Toen de Eerste Wereldoorlog in 1914 uitbrak, koos Nederland voor neutraliteit. Toch bleef de oorlog niet zonder gevolgen voor ons land. Veel mensen, voornamelijk Belgen, zochten hier een veilig heenkomen, op de vlucht voor het oorlogsgeweld. Daarnaast kwamen ook militairen Nederland binnen, soms per ongeluk, soms bewust.
Degenen die hun erewoord (‘parole d’honneur’) gaven dat ze niet zouden ontsnappen, kregen een relatief vrij bestaan. Wie dat weigerde, werd geïnterneerd en verbleef in speciale kampen.
Urk was een ideale locatie voor zo’n interneringskamp: klein en overzichtelijk, omringd door de Zuiderzee en met een bevolking die gewend was aan gezag.
Het interneringskamp op Urk. Foto: collectie A. van Urk
Schrijfster en journaliste Mandy van Dijk vernoemde haar boek, uitgegeven door Atlas Contact in 2021, naar de bijnaam die de officieren Urk gaven: Île du Diable, oftewel: Duivelseiland.
In 2021 keuvelden Linda van der Pol en ik in een podcast over het leven van de buitenlandse officieren in het interneringskamp op Urk. Wie waren zij en waar kwamen ze vandaan? Hebben ze echt een tunnel gegraven? En waarom is het onderzoek van Van Dijk zo waardevol?
Ik vond dat ik dit gesprek ook een plekje op mijn blog moest geven.
In de aflevering laten we een fragment van een interview horen met Albert van Urk (wiki). Zijn korte publicatie over dit onderwerp draagt de titel ‘Elba in de Zuiderzee’. (Verschenen in: Enne Koops en Henk van der Linden (red.): De kogel door de kerk? Het Nederlandse christendom en de Eerste Wereldoorlog. (Soesterberg: Uitgeverij Aspekt, 2014.))
De datum van het interview is mij onbekend, maar het zal waarschijnlijk in 1996 hebben plaatsgevonden. Ik heb het van een cassettebandje overgenomen en geüpload naar YouTube.
Het boek van Mandy van Dijk is een aanrader voor iedereen die een fascinatie heeft voor ‘kleine’ geschiedenissen. Het is fijn geschreven en het zit vol spanning en wetenswaardigheden. Ook begrijp je door het lezen van dit boek beter welke impact de Eerste Wereldoorlog had voor de gemeenschappen in Nederland.
Mandy van Dijk, Duivelseiland: Een interneringskamp, het eiland Urk en de Eerste Wereldoorlog. (Amsterdam: Atlas Contact, 2021).
‘Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven, / Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’, / Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven / Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.’
Zo begint het bekendste gedicht van de Urker dorpsdichteres Mariap (Marretje) van Urk-Koffeman (wiki). Een emotioneel afscheid van een geliefde en gevreesde zee.
‘In de weer’ voor Mariap, woensdag 22 januari jl.
Afgelopen woensdag gaf ik, op uitnodiging van Herderewich, in Harderwijk een lezing over mijn overgrootmoeder Mariap.
Ik moest even nazoeken wanneer ik zoiets voor het laatst deed. Dat was alweer zes jaar geleden! Ik publiceerde daarna een bewerking van mijn lezing elders op deze website.
Er is een aardige stapel boeken verschenen over de Zuiderzee. Zo verschenen bijvoorbeeld ‘Eens ging de zee hier tekeer‘ en ‘Het eiland van Anna‘ van Eva Vriend. De bewoners van de kusten van de Zuiderzee, en hun nazaten, kregen dankzij deze boeken, het grondige onderzoek van Vriend, weer een stem.
Ronald Nijboer schreef ‘Wereldzee in de polder‘: een ontdekkingsreis langs de IJsselmeerregio, in het voetspoor van Henry Havard. Honderdvijftig jaar na het bezoek van Havard aan de Zuiderzeeplaatsen onderzoekt Nijboer hoe we zijn omgegaan met ons landschap en onze cultuur, mede aan de hand van gesprekken met bewoners.
Ook verscheen ‘Duivelseiland‘, van Mandy van Dijk. Ze deed uitgebreid en waardevol onderzoek naar op Urk geïnterneerde officieren tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Deze boeken dragen bij aan de aandacht voor de geschiedenis van de Zuiderzee. Hoe herinneren we ons de in 1932 verdwenen binnenzee eigenlijk? En was er tijdens de afsluiting en inpoldering van ‘ons zeetje’ eigenlijk aandacht voor die bewoners van de Zuiderzeeplaatsjes, de ecologische gevolgen, het verdwijnen van cultureel erfgoed?
Ze dragen ook bij aan mijn eigen onderzoek naar Mariap van Urk. Ze brengen nieuwe inzichten en maken dat ik gebeurtenissen beter kan plaatsen en met steeds meer zekerheid met elkaar in verband kan brengen.
Ook het onderzoek van Babs Boter naar Mary Pos, en de ontvangen mailtjes over Mariap en Mary, deden mij in de afgelopen jaren beter begrijpen met wie Mariap contacten onderhield.
Mary Pos was, net als Mariap, een mediapersoonlijkheid. Toch verstomden in de loop van de tijd hun stemmen. (Afgelopen woensdag was er in de zaal toch één persoon die de naam Mary Pos iets zei.)
De kracht van je stem, daar kon ik de lezing mooi mee openen. Lucia de Vries, die zo bijzonder veel onderzoek doet naar de Urker geschiedenis, ontsloot op haar website het verhaal van Lammertje Kramer. Iedereen in de zaal herkende Aletta Jacobs. Maar de naam van haar dienstmeisje Lammertje? De kracht van je stem wordt niet alleen bepaald door of je bijvoorbeeld man of vrouw bent, maar ook bijvoorbeeld door je sociale klasse, familiebanden, religie, huidskleur.
Een dankbaar bruggetje naar Mariap. De jonge Mariap gaat begin vorige eeuw ook ‘dienen’. Zwaar en ondankbaar werk, waarbij de ongelijke verhouding tussen werkgever en dienstbode altijd aanwezig is. (De podcast ‘Mina en mevrouw’ van Maartje Duin maakt dit onderwerp prachtig invoelbaar.)
In aanloop naar mijn afstuderen aan de Reinwardt Academie hoefde ik niet lang over een onderwerp na te denken. Wat betekent het fysisch antropologisch onderzoek, de roof van menselijke resten door wetenschappers, en de teruggaaf van de schedels, voor de inwoners van Urk?
Door de eerste coronalockdowns had ik niet de ruimte om het onderzoek breed uit te voeren. Het onderzoek bleef beperkt tot interviews met betrokkenen en bureauonderzoek. (Zo zou ik bijvoorbeeld de betrokken erfgoedinstellingen nog graag in het onderzoek willen meenemen. Misschien kan ik er daarna nog eens over publiceren.)
Ik kan dankzij dit onderzoek nu bijvoorbeeld inzichtelijk maken hoe de bewoners van de voormalige Zuiderzeeplaatsen werden uitgesloten van een plek in het ‘nieuwe land’, mede aan de hand van de bevindingen van de wetenschappers. Dat sprak ook de Harderwijker toehoorders aan. Dergelijk onderzoek werd in 1956 nog gedaan in Elburg.
Waar ik de laatste maanden meer over ben gaan nadenken: de ecologische gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee. Hoe had Mariap het gevonden dat de Waddenzee bijvoorbeeld nu UNESCO Werelderfgoed is? Hoe kunnen we met terugwerkende kracht de uitzonderlijke waarden van de Zuiderzee benaderen? Op het strand van Urk lagen zeehonden, er was eb en vloed, een rijk ecosysteem. De Zuiderzee als levend onderdeel van onze delta.
In de presentatie liet ik het volgende citaat zien: ‘De aanleg van de Afsluitdijk in 1932 is een huzarenstuk in onze strijd tegen het water. Tegelijk is het één van de grootste ecologische rampen die ons land ooit trof. Want hoe indrukwekkend dit iconische en meer dan dertig kilometer lange bouwwerk ook is, het betekende het einde van de Zuiderzee. En daarmee van een unieke binnenzee met bijzondere planten en dieren. De geleidelijke overgang tussen rivier en zee werd teruggedrongen tot één lijn.’ (Rijkswaterstaat, ‘Project Afsluitdijk. Aandacht voor de natuur’. December 2021.).
Ik kon in een volgende slide verwijzen naar de uitkomsten van het recente onderzoek ‘Afsluitdijk decimeerde biodiversiteit Zuiderzee en IJsselmeer’, door Jan-Eike Rossius, Maarten Kleinhans en Katja Philippart, waarover ze in maart 2023 publiceerden in het tijdschrift De Levende Natuur.
Toevallig las ik vandaag in NRC een artikel van eerdergenoemde Ronald Nijboer, dat afgelopen vrijdag verscheen. In ‘Hoe mijn oma haar horizon verloor‘ gaat Nijboer in op de beleving van natuur en landschap en de ecologische gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee. Zo’n goed geschreven essay, waarin verschillende invalshoeken worden uitgelicht, maakt dat ik beter begrijp hoe ik de stellingname in de twintigste eeuw tegen de Zuiderzeewerken op waarde kan schatten.
Terug naar de lezing. Richting het einde vroeg ik het publiek: ‘had Mariap van Urk misschien toch een klein beetje gelijk dat die Afsluitdijk er niet had moeten komen?’
Het voorkomen van de Afsluitdijk, en voorkomen dat die zee ingepolderd zou worden, kon ze in ieder geval niet. In een gedicht beschrijft Mariap een baggermolen van de Zuiderzeewerken: ‘Men vroeg mij vele malen / om in een dicht of lied / de molen uit te malen, / helaas, ik kan het niet!’.
Maar haar verslaglegging van de inpoldering en het eilandleven in proza en poëzie, haar verzet tegen de inpoldering, haar inzet voor het behoud van het immateriële en materiële erfgoed van Urk en de Zuiderzee, haar veelkleurige mediapersoonlijkheid, haar gigantische netwerk, maken Mariap tot een belangrijke stem in de geschiedenis van de Zuiderzee.
Wat bijzonder om met een groep mensen, zoals afgelopen woensdag in Harderwijk, over zulke onderwerpen na te kunnen denken. En goed om af en toe eens stil te staan bij het belang van onderzoek door historici, schrijvers, journalisten, wetenschappers – zolang het maar geen schedelmeters zijn.
Mariap moest eens weten: de Zuiderzeegeschiedenis is hot.
‘Onze wateren, van het IJsselmeer en de Waddenzee tot aan de Noordzee, worden almaar verder volgebouwd. Nederland kent een geschiedenis van ingrijpende veranderingen in het landschap. Iedere halve eeuw ziet de landkaart er weer anders uit dan daarvoor. Dat zal over vijftig jaar niet anders zijn. We kijken daarbij vooral vooruit, zonder stil te staan en om te kijken wat er allemaal verloren gaat. Zonder te begrijpen in wat voor land onze ouders en grootouders leefden. Bij het vormgeven van onze toekomst kan het geen kwaad om af en toe eens door de ogen van onze grootouders te kijken.’
Zo besluit Ronald Nijboer zijn essay. Met een prachtige slotzin.
Laten we inderdaad eens wat meer door de ogen van onze (over)grootouders kijken. En houden we niet alleen de herinnering aan de Zuiderzee levend, maar ook aan al die mensen die, soms tegen de keer, zich ingezet hebben voor al het erfgoed, de verhalen en de gemeenschappen rondom dat zeetje.
Eerder verscheen de tekst van een korte een ingekorte lezing uit 2019 over Mariap van Urk elders op mijn blog. De grootvader van Mariap komt aan bod in mijn artikel over het Dialecticon. Een artikel over Mariap en de dijken van de Noordoostpolder verscheen eerder deze week.
Begin 1849 – ruim 175 jaar geleden – wagen vader Klaas Bording en zijn zonen Jacob en Klaas zich op het ijs bij Durgerdam. In deze tijd kan het nog flink vriezen. Soms is de hele Zuiderzee dichtgevroren.
Vader en zonen gaan op pad om ‘bot te kloppen’. Hierbij wordt met een net onder het ijs gevist. Daarvoor maken ze een wak in het ijs. Ze laten het net zakken en kloppen op het ijs, totdat de bot, een platvis, vanuit de modder omhoog komt, het net in.
De ene na de andere bot (familie van de schol) zwemt het net in. Een goede vangst voor het gezin, dat het niet zo breed heeft.
Maar hun schrik is groot wanneer het drietal beseft dat het stuk ijs waarop ze zich bevinden van de kust is losgeraakt. Ze drijven af, weg van Durgerdam, de grote en machtige Zuiderzee op.
‘Klaas Klaassen Bording en zijne beide zonen’, Jacob Plüger, 1849. Enkhuizen: Zuiderzeemuseum / Zuiderzeecollectie.
Door een steeds veranderende wind dobbert de ijsschots de hele binnenzee rond. Ze drijven langs Marken, gaan richting Harderwijk en drijven vervolgens noordwestwaarts af, richting Enkhuizen.
Nergens kunnen ze de kust bereiken. Bij Enkhuizen zijn ze zo dichtbij de kust, dat ze de kerkklokken kunnen horen.
Soms regent het, soms schijnt de zon. Ze overleven door opgevangen regenwater te drinken en rauwe bot te eten. Wanneer ze weer oostwaarts varen, zien ze tussen Urk en Schokland een tjalk. Ze roepen uit alle macht, maar de schipper merkt hen niet op.
In de tussentijd wordt hun vermissing landelijk nieuws. Moeder Bording wordt al weduwe verklaard, want wie zou, na zoveel dagen vol ontberingen op die onvoorspelbare Zuiderzee, kunnen overleven?
De dagen verstrijken. Het moet voor het gezelschap koud, erbarmelijk, dissociërend, zijn. Ze komen langs Schokland. Maar niemand hoort hun hulpkreten. Veertien dagen lang kan het drietal zichzelf ternauwernood in leven houden.
Uiteindelijk worden ze bij Vollenhove gered. De vader en een van de zonen overlijden enkele dagen na de redding.
Het ongelooflijke verhaal wordt nadien al gauw landelijk nieuws. Voor het gezin wordt geld ingezameld. De bekende schilder Hermanus Koekkoek maakt, naar aanleiding van het verhaal, een schilderij.
Al generaties lang lezen kinderen over dit avontuur in het boek ‘Veertien dagen op een ijsschots’ van Simon Abramsz, voor het eerst uitgegeven in 1898. Recent ontving Museum Schokland een eerste druk als schenking. Een mooie aanvulling voor de bibliotheek van het museum!
Simon Abramsz, ‘Veertien dagen op een ijsschots’, 1898. Amsterdam: E.L.E. van Dantzig. Collectie Museum Schokland.
Historicus en schrijver Eva Vriend richtte op zolder van het voormalige verblijf van de lichtwachter en havenmeester van Emmeloord haar werkkamer in, waar ze schreef aan ‘Het eiland van Anna. Schokland en de geschiedenis van een thuis’. Een fascinerend boek over de familiegeschiedenis van Anna Diender. Over het verlangen naar geboortegrond, over migratie, over armoede, over gemeenschap.
Op de grens van het oude en het nieuwe sprak ik onlangs met Eva over haar boek en het schrijfproces.
De haven van het eiland Schokland is ook voor mij een bijzondere plek. Hier meerden mijn voorouders aan, schuilend voor stormen op de Zuiderzee, of om te overnachten, onderweg met hun botter of binnenvaartschip.
Mijn Urker overgrootvader ‘opa Ras’ in het Emmeloorder haventje van het eiland Schokland, 1926. Still uit een film in archief van Beeld en Geluid (FOLKLORISTISCHE ZUIDERZEEFILM FOLKLORISTISCHE ZUIDERZEEFILM (ACTE 1)).
Tot 1859 lag de haven aan het levendige dorpje Emmeloord, bevolkt door (voornamelijk) roomse Schokkers. Tot aan de opgezetenen van het eiland het vertrek werd aangezegd: ze verhuisden – onder dwang – naar plaatsen als Volendam, Vollenhove, Kampen, Urk, Nijverdal.
Daarna bleef de lichtwachter annex havenmeester achter met zijn gezin, die aldaar de boel runde. Het eiland was verder verlaten. Tot de Tweede Wereldoorlog: de Noordoostpolder werd aangelegd en Schokland kwam op het droge te liggen.
Voor mijn verjaardag kreeg ik het boekje ‘Ode aan Joy Division’ van Marc Schoorl. De vriendin in kwestie dacht dat ik Joy Division leuk vond.
Daar had ze meer dan gelijk in, al is leuk niet het goede woord.
De eerste nummers van Joy Division op mijn mp3-speler waren ‘Transmission’ (op Limewire: ‘Dance to the Radio’) en ‘Love Will Tear us Apart’. Ik was toen 16 of 17, op de radio was een nieuwe golf britpop te horen. Hey there Delilah. Clocks.
Ik was op bezoek in een kleine, donkere woning, waar twee vrienden mij in een stoel zetten en mij in aanraking brachten met de Factory Records-catalogus. En met dat hele verhaal in het achterhoofd – die twee nummers waren onderdeel van iets groters – ging ik meer en meer uit Manchester jaren ’70 en ’80 luisteren. Het heeft me niet meer losgelaten.
Er zat iets diepers in die muziek, een gelaagdheid die destijds niet op de radio te horen was. A fury that burns from inside. En ik kon mij daar als puber, met al die geselende mentale worstelingen natuurlijk perfect toe verhouden.
Het duurde even voor ik het verband tussen Joy Division en New Order legde. Maar toen ik dat begreep was het hek van de dam. En ik denk dat ik meer dagen wel dan niet ‘Ceremony’ heb gedraaid.
Het boek ‘Ode aan Joy Division’ is het eerste Nederlandstalige boek over Joy Division, geschreven door Marc Schoorl. Het korte boekje vertelt het verhaal van Joy Division, voornamelijk van Ian Curtis, aan de hand van beschikbare literatuur. De band uit Manchester, die maar een paar jaar heeft bestaan, wordt vanuit verschillende invalshoeken belicht.
Schoorl doet dat goed. Hij laat bandleden aan het woord (geparafraseerd vanuit hun boeken) en heeft een nuchtere kijk op de vele facetten van de persoon Curtis. Meer dan een epileptische, zwaarmoedige frontman was het een getroebleerde en ongelukkige fantast.
De teksten van de songs op de paar verschenen albums en singles zijn zo persoonlijk dat het lezen ervan bijna voyeuristisch is. Naast de brutale artistieke metaforen over eindigheid, leegte en de verschrikkingen van de mensheid komt de onmacht en de eindeloze onrust van een individu in de teksten sterk naar voren.
Veel mensen kunnen zich op een of andere manier verhouden tot Joy Division. Vanwege de teksten, de kunstige tijdloze muziek, vanwege het imago of vanwege het mysterie.
Epping Walk Bridge, Manchester (eigen foto). De lantaarnpalen zijn op een gegeven moment verplaatst naar de andere kant van de brug.
Gedenksteen Ian Curtis, Macclesfield (eigen foto).
Het lijkt wel pathetisch, zo veel naar één band te luisteren. Maar ik ben niet de enige, zo blijkt trouwens ook uit dit boekje.
Er werd iets groots verricht in die smerige Noord-Engelse stad. Velen zullen die paar platen saai vinden, of lelijk, of te koketterend, maar er zit een betovering waar zelfs dit zoveelste boekje geen vinger op weet te leggen.
‘Ode aan Joy Division’ is vlot geschreven. Het neemt af en toe iets te veel zijwegen en het is jammer dat het een grondige eindredactie mist (wat zet- en taalfouten). Maar het is onmisbaar op de boekenplank van elke Factory Records-fan.
En ik draai nog maar een keer Ceremony. Een van de laatste nummers van Joy Division, de eerste single van New Order.
Onlangs verscheen ‘Het eiland van Anna’ bij uitgeverij Atlas Contact, geschreven door Eva Vriend. Een boek over de laatste bewoners van Schokland en hun nazaten. Wat betekent het om een eiland te moeten verlaten en hoe werkt dit generaties door? Hoe verhoud je je tot het stukje grond van je voorouders? En wat voor invloed heeft sociale klasse op geschiedschrijving?
Ik heb veel van het boek geleerd en nam een korte boekbespreking op.
Een deel van mij leeft in de negentiende eeuw. Er is een vreemd verlangen naar een tijd die ik nooit heb gekend. Duitsers hebben er een woord voor: Sehnsucht.
Over taal gesproken. Er was een tijd dat van de streken en plaatsen aan de Oostzee tot aan het noordwesten van Frankrijk een zelfde soort taal werd gesproken. Het Nederduits(ch). Iets dat we inmiddels (een beetje kort door de bocht) het Nederlands zijn gaan noemen. Maar om het wel wat ingewikkelder te maken: met Nederduits wordt in deze context een verzameling dialecten bedoeld, zowel Nederfrankische als Nedersaksische dialecten.
Het idee dat je vanaf Koningsbergen langs de hele Oost- en Noordzeekust, tot aan Duinkerken elkaar min of meer kon verstaan maakt me gek. Waarom? Dat was ooit zo en nu niet meer. Ik ben geen dialectoloog, maar misschien wel dialectofiel: ik houd van mijn ‘eerste taal’ Nedersaksisch, en dan wel de variant ‘Urkers’. Ik houd er ook van dat ik in een stad woon waar je ’s zomers op een terras met gemak vijf verschillende dialecten kan horen spreken. En ik houd er ook van om in de geschiedenis van die dialecten te duiken.
Een man, uit de negentiende eeuw, die deze lange sliert aan soortgelijke dialecten ook interessant vond: de dialectoloog Johan Winkler. P.C. Meertens (naamgever van het Meertens Instituut) schreef: ‘Jongere tijdgenoten beschrijven hem als een vroom christen, en een ernstig, maar gemoedelijk man, die vooral op het laatst van zijn leven opviel door een zekere ouderwetse deftigheid.’1 (Wie wil dit nou niet over zich gezegd hebben?) En ook: ‘Tot de boeken die ik nog hoop te kunnen lezen behoort dat over Johan Winkler. Nog is het ongeschreven, maar zeker zal het eens geschreven worden, want deze Johan Winkler is niet alleen een merkwaardig, maar vooral een belangrijk man geweest.’2
Al had Johan Winkler (1840-1916) geen wetenschappelijke opleiding genoten, na het overlijden van zijn vrouw stortte hij zich volledig op taal.3 Misschien zat daar een troost in. Wat zeker is: zij liet hem veel geld na, waarna hij zich volledig op studie kon storten.4 Het werk waaraan zijn naam voorgoed verbonden zal zijn: het Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon5, of kortweg: ‘Dialecticon’.
En niet alleen over dialecten schreef-ie, maar ontpopte zich ook als naamkundige en historicus. Zo verschenen respectievelijk de werken Nederlandse Geslachtsnamen en Oud-Nederland.
Johan Winkler, ‘Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon’. 1874.
Voor we naar de inhoud van het Dialecticon gaan, eerst nog even iets over de passie van Winkler. Hij merkte op hoe dialecten geleidelijk aan nivelleerden of verdrongen werden door het gesproken Nederlands, wat we nu ‘Standaardnederlands’ noemen, door Winkler ‘modern Hollands’ genoemd6. En dat Hollands staat Winkler niet aan:
‘De geijkte nederlandsche taal is dood en maakt dood tevens. Ze dringt het nederduitsch in ons vaderland plat en dood. Boven is reeds gezeid dat ze volmaakt ongeschikt is om gesproken te worden in ’t dagelijksche leven; zelfs voor den kansel, den rechterstoel en den leerstoel deugt ze niet. Door niemand, door geen mensch in Holland zoomin als in een der andere nederlandsche gewesten, die spreekt zoo als zijn moeder ’t hem leerde en het harte ’t hem ingeeft, frisch en vrij en eerlijk, wie ihm der Schnabel gewachsen ist en juist zóo als hij gebekt is, niet gekunsteld en valsch, wordt ooit nederlandsch gesproken.’7
Dialectoloog en schrijver Harrie Scholtmeijer merkt twee dingen op: ‘Winklers Dialecticon is een documentatie van de dialecten die door de moderne maatschappelijke ontwikkelingen in hun voortbestaan bedreigd worden. Maar het Dialecticon documenteert ook een heel nieuwe taal: de spreektaal die gebaseerd is op het geschreven Nederlands.’8 Door de industrialisatie, verstedelijking en verhoogde mobiliteit volstond het dialect niet meer als communicatiemiddel. Men ging steeds vaker de geschreven gestandaardiseerde taal – want dat is het Standaardnederlands – spreken. En daar had het onderwijs een belangrijke rol in, in de loop van de negentiende eeuw kregen steeds meer kinderen toegang tot les in lezen en schrijven.
Tijdens Winklers leven veranderde dus het spreken, de spreektaal. Dialecten, streektalen, zouden verdwijnen en verdrongen worden door de gestandaardiseerde talen van de opkomende natiestaten. En Winkler, zelf uit Leeuwarden afkomstig, beschouwde het als zijn taak om het ‘Nederduitsch en Friesch’ te documenteren en te bundelen in zijn Dialecticon. Een erfgoedhoeder dus, en hoewel Winkler amateur-dialectoloog was, wordt zijn werk honderdvijftig jaar later nog steeds als zeer belangrijk beschouwd.
Misschien moeten we het straks nog even over het onderzoek van Winkler hebben. Vooral omdat ik daar ook iets over te zeggen heb. Maar wat is nou de kern van het Dialecticon?
‘Dit boek bevat den uitslag van mijn arbeid. Het bevat 186 vertalingen van de gelijkenis des verlorenen zoons in even zoo veel onderscheidende tongevallen van de nederduitse en friesche talen. […] Bijna allen zijn ze door bekwame en vertrouwbare mannen mij persoonlijk medegedeeld.’9 Een verzameling vertalingen van de gelijkenis van de verloren zoon dus. Maar waarom juist dit bijbelverhaal? ‘Wel, omdat juist die gelijkenis, voor dat doel, mij bij uitstek geschikt voorkwam. Het moest toch iets wezen dat aan iedereen bekend en voor iedereen toegankelijk was; het moest noch te lang, noch te kort zijn; het moest over zaken en voorvallen uit het alledaagsche leven der menschen handelen, en gelegenheid aanbieden om de dagelijksche volks-spreektaal er in te pas te brengen. Aan al die vereischten voldoet dit schoone verhaal.’10 Nog op dezelfde pagina voegt Winkler hieraan toe dat andere onderzoekers ook dit verhaal gebruikten en dat het dus geen origineel idee is geweest.11
En het is ook een mooi verhaal. Het is terug te vinden in Lukas 15:11-32.12 Het is een van de gelijkenissen van Jezus. Een gelijkenis is eigenlijk een parabel, iets wat in de joodse traditie werd gebruikt om de schriften te interpreteren. Het verhaal gaat over een vader met twee zonen. De jongste zoon vraagt zijn vader om zijn erfdeel, verlaat het huis en verspilt zijn fortuin met een losbandig leven. Wanneer hij uiteindelijk alles verliest en in armoede belandt, besluit hij terug te keren naar zijn vader en smeekt hij om vergeving. De vader verwelkomt hem hartelijk, organiseert zelfs een feest voor zijn terugkeer en verklaart dat zijn verloren zoon is teruggevonden. De oudere broer, die altijd trouw is geweest aan zijn vader, is jaloers op de ontvangst die zijn verloren broer krijgt. Maar de vader legt uit dat het gepast is om te vieren wanneer iets verloren is geweest en is teruggevonden.13 De gelijkenis illustreert Gods genade en vergevingsgezindheid jegens de berouwvolle zondaar.
Rembrandt, ‘De terugkeer van de verloren zoon (Lucas 15: 20-24)’, jaren 1660. Olieverf, 262 x 205 cm. Hermitage Sint-Petersburg.
De gelijkenis van de verloren zoon is een van de bekendste verhalen uit het Nieuwe Testament en spreekt tot de verbeelding. In de tijd van Winkler moet zo’n beetje iedereen in deze hoek van de wereld het verhaal gekend hebben. Geen wonder dat dit de keuze werd. En de karakterschets van Winkler als ‘vroom christen’ zal zeker bij de keus voor dit verhaal meegespeeld hebben.
Bijna tweehonderd vertalingen van deze gelijkenis dus, die stuk voor stuk interessant zijn om te lezen. Uit sommige plaatsen is het Nederduitsch inmiddels – althans in het spreken – volledig verdwenen, zoals in Dantzig. Opvallend is dat Winkler opmerkt hoe het Fries plaatsmaakt voor het plat op de Duitse Wadden. Zo’n honderdvijftig jaar later zal hier echter dan waarschijnlijk het Hoogduits klinken. Winkler beschrijft ook de verfransing in België – in de tijd van Winkler lag die taalgrens nog een stuk zuidelijker dan nu. Het is daarbij fascinerend hoe hij de taal aan identiteit koppelt: ‘De echte Brusselaars zijn volbloed Brabanders, de kern der brusselsche bevolking, de nakomelingschap van de oude burgers der stad, is door en door dietsch (of tiesj zooals de Brusselaars zeggen), door en door nederduitsch en niet fransch of waalsch.’14 In Noord-Frankrijk, Frans-Vlaanderen, wordt in Winklers tijd nog Vlaams gesproken15, nu is het er bijna uitgestorven. (Wie vanuit het noorden door de Vlaamse Westhoek richting Calais [ooit, ver voor Winkler, in het Nederlands ‘Kales’ genoemd] rijdt kan aan de namen van plaatsen op de borden nog wel zien dat hier ooit Nederlands gesproken moet zijn.)
Winkler kan het trouwens niet laten een persoonlijke mening te geven. Van de dialecten moet vooral het Gronings het ontgelden: ‘Van alle, grootendeels von Haus aus reeds harde en zware, onaangenaam in de ooren klinkende saksische tongvallen, is het groninger friso-saksisch verre weg het hardste, zwaarste leelijkste. […] In éen woord, groningerlandsch is voor fijn gevoelige ooren, vooral die der friezen bewesten Lauwers, niets meer of minder dan afschuwelijk en onuitstaanbaar.’16 Oud-sprekers van een dialect noemt hij zonder blikken of blozen dom en dwaas. Om even terug te gaan naar de Belgische hoofdstad: ‘Er zijn te Brussel dwazen, ja, er zijn er velen zoo, die, ofschoon ze van ouder tot ouder goede nederlandsche of dietsche Brusselaars zijn, wier echte moedertaal het nederlandsch is, en die in hun ouders huis nooit een woord fransch hoorden, toch tot hun eigen kinderen slechts fransch spreken, die met zorg waken dat zoo zelden mogelijk een nederlandsch woord het oor van hun kroost bereike, en die slechts brusselsch-nederlandsch tot hun bedienden willen spreken, omdat de noodzakelijkheid hen daartoe wel dwingt. Ook in de andere groote steden van nederduitsch-Belgie zijn velen zoo dom.’17
Als geboren Urker ben ik natuurlijk vooral geïnteresseerd in het ‘hoofdstuk 107. Het eiland Urk’. En laat de daar te lezen gelijkenis nou zijn medegedeeld aan Winkler door mijn oudvader (de opa van mijn overgrootmoeder) Klaas Koffeman (1833 – 1885), hulponderwijzer.18 En op de bladzijde daarvoor zegt Winkler het zelf al: ‘Voor zoo verre mij bekend is, is er nog nooit iets over of in den urker tongval, ofschoon die zoo hoogst merkwaardig is, geschreven.’19 Wat dit hoofdstuk dus zo bijzonder maakt, is dat dit de eerste tekst in het Urker dialect is. En je begrijpt, voor mij extra bijzonder.
Even over die grootvader-van-mijn-overgrootmoeder Klaas Koffeman. Klaas’ broers waren vissers. Klaas daarentegen koos een andere carrière en kwam voor de klas te staan. Bijzonder, voor die tijd. Hij had een passie voor taal en schreef in 1868 een gedicht naar aanleiding van een stormramp in datzelfde jaar, waarbij 26 Urker vissers in de storm verdronken.20 Het gedicht werd in kranten gepubliceerd en bereikte zelfs de burelen van koning Willem III. Mede dankzij dit gedicht werden duizenden euro’s ingezameld voor de Urker vissersgemeenschap. Misschien was dit de enige manier om aandacht te krijgen voor het leed op het eiland: met de pen. Die pen, en passie voor taal, gaf hij trouwens door aan zijn zoon Iede Klaas, die in de jaren 1940 eerder genoemde Pieter Meertens en Louise Kaiser hielp bij hun werk ‘Het eiland Urk’21, en aan zijn kleindochter Mariap van Urk-Koffeman, die landelijke bekendheid kreeg als ‘dichteres van de drooglegging’22.
K. Koffeman, Hartverscheurende zeeramp op het Eiland Urk. 1868. Collectie Museum het Oude Raadhuis, Urk.
Winkler werd op het spoor van Koffeman gebracht door professor Cosijn (1840 – 1899), taalkundige en filoloog.23 Hoe Cosijn de Urker Klaas kende, is mij nog niet duidelijk. Misschien had hij het gedicht gelezen over de zeeramp? Hieruit bleek in ieder geval dat Koffeman in goed Nederlands kon schrijven. Hoe het ook zij, Klaas Koffeman vertaalde voor Winkler de gelijkenis van de verloren zoon naar het Urker dialect, in Nederlandse spelling.
Voor we naar Winklers beschrijving van het Urker dialect gaan, eerst even over de vertaling. In 1874 was er nog geen standaardspelling van het Nedersaksisch, waarin het geschreven Urkers tegenwoordig goed tot z’n recht komt. Klaas Koffeman moest voortdurend bedenken hoe de vele unieke klanken van het Urker dialect, dat veel meer klinkers bevat dan het Nederlands, op schrift het best overgebracht konden worden. Voor Koffeman had daar nog nooit, voor zover mij bekend, een poging tot gedaan!
Dialecticon, vol. 2, 1874, p. 54-55 (klik voor een uitvergroting)
Juist daarom is het zo bijzonder om als spreker van het Urker dialect te beseffen hoe vitaal dit taaltje is gebleven. Nu, honderdvijftig jaar later, kost het maar heel weinig moeite de tekst hardop voor te lezen. De meeste woorden en klanken zijn in anderhalve eeuw hetzelfde gebleven, waar andere dialecten zijn verwaterd of uitgestorven.
Ik ga de tekst hier niet helemaal uitpluizen, maar een paar zaken vallen mij op:
Er is in honderdvijftig jaar maar een enkele klankverschuiving waar te nemen (als we uitgaan van Koffemans tekst). De klank (in Nedersaksisch) -ea-, hier geschreven als -ææ- is in de meeste woorden gebleven, behalve, in deze tekst, in ‘weard (waard)’ en ‘mear (meer)’. Deze woorden worden tegenwoordig uitgesproken als respectievelijk ‘waard (waard)’ en ‘maar (meer)’. Uit een andere vertaling, eind twintigste eeuw, van de gelijkenis, lijkt deze -ea- veranderd te zijn in -ee-.24 En in deze laatste vorm heb ik het zelf ook nog wel gehoord.
Het woord ’taote’ voor ‘vader’ (naast ‘mimme’ voor ‘moeder’) wordt niet meer in het Urkers gebruikt, maar is nog wel bekend. Het woord is inmiddels vervangen door ‘va’ en een ‘mimme’ wordt ‘moe’ genoemd. ‘Mimme’ wordt nog wel gebruikt in uitdrukkingen: ‘Oe, mimme!’.
De aanbiedende wijs (is dit de aanbiedende wijs? Wie helpt mij hier?), zoals in ’toeloopende’ en ‘biddede’, kun je tegenwoordig een Urker nog een enkele keer horen gebruiken, al zal het niet veel voorkomen. In het Nederlands klinkt dit echter zeer archaïsch.
Er zijn kleine veranderingen opgetreden in de lengte van sommige klanken. Sommige klanken, zoals de -ie- in ‘dielde’, zijn tegenwoordig korter, terwijl de -ie- in ‘gieven’ lang is gebleven.
Hoewel ’taote’ niet meer gebruikt wordt, wordt ‘poezen’ (voor ‘zoenen’ of ‘kussen’) nog algemeen gebruikt. Het is een oud Nederduits woord, zegt ook Winkler zelf.25
Om te bewijzen dat deze tekst van honderdvijftig jaar oud nu nog (bijna) moeiteloos voorgelezen kan worden, ben ik zelf achter de microfoon gesproken. In het eerste fragment lees ik de tekst van Koffeman voor as is, zoals ik denk dat het ongeveer geklonken moet hebben. (Een disclaimer: ik kan mij hier niet baseren op andere bronnen, omdat er geen andere teksten uit die tijd zijn opgeschreven en omdat er logischerwijs geen audio-opnames in deze tijd zijn gemaakt.)
In het tweede fragment lees ik een wat aangepaste de tekst voor, zoals de gelijkenis van de verloren zoon in het Urkers van tegenwoordig zou klinken. Voor deze opname heb ik de hervertaling gebruikt, die werd verzameld door Harrie Scholtmeijer in 1996 voor ‘De Nieuwe Winkler’.26 Deze heb ik nog iets naar smaak aangepast, ook in de laatste dertig jaar is het Urkers weer een klein beetje veranderd.
Laten we verder ingaan op wat Winkler over Urk en het dialect te zeggen heeft. Dat begint goed: ‘De tongval der bewoners van ’t eiland Urk vooral, is een der merkwaardigste en bijzonderste van Nederland.’27 Winkler ziet veel overeenkomsten met de dialectsprekers van het (dan al verlaten) eiland Schokland en – merkwaardig genoeg – het eiland Vlieland.28 Wat het Schokkers betreft: wie de audio-opnames in de Nederlandse Dialectenbank beluistert, hoort zeker overeenkomsten met het Urkers.29 Niet zo gek ook: de opgezetenen van de eilanden Urk en Schokland stonden doorheen de eeuwen in contact met elkaar, net als overigens met bewoners van de andere plaatsen rondom de Zuiderzee. In diezelfde Dialectenbank is een opname van het Vlielands te vinden, maar of dit dialect nauw verwant is aan het Urkers?30
Ook geeft Winkler aan dat het Urkers een zogenaamd overgangsdialect is, wat in zekere zin ook klopt. ‘De urker tongval is zoo min zuiver friesch als hij zuiver saksisch of zuiver frankisch is; hij maakt eigenlijk de overgang uit van het friesch tot het frankische en ook eenigszins tot het saksische nederduitsch’.31 Urkers en Fries? Er zijn zeker woorden of klanken uit het Fries het Urkers ingeslopen, toch denkik dat het Fries echt van het Urkers losstaat. Maar dat het een dialect is op de grens van het Nederfrankisch en het Nedersaksisch, daar kunnen we niet omheen. Het Urkers zal trouwens ook zeker tijdens de Amsterdamse tijd beïnvloed zijn door het Nederfrankische Hollands, eerder nog door de nauwe contacten met Enkhuizen, en veel later nog, tot 1950, bleef Urk als gemeente onderdeel van de provincie Noord-Holland. De dienstmeisjes, die in de negentiende en twintigste eeuw in de rijke Hollandse steden werkten, namen woorden mee terug naar het eiland (naast Hollands ook bijvoorbeeld woorden uit het Jiddisch). Maar vooral vertoont het Urkers kenmerken van het Nedersaksisch, en daar wordt het Urkers tegenwoordig ook onder geschaard. Zo stelt ook dialectologe Jo Daan: ‘Vergelijken we het Urksch met de omringende Nederlandsche dialecten, dan zien we, uit de ons ter beschikking staande gegevens, een groter overeenkomst met het oosten dan met het westen.’32 En door die grotere overeenkomst met de oostelijke dialecten, zoals het Sallands en in zekere mate het West-Veluws, rekenen we het Urkers voor het gemak tot het Nedersaksisch, daarbij opmerkend dat het een overgangsdialect is. Nog over deze passage: het lijkt wel alsof Winkler het Urkers per se in alledrie dialectfamilies wil indelen. Alsof hij iets wil aantonen.
Wat zo fascinerend is aan Winkler: zijn lange verhandelingen over hoe mooi of lelijk een dialect is, maar het wordt helemaal interessant wanneer hij op zoek gaat naar de oorsprong van een dialect. Het Vlielands, Urkers en Schokkers zou aan hun overeenkomsten komen doordat de opgezetenen ooit behoorden tot één oervolkje, dat op het eiland ‘Flevo’ woonde. Winkler: ‘In oude tijden, omstreeks het begin onzer tijdrekening en nog zeer lang daarna (wellicht tot in de tiende eeuw), was de Zuiderzee, zooals die thans bestaat, nog niet aanwezig.’33 Tot zover klopt het enigszins, de Zuiderzee ontstond pas na een reeks stormvloeden in de twaalfde en dertiende eeuw, zo wordt algemeen aangenomen. Maar dan ontvouwt Winkler zijn theorie: deze bewoners van het eiland Flevo – ‘een bijzonderen stam, die zich vooral ook door zijn eigenen tongval van de andere Friezen onderscheidde’34 – zochten na het ontstaan van de Zuiderzee een veilig heenkomen op hoger gelegen gebieden (Vlieland, Schokland en Urk) of gingen wonen aan de kustplaatsen: ze ‘werden de eerste bewoners, geheel of gedeeltelijk, van de stad Enkhuizen, van ’t dorp Huizen in ’t Gooiland, van Vollenhove, en misschien van de Kuinder en Genemuiden in Overijssel’35. En dit is niet alleen te horen, volgens Winkler, aan de tongval, maar ook te zien in hun beroepskeuze: ‘niet zonder beteekenis is de omstandigheid dat de Enkhuizers en de Huizers, even als ook ten deele de Vollenhovers volbloed-visscherlui zijn, zoo wel als de Urkers en de Schokkers. Enkhuizen had in vorige eeuwen opkomst en grooten bloei aan de visscherij te danken, die er nog bestaat, hoewel ze er, helaas! deerlijk in verval is. De Huizers zijn nog grootendeels visschers […]; de Vollenhovers zijn gedeeltelijk ook echte visschers’.36 De oer-Zuiderzeeër.
En in deze passages sijpelt die negentiende-eeuwse gedachte door, dat er een oer-Nederlander moet zijn geweest, die zowel een Friese, Frankische als Saksische tongval heeft; een stam die de Nederlandse delta bevolkte en leefde met het water. De Batavus genuinus. Onderzoekers stonden in de rij om aanwijzingen vinden voor het bestaan van die oer-Nederlander (terwijl Nederland als natiestaat dan pas een paar decennia oud was). Even voor Winkler deelde Ph.C. van den Bergh de Nederlanders in drie ‘rassen’ in: de Friezen, de Franken en de Saksen.37 Was Winkler aan het ‘inpassen’?
De Duitse arts en antropoloog Rudolf Virchow publiceerde in 1877 een studie, waaruit moest blijken dat zowel de bevolking van Marken als van Urk tot het ‘Friese ras’ behoren. Virchow linkte het ‘Friese ras’ aan de Neanderthaler.38 In datzelfde jaar bracht de Hilversumse arts Van Hengel een bezoek aan het eiland Urk. Hij maakte het wel heel bont: zijn fascinatie voor het eiland en de cranologie (onderzoek, waarbij schedels werden gemeten) bewoog hem ertoe schedels te ontvreemden van de Urker begraafplaats. Al in de jaren 1850 was de wetenschapper Harting op Urk geweest, die concludeerde: ‘de bevolking van Urk is inzonderheid […] merkwaardig, dat het een zuiver nagenoeg geheel onvermengd ras is, dat gerekend kan worden van de oude bewoners van het eiland schier onveranderd af te stammen’.39 Van Hengel zou Harting een paar Urker schedels sturen, in ruil voor zijn publicatie.
Deze vormen van fysische antropologie, in het bijzonder de cranologie, zouden een eeuw later volledig geïncorporeerd worden door het nationaal-socialistische gedachtegoed. Het idee dat gedragskenmerken af te leiden zijn van uiterlijke kenmerken ontstond in de negentiende eeuw en werd overgenomen in andere onderzoeksgebieden, zoals de dialectologie, zo zien we in het Dialecticon. Gelukkig vinden we deze ideeën nu verderfelijk, maar tot in de jaren 1950, zo zal dadelijk blijken, konden wetenschappers vrijelijk mensen opmeten en daar al dan niet fantasierijke conclusies aan verbinden.
Misschien werden in Nederland (in de voormalige koloniën leefden de wetenschappers zich trouwens ook uit!) de bewoners van het eiland Urk wel het meest aan fysisch antropologisch onderzoek onderworpen. In 1927 kwam een zoveelste schedelmeter naar Urk.40 In 1997 kon de dan hoogbejaarde Urker Albert van Veen dit zich nog goed herinneren: ‘Ik was acht jaar, toen kregen we orders van de meester op school. In groepjes van vijf moesten we naar het schoolplein en daar werd ons hoofd opgemeten. Je ogen, oren, neus, mond, de schedels van achteren en van voren, alles.’41
J. Sasse meet de schedels van schoolkinderen op Urk, ca. 1912. Bron: particuliere collectie, foto via Comité Urker Schedels.
De indirecte gevolgen voor de Urkers? Urkers konden geen aanspraak maken op een plek in de nieuwe Noordoostpolder. De door de overheid beoogde modelsamenleving bood namelijk geen plaats aan de, door wetenschap ‘achterlijk’ en ‘onzakelijk’ genoemde, Urkers.42 Adviseur-sociograaf Groenman stelde zelfs in 1947 maar voor de helft van de bevolking te deporteren.43 Nee, in die nieuwe Noordoostpolder moesten moderne mensen komen te wonen, niet die rare vissersvolkjes.
Zelfs na de Tweede Wereldoorlog, in 1956, vond nog fysisch antropologisch onderzoek plaats in Elburg, toen de nieuwe Oostelijke Flevopolder werd aangelegd. 70 kinderen werden aan onderzoek onderworpen. De onderzoekers van de Stichting voor het Bevolkingsonderzoek in de Drooggelegde Zuiderzeepolders noteren dat bij vijf van de onderzochte 11- en 12-jarige meisjes de borsten ‘al goed ontwikkeld’ zijn en dat twee meisjes al schaamhaar hebben.44 Misselijkmakend.
En die ontvreemde Urker schedels? Die keerden pas in 2010 terug,45 waarna ze plechtig werden herbegraven. Daar ging wel een lang proces aan vooraf, waarin een ‘Comité Urker Schedels’ zich hard maakte voor teruggaaf. Een uitspraak van de Ethische Codecommissie voor Musea deed de Universiteit Utrecht – waar de schedels al die tijd [volgens auteur] doelloos in een depot hadden gelegen – pas daadwerkelijk bewegen de schedels terug te geven.46
Deze trieste geschiedenis had mijn oudvader Klaas Koffeman op dat moment natuurlijk nog niet kunnen voorzien. Een beetje chauvinistisch gezegd: hij deed wat een Urker doet, namelijk een ‘vreemde’ helpen als-ie daarom vraagt. En Winkler was natuurlijk geen schedelmeter: hij volgde gewoon de publicaties van zijn tijdsgenoten en nam ze voor waar aan. Maar Winklers vele aannames, die nu hilarisch lijken, hebben indirect wel bijgedragen aan de stigmatisering van de bewoners van de eilanden en oevers van de Zuiderzee.
Moeten we Winkler dan maar afschrijven? Geenszins. Bovenal probeerde Winkler met zijn Dialecticon de verscheidenheid aan dialecten voor de toekomst te bewaren. En honderdvijfig jaar later plukken we daar de vruchten van. Het Dialecticon is een uniek tweedelig boekwerk, een documentatiewerk van het immateriële: de gesproken taal, die veelal verloren is gegaan, maar in sommige plaatsen nog springlevend is. Ergens tussen ‘Koningsbergen’ en ‘Duinkerken’ ligt Urk, met misschien wel het (tot op heden, dan) vitaalste dialect van al deze door Winkler behandelde plaatsen. (Of zijn er andere dialecten die net zo levend zijn? Ik zou het heel graag horen!)
Maar de grote vraag is: hoe kun je een dialect eigenlijk levend houden? Beleid kan helpen: in 2018 is bijvoorbeeld het ‘Convenant inzake de Nederlandse erkenning van de regionale Nedersaksische taal’ getekend47, waarmee het Nedersaksisch een officieel erkende taal werd. Maar ook andere instrumenten zouden kunnen helpen bij het levend houden van een taal of dialect, zoals een aanmelding in het Netwerk Immaterieel Erfgoed of een daarop volgende bijschrijving in de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland, waarmee een erfgoedgemeenschap laat zien dat het een eigen cultuuruiting erkent als immaterieel erfgoed.48 Er zijn natuurlijk nog veel meer manieren: door onderwijs (dialect in de klas), popmuziek in dialect, subsidies voor onderzoek, podcasts, een lokale dialectstichting, concerten of vespers in dialect, het gebruik van de eigen taal binnen overheidsgebouwen, het aanstellen van een stadsdichter… Welke gemeenschappen laten zien dat zij hun eigen taal belangrijk vinden?
En nog even terug naar die gelijkenis van de verloren zoon: zou Winkler met de berouwvolle zondaar diegene bedoelen, die zijn dialect inruilde voor een standaardtaal?
En tot slot: zullen we een dialect voortaan gewoon een taal noemen?
Met dank aan een andere nazaat van Klaas Koffeman, Iede Klaas Koffeman, die mij de gedigitaliseerde versie van het gedicht van onze voorouder toestuurde.
H. Scholtmeijer, Meertens Instituut, “Tussen ‘Flevisch’ en ‘modern hollandsch’: Winklers Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon.”, versie onbekend, https://books.meertens.knaw.nl/winkler/inleiding.html, geraadpleegd 18 maart 2024. ↩︎
P.C. Meertens, Taal en Tongval. Jaargang 10. (Bosvoorde: Willem Pée, 1958), 4-15 ↩︎
H. Scholtmeijer, Meertens Instituut, “Tussen ‘Flevisch’ en ‘modern hollandsch’: Winklers Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon.”, versie onbekend, https://books.meertens.knaw.nl/winkler/inleiding.html, geraadpleegd 18 maart 2024. ↩︎
J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 264 ↩︎
J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 395 ↩︎
J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 1. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 398-399 ↩︎
J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), ↩︎
J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 54 ↩︎
J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 53 ↩︎
K. Koffeman, Hartverscheurende zeeramp op het Eiland Urk. 1868. https://www.google.nl/books/edition/Hartverscheurende_zeeramp_op_het_eiland/8M_v6RglQkAC?hl=en&gbpv=1 ↩︎
P.C. Meertens en L. Kaiser, Het Eiland Urk. (Alphen aan de Rijn: Samson N.V., 1942), XII ↩︎
Elders op deze website: “De strijd van Mariap van Urk” https://blog.basvisscher.com/de-strijd-van-mariap-van-urk/ ↩︎
P.C. Meertens en L. Kaiser, Het Eiland Urk. (Alphen aan de Rijn: Samson N.V., 1942), XI ↩︎
H. Scholtmeijer, Meertens Instituut, “De nieuwe Winkler. Urk.”, versie onbekend, https://books.meertens.knaw.nl/winkler/urk.html, geraadpleegd 18 maart 2024. ↩︎
J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 56 ↩︎
H. Scholtmeijer, Meertens Instituut, “De nieuwe Winkler. Urk.”, versie onbekend, https://books.meertens.knaw.nl/winkler/urk.html, geraadpleegd 18 maart 2024. ↩︎
J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 52 ↩︎
L. Ph. C. van den Bergh, Handboek der Middel-Nederlandse geografie. (Den Haag, 1872), 110 ↩︎
R. van Diepen, Historiek, “Op zoek naar de oer-Nederlander in het Zuiderzeegebied”, versie 3 december 2019, https://historiek.net/op-zoek-naar-de-oer-nederlander-in-het-zuiderzeegebied/54711/, geraadpleegd 10 maart 2024. ↩︎
P. Harting, Het Eiland Urk: Zijn Bodem, voortbrengselen en bewoners. (Utrecht: Van Paddenburg & Comp., 1853). ↩︎
“Afkomst der Urkers”, Haarlems dagblad, 23 augustus 1927, 10 ↩︎
R. van den Berg en K. van Noppen, “Het probleem Urk”, De Ochtenden, datum onbekend, bron via Urker Schedels, https://urkerschedels.files.wordpress.com/2012/06/write-up-rien-van-de-berg-het-probleem-urk.pdf, geraadpleegd 10 december 2020. ↩︎
T. Roos, lid Comité Urker Schedels, geïnterviewd door auteur op 15 december 2020. ↩︎
D. Schaap, “Sloop alle schepen en bouw een groene vloot”, Groene Amsterdammer, 18 augustus 2010, https://www.groene.nl/artikel/sloop-alle-schepen-en-bouw-een-groene-vloot, geraadpleegd 2 december 2020. ↩︎
E. Hakkenes, Polderkoorts: Hoe de Zuiderzee verdween. (Amsterdam: De Bezige Bij, 2017), 237. ↩︎
ANP, “Urk heeft zijn schedels weer terug”, Reformatorisch Dagblad, 5 juni 2010, https://www.rd.nl/artikel/355600, geraadpleegd 10 januari 2021. ↩︎
Museumvereniging, “Schedels van verre verwanten – bewaren of herbegraven?” (versie onbekend), https://www.museumvereniging.nl/schedels-van-verre-verwanten-bewaren-of-herbegraven, geraadpleegd 24 november 2020. ↩︎
Rijksoverheid, “Convenant Nedersaksisch”, versie 10 oktober 2018. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/convenanten/2018/10/10/convenant-nedersaksisch, geraadpleegd 17 maart 2024. ↩︎
Immaterieel Erfgoed, “Netwerk, Inventaris en Register” (versie onbekend), https://www.immaterieelerfgoed.nl/nl/netwerkinventarisregister, geraadpleegd 10 maart 2024. ↩︎
‘Maar waarom hebben kippen geen gebitje?’ Er is niemand die zo over gekte kon schrijven als Maarten Biesheuvel. Inmiddels ben ik toch een heel eind gekomen met de canon van de Nederlandstalige literatuur, maar weinig verhalen blijven me zo bij als die van Biesheuvel.
Biesheuvel bond met zijn schrijven de strijd aan met zijn eigen gekte. Dat resulteerde in een stroom van korte verhalen. En het knappe aan die verhalen is de lichtvoetigheid waarmee hij de dwaasheid van het bestaan, de gekte in ieder mens en de relatie tussen mensen beschreef. De hoofdpersoon zit in een auto en denkt: ‘In Keulen zal ik kotsen!’ Wanneer heb je voor het laatst zo’n zin gelezen?
‘In de Bovenkooi’ (1972) is het debuut van J.M.A. – Maarten – Biesheuvel (Schiedam, 1939). Een verzameling verhalen met thema’s als geluk, zinloosheid, eenzaamheid, God, wetenschap. Het bekendste verhaal is ‘Brommer op zee’, een hallucinant verhaal over iemand die over zee aan komt rijden naar een schip en uitlegt hoe men over water kan rijden (je begint met een speld, die blijft drijven). Maar minstens zo goed is bijvoorbeeld ‘De maan’, over een gesprek met een groentekweker die zo zijn eigen opvattingen heeft over wetenschappelijk onderzoek over de maan.
Biesheuvel vond zelf dat hij ‘de gave van het Woord’ had. Klopt, hij had net zo goed dominee kunnen zijn. Dat merk je ook als Biesheuvel zelf voorleest: de verhalen komen dan pas echt tot leven. Voor de podcast ‘Het beste van Biesheuvel’, verschenen in 2019, selecteerden Remy van den Brand en Erik de Bruin twintig fragmenten waarin Biesheuvel uit eigen werk voorleest. En die fragmenten zijn geestig, soms zelfs hilarisch, en vaak ontroerend.
‘Maar waarom hebben kippen geen gebitje?’, vroeg Maarten al in de inleiding. Deze zin komt uit een van die mooie verhalen, Scarabaeus cogitans. Een Belgische arts, genaamd Guido Bostoen, bevindt zich op een rustige Stille Oceaan op het schip de Aurora, waar hij zich bezighoudt met het oefenen van een specifieke operatie. Hij herinnert zich zijn broer Sjef, die aan een zeldzame aandoening leed genaamd ‘Scarabaeus cogitans’, een kever die tussen de hersenen en de schedel leeft. Hierdoor stoten patiënten rare dingen uit, als ‘Grijp de rechterhand van de Christus Jezus. 1-0! De ijskappen smelten. Stop de zeehond! Maar waarom hebben kippen geen gebitje?’ Ondanks zijn expertise slaagde Guido er niet in zijn broer te redden van deze aandoening, wat hem blijft achtervolgen. Hij blijft wachten op een kans om deze ziekte te wreken, terwijl hij zichzelf voorbereidt op een operatie die nooit zal plaatsvinden.
De zinsnede ‘Maar waarom hebben kippen geen gebitje?’ is net zo krachtig als ‘In Keulen zal ik kotsen’ uit ‘De grote weg’. Zo krachtig, dat het zelfs in het hoofd van Vader Abraham bleef hangen, die het Kinderen voor Kinderen-liedje ‘Waarom hebben kippen geen gebitjes?’ schreef en componeerde. Dan wordt pas echt duidelijk wat literatuur vermag, als zelfs Pierre Kartner door je verhaal geïnspireerd raakt.
Kostelijk is ‘Spreken in tongen’, waarin Maarten een vriendin opvoert die over haar evangelische jeugd vertelt:
Toen ineens begon er een ouderling uit Amsterdam door de tent te rennen. “Achwataballa!” riep hij uit, “gnoerstikom Pelkman passejewietsj huichsja Ter Vreeze patom, etiem djelo snatsietjelno objechtsjajetsje, halleluja.” […] Een andere ouderling uit Amsterdam sprong op een verhoging en sprak met luide stem: “Gode zij dank kan ik verstaan wat ouderling Ruisblad heeft gesproken. Hij zegt namelijk dat ouderling Pelkman gelijk heeft en niet meneer Ter Vreeze. Aldus spreekt namelijk God: ‘De collectezakjes blijven gewoon in hun oude vorm gehandhaafd en de voordeur van de kerk der Haagse gemeente wordt groen geverfd.'”
Honderd jaar geleden, in 1920, kwam Willem Arondéus aan op het eiland Urk. Hij kwam hier terecht na contact met zijn kennis Ernst Leyden, die zijn verblijfplaats Urk zou verruilen voor een rondreis door Europa. Arondéus greep de kans met beide handen aan: een plaats om in afzondering te werken.
Over Arondéus is niet bijster veel geschreven. Door Rudi van Dantzig en Marco Entrop werd hij in het nieuwe millennium enigszins uit de rafelranden van de geschiedenis gehaald: als homoseksuele verzetsheld kreeg hij niet bepaald dezelfde aandacht als zijn heteroseksuele kompanen.
Willem Arondéus op Urk, ca 1920-22. bron: Wikipedia
Later meer, veel meer, over Arondéus. Eerst dit.
In 1922 schreef Arondéus een gedichtenbundel, van twintig gedichten, “Afzijdige Strofen” genaamd. De “homo-erotische verzen” [Entrop, “Een droomen van de monden nooit bezeten” de Parelduiker. Jaargang 6, Uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam 2001] waren sterk geïnspireerd door de bundel “Strofen”, van P.C. Boutens, welke in 1919 verscheen.
De gedichten hebben thema’s als eenzaamheid, het eilandleven, zijn genegenheid voor Urker jongens en “het verlangen naar volkomen-zijn”. Opmerkelijk, maar kenmerkend voor de waardering van Arondéus, is dat de bundel pas vele jaren na zijn dood, in 2000 in kleine oplage gepubliceerd door het Drukkerijmuseum.
Een van de sterkste verzen is het vierde, waarin de eenzaamheid, het verlangen en het lijden aan het leven volkomen tot uitdrukking worden gebracht:
IV
Alleen te zijn, en zich alleen te weten, Van geen ontmoet de dag de nacht; Ben ik de zilvren menschen-stem vergeten, Die streelt en lacht.
Van geen begeerd, en vol begeeren wezen Naar elk, die zwijgend komt en keert; Het diepst te minnen wat het diepst te vreezen Is, en meest deert;
Te dwalen, en nooit het waarheen te weten, Een dolen doelloos zonder end, Een droomen van de monden nooit bezeten, En nooit gekend;
Is dit de buit der jaren, doelloos droomen Van alle waken meer gewond? Reeds met hun ernst der wonden-teekens komen Om oog en mond.
Alleen te zijn, en zich alleen te weten, De dag, de nacht ontmoet van geen; Van alle woorden deze onvergeten: Alleen; alleen.
21 April ‘22
Daar het eerste gedicht is ondertekend met 14 april 1922 (precies 98 jaar geleden), leek dit mij een goed moment de bundel Afzijdige Strofen en de gelijknamige website onder uw aandacht te brengen. Laatstgenoemde wil bijdragen aan de waardering van Arondéus en uitgroeien tot een digitaal monument. De bundel Afzijdige Strofen is in zijn geheel terug te vinden op de gelijknamige website.
Verder lezen over Arondéus verblijf op Urk:
Entrop, M., “Een droomen van de monden nooit bezeten” de Parelduiker. Jaargang 6, Uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam 2001. (link)
Dantzig, R. van, Het leven van Willem Arondéus 1894-1943. Een documentaire. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2003.
Twee dingen die ik al tijden niet heb gedaan: een goed non-fictieboek lezen en er een stukje over schrijven. Laat The Kaiser’s Holocaust dan weer de eerste zijn. Een goed boek over de macabere geschiedenis van Namibië. Het gaat voornamelijk over de koloniale periode van Namibië – de bezetting door het Duitse Tweede Rijk – waarin de genocide op de Herero en de Nama centraal staat.
Als klein kind lag ik eens ziek op het bed van mijn ouders. Ik verveelde me en haalde de kasten open. Een stapel stripboeken lag in mijn vaders kast, waaronder het prachtige “Op zoek naar Peter Pan” (“A la recherche de Peter Pan”) van Cosey. (Ik verwees eerder naar Cosey in dit essay.) Dit tweedelige verhaal over een Engelse schrijver die in de zuid-Zwitserse Alpen op zoek gaat naar de sfeer van Peter Pan sprak me tot de verbeelding. Hoewel ik de helft van de tekst niet begreep, voerden de prachtige illustraties me mee naar het zuiden van Zwitserland, de provincie Wallis.
Gerrit Achterberg geldt voor mij als één van de grootste dichters uit de Nederlandse literatuur, zo niet de grootste. Eerder sprak ik al over zijn biografie, door Wim Hazeu in een podcast. Ook wijdde ik eens een longread over de link tussen Gerrit Achterbergs gedicht “Ichtyologie”, Boudewijn Büch en de prehistorische vis, de coelacanth.
Het onderwerp van dit artikel is “Hulshorst”, de naam van een plaatsje in de Veluwe en de titel van één van de bekendere gedichten van Gerrit Achterberg. Er is al veel over dit gedicht geschreven in de secundaire literatuur. Uw eigen literaire toerist was ook zeer gefascineerd door het verhaal, dook de boeken in en zocht foto’s van een eerder bezoek op.