Een schuldige stad?

In Wim Wenders’ film Der Himmel über Berlin uit 1987 staat Homer centraal, een Joodse man, die als enige van zijn familie de oorlog overleefde. Zonder expliciet aan de holocaust te refereren, klinkt het naziverleden van de stad in de hele film door. Ook de muur, de deling van de stad na de oorlog, is niet meer dan een voortzetting van de Tweede Wereldoorlog, zo vertelt de film: als Homer over de Potsdamer Platz loopt ziet de kijker verwoesting, leegte en de Muur, maar Homer het Joods Berlijn van voor de oorlog, waarmee een onwerkelijk beeld wordt opgeroepen.

Na de val van de Muur in 1989 kwam Berlijn in een turbulente tijd terecht. De stad, met zijn krakers en ravefeesten, groeide uit tot hét modern-culturele centrum van West-Europa: eerst kunstenaars en vervolgens young urban creatives en tenslotte de start-ups wisten hun weg naar de herenigde stad te vinden. Als er een Europese stad gegentrificeerd is, dan is het wel Berlijn.

Der Himmel über Berlin (eigen foto, 2021)

Ook de naoorlogse Joodse gemeenschap wist haar weg terug naar Berlijn te vinden. Veel Joden uit de voormalige Sovjet-Unie kwamen naar de stad. Het laatste decennium trekken ook veel jongere Joden, voornamelijk Israëli’s, naar Berlijn.[1] Ze komen terecht in een stad waar de meeste sporen van de eeuwenoude Joodse geschiedenis zijn uitgewist. Een plaats met een schuldig verleden.

En daarvan is de Duitse samenleving zich terdege bewust. De naoorlogse identiteitscrisis – hoe heeft dit kunnen gebeuren? – mondde al gauw uit in een gevoel van schaamte, waarmee de naziperiode en daaruit voortkomende Sjoah in al zijn gruwelijkheid een onbespreekbare periode leek te worden. Ook de schuldvraag liet zich maar moeilijk beantwoorden. Waren de Duitsers niet ook slachtoffer geweest?[2]

Het opruimen van de puinhopen van de periode ’33 – ’45 leidde echter geenszins tot een breuk met het verleden. In het naoorlogse Duitsland was de oorlog iets alledaags geworden, een collectieve herinnering werd verdoofd door de wederopbouw: ook al kregen mensen met een discutabel verleden een nieuwe plek in het bestuur, ook al had ieder gezin wel een verhaal over de oorlog en de eigen schuld; de blik moest vooruit.

Plek van herinnering of toeristische attractie? (eigen foto, 2021)

Het zou tot de jaren ’80 duren tot er sprake zou zijn van een Erinnerungskultur. Na een fel debat tussen een conservatief progressief Duitsland ontstond geleidelijk een nieuwe vorm van herinneren, een beleving die verder ging dan het onbespreekbaar laten.[3] En uit deze nieuwe herinneringscultuur kwamen ook de moderne monumenten voort.

In 2001 werd het Jüdisches Museum Berlin, het Joods Museum in Berlijn, geopend, ontworpen door Libeskind. De Pools-Joodse architect geniet in Nederland voornamelijk bekendheid vanwege zijn ontwerp voor het onlangs gerealiseerde Holocaust Namenmonument aan de Weesperstraat. De gevel van het Joods Museum, waarin je een uitgevouwen Davidsster in zou kunnen herkennen, staat symbool voor de leegte die na de holocaust achterbleef in het straatbeeld van Berlijn.[4]

Het Joods Museum is behalve een klassiek, informerend museum een plaats die een onvergetelijke ervaring bij de bezoeker opwekt. Door de slimme architectuur en de zorgvuldig gekozen objecten maakt de bezoeker een reis waar negatieve emoties worden opgeroepen – welk effect ook te merken is tijdens een bezoek aan het Holocaust Namenmonument. Het gebouw laat de bezoeker verhouden tot het leed van de Joden in Duitsland. Deze intrinsieke ervaring is waar het Joods Museum bekend om staat.

Wie vanaf het Joods Museum de voormalige loop van de Muur richting het noordwesten volgt, ziet vlakbij de Brandenburger Tor 2711 betonnen blokken in het straatbeeld opdoemen. Maar je hoeft er niet naartoe om ze te zien, want dit monument ontbreekt in geen enkel Berlijns reisverslag op social media. Maar om deze plaats te ervaren moet je er wel echt zijn: loop er doorheen en je krijgt een algeheel gevoel van desoriëntatie en dissociatie.

Het monument leverde architect Peter Eisenman kritiek op, meest vanwege de abstracte vorm: het wijkt in alles af van traditionele monumenten. Het monument zou een nivellerende werking hebben, omdat het door de abstractie het leed niet goed zichtbaar maakt.[5] Maar laat het monument juist niet op een integere manier zien dat de Joodse gemeenschap ontegenzeggelijk deel uitmaakt van kosmopolitisch Berlijn, dat de Joodse gemeenschap meer is dan alleen de Sjoah, juist door de abstractie en inmiddels de vanzelfsprekendheid van het monument?

En symboliseert juist de moeizame discussie in aanloop naar de oplevering van het monument niet juist de moeilijke omgang van Duitsland met het verleden? Een voorbeeld: toen men er tijdens de bouw achter kwam dat de producent van de anti-graffiticoating tijdens de oorlog het beruchte Zyklon-B produceerde, werd de bouw tijdelijk stilgelegd, ontstond er commotie, volgde een onderzoek en een conclusie.[6] Juist dit voorval illustreert de complexe verhouding van Duitsland tot de oorlog. De maatschappelijke discussie over het herinneren ligt in het monument verankerd. 

Is het onzeglijke weer te geven in een monument of museum? Dat zeker niet. Maar de zin ‘Es ist geschehen, und folglich kann es wieder geschehen’ van de Italiaanse holocaustoverlevende en auteur Primo Levi[7], plaatst het monument onbedoeld misschien wel in de juiste context: zo vanzelfsprekend als de gedenkplaats nu is, voorbijkomend op vakantiekiekjes, zo vanzelfsprekend was het nationaalsocialisme en antisemitisme uiteindelijk voor velen – wat weer raakt aan Hannah Arendts theorie over de ‘banaliteit van het kwaad’. 

Zowel het Holocaustmonument als het Joods Museum doen een beroep op onze emoties, ons moraal, aan onze eigen verhouding tot de holocaust. Onmiskenbaar roepen beide plaatsen van herinnering vragen op en leidden ze tot discussie. Maar juist wanneer de beide monumenten ter nagedachtenis van de Joodse slachtoffers worden opgeleverd, krijgt Duitsland te maken met een kater van de eenwording: de grote verdeeldheid binnen het land, de grote verschillen in welvaart (voornamelijk tussen Oost en West) en vooral de mede daaruit voortkomende heropleving van extreemrechts.[8]

Is de Duitse bildung wel bestand tegen het hernieuwde gevoel van slachtofferschap? Is het herinneren aan de hand van beleven wel sterk genoeg om je te wapenen tegen het antisemitisme? En geven monumenten en musea voldoende antwoorden op de vragen van deze tijd?

Behalve bovengenoemde gedenkplaatsen zijn er veel meer plaatsen in Berlijn die zich bezighouden met herinneren, representatie en educatie. Op de grens tussen voormalig Oost en West, waar nog een stuk van de muur overeind staat, is in het voormalig hoofdkwartier van de Gestapo het Topographie des Terrors gevestigd, dat behalve een documentatiecentrum ook tegelijkertijd een museum en gedenkplaats is.[9]

Topographie des Terrors (eigen foto, 2021)

Wie de vaste tentoonstelling bezoekt krijgt een klap in het gezicht. De bezoeker ervaart het verloop van terreur in Duitsland[10] (de opkomst van het nationaalsocialisme, de Tweede Wereldoorlog en de terreur van de Jodenvervolging, de moeizame denazificering van West-Duitsland en de gelijktijdige communistische terreur in Oost-Duitsland na de oorlog) aan de hand van ‘droge’ objecten in een sobere tentoonstellingsruimte. 

De werkelijkheid aan de hand van bronnen, die de bezoeker met vragen – maar ook met kennis – achterlaat. De kracht van de tentoonstelling zit in het tonen van foto’s, krantenartikelen en pamfletten, waarbij je zou kunnen denken: ja, het is gebeurd en het kan weer gebeuren.

Topographie des Terrors (eigen foto, 2021)

Maar weer rijst de vraag of een gedenkplaats wel genoeg is om de verschrikkingen van de holocaust te kunnen begrijpen en daar lessen uit te trekken? En dat is een retorische vraag, natuurlijk. Maar misschien brengen al die pogingen bij elkaar wel een klein stapje in de goede richting en is juist het immer worstelende Berlijn als stad wel het beste monument. Een schuldige stad.


[1] A. Wals, “Een groeiende groep Israëliërs trekt naar Berlijn: ‘Hier kan ik ademen’”, De Volkskrant, 8 januari 2021, https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/een-groeiende-groep-israeliers-trekt-naar-berlijn-hier-kan-ik-ademen~bc2fce02/, geraadpleegd 2 juni 2022. 

[2] M. Schoonenboom, “Begin van een beter land”, Groene Amsterdammer, 16 april 2020, 38-41.

[3] Ibidem.

[4] J. Huisman, “Vul de leegte met leegte Daniel Libeskind ontwerpt het Joods Museum in Berlijn” (versie 5 september 1997), https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/vul-de-leegte-met-leegte-daniel-libeskind-ontwerpt-het-joods-museum-in-berlijn~bcde1248/, geraadpleegd 10 mei 2022.

[5] H. Roth, “Monumentaal Berouw” (versie 1 september 2020), https://www.rektoverso.be/artikel/monumentaal-berouw, geraadpleegd 12 mei 2022.

[6] Trouw, “Monument Holocaust” (versie 14 november 2003), https://www.trouw.nl/nieuws/monument-holocaust~be96d963/, geraadpleegd 2 juni 2022.

[7] DW, “Ein Mahnmal als personalisierte Geschiechte” (versie 10 mei 2005), https://www.dw.com/de/ein-mahnmal-als-personalisierte-geschichte/a-1578044, geraadpleegd 8 mei 2022.

[8] A. Maier, “Fantoompijn in het Oosten”, Groene Amsterdammer, 25 juli 2019, 28-32.

[9] Topographie des Terrors, “Dokumentationszentrum Topographie des Terrors” (versie onbekend), https://www.topographie.de/en/topography-of-terror/, geraadpleegd 20 april 2022.

[10] Ibidem.

(Bovenstaande tekst is een bewerking en samenvatting van een eerder geschreven essay als opdracht tijdens mijn studie aan de Reinwardt Academie, bij een bezoek aan Berlijn in 2021)

Ode aan Joy Division

Voor mijn verjaardag kreeg ik het boekje ‘Ode aan Joy Division’ van Marc Schoorl. De vriendin in kwestie dacht dat ik Joy Division leuk vond.

Daar had ze meer dan gelijk in, al is leuk niet het goede woord.

De eerste nummers van Joy Division op mijn mp3-speler waren ‘Transmission’ (op Limewire: ‘Dance to the Radio’) en ‘Love Will Tear us Apart’. Ik was toen 16 of 17, op de radio was een nieuwe golf britpop te horen. Hey there Delilah. Clocks.

Ik was op bezoek in een kleine, donkere woning, waar twee vrienden mij in een stoel zetten en mij in aanraking brachten met de Factory Records-catalogus. En met dat hele verhaal in het achterhoofd – die twee nummers waren onderdeel van iets groters – ging ik meer en meer uit Manchester jaren ’70 en ’80 luisteren. Het heeft me niet meer losgelaten.

Er zat iets diepers in die muziek, een gelaagdheid die destijds niet op de radio te horen was. A fury that burns from inside. En ik kon mij daar als puber, met al die geselende mentale worstelingen natuurlijk perfect toe verhouden.

Het duurde even voor ik het verband tussen Joy Division en New Order legde. Maar toen ik dat begreep was het hek van de dam. En ik denk dat ik meer dagen wel dan niet ‘Ceremony’ heb gedraaid.

Het boek ‘Ode aan Joy Division’ is het eerste Nederlandstalige boek over Joy Division, geschreven door Marc Schoorl. Het korte boekje vertelt het verhaal van Joy Division, voornamelijk van Ian Curtis, aan de hand van beschikbare literatuur. De band uit Manchester, die maar een paar jaar heeft bestaan, wordt vanuit verschillende invalshoeken belicht.

Schoorl doet dat goed. Hij laat bandleden aan het woord (geparafraseerd vanuit hun boeken) en heeft een nuchtere kijk op de vele facetten van de persoon Curtis. Meer dan een epileptische, zwaarmoedige frontman was het een getroebleerde en ongelukkige fantast.

De teksten van de songs op de paar verschenen albums en singles zijn zo persoonlijk dat het lezen ervan bijna voyeuristisch is. Naast de brutale artistieke metaforen over eindigheid, leegte en de verschrikkingen van de mensheid komt de onmacht en de eindeloze onrust van een individu in de teksten sterk naar voren.

Veel mensen kunnen zich op een of andere manier verhouden tot Joy Division. Vanwege de teksten, de kunstige tijdloze muziek, vanwege het imago of vanwege het mysterie.

Epping Walk Bridge, Manchester (eigen foto). De lantaarnpalen zijn op een gegeven moment verplaatst naar de andere kant van de brug.

Ik ben er ook geweest. In de muziek. Maar ook in Manchester en Macclesfield. Ik zag de brug, de locatie van de iconische foto van Kevin Cummins, het laatste huis van Curtis en zijn grafsteen.

Gedenksteen Ian Curtis, Macclesfield (eigen foto).

Het lijkt wel pathetisch, zo veel naar één band te luisteren. Maar ik ben niet de enige, zo blijkt trouwens ook uit dit boekje.

Er werd iets groots verricht in die smerige Noord-Engelse stad. Velen zullen die paar platen saai vinden, of lelijk, of te koketterend, maar er zit een betovering waar zelfs dit zoveelste boekje geen vinger op weet te leggen.

‘Ode aan Joy Division’ is vlot geschreven. Het neemt af en toe iets te veel zijwegen en het is jammer dat het een grondige eindredactie mist (wat zet- en taalfouten). Maar het is onmisbaar op de boekenplank van elke Factory Records-fan.

En ik draai nog maar een keer Ceremony. Een van de laatste nummers van Joy Division, de eerste single van New Order.

Millen, waar ze de katten villen

Een kat hoort op een boerderij. Als er een boerderij is zonder kat, dan is dat niet per se gek. Als er een heel boerendorp is zonder katten, dan is dat wel wat vreemd. Als er een heel gebied is zonder katten, dan gaan de alarmbellen rinkelen. Waar is de kat?

Afgelopen weekend verbleef ik, met iemand bij wie ook thuis een kat rondloopt, in het Vlaamse dorp Millen, een kwartier weg van Maastricht. We spraken naar elkaar uit dat het ontbreken van de kat op straat zeer merkwaardig is. Met daarbij natuurlijk onze eigen katten, die in Zwolle achterbleven, in het achterhoofd.

Op het plein, naast de kerk, stuitten we plots op een merkwaardig standbeeld, met de volgende tekst in het lokale dialect: Millë bo zë dë kattë villë, dë hoon spoarë en d’ aa pjad dë nak aofvoarë (“Millen waar ze de katten villen, de honden sparen en de oude paarden de nek afrijden”).

De kattenviller van Millen

Het beeld, geschonken door de lokale carnavalsvereniging, zou een verwijzing moeten zijn naar het zware leven op het platteland. Honden en paarden waren nuttig, katten niet.

Werden er echt katten gevild in Millen? We tastten een weekend lang in het duister, navraag hier en daar leverde geen bevredigend antwoord. Het zou een goed format voor een podcast zijn.

Ach, spookverhalen, kinderschrik, folklore. Dat kleine, dorpse leven, waar men leefde op het ritme der seizoenen, had een eigen belevingswereld, met elk dorp een eigen dialect en vertellinkjes. Die verhalen, om het leven wat draaglijker te maken, ze verdwenen met de komst van straatverlichting, televisie en internet.

Op mijn eigen dorp deed je een kat in de zak en ruilde je ‘m met de duvel voor een wisseldaolder – en een zwarte kat gaf natuurlijk ongeluk. In hoeverre waarin werd geloofd, zullen we nooit weten: de mensen, die elkaar, bij kaarslicht, schrik aanjoegen, terwijl op de houten muren spookachtige silhouetten door de kamer dansten, zijn allang overleden en ze lieten geen bronnen na.

In Millen dacht ik niet alleen aan de Boze Balleboe van vroeger, maar ook aan het eenvoudige leven op het dorp. En achter een oude hoeve, met een volle maan, een kudde koenen recht tegenover ons, een lokaal bier en verder de stilte van het land, was nog even die herinnering aan het mystieke van een eeuwenoude gemeenschap.

Maar ik zou toch wel verrekte graag willen weten waarom we in heel Limburg geen kat op straat hebben gezien.

Emotioneel weerzien met d’n kat

Boere op die Aardsdrempel

Op school heeft iedere Nederlander les gehad over Zuid-Afrika: de Boerenoorlogen, de apartheid, Nelson Mandela. En als dat al was weggezakt, dan had je in 2017 de tentoonstelling ‘Goede Hoop. Zuid-Afrika en Nederland vanaf 1600’ in het Rijksmuseum kunnen zien. Of het prijswinnende boek ‘De Boerenoorlog’ van Martin Bossenbroek kunnen lezen. Een complexe geschiedenis, een beladen geschiedenis en een gedeelde geschiedenis.

Voor de Eerste Wereldoorlog waren veel Nederlanders anti-Engels vanwege de Boerenoorlog. Toen de Britten concentratiekampen bouwden om de Zuid-Afrikaanse bevolking op te sluiten, zwart en wit. Bijna 10.000 Afrikaners (Boeren), zwarte Afrikanen (die vaak gedwongen moesten vechten) en vrijwilligers uit tal van Europese landen vonden de dood op het slagveld, bijna 50.000 Afrikanen en Boeren (vrouwen en kinderen) stierven in de concentratiekampen.

Het volgende was mij onbekend: na de Tweede Boerenoorlog leek de situatie uitzichtloos voor de Afrikaners. Argentinië nodigde Boeren uit naar Patagonië te komen, om daar het land te ontginnen en zich permanent te vestigen. En dat deden ze. Tussen 1903 en 1906 lieten zo’n 600 Afrikaner families zich inschepen om in Argentinië een nieuw leven op te bouwen, ver weg van de nieuwe Britse onderdrukking. Een Grote Trek, eens te meer.

Het leven was zwaar in Argentinië en de boerende Boeren werden niet rijk. Tijdens een zoektocht naar water stuitten ze op olie, waar ze vervolgens geen cent aan konden verdienen. Velen reisden na verloop van tijd terug naar Zuid-Afrika. De achterblijvers bleven het land bewerken, trouwden met elkaar en dachten zo nu en dan aan hun verre neven en nichten in Zuid-Afrika.

In de documentaire ‘The Boers at the End of the World / Boere op die Aardsdrempel’ uit 2015 worden een paar Afrikaner Argentijnse families gevolgd. Een voetnootje in de geschiedenis, deze geïsoleerde gemeenschap, maar uitermate fascinerend omdat zij een eeuw lang haar gebruiken en taal bewaarde.

Trailer van de documentaire (2015) onder regie van Richard Finn Gregory

De documentaire zoomt voornamelijk in op de tweede generatie Afrikaner Argentijnen: zij die in Patagonië zijn geboren. Ze schakelen moeiteloos over tussen het zingen van een Afrikaner volksliedje en het spreken van Spaans met hun kinderen. Zij zijn patriottisch over een land waar ze nooit zijn geweest en kennen uit familieverhalen. Ze hebben de officiële rassensegregatie van de apartheid niet meegemaakt en kunnen zich ook geen voorstelling maken van Zuid-Afrika van na 1994. Ze leven parallel aan Zuid-Afrika.

Als Nederlandse kijker krijgt deze documentaire natuurlijk nog een dimensie: deze gemeenschap is indirect het gevolg van de ongebreidelde kolonisatiezucht van de Nederlanders (Jan van Riebeeck landde in de 17e eeuw op de Kaap). Het Afrikaans klinkt als een zoveelste dialect dat je ook op zou kunnen vangen op een zonnig terras in een provinciestadje in ons eigen land. Maar dan wordt het gesproken in Patagonië. 13.000 kilometer van Zwolle.

Waar ik naar toe wil: wanneer voel je je Afrikaner? Dat is de vraag die in deze documentaire centraal staat. Ik ben dan ook benieuwd wanneer de inwoners van Zuid-Afrika gestopt zijn zich Nederlander te voelen. In Patagonië wordt duidelijk: de derde generatie spreekt al geen Afrikaans meer, de vierde generatie trekt naar de stad en gaat op in een bredere, Argentijnse gemeenschap. Het Afrikaans wordt er misschien nog een decennium of twee door een handjevol Argentijnen gesproken en dan is deze gemeenschap ook geschiedenis.

Of leeft de identiteit nog langer voort in gebruiken en verhalen? Deze documentaire doet een prima poging dit erfgoed te bewaren.

Mooi: een van de hoofdpersonen krijgt van zijn zoon een retourvlucht naar Zuid-Afrika cadeau. Het land waar ze het dagelijks over hebben. Wanneer ze er eenmaal zijn, lijkt het toch anders te zijn dan ze zich hadden voorgesteld. Mooi, dat wel. Maar is het moederland Zuid-Afrika of Argentinië?

De documentaire kun je trouwens huren op Vimeo.

Op zoek naar Neutraal Moresnet

Ik was vorig weekend vlak over de grens bij Klein-Kuttingen. Niet zozeer vanwege die plaatsnaam, maar omdat twee vrienden daar een huisje hadden gehuurd, waar deze ontheemde een paar dagen mocht komen te logeren. Meer precies in Beusdael, in Wallonië, aan de voet van het Kasteel van Beusdael, waarvan de geschiedenis teruggaat tot de twaalfde eeuw. Lekker. We aten vis en dronken wijn en wandelden door het mooie grensgebied. Ik blijf in mijn hart een kustbewoner, ben altijd op zoek naar zee en de verre horizon, maar ook in een heuvellandschap kan ik mij bijzonder goed voelen.

Abdijbier, Hugo Claus en het hier behandelde boek Moresnet.

Mijn leven hangt van toevalligheden aan elkaar. Ook nu: vlak voor deze onaangekondigde, impulsieve vakantie was ik namelijk net in het boek Moresnet van Philip Dröge begonnen. Een hele fijne, leesbare geschiedenis van het ministaatje, landje, of beter gezegd ‘geval’, dat iets meer dan honderd jaar bestaan heeft en vlakbij Beusdael lag. Neutraal Moresnet was een driehoekig gebied waarvan de noordelijke punt het drielandenpunt (dat later nog een tijdje een vierlandenpunt werd) bij Vaals raakte.

Dröge beschrijft in dit boek hoe Moresnet ontstond als slordigheid tijdens het Congres van Wenen, na 1815 dus. Na de val van Napoleon vond een nieuwe staatkundige en politieke ordening plaats. Zo kwam in de Nederlanden Koning Willem I aan de macht, de zoon van stadhouder Willem V, die tevens groothertog van Luxemburg werd. Het blok moest ten noorden van Frankrijk een stevige buffer gaan vormen. De grenzen werden met potlood getrokken en in alle haast ontstond een stukje betwist gebied: het was niet duidelijk of de zinkmijn en omgeving in Moresnet nou bij de Nederlanden of Pruisen zou moeten gaan horen. Twee artikelen in het Weense verdrag spraken elkaar tegen. Het onverdeelde gebied Moresnet was geboren.

Ik weet niet goed wanneer ik voor het eerst van Neutraal Moresnet heb gehoord. Het zal ergens in mijn kindertijd geweest zijn: ik was verzot op zulke marges in de geschiedenis. Ministaatjes, verre eilanden… En op tv was Boudewijn Büch, die andere fantast, die zijn fascinaties de huiskamer inslingerde. (Man man man, wat mis ik zulke televisie.)

Ik heb Moresnet van Philip Dröge bij aankomst in Beusdael dus maar snel uitgelezen en leerde hoe Neutraal Moresnet een gebied werd dat meer dan honderd jaar min of meer autonoom bestond. Met een eigen burgemeester, een eigen veldwachter, een eigen school, een eigen industrie en vooral veel casino’s en sekswerkers.

Na de afscheiding van België in 1830 werd het drielandenpunt een vierlandenpunt: hier ontmoetten de grenzen van Pruisen, Nederland, België en Moresnet elkaar. Het staatje, wat in feite geen staat was maar neutraal gebied, geregeerd door een ‘mannetje’ uit België en een ‘mannetje’ uit Pruisen, bleef bestaan tot 1920. Niemand durfde echt zijn vingers aan Moresnet te branden. Intussen ontwikkelde Moresnet zich tot een bijna echt landje: er werden Moresnetters werden geboren (in feite statelozen). Na wat getouwtrek stabiliseerde de situatie rondom het neutrale gebied. Een generatie Moresnetters groeide erop: voor hen was dit staatkundige foutje een werkelijkheid.

Andere leuke thema’s rondom Moresnet, die in het boek uitgebreid aan bod komen: dankzij het ontbreken van een douaneapparaat kon driftig worden gesmokkeld via Moresnet, omdat het geen staat was had het aanvankelijk ook geen belastingplicht, er werden (clandestien) postzegels uitgegeven en als je wilde ontsnappen aan de dienstplicht ging je naar Moresnet. Vergeet ik iets? Ohja, het ministaatje werd ook bekend vanwege een culturele beweging, namelijk de beweging rondom de kunsttaal Esperanto.

Het huidige drielandenpunt bij Vaals

Esperanto kende ik dankzij onze schoolbibliotheek. Daar had je van die kleine boekjes over een bepaald onderwerp. Ik vond zo’n kunsttaal mateloos interessant. Toen we internet in huis kregen kwam ik op een site terecht waar je het kon leren. Het duurde niet lang voor ik mijzelf kon voorstellen en friet kon bestellen in het Esperanto. Maar er was niemand die het sprak.

De internationale taal werd in 1887 bedacht door een Poolse oogarts. In de tijd van opkomend nationalisme zou zo’n kunsttaal ervoor zorgen dat mensen beter met elkaar gingen communiceren. Met de gedachte dat conflicten vermeden konden worden door een gemeenschappelijke taal. Want wie elkaar verstaat, slaat elkaar niet de hersens in.

Een taal heeft sprekers nodig. En nog mooier: een thuisland, dat als basis kon dienen. De ogen vielen op Neutraal Moresnet, waar Duits, Nederlands, Frans, Engels en streektalen gesproken werden. Hoe mooi zou het zijn om het Centrale Bureau van de Esperantogemeenschap daarheen te verhuizen en de Esperantocongressen daar plaats te laten vinden? Door de toenemende spanningen in Pruisen, in de aanloop naar de Grote Oorlog, ontstond de vrees voor een diplomatiek conflict en raakten de plannen van de baan. Moresnet zou nooit een Esperantoparadijs worden, maar de kunsttaal werd wel voor eeuwig verbonden aan het neutrale gebied.

Die Eerste Wereldoorlog betekende ook het einde van Moresnet. Het nieuwe Duitsland wilde al langer het ‘probleem Moresnet’ oplossen. Bij de Belgische inval werd Moresnet ingelijfd door Duitsland. Na de oorlog ging het bij België horen. En zo kwam er een einde aan het bijzondere landje.

Het kostelijke museum ‘Vieille Montagne’.

Veel meer nog over Moresnet lees je dus in dat boek van Philip Dröge. Of je gaat naar het museum ‘Vieille Montagne’, een heel aardig museum (met vriendelijke medewerkers) over de geschiedenis van het gebied. Er is een audiotour beschikbaar in het Nederlands, de meeste A- en B-teksten in het museum zijn in het Frans en Duits en sommige teksten in het Nederlands.

Als je, na het bezoek aan dit fijne museum, al een beetje hebt rondgedwaald door het gebied, moet je natuurlijk een bezoekje brengen aan het drielandenpunt in Vaals. Met de geschiedenis van Neutraal Moresnet in het achterhoofd wordt zo’n toeristische attractie natuurlijk heel wat interessanter. Ga maar niet googelen naar de geschiedenissen van het gehannes met al die grenspalen die daar staan, want voor je het weet ben je een avond kwijt.

De grensmarkering is godzijdank verlegd.

Büch zit zich in bovengenoemde tv-aflevering op te winden over waar de grens tussen Nederland en België nou precies loopt. Ik heb het even nagekeken: in de tussentijd is de grensmarkering een stukje verlegd. Verstandig, voor je het weet heb je weer een nieuw Neutraal Moresnet.