liet ik het gemaakte land in 1992 achter me. Ik verruilde de boerderij van mijn familie voor de universiteit. De IJsselmeerpolders verdwenen hiermee niet uit mijn leven. De geschiedenis van het Zuiderzeeproject keert telkens terug in mijn werk en ik denk dat ik intussen begrijp waarom. De vragen die ik mezelf erover stel, hebben een universele reikwijdte; ze gaan over veel meer dan die rechte, strakke grond van mijn jeugd.

Een van de kwesties die me niet loslaat, gaat over de ingenieurs die aan de basis stonden van de IJsselmeerpolders. Wat dreef deze mannen die ervan uitgingen dat ze de wereld naar hun hand konden zetten? Kenden deze maakbaarheidsstrevers ook hun bedenkingen? En in het verlengde daarvan: hoe keken ze terug op hun idealen?’

Zo begint het essay. In 1905 gaf Jac. P. aanzet tot de oprichting van Natuurmonumenten. Een jaar later verscheen het eerste Verkade-album, ‘Lente’. Zijn zoon Jo maakte een paar decennia later carrière als ingenieur. Het contrast kan niet sterker zijn, zo lijkt het althans.

Er zit inderdaad een spanning tussen het natuurbeheer van Jac P. en het naar de hand zetten van het landschap door zijn zoon Jo. Je voelt die spanning op veel plekken in het land. Aan de ene kant willen we de natuur beschermen, aan de andere kant moeten dijken zorgen voor onze veiligheid en polders de groeiende bevolking woonruimte bieden. 

Een spanning die we ook op Schokland voelen. Waar we ook met verschillende lagen, en verschillende organisaties, te maken hebben: natuur, archeologie, bezoekers, bewoners, cultuurhistorie.

Tijdens de lezing door Ronald Nijboer en Yftinus van Popta, eerder deze maand, werd dieper ingegaan op de herinnering aan het landschap van vroeger. En wat die herinnering voor ons vandaag de dag betekent. Veel ging verloren door de inpoldering, maar ook ontstonden nieuwe plekken als Werelderfgoed Schokland, de Marker Wadden, het Waterloopbos. Op die laatste plek liggen wetenschap, natuur en erfgoed zo haast vanzelfsprekend dicht bij elkaar. Het is ook een plek die terugkomt in De waterzoon.

Jo solliciteerde bij de grote Lorentz, destijds een rockster. Hij was Nobelprijswinnaar. Van 1918 tot 1926 was hij voorzitter van de Zuiderzeecommissie. Jo werkte voor Lorentz en voelde zich al snel thuis in dit werkveld.

Zowel Lorentz als Thijsse verdwenen in zekere zin uit ons collectief geheugen. Ze staan een beetje in de schaduw van Cornelis Lely. Toch waren de wetenschappers niet minder belangrijk. In 1928 werd Lorentz begraven. Honderden mensen stonden langs de stoet. In Haarlem, waar hij werd begraven, werden gordijnen gesloten en straatlantaarns gedimd. Albert Einstein en Marie Curie waren bij de begrafenis aanwezig.

Ook Jo Thijsse steeg snel in populariteit. Na de watersnoodramp in 1953 keerde hij, na een kort verblijf in Amerika, halsoverkop terug naar Nederland.

‘‘Een ramp heeft het land getroffen,’ schreef de Volkskrant. En er was maar één man die redding kon brengen. ‘Men heeft hem nodig. Een man die als geen ander de waterloopkundige problemen van zijn land beheerst.’

De rijzige man die daar de vliegtuigtrap afdaalde, was professor ingenieur Johannes Theodoor Thijsse. Hij moest het land verlossen.’

De ingenieur als verlosser. De natuur kon naar de hand van de mens gezet worden, zo was lang de gedachte. Maar door invloed van vader Thijsse werd steeds meer gestreefd naar een ‘holistische’ aanpak bij aanpassingen in het landschap: ook de natuur en de mens moesten een plek krijgen in de visies.

Hoe groot de tegenstellingen tussen vader en zoon ook waren, ze wilden elkaar steeds begrijpen. Vriend: ‘De offervaardigheid werkt twee kanten op, meenden vader en zoon eensgezind. Ja, menigmaal betaalt de natuur een prijs voor de vooruitgang. Maar de mens mag niet doorschieten en moet, indien nodig, bereid zijn met minder genoegen te nemen, opdat het ecologische evenwicht niet onomkeerbaar verstoord raakt. Knappe ingenieurs mogen denken dat ze alles kunnen, maar de maakbaarheid kent grenzen. Het is een kwestie van geven en nemen, stelden de Thijsses. In goed overleg.’

Lezing Eva Vriend in de Museumkerk op 25 oktober. Eigen foto.

Welke offers zijn we bereid te brengen? Dat was de afsluitende vraag tijdens de lezing die Eva Vriend afgelopen zaterdag gaf in de Museumkerk. De historische context van Schokland: de afsluiting van de Zuiderzee, de inpoldering, de Werelderfgoedstatus, gaf de lezing een mooie dimensie. ‘Alles is belangrijk’, zo besluit het essay.

De waterzoon geeft energie om de rol van de mens ten opzichte van de natuur kritisch te beschouwen, vanuit verschillende invalshoeken. Hoe zien de polder en Werelderfgoed Schokland er over een jaar of vijftig uit? Laten we er hardop over na blijven denken.

Het boek De waterzoon. Jac. P. Thijsse, zijn zoon en onze verhouding tot de natuur is verschenen bij Atlas Contact.

Maaien met de zeis op Schokland

Gisteren plaatste ik een artikel over de maaiers uit Nieuwleusen, die generatieslang het hooi- en weiland van het eiland Urk maaiden.

https://basvisscher.com/2025/10/20/hoe-ze-van-nieuwleusen-naar-urk-kwamen-om-te-maaien/

Maar hoe ging dat op Schokland? Daarover is niet veel bekend. Ook de conservator kon mij niet verder helpen.

Jozef Israëls, Maaiers, 1834-1911. Rijksmuseum Amsterdam.

Wel is het zo dat na de ontruiming maaiers van ‘buiten’ kwamen en overnachtten in de Enserkerk, sinds de ontruiming van Schokland niet meer in gebruik als Godshuis, of in een schuurtje. Misschien in opdracht van de gemeente Kampen, waar Schokland na de ontruiming direct onder viel. Of van Rijkswaterstaat misschien?

We kunnen met enige zekerheid stellen dat er in de negentiende eeuw geen boeren meer woonden op Schokland. Ook is er bijna geen hooiland meer. Er graast nog wel wat vee.

Of de laatste Schokkers zelf maaiden? Of er ooit net zo’n ingewikkeld systeem voor hooirecht was als op Urk?

Ooit was Schokland een agrarische gemeenschap. Ik ben benieuwd hoeveel hooiland er op Schokland was toen het eiland nog een omvang van enige betekenis had.

Al met al nodigt het uit tot verder onderzoek. Ik hoop dat ik hier binnenkort nog eens op terug kan komen.

Maaien met de zeis. Foto: Landschapsbeheer Flevoland.

Wat wel mooi is: de organisatie Landschapsbeheer Flevoland organiseert jaarlijks een cursus ‘Maaien met de zeis’ op Schokland. Oud ambacht herleeft!

Dus wie een idee wil krijgen hoe die mannen uit Nieuwleusen generatieslang op Urk maaiden, moet in juni een kijkje nemen op Werelderfgoed Schokland.

Hoe ze van Nieuwleusen naar Urk kwamen om te maaien

Ieder jaar kwamen maaiers ‘van de walle’ naar Urk om te maaien. Meestal zo rond de langste dag van het jaar. Daar werden ze onthaald door de Urker kinderen. Die maaiers kwamen generatieslang uit Nieuwleusen. Een bijzondere en weinig bekende geschiedenis.

Maaiers uit Nieuwleusen op Urk. Uit de beeldbank van Historische Vereniging Ni’jlussen van Vrogger.

Er kwam altijd een vast aantal, van zestien man (andere bronnen spreken van achttien). Volgens sommige bronnen waren er ook wel maaiers uit Oudleusen bij. Het ‘maairecht’ werd onder de maaiers van generatie op generatie overgedragen.

De Urker ‘landers’

Voor we verder naar het interview gaan, moet eerst het volgende worden gezegd. Urk was in een ver verleden een boerengemeenschap, die ook verdiende aan handel. Net als bijvoorbeeld Schokland. Urk was in een ver verleden veel groter en er was dus meer land.

Toen het eiland kleiner werd ten gunste van de groter wordende Zuiderzee, ontstonden ook meer regels om het weinige hooi- en grasland eerlijk te verdelen. Het land was gemeenschappelijk bezit, het kwam toe aan de gezamenlijke burgerij. Maar het ‘hooirecht’ was behouden aan de ‘landers’. Zij mochten het land eens per jaar laten maaien en de opbrengsten kwamen hun toe.

Vanaf mogelijk de zeventiende eeuw werd het hooirecht van het land verdeeld over 28 stammen. Het lijkt logisch om te denken dat dit gaat om 28 families die op Urk woonden. Maar zeker is dit niet vast te stellen. Wel werd het hooirecht van generatie op generatie overgedragen. Het kon ook verkocht worden. Of tijdelijk verleend.

Het weinige land was ingedeeld in tien delen. Die tien delen werden dan weer verdeeld over de 28 stammen, zodat het hooirecht min of meer eerlijk verdeeld was. Die stukjes grond rouleerden dan weer.

Voor de markering van de 280 perceeltjes gebruikte men paaltjes, waarvan enkelen bewaard zijn gebleven in het West-Fries Museum. Ik zou ze graag een keer willen bewonderen. De paaltjes hadden merktekens, iedere ‘stam’ had een eigen rune-achtig teken.

De paaltjes met runen. Uit: K. de Vries & T. de Vries, ‘Veranderd land’. Urk, 1985: Urker Uitgaven, p. 120.

Het voert nu te ver om hier uitgebreid op in te gaan, misschien is dat wel aardig voor een volgende post. Maar het is dus goed om te weten dat dit bijzondere systeem bestond tot de jaren 1930, toen het land, volgens sommigen onterecht, werd verkaveld en de boeren eigenaar werden van het land.

De landers waren dus geen eigenaar van de grond. Ze hadden alleen recht op het hooi. Een vergadering werd ‘landerskerk’ genoemd, omdat de vergaderingen plaatsvonden in de kerk. Of er bij onenigheid weleens de eerste regel van Psalm 25 vers 4 werd gemompeld, weet ik niet.

De maaiers

En dat land moest dus gemaaid worden, voordat geoogst (gehooid) kon worden. Freek Pereboom interviewde in 18 februari 1983 de dan 80-jarige Hendrik Brouwer en 74-jarige Jan-Willem Schuurman. De mannen begonnen in de jaren 1920 met maaien op Urk.

Dit interview is afkomstig van een cassettebandje uit het archief van Albert van Urk. Hij hield zich bezig met de geschiedenis van de boeren op Urk.

Als het tijd werd om te maaien, werd een brief geschreven naar een voorman in Nieuwleusen. Daardoor wisten de Nieuwleusenaren dat het tijd was om naar het eiland Urk te vertrekken.

Het maaien duurde altijd een week. De maaiers gingen ’s maandags vroeg, om zes uur, op de fiets, bepakt met zeis, van Nieuwleusen naar Kampen. Daar lieten ze de fiets staan om op de boot te stappen. Tegen de middag kwamen ze aan op Urk.

De kinderen van het eiland wachtten hen zingend op: ‘maaiers, maaiers, koppesnijers’.

Als ze eenmaal op Urk waren, werden de maaiers eerst getrakteerd op een maaltijd. Ze werden gekoppeld aan een boer, waar ze die week overnachtten, of ze gingen bij iemand ‘in de kost’. Na de maaltijd, waarbij soms een borrel werd genuttigd, gingen de maaiers direct naar het land. Daar kregen de maaiers gekoppeld aan een stukje grond.

Bij het maaien werden lijnen gespannen tussen de hierboven beschreven merkpaaltjes, zodat het voor de maaiers duidelijk was waar het ene perceel ophield en het andere begon.

De Urker landers stonden er met de hark bij. Soms harkten ze stiekem wat hooi weg wat eigenlijk op een ander stuk land lag. Maaien konden de Urkers zelf niet, dat ‘hadden ze niet geleerd’.

Eerst werden de tien delen gemaaid, dat ging in ploegen. Vaak waren ze op vrijdag klaar. Daarna werd gezamenlijk nog het ‘gemeenteland’ gemaaid.

Als er veel compost, vuilnis, op het land lag, werden de zeisen bot.

De maaiers werkten hard. Iedere dag totdat het donker werd. Bij het laatste licht werden de zeisen nog gauw geslepen voor de volgende dag. Voordat de maaiers gingen slapen, gingen ze soms een praatje maken bij de schippers, aan boord in de haven. Eigenlijk was daar geen tijd voor, want bij het eerste licht op de volgende dag, rond vier uur, stonden de maaiers weer op om aan het werk te gaan.

Er werd geslapen op zolders of in ledikanten bij de burgers of boeren thuis. De maaiers sliepen in hun ondergoed, zodat de bovenkleren wat konden luchten.

De kwaliteit van het gras was beter op Urk dan in Nieuwleusen. Omdat het op Urk op de klei groeide en in Nieuwleusen op zandgrond.

De geïnterviewde maaiers kregen voor een week maaien 30 gulden. Een flink bedrag voor die tijd. Dat was een vast bedrag. Hoe eerder je klaar was, hoe sneller je het verdiend had. Het geld voor de reis, de overtocht met de boot, werd betaald door de Urker boeren.

Er was solidariteit onder elkaar. Als een van de maaiers ziek was, dan werkten de andere maaiers wat harder. De zieke kreeg evengoed het bedrag van 30 gulden.

Op Urk wordt wel gezegd dat het een feestelijke periode voor het dorp was. Kinderen maakten, rondom het hooien, flesjes skommeldrok: water met drop. De geïnterviewde maaiers herinnerden zich dit niet echt. Het was wel een gezellige tijd, aldus Brouwer en Schuurman. Gezellig, maar hard werken.

Als het regende, werkten de maaiers gewoon door. Het moest immers in een week klaar zijn. Een keer stormde het zo erg, dat het mogelijk was dat het land zou onderlopen. Toen maaiden ze een ochtend niet, zo herinnerde Schuurman zich. Dan ‘slingerenden ze een beetje rond’ in het hogergelegen dorp.

Soms bleef een enkele maaier langer om in de daaropvolgende week te helpen met het hooien. De hooiweek vond plaats na de maaiweek. Ook schippers hielpen weleens mee in die week.

Het maaien leidde niet tot vrijerij op Urk. Daarvoor was waarschijnlijk geen tijd. De maaiers kregen geen verkering met de Urkers.

Als de maaiers een weekend overbleven, gingen ze mee naar de kerk. Maar meestal waren ze ‘voor de zondag’ weer thuis.

Aan feestelijkheden, zoals beschreven in literatuur, hadden de geïnterviewde maaiers (helaas) geen herinneringen. Misschien was daar in de jaren 1920 geen sprake meer van.

Het ingewikkelde ‘landers’-systeem, met die merktekens op de paaltjes, begrepen de maaiers niet – ze hoefden er ook niet over na te denken. Wel herinnerden ze zich de ‘vreemde krusies’ op de paaltjes.

‘De Nieuwleusenaren hebben een goede naam achtergelaten op Urk’, besloot Peereboom het gesprek. ‘Het was altijd gezellig’, merkten beide mannen meerdere keren op. Maar het was hard werken, ze hadden er ‘een boel zweet achtergelaten’.

Hoe de herinnering verdween

Tot zover het interview. Waarom dit zo’n bijzonder mooi gesprek is: het is het enig bekende interview met maaiers. Na afsluiting van de Zuiderzee en de inpoldering verdween de eeuwenlange (?) relatie tussen de Urkers en de mannen uit Nieuwleusen.

Het interview is natuurlijk een momentopname geweest. Wellicht was de situatie in de 19e of de 18e eeuw anders. Maar het bevat toch veel informatie over het verdwenen ambacht.

In 1935 kwam er een einde aan het ingewikkelde systeem voor het hooirecht, de grond werd verkaveld. Waarschijnlijk alvast vooruitlopend op de komende inpoldering. Daarmee kwam ook een einde aan het maaien door het volk uit Nieuwleusen.

Het maaien en hooien had eeuwenlang een bijzondere plaats binnen het leven op Urk. Het was feestelijk. Er was gezang en kindervreugd.

Wanneer de band met Nieuwleusen ontstond is niet met zekerheid te stellen. Wel is bekend dat dit dus generatieslang bestond, en dat Nieuwleuser zonen dus bij Urker zonen maaiden.

Een traditie, ooit levend erfgoed, die door de verdwijnende Zuiderzee tenslotte ook verdween.

De Zuiderzee en het veranderende landschap

In het kader van de Maand van de Geschiedenis gaven schrijver en socioloog Ronald Nijboer en maritiem archeoloog Yftinus van Popta afgelopen weekend een lezing rondom het thema ‘De Zuiderzee en het veranderende landschap’ in de Enserkerk op Schokland.

Ronald Nijboer, eigen foto.

In zijn boek ‘Wereldzee in de polder‘ onderzocht Nijboer hoe het Zuiderzeegebied in 150 jaar veranderde. Hij maakte dezelfde reis als Henry Havard, die in 1873 het gebied ‘ontdekte’ en beschreef. Wat trof Havard aan tijdens zijn reis? En hoe gaan we om met het IJsselmeer, Markermeer en IJmeer en welke lessen kunnen we trekken uit het verleden? Nijboer haalde het begrip ‘Natuuramnesie‘ aan. De beleving en de kennis van de natuur, zoals die was in de tijd van onze (groot)ouders, verdwijnen uit ons collectieve bewustzijn, aldus Nijboer. Naast wetenschappelijke gegevens kunnen we ons ook een voorstelling maken van het landschap van onze voorouders aan de hand van bijvoorbeeld reisverslagen, zoals die van Havard of Fred Thomas.

Yftinus van Popta, eigen foto.

Van Popta deed onderzoek naar het gebied wat we nu kennen als de Noordoostpolder. In zijn proefschrift ‘When the Shore becomes the Sea‘, waarop hij in 2020 promoveerde, toonde hij aan hoe het gebied van 1100 tot 1400 veranderde: van veengebieden met meren tot open zee. Voor zijn onderzoek combineerde hij verschillende datasets. Zo kon in kaart worden gebracht waar middeleeuwse nederzettingen, zoals bijvoorbeeld Nagele, gesitueerd waren en hoe het ontstaan van de Zuiderzee het leven binnen de gemeenschappen en hun leefomgeving voorgoed veranderden. Hoe een multidisciplinair onderzoek in zijn werk gaat, illustreerde Van Popta aan de hand van zijn onderzoek naar de Dinkla-ramp.

Aftereut, Klaos!

‘Aftereut, Klaos!’, zou mijn (Urker) overgrootmoeder geroepen hebben naar mijn (Urker) overgrootvader, toen ze met hun schip een gevaarlijke manoeuvre maakten.

Dat zal een jaar of tachtig geleden zijn geweest. Welke Urker zegt tegenwoordig nog ‘after’ voor ‘achter’? Ik denk niet dat het er veel meer zijn.

In 1934 werd een dialectvragenlijst ingediend bij het Meertens Instituut over het dialect van Ens, een van de twee gemeenschappen van Schokland. Bij een van de vragen gaf een respondent het woord ‘affer’ voor ‘achter’.

Decennia later kreeg dat woordje de aandacht van dialectoloog Harrie Scholtmeijer. Hij schreef er in 2023 een interessant artikel over.

Schokland was in 1934 al 75 jaar ontruimd, maar de Schokker dialecten (er waren volgens de literatuur verschillen tussen het dialect van Emmeloord en dat van Ens) werden nog gesproken in bepaalde gemeenschappen. Waarschijnlijk sterk beïnvloed door de plekken waar de Schokkers terechtkwamen.

Zelf heeft Scholtmeijer het dialect – of wat er nog van over was – in 1981 nog gehoord, en daar ben ik best jaloers op. Inmiddels wordt het Schokkers niet meer gesproken.

Het woord ‘affer’ of ‘after’ sluit aan bij oudere Germaanse vormen zoals ‘after’ (Oudengels) en ‘efter’ (Oudfries). In de meeste Nederlandse dialecten is de –f(t)- echter veranderd in –cht–, waardoor ‘achter’ ontstond. Alleen in enkele gebieden bleef de oude -f(t)- lange tijd behouden, waaronder het gebied rondom de Zuiderzee.

De Enser vorm ‘affer’ laat dus zien hoe het Schokker dialect verbonden was met de bredere ‘Zuiderzeecultuur’. Oh, en ook op Emmeloord kwam deze vorm voor. En dus op Urk als ‘after’.

Tegen de jaren ’80 was het gebruik van -f(t)- echter in de meeste dialecten verdwenen. Volgens een collega van Scholtmeijer werd het destijds op Urk nog wel gebruikt.

Maar we kunnen nu wel stellen dat het inmiddels ook in het Urkers zo goed als verdwenen is. Terwijl dat toch voor een best vitaal dialect doorgaat.

Toch meen ik dat ik het in mijn jeugd (jaren ’90 – jaren ’00) nog wel op Urk heb gehoord, los van die ene familie-anekdote. ‘After de paolen!’

En ik hoop het nog eens te horen. Want het brengt me terug naar een andere tijd, van voor de inpoldering, van de Zuiderzee, van de wereld van onze voorouders.

(Al heeft inmiddels wel een andere ‘after’ een plekje gekregen in het Nederlands – en ook in het Urkers, namelijk het Engelse ‘after’, uitgesproken als ‘aafter’. Van ‘afterparty’: het na (achter) een feestje een nabetrachting doen bij iemand thuis.)

Het Ens-Schokker ‘affer’, in 1934 opgetekend, is ‘een prachtig specimen van het Zuiderzeedialect’, zo besluit Scholtmeijer. Daar sluit ik me bij aan.

Bron: Artikel ‘Schokker affer ‘achter”, door Harrie Scholtmeijer. Hier online te bekijken in de collectie van het Zuiderzeemuseum.

Beeldje ‘Ontruiming van Schokland 1859’, door Piet Brouwer, 1994. Buitenterrein Museum Schokland, eigen foto.

OVT live op Werelderfgoed Schokland

Afgelopen zondag vond de kick-off plaats van de Maand van de Geschiedenis, met een live-uitzending van OVT. Vanuit de Museumkerk op Schokland!

OVT Live vanuit de Museumkerk. Eigen foto

Zo’n tachtig gasten uit het hele land trotseerden de dichte mist op de vroege ochtend. Schokland lag er weer bij als een eiland, het stak uit boven de laaghangende mist op de weilanden van de polder.

In de uitzending natuurlijk aandacht voor de essayist van de Maand van de Geschiedenis: Eva Vriend. Zij schreef ‘De waterzoon. Jac. P. Thijsse, zijn zoon en onze verhouding tot de natuur’. De Schokker nazaten Theo Grootjen en Jan Kwakman schoven aan om te vertellen over hun relatie met Schokland, wat leidde tot een geamuseerd gesprek met presentatoren Laura Stek en Christianne Alvarado.

Luister hier terug (via OVT):

Het programma opende met de actualiteit. Over de relatie tussen extreem-rechts en geweld tijdens de rellen in Den Haag. Historicus Robin te Slaa onderzocht extreemrechts geweld rondom de opkomst van fascisme in Nederland. In de ‘Politieke Tijdmachine’ was historicus Dennis Bos aan het woord over Mina Koster. Ze was anarchiste en kwam uit voor de Rapaille Partij.

Suriname en de Tweede Wereldoorlog: het in Suriname gewonnen bauxiet was onmisbaar voor aluminiumproductie. Theatermaker Emma Lesuis vertelt in de voorstelling ‘Meer dan bauxiet’ over de minder bekende oorlogsverhalen uit Suriname.

Fresco Sam-Sin recenseerde twee boeken en een tentoonstelling. Het programma werd afgesloten met hoogleraar Koreastudies Remco Breuker. Hij schreef het boek ‘De wereld volgens Noord-Korea’.

En tussendoor kon ik iets vertellen aan Christianne Alvarado over Schokland, dat er deze ochtend zo prachtig bij lag.

De hele maand oktober staat dus in het teken van de Maand van de Geschiedenis. Op de website van Museum Schokland vind je alle activiteiten.

On revient toujours à ses premières amours

In mei 1932 werd het laatste gat in de Afsluitdijk gesloten. Het brakke water van de voormalige Zuiderzee zou vanaf dan steeds zoeter worden. Op 20 september 1932 kreeg de nu afgesloten binnenzee een nieuwe naam: Zuiderzee werd IJsselmeer. Dat die zee een meer werd, zorgde voor grote veranderingen in de flora en fauna. Waren de beestjes en de plantjes in het gebied al voor de afsluiting van de Zuiderzee geliefde onderwerpen voor biologen; de post-Afsluitdijksituatie zorgde voor hernieuwde interesse.

Toen de Noordoostpolder in 1942 droogviel waren de voormalige eilanden Schokland en Urk gemakkelijk te bereiken. Tijdens de oorlog verbleef bijvoorbeeld de biologiestudent Ingvar Kristensen “100 dagen” op Schokland en hield daar een dagboek bij.1 Ook andere onderzoekers en studenten bezochten Schokland.

Eerder al, vlak na de afsluiting, leidde dr. J.H. Schuurmans Stekhoven een excursie naar Schokland. Tijdens de zomer van 1933, het water was nog niet helemaal verzoet, verbleven biologiestudenten op het eiland onder zijn leiding en deden daar veldwerk.

Op 29 augustus 1933 verscheen in de Telegraaf een artikel van zijn hand over de aanleiding van de excursie: ‘De keus van Schokland was uit meer dan een opzicht gemotiveerd. Schokland toch zal, als de voorteekenen niet bedriegen, niet lang meer Schokland zijn. Wanneer men den Noordoostelijken Zuiderzeepolder gaat winnen, wordt Schokland voor de eerstkomende eeuwen stevig aan het vasteland van Nederland verankerd en dan zal zeer spoedig het karakter van dit bijna verlaten niemandsland een grondige wijziging ondergaan. Voordat dit gebeurt willen wij vastleggen hoe de toestand in 1933 was: dus voordat de mensch duurzaam in het lot van Schokland van thans ingreep.’2

Aan de excursie zouden voornamelijk studenten deelnemen van de Universiteit Utrecht en enkelen van de Groninger universiteit. Onder de twintig deelnemers bevonden zich ‘zes dames’,3 zo berichtte de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant. Een bijzonderheid voor die tijd…

Over het Utrechtse karakter van de excursie grapte Schuurmans Stekhoven: ‘Dra zal Schokland, dat in de tweede helft der veertiende eeuw een twistappel vormde tusschen de heeren Van Voort en Kuinre en den bisschop van Utrecht, waar in 1555 Jan van Zoudenbalch, zoon van een aanzienlijk patricisch geslacht In Utrecht den scepter zwaaide, opnieuw door Utrechtenaren worden bezet, zullen de Utrechtenaren het gezegde; On revient toujours à ses premières amours, men keert altijd tot zijn eerste liefde terug, waar maken.’4

Luchtfoto van Schokland in 1933. Publiek domein.

On revient toujours à ses premières amours… Ach, die aantrekkingskracht van Schokland.

In Kampen werd een botter gehuurd5, en de oversteek werd gemaakt naar Schokland. Op de Middelbuurt, rondom en in het kerkje, werd het kampement opgezet.6 Er werd van alles onderzocht: van steekmuggen tot slijkgapers en van zoutminnende planten tot kreeftjes.7 Het aardige van de excursie, volgens Schuurmans Stekhoven: ‘dat wij de overgangen van het zoete water naar het zoute ter plaatse zien en waarnemen kunnen’.8

Ik beeld mij in hoe ze daar rondliepen: een bonte stoet aan studenten en universiteitsdocenten, banjerend over het bijna verlaten eiland, vol spanning, verrukt over steeds weer een nieuw vergezicht of klein beestje, opgewonden over het komende studiejaar en het ontluikende studentenleven. Er was tijd voor ontspanning: er werd gezwommen, studenten in hun kleurige badpakjes. O zomeravond, o zover van huis te zijn…

Een van die studenten was, tot mijn verrassing, de dichter, bioloog, schilder en schrijver Leo Vroman. In 1932 begon hij aan een studie biologie aan de Universiteit Utrecht. Hij was achttien tijdens de excursie naar Schokland. ‘Leo genoot. Ze dwaalden over zee met netten om plankton te verzamelen, keken vogels op het strand, bestudeerden vogels, vissen, krabbetjes. Het kwam tegemoet aan zijn verlangen naar kleine beestjes, zijn honger naar het leren kennen van vreemde organismen die hem gelukkig maakten, echt gelukkig, duizelig van genoegen.’9

Bovendien bracht de excursie naar het eiland nog iets: ‘voor het eerst in een ruimte met meisjes [daar zijn die ‘dames’!] van zijn leeftijd die hij met al zijn biologische interesse prachtig vond, en begeerlijk, en onbereikbaar ver weg’10. Ach, die begeerte naar de onbekende en onbereikbare medestudent.

Leo Vroman op Schokland in 1933, met planktonnet. Herkomst afbeelding is mij onbekend.

Vroman zelf: ‘Ik leek wel verliefd op alle dieren behalve parasieten en kon zelfs behoorlijk opschieten met planten vanwege hun zo aandoenlijk openlijke geslachtelijke gedrag. Ja, er waren ook een paar meisjes om wie ik wel graag mijn armen heen had geslagen om allerlei biologisch acceptabele dingen mee te doen, maar ik deed ze nooit want hun vreemde ouders, broeders, ondergoed en ideeën waren alleen in mijn verbeelding al angstwekkend.’11

Na de inval van de nazi’s maakte de joodse Vroman de oversteek (in een zeiljacht) naar Engeland, vocht hij in gekoloniseerd Nederlands-Indië (waar hij eerst zijn studie afrondde), kwam hij terecht in jappenkampen… Uiteindelijk vertrok hij naar de Verenigde Staten, waar hij zijn liefde van voor de oorlog huwde, waar hij werkte en woonde, tot hij in 2014 overleed. Zijn bekendste dichtregels zijn de slotregels van “Vrede”: ‘kom vanavond met verhalen / hoe de oorlog is verdwenen / en herhaal ze honderd malen: / alle malen zal ik wenen.’12

On revient toujours à ses premières amours, men keert altijd tot zijn eerste liefde terug. Dat de oude Vroman soms nog aan die jonge Vroman, op dat kleine, onbewoonde eilandje in de Zuiderzee, terugdacht, blijkt uit het volgende, prachtige gedicht, ruim zestig (!) jaar na de excursie gepubliceerd.

Schokland

Doordat de Zuiderzee rondom verzoette
krioelde het er kort van jonge biologen
Om (o die blonde met haar blauwe ogen!)
plankton te vissen en planten op te wroeten.

In de kerk van Emmeleroord
(o die blonde met haar blauwe ogen!)
hingen de badpakken van toen te drogen
en ’s nachts werd er door de kerk van Emmeleroord
niets dan wat gewoel op die gezonde
strozakken aangehoord.

Het is nu meer dan zestig jaren later.
O zij is ontslapen, wij anderen zijn bejaard,
en verheven door het uitgestorven water
ligt Schokland zelf levend opgebaard.13

O, die blonde met haar blauwe ogen. Dat die badpakken in de Enser kerk en niet in de Emmeloorder kerk (die was toen al decennia afgebroken) te drogen hingen, vergeven we Vroman maar.

‘[…] verheven door het uitgestorven water ligt Schokland zelf levend opgebaard’. Schokland als een bejaarde die ooit een diepe indruk maakte op de jonge dichter-bioloog. On revient toujours à ses premières amours.

(Om de cirkel rond te maken: het oorlogsmonument in Emmeloord [de naar Emmeloord vernoemde plaats in de Noordoostpolder, volgt u het nog?] draagt de bekende regels uit “Vrede”.)

  1. 100 dagen op Schokland, het schriftje van Ingvar Kristensen, 26 februari 2025. https://basvisscher.com/2025/02/26/100-dagen-op-schokland-het-schriftje-van-ingvar-kristensen. ↩︎
  2. J.H. Schuurmans Stekhoven, “Ontdekkingstocht op Schokland. Onderzoek naar de fauna door Utrechtse biologen.”, de Telegraaf, 29 augustus 1933. ↩︎
  3. “Op en om Schokland. Tiendaagsche onderzoekingen van Utrechtse biologen.”, Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, 6 september 1933. ↩︎
  4. J.H. Schuurmans Stekhoven, “Ontdekkingstocht op Schokland. Onderzoek naar de fauna door Utrechtse biologen.”, de Telegraaf, 29 augustus 1933. ↩︎
  5. “Op en om Schokland. Tiendaagsche onderzoekingen van Utrechtse biologen.”, Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, 6 september 1933. ↩︎
  6. Ibidem. ↩︎
  7. J.H. Schuurmans Stekhoven, “Schokland-excursie. Onderzoek van fauna en flora. – Steekmuggen niet inheemsch.”, de Telegraaf, 9 september 1933. ↩︎
  8. Ibidem. ↩︎
  9. Hengel, Mirjam van, Hoe mooi alles: Leo en Tineke Vroman, een liefde in oorlogstijd. (Amsterdam: Querido, 2017). ↩︎
  10. Ibidem. ↩︎
  11. Ibidem. ↩︎
  12. L. Vroman, Uit slaapwandelen, (Amsterdam: Querido, 1957). ↩︎
  13. L. Vroman, “Twee gedichten”, De Tweede Ronde. Jaargang 17. (Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1996), p. 63. ↩︎

Ons dorp gaat langzaam achteruit

Niet alle ingangen in het archief van Beeld en Geluid zijn publiek toegankelijk. Ik werd afgelopen maand getipt op een audiofragment van Mariap van Urk-Koffeman, waarvan ik zelf het bestaan niet wist. Wat is dat toch steeds een sensatie, als je bewegend beeld of audio ontdekt van bijna honderd jaar geleden.

In de betreffende reportage van de AVRO, op 5 november 1936, draagt ze haar gedicht ‘Waarde-Vermindering’ voor.

Een cadeautje, want er is maar weinig audiomateriaal of bewegend beeld van Mariap van Urk bekend. Een fragment uit 1940, voor de VARA, kende ik al wel. Nu dus een fragment van nog een kleine vier jaar eerder. Toch bijzonder dat ze, als trouwe aanhangster van Colijn, meewerkte aan programma’s voor resp. de liberale en socialistische omroepen.

Bij haar handschrift lezen we over de inhoud van het gedicht: ‘Na de drooglegging van de Zuiderzee werd een commissie benoemd die de netten en het vischtuig herwaardeerde en de visschers kregen waarde-vermindering van hun netten, door deze Regeerings Commissie, vergoed. Wat nooit vergoed werd, leest u in dit versje.’

Het gedicht verscheen, in een ietwat gewijzigde vorm, in 1949 in haar eerste bundel ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’.

Waarde-Vermindering

Aan d’oever van het IJsselmeer
Een jonge visscher zat,
Hij staart, al droevig, in den plas,
Hij, die geen toekomst had.

Drie vischjes wierp hij, moedeloos,
Mistroostig, in de zee…
En sprak: ,,Die botjes, half vergaan,
Wat moet ik daar nu mee?

Mijn gansche vischwant in de war,
De hoekers vol van wier…
Het visschen in dien dooden plas
Is dat tot mijn pleizier?

Het water in het IJsselmeer
Zoo zoetjes aan verzoet…
Ach, dat mijn visch die zoete dood
Voorzeker sterven moet.

Ons dorp gaat langzaam achteruit
Door ’t leggen van een dijk:
Wij hadden altijd werk en brood,
Al waren wij niet rijk.

Wat vischte in de Zuiderzee
Op haring, bot en schol
Hij vocht voor ’t rijke avontuur
Van zilvernetten vol.

Helaas, de zee is uitgemoord!
Van schulden wordt men ziek;
En, wat er dààdlijks onder lijdt…
De Urksche… romantiek.

Wat mij opvalt: in haar handschrift schrijft ze ‘Ons dorp gaat vliegend achteruit‘, wat in de latere versie werd vervangen door ‘Ons dorp gaat langzaam achteruit‘. Alsof ze wilde benadrukken dat de gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee langer doorwerken dan aanvankelijk gedacht. En misschien had ze daar wel gelijk in.

Dijkstra & Evenblij ter Plekke zonden 17 augustus jl. uit vanaf Urk en in een gesprek met Eva Vriend was bovenstaand fragment te horen.

En hier dan nog even vier seconden bewegend beeld van een proclamerende Mariap.

Met dank aan Els Knaapen, die mij op het audiofragment uit 1936 wees.

De stranding van de UK 53 bij Scheveningen

Soms heb ik ergens een gaatje in mijn agenda en zoek ik online door oude video’s van Schokland, Urk, Kampen, noem maar op. Door digitalisering worden steeds meer oude filmbeelden, die intussen onder het publiek domein vallen of een CC-licentie krijgen, ontsloten.

En dat is een feestje. Zo kwam ik al meerdere beelden van verschillende overgrootouders tegen, bewegende beelden van de Urker kunstenaar ‘Jan de Knipper’ – maar soms is het een simpel fragment, van een seconde of tien, dat je plots aan andere bronnen kunt koppelen.

Zo kwam ik onderstaand fragment tegen van de gestrande UK 53, bezuiden het Ververschingskanaal (Afwateringskanaal) bij Scheveningen, gepubliceerd op 19 februari 1931.

De kranten van die tijd deden uitgebreid verslag van de stranding.

Het verhaal van een stranding bij Scheveningen

Op 18 februari 1931 wilde de UK 53, bijgenaamd “De jonge Hendricus”, onder barre weersomstandigheden de haven van Scheveningen binnenlopen. Maar dat ging helemaal mis.

Terugkerend van de visserij met aan boord schipper K.L. Kramer en de bemanningsleden K. Kramer en L.G. Post, werd het schip rond 13.00 uur tijdens een zware sneeuwstorm gegrepen door wind en stroming.

Slechts veertig meter van de zuidelijke pier verwijderd sloeg het schip lek. Het roer ging verloren en het schip werd stuurloos. De schokker (in het Visserijregister ingeschreven als ‘motorbotter’) strandde uiteindelijk een kilometer bezuiden het verversingskanaal, dus in de richting van Kijkduin.

Terwijl het water snel opkwam en het schip begon te zinken, klom de bemanning in het want van de mast, waar ze, vanaf het strand gezien, boven de zee hingen, terwijl de golven over hen heen sloegen. De Scheveningse reddingsboot “Zeemanshoop” voer direct uit en bereikte al snel de plek des onheils.

Toch lukte het door de verraderlijke branding pas na meerdere pogingen om de mannen één voor één aan boord te krijgen. Eén van hen, een vijftigjarige Urker, was zo verkleumd dat hij niet meer zelfstandig kon overstappen en letterlijk van het schip getrokken moest worden.

De schipbreukelingen werden opgevangen in het huis van monteur Andries Kamp, kregen daar warme dekens en koffie, en werden daarna met spoed naar een ziekenhuis in Den Haag gebracht. Dankzij de snelle actie van de reddingsboot kwamen alle drie de opvarenden met de schrik vrij.

In september 1931 werden de moedige redders van de “Zeemanshoop” in Den Haag gehuldigd voor hun menslievende optreden.

De UK 53 werd als verloren beschouwd.

De UK 53

Ik vond in de collectie van het Centraal Visserijregister / Zuiderzeecollectie de inschrijving van de UK 53 (zie hieronder). Daarop lezen we: “18-2-31 doorgehaald, bij Scheveningen gestrand en wrak.” Voor iedere verandering (nieuw schip, nieuwe cijfers, nieuwe eigenaar etc.) werd zo’n kaart gemaakt. Bij “Dagteekening van inschrijving” lezen we “Januari 1931”.

De trieste conclusie die we uit deze (doorgehaalde, want niet meer in de vaart) kaart kunnen trekken is dat de UK 53, of het nou een botter of schokker was, maar een kleine twee maanden in de vaart moet zijn geweest.

Collectie Centraal Visserijregister / Zuiderzeecollectie. CC BY-SA 4.0.

En het verhaal van de stranding van het schip van mijn eigen overgrootvader, Klaas van Urk, in 1932 indachtig, vrees ik dat deze Klaas Kramer ook niet verzekerd was.

De Zeemanshoop

De Zeemanshoop. Maker onbekend. Wikipedia, via: http://www.scheveningen-haven.nl/info/overschepen/zeemanshoop.htm, CC BY-SA 3.0 nl, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=18565744

Nog even over de reddingsboot. De motorreddingsboot “Zeemanshoop” werd in 1925 te Scheveningen in dienst gesteld. Ze kreeg al snel de reputatie van een zeer zeewaardig schip en volbracht meerdere reddingsacties succesvol. Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelde de reddingsboot van de N.Z.H.R.M. nog een zekere rol van betekenis (op Wikipedia lezen we hier meer over).

En dan een wending, die het verhaal van de stranding van de UK 53 mooi rond maakt: eind jaren 1960 werd de boot gestationeerd op Urk:

“In 1960 zien wij haar te Lemmer en Harlingen, daarna vier jaar te Nijkerk. Toen dit station in 1965 werd opgeheven, ging de Zeemanshoop haar drukste jaren als reddingboot tegemoet. In de ruim vijf jaar, dat de boot te Urk was gestationeerd (11 december 1971 werd zij aldaar vervangen door de motorreddingvlet Hessel Snoek), kwam dit station 99 maal in actie en werden 189 mensen door de Zeemanshoop uit gevaar bevrijd. Een waardig besluit van 46 jaren actieve dienst.”

– KNRM, ‘Het avontuurlijke leven van de reddingboot Zeemanshoop’, datum onbekend. https://www.knrm.nl/blog/historie/zeemanshoop-avonturen, geraadpleegd 5 augustus 2025.

Bronnen

Hieronder volgen een passage uit het boekje ‘Vissers van Urk’, van Stichting Urker Uitgaven, en een krantenknipsel, die samen nog wat meer context geven. Overigens vonden meer strandingen plaats voor de Noordzeekust in de jaren 1930. En in de crisistijd kon zo’n stranding een flinke economische impact hebben op een gezin…

UK 53, 18 februari 1931. ,,De jonge Hendricus”

Terugkerende van de visserij trachtte de schokker met aan boord K.L. Kramer, K. Kramer en L.G. Post onder moeilijke weersomstandigheden de haven binnen te lopen: sneeuw, wind en hoge zee. Om circa 13.00 uur gebeurde het ongeluk. Nog ca. 40 meter verwijderd van de kop van de zuidelijke pier, raakte het schip onklaar en sloeg met kracht daar tegenaan. Met wind en stroom mee dreef het lekgeslagen vaartuig zuidwaarts en strandde tenslotte ten zuiden van het verversingskanaal. De bemanning klom in de mast. Snel voer de reddingsboot ,,Zeemanshoop” uit. Deze was na ongeveer een kwartier al ter plaatse, maar door de stroom en de zware branding lukte het niet de botter zelf te bereiken. Maar na enige vergeefse pogingen konden toch de bemanningsleden een voor een gered worden. Ze werden in het ziekenhuis ,,Zuidwal” opgenomen, en konden na een goede verzorging weer naar huis vertrekken. Ook de reddingboot had schade opgelopen. In september werden de moedige redders in Den Haag gehuldigd. Ze kregen een medaille met getuigschrift voor hun betoon van menslievendheid.

– T. de Vries et al., Vissers van Urk (Urk: Stichting Urker Uitgaven, 1983). p. 140

De Avondpost, 18 februari 1931

In veel kranten werd verslag gedaan van de stranding, middels een kort bericht. Maar in De Avondpost stond – nog diezelfde avond – een uitgebreid en spectaculair verslag, dat ik hier overgenomen heb.

Scheepsramp te Scheveningen

Een schokker is vanmiddag tusschen Afvoerkanaal en Kijkduin gestrand en gezonken
Tegen havenhoofd lek geslagen
Verkleumde bemanning gered

Hedenmiddag tegen half twee is de Urker schokker no. 53, ongeveer 1 K.M. ten Zuiden van het Afvoer- of Ververschingskanaal, dus in de richting Kijkduin, gestrand. 
Aan boord bevonden zich 3 man. Vermoed werd, dat de schokker eerst tegen één der havenhoofden is lekgeslagen. Door den zwaren sneeuwstorm was het zicht zeer slecht. De Scheveningsche reddingsboot „Zeemanshoop” is aanstonds uitgevaren tot het verleenen, zoo noodig, van assistentie. 

DE BEMANNING GERED! 

Schokker gezonken. 
Bij een onderzoek, door onzen verlaggever ter plaatse ingesteld, bleek, dat de schokker –de U.K. 53 – dusdanig lek geslagen was, dat hij in zinkenden toestand op het strandwas gezet. 

Doordat terzelfder tijd de vloed kwam opzetten en het zwaar bleef sneeuwen was er weldra van het schip niets meer te zien, dan de mast en het want. 

Zwevend boven zee 
De bemanning zat in het want. Door de vrij felle branding lag de boot scheef, zoodat, vanaf het strand bezien, de 3 menschen als ’t ware inde sneeuw boven de zee zweefden. 

De Zeemanshoop 
is direct naar de plek van het onheil gestevend en voer pal op de zinkende schokker aan. De drie in nood verkeerende mannen waren in staat de uit de reddingboot hangende touwen te grijpen, waarna zij spoedig uit hun netelige positie waren bevrijd. Full speed keerde toen de Zeemanshoop naar de haven terug. De kranige bemanning had een met dit weer niet ongevaarlijke redding, volbracht! 

Totaal verkleumd werden de schipbreukelingen door dep G. G. D. naar den Centralen Post gebracht en vervolgens naar het Ziekenhuis aan den Zuidwal. 

DE OORZAAK VAN DE RAMP 
Naar de schipper van het gestrande scheepje, tijdens zijn overbrenging naar de haven, aan den schipper van de reddingboot mededeelde, is de schokker tegen de Zuiderpier van de haven gehotst, en daarbij dusdanig lek geslagen, dat het scheepje weldra begon te zinken. 
Van pompen was geen sprake meer, zoodat hij besloot zijn vaartuig op het strand te zetten. 
Daarbij stootte de schokker echter op den kop vaneen golfbreker, waardoor het roer verspeeld werd, waardoor de opvarenden aan. het spel van wind en golven waren overgeleverd. 
Na eenige uiterst benauwde oogenblikken sloeg het zinkende scheepje opnieuw op den kop van den breker en bleef daar vastzitten, waarbij het tot aan de verschansing onder’ water kwam te leggen. Door den Noordwester en door de branding kwam de vloed snel opzetten, zoodat men weldra tot het middel in ’t water stond. Toen door den zwarer. golfslag het scheepje bovendien naar stuurboord kantelde, werd de toestand kritiek en was de bemanning genoodzaakt in het want te klimmen. 

Net op tijd.
De reddingsboot, aldus schipper Kramer van de U. K. 52, kwam nog net op tijd, want wij hadden gedrieën het geen kwartier meer kunnen volhouden. Zoo verkleumd waren we van de kou. 
De golven sloegen reeds over de visschers heen en vooral één van de twee knechts kreeg daarbij veel water binnen. Het vaartuig waar alleen de mast nog van te zien is, moet als verloren worden beschouwd. 

Aan den wal gebracht 
In het huisje van den monteur der reddingsboot Andries Kamp, werden de doorweekte schipbreukelingen aanstonds opgenomen, in dekens gewikkeld en vaneen heete kop koffie voorzien. 

Snelle redding. 
De reddingboot „De Zeemanshoop” is 7 minuten nadat het bericht van de stranding binnen was gekomen, reeds uitgevaren, en was bemand met den tweeden schipper Harteveld, den havenbediende Mos, den vletterman Otto Klaassen en den reeds genoemden monteur Andries Kamp. 
Laatstgenoemde vertelde ons nog, dat de boot door de zware branding genoodzaakt was eerst een goed eind zee in te varen, eer men op het in nood verkeerende schip kon afstevenen. 
Toen men echter door de kijkers waarnam, dat de bemanning reeds in het want hing, en dus iedere minuut, ja zelfs elke seconde, kostbaar was, heeft men het gevaar van de branding getrotseerd en is de schipper recht op de UK. 53 afgevaren. 
Tweemaal stootte de reddingboot eveneens op den golfbreker. Een derde maal raakte de schroef even een tros van het in nood verkeerende schip. Men heeft toen een anker uitgeworpen en zich naar het scheepje laten afzakken. De eerste maal kon eender in nood verkeerende menschen een uithangend touw grijpen en binnen boord worden gehaald. De tweede maal botste de boot met groote kracht tegen het gestrande vaartuig, waarbij schipper Kramer eveneens kans zag een gedeelte van de tuigage te grijpen en op de reddingboot te klimmen. De derde opvarende echter was. zoo verkleumd van de koude, dat hij geen kans zag zelf over te springen. Mos en Otto Klaassen zijn toen met gevaar voor eigen leven buiten boord gaan hangen, waarop men de „Zeemanshoop” zóó dicht dc U.K. 53 liet naderen, dat men den verkleumden man, die circa 50 jaar oud is, kon grijpen en van ’t vaartuig aftrekken. 

Met hoera begroet.
Toen is de „Zeemanshoop” in volle snelheid naar de haven teruggekeerd, waar redders en geredden met een hoera-geroep werden begroet. 
Terwijl Kamp ons dit zat te vertellen, kwam de vletterman Klaassen nog doornat binnen met de mededeeling, dat hij de reddingsboot weer op haar- plaats had gelegd. „De verf is nogal wat beschadigd”, voegde hij er laconiek bij. 
Bij het ter perse gaan van dit nummer waren de medici en zusters druk doende de 3 mannen, die eenige uren tevoren een kwaad avontuur hadden doorstaan op te knappen. Voor noodlottige gevolgen werd niet gevreesd.

– De Avondpost, 18 februari 1931

Tot slot

Ik blijf achter met een paar kleine vragen.

De UK 53 lijkt me, gezien de rondingen, eerder een botter dan een schokker. Maar in alle artikelen wordt gesproken van een schokker – vandaar dat ik dit hier ook heb aangehouden. Wie verlost mij van mijn twijfel?

En bestaat er een foto van de UK 53?

En in dezelfde beeldbank vond ik videomateriaal van een ander gestrand schip, ergens in maart 1931. Maar ik heb dat schip nog niet kunnen identificeren. Wie helpt me mee?

Een nieuwe ijsvlet voor Schokland bouwen?

Net als andere plaatsen rondom de Zuiderzee, had het eiland Schokland een eigen ijsvlet. Op Schokland herinnert alleen een schuur, ‘de IJsloper’, nu een Rijksmonument, aan de ijsvlet. Maar de schuur is leeg: de ijsvlet is vergaan in de golven van de tijd.

Rijksmonument ‘de IJsloper’, foto: Museum Schokland.

Daarom gaan we deze zomer aan de slag met een leuk project. Samen met de jongste bezoekers geven we Schokland de ijsvlet terug. Onder begeleiding van kunstenaar Jennie Koffeman knutselen kinderen, van 3 t/m 13 jaar, deze zomer mee aan de nieuwe ijsvlet voor Schokland.

Het project vindt iedere dag plaats van 11 t/m 16 augustus van 13.00 tot 16.00 uur in Museum Schokland, op het museumterrein. Meedoen is gratis in combinatie met een museumticket. Geïnteresseerd? Neem dan een kijkje op de website van Museum Schokland.

De geschiedenis

Schokland was eeuwenlang een eiland in de Zuiderzee. Schepen voeren af en aan. ’s Winters kon het voorkomen dat de hele zee dichtgevroren was. De omstandigheden op het eiland konden dan verslechteren. Daar hadden de Zuiderzeebewoners dus een oplossing voor: de ijsvlet. Niet alleen Schokland had er een, ook bijvoorbeeld Urk en Marken.

De ijsvlet werd over het ijs gesleept door de sterkste eilandbewoners. Er werd post mee gebracht of opgehaald, zieken konden er mee worden vervoerd, of er werd voeding mee opgehaald. Maar zo’n reis was niet zonder gevaar! Het kon ook ’s winters spoken op de Zuiderzee. Het ijs kon gaan kruien, de bemanning kon op wakken stuiten of overvallen worden door een sneeuwstorm. Een reis duurde soms dagenlang en werd vanwege het gevaar ook wel een ‘bloedreis’ genoemd.

Herinneringen aan de bloedreizen

De Urker Tromp de Vries schreef een gedicht over deze bloedreizen, die bij het Urker monument ‘de IJsvlet’ is te lezen:

Een raadselachtig fenomeen:
tien mannen, die welhaast verloren
in dichte nevels om zich heen,
hun hakken in de schotsen boren.

Ze zijn nu gans en al alleen:
er is geen mistsein meer te horen,
en ’t licht dat van de vuren scheen
ging in de grauwe nacht verloren.

Ze stonden met z’n allen klaar
voor wat een bloedreis werd geheten,
en hebben huis en haard vergeten

om in een tocht zo bang en zwaar,
en menigmaal in doodsgevaar,
zich met ‘hun’ element te meten.

Onderschrift: De Urker ijsvlet in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen. Afbeelding: Zuiderzeecollectie / Zuiderzeemuseum Enkhuizen.

Een Urker ijsvlet bleef bewaard en is te bewonderen in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen.

Met het project ‘Bouw een ijsvlet voor Schokland’ staan we stil bij deze bijzondere geschiedenis, samen met iedereen van 3 t/m 13 jaar. Iedere middag van maandag 11 t/m zaterdag 16 augustus gaan we bouwen. Totdat de sterkste eilandbewoners aan het einde van de week een laatste reis maken met de ijsvlet: we tillen de ijsvlet samen naar wat vroeger de dichtgevroren Zuiderzee was. En dat midden in de zomer!

En uiteraard volgt hier na de tijd een verslag.

Bouw een nieuwe ijsvlet voor Schokland is onderdeel van de Zomer op Schokland.

IJsvlet. Illustratie door Pieter Brouwer (kleinzoon van Piet Brouwer, die het kunstwerk ‘De ijsvlet’ op Urk maakte)

Meer lezen over de Urker ijsvlet? Ik schreef hier eerder een blogbericht over: ‘Hoe de Urker ijsvlet bewaard bleef‘.

De Urker ijsvlet in actie. Afbeelding uit archief A. van Urk.