Het duurt even voor we het monument vinden. K. en ik rijden op een mistige zaterdagmiddag over het ‘Lowlandsweggetje’, langs de dijk bij Biddinghuizen. ‘Het zou hier ergens moeten zijn…’
Dan doemt uit de mist, op de rand van de Flevopolder, een brutalistisch kunstwerk op. Het heeft iets weg van een communistisch monument. Beton. Op een hoge plek. Een ster… van vijf meter hoog… met twee uitgestoken duimen. Direct giert door onze lijven een gevoel van verrukking.
Het ‘Monument voor prima mensen’ is een werk van de Nederlandse kunstenaar Domenique Himmelsbach de Vries. Het monument wordt onthuld in november 2014. De twee opgestoken duimen zijn een verwijzing naar het ‘like’-symbool op sociale media, aldus de sympathieke kunstenaar.
Uit de tekst op zijn website begrijp ik dat het doel van het monument is om bijzondere, vaak onbekende en meestal levende mensen en hun verhalen te eren en zo een alternatieve en eigentijdse geschiedenis te schrijven waaraan het publiek kan bijdragen.
Aan de voet van het monument zien we tegels met namen liggen. Ze zijn geplaatst ter ere van de ‘prima mensen’. We vragen ons hardop af voor wie we zo’n steen zouden kopen.
‘Monument voor prima mensen’, Domenique Himmelsbach de Vries, 2014. Eigen foto, 18 januari 2025.
Himmelsbach de Vries: ‘[Het monument is] een betonnen hommage voor de prima mens; een gedenkplek voor inspirerende vuilnismannen, kunstenaars, schrijvers, goeroes en vrienden. Het monument moet Nederland tot vers optimisme inspireren en dienst doen als verbindend verhaal tussen prima mensen.’
Onwillekeurig moet ik aan Reve’s ‘Roeping’ denken:
Zuster Immaculata die al vier en dertig jaar verlamde oude mensen wast, in bed verschoont, en eten voert, zal nooit haar naam vermeld zien. Maar elke ongewassen aap die met een bord: dat hij vóór dit, of tegen dat is, het verkeer verspert, ziet ‘s avonds reeds zijn smoel op de tee vee. Toch goed dat er een God is.
Dan staat het beeld ook nog eens op de grens van het oude en het nieuwe land. Is het misschien ook een ode aan de hardwerkende eerste Flevolanders? Wie weet, want de namen van de vroegste bewoners van Biddinghuizen zijn op de tegels terug te vinden.
En ergens spookt toch wel dat communistische ideaal, zowel in Flevoland als in dit kunstwerk. Maar het monument propageert geen onbereikbaar ideaal, het neemt genoegen met ‘prima’.
In het gedicht van Reve krijgt de lezer sympathie voor de zuster. De God van Reve grijpt echter niet in. Misschien zijn zowel de zuster als de aap nodig in onze samenleving. Zou dat zijn wat Reve ons wil zeggen?
Himmelsbach de Vries is er duidelijk over: ‘Het monument kan gebruikt worden als tool om sociale cohesie te bevorderen […]. Een betonnen verbinding, een concrete connectie tussen hen wie prima zijn.’
De of het doopvont? Beide lidwoorden zijn hier correct, aldus de Van Dale. Als dialectspreker ben ik gewend het doopvont te zeggen.
Een doopvont is een waterbekken, voor de toediening van de doop in de christelijke traditie. Zo is mijn voorhoofd besprenkeld met het water uit het vont van de Nederlands Hervormde Kerk de Ark op Urk. Het gebouw waar nu de Hersteld Hervormde Gemeente de Moria gehuisvest is.
Van doleanties is in de laatste eeuwen van de geschiedenis van Schokland nog geen sprake. Je bent er of protestant of katholiek. En dat heeft te maken met waar je op Schokland woont.
Het eiland is al bestuurlijk opgesplitst, als het na de reformatie ook nog religieus wordt opgesplitst. Het noordelijke deel, ‘Emmeloord’, blijft de oude religie aanhangen. Daar krijgt de ‘ware leer’ geen voet aan wal. Het zuidelijke deel, ‘Ens’, gaat over naar het protestantisme. Wanneer in de Franse tijd het hele eiland één gemeente wordt, blijft de religieuze scheiding.
Gespikkeld huwelijk
Een huwelijk tussen beide geloofsgroepen wordt een ‘gespikkeld huwelijk’ genoemd. Het woord gespikkeld verwijst naar Genesis 30, het verhaal van Jacob en Laban. De tale Kanaäns is onder de rechtlijnige protestanten geliefd en misschien komt zo de term ‘gespikkeld’ wel in de historische bronnen over Schokland terecht.
Dat een gemengd huwelijk not done is op Schokland, betekent niet dat dit niet gebeurt. Hiervan zijn het aanwijsbare aantal gespikkelde huwelijken getuige. In mijn eigen stamboom kom ik een huwelijk tussen iemand uit Ens en Emmeloord tegen. (En wat zegt dit over mij?)
Het Zuiderzeegebied is sinds het ontstaan, waarschijnlijk ergens in de loop van de middeleeuwen, voortdurend in verandering. Mede doordat een groot deel van het land uit veengrond bestaat, en door menselijke bewerking van het landschap, slaat de Zuiderzee steeds meer land af. De zee wordt alsmaar breder en groter. In het gebied dat we nu als Noordoostpolder kennen, zijn eeuwenlang meer nederzettingen dan alleen Urk en Schokland, de eilanden die tot 1932 het geweld van de Zuiderzee overleven.
Bij veel Nederlanders is de ‘legende van Nagele’ bekend. Bij een gevecht in de lokale herberg op het eilandje of terp Nagele springt de lokale pastoor tussenbeide. Hij wordt bruut neergestoken. In zijn laatste woorden voorspelt hij dat Nagele zal verdrinken en dat vissers hun netten aan de grafzerken zullen scheuren.
Dit verhaal maakt invoelbaar hoe hele dorpen verdwijnen in de Zuiderzee.
Eind achttiende eeuw wordt tussen Urk en Schokland een doopvont opgevist, nadat eerder een kandelaar met de vangst naar boven komt. Vissers vertellen elkaar dan al een tijd over opgeviste grafzerken ter hoogte van het ‘Urker kerkhof’, een deel van het water dat ze ook wel ‘de Nagel’ noemen. Misschien maken ze elkaar bij zo’n vondst wel bang met de legende van Nagele.
Het schijnt dat in 1922 een hoogbejaarde Schokker nazaat, uit Kampen, nog beweert dat het zijn grootvader is, die de bovengenoemde kandelaar heeft opgevist. De verhalen van Nagele blijven meereizen met de tijd, ook ver na de ontruiming van Schokland in 1859.
Doopvont afkomstig de voormalige kerk te Schokland (Ens), A.J. van der Wal, 1984. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Verdronken dorpen
Yftinus van Popta, maritiem archeoloog, combineert in 2020 gegevens over vloeden, historische bronnen en archeologische vondsten in zijn proefschrift ‘When the Shore becomes the Sea‘. De positie van het verdronken dorp Nagele zou heel goed ten noorden van Urk en Schokland kunnen zijn. De plek van het ‘kerkhof’.
Niet alleen onderzoekt hij Nagele, ook doet hij onderzoek naar de andere ‘verdronken dorpen’, zoals Fenehuysen en Marcnesse. Hiermee ontstaat een beter beeld van het gebied in de middeleeuwen. Ik begrijp nu beter hoe het leven er tussen 1100 en 1400 voor de Schokkers en Urkers uitziet.
Bijvangst van zijn onderzoek: de huidige namen van de polderdorpen zijn weliswaar gebaseerd op voormalige plaatsen, maar corresponderen niet met hun ligging. Het huidige Nagele bijvoorbeeld ligt dan wel tussen Urk en Schokland, maar dan een stuk zuidelijker dan de historische naamsgenoot.
Van Schokland naar Ommen
Tijdens de watersnoodramp van 1825 wordt het altaar in de kerk op Emmeloord weggespoeld. In 1826 krijgt de Rooms-Katholieke kerk op Emmeloord een nieuw altaar. De pastoor koopt het vont aan en laat er zijn naam in beitelen. Na de ontruiming van Schokland in 1859 verhuizen zowel de ‘nieuwe’ ‘Waterstaatskerk’ van Emmeloord, in 1842 gebouwd ter vervanging van het vorige godshuis, als het doopvont, naar Ommen.
Na het einde van de ‘Schokker kerk’ van Ommen in 1938, verhuist het opnieuw, nu naar het Ommense Rooms-Katholieke kerkgebouw St. Brigitta, dat in 1939 wordt gewijd.
“’t Vont laat de duiding van het water weten”
Een regel uit een gedicht van de Urker Tromp de Vries, bij een replica van het doopvont. Urkers zijn na de inpoldering betrokken bij de geschiedenis van Schokland. Er ontbreekt iets op Schokland, zo wordt gedacht. Beeldhouwer Piet Brouwer maakt een replica van het doopvont, dat in 1996 in de hervormde Enserkerk wordt geplaatst.
Van het verdronken Nagele naar Schokland en van Schokland naar Ommen. Een geschiedenis van acht eeuwen (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed geeft de twaalfde of dertiende eeuw mee als datering) in één object.
En drie eeuwen nadat de reformatie op Schokland komt, is er sinds 1996 ook een hervormd Schokker doopvont, een replica van een katholiek Nagelees doopvont. Gemaakt door een gereformeerde Urker.
Op 3 oktober 1939 om 14.44 uur wordt het laatste gat in de dijk tussen de Lemmer en Urk gedicht. Urk is vanaf dat moment geen eiland meer, maar een schiereiland. Het zal onderdeel worden van de latere Noordoostpolder, welke in 1942 droogvalt.
In 1936 begint de aanleg van de, in totaal, 55 kilometer lange ringdijk rond de toekomstige Noordoostpolder, onderbroken door het eiland Urk. In het IJsselmeer worden meetpunten voor het dijktracé uitgezet en bij de Lemmer en Urk worden werkhavens aangelegd.
Er is veel belangstelling voor het werk. Tijdens een excursie in 1938 kan hoofdingenieur De Blocq van Kuffeler de verzamelde pers melden dat al 14 kilometer dijk is voltooid tussen de Lemmer en Urk.
Leve de oude Polygoonjournaals! Natuurlijk moet dit grootse verhaal, namelijk de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, goed gedocumenteerd worden. Het geeft Nederland in die jaren, de woelige crisisjaren (met oorlogsdreiging), een gevoel van trots.
In 1937 is de Zuiderzee al vijf jaar verleden tijd. Gestaag gaan de werkzaamheden verder. Na de Wieringermeer en de Afsluitdijk is het nu tijd voor de ‘Noord-Oostelijke Polder’. De beelden van de grijpers en het geweld van het water zijn indrukwekkend.
Twee jaar later, in 1939, is het al zover: de dijk is bijna gereed. Het ‘laatste schepje’ is een mooi nieuwshaakje, zo moeten de journalisten hebben gedacht. Bij de Afsluitdijk hebben ze immers hetzelfde gedaan.
Op 3 oktober 1939 is Urk geen eiland meer. Een mooie titel.
We zien de baggermolens en grijpers die de keileem ten behoeve van de dijk aanleveren. De kijker krijgt een beeld van het proces van de aanleg van de dijk, hoe de zinkstukken worden geplaatst en hoe puin en steen ter versteviging worden toegevoegd.
In een shot vaart een klein bootje door een van de laatste sluitgaten, waarin de sterke stroming te zien is. De sluiting van het laatste gat komt in zicht, schepen zijn feestelijk gedecoreerd met vlaggetjes.
Een vrouw in Urker klederdracht houdt een grote Nederlandse vlag vast. We zien een schip van Zanen & Verstoep, met zwaaiende arbeiders. De burgemeesters van Urk en de Lemmer drukken elkaar de hand op een smalle plank.
Daarna een shot van een Urker man, op zijn rug gefilmd, kijkend naar de nieuwe dijk, waarmee zijn eiland ophoudt te bestaan. Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij!
Tenslotte een Urker vrouw (waarvan ik vrij zeker ben dat het mijn overgrootmoeder Mariap van Urk-Koffeman is) die de was uithangt, met de dijk op de achtergrond.
In ieder geval staat vast dat dorpsdichteres en erfgoedhoedster Marretje van Urk-Koffeman (wiki) (blog) bij de feestelijke gebeurtenis aanwezig is. Ze staat zelfs prominent op het schilderij ‘Het laatste schepje’ van Van Mastenbroek, gemaakt in 1939-40. Van Mastenbroek deed beeldend verslag van het grote nationale wonder.
‘Het laatste schepje’, Van Mastenbroek, 1939-40. Enkhuizen: Zuiderzeemuseum / Zuiderzeecollectie.
Op het schilderij zien we deftige mannen in het zwart en werkvolk met lichtere kleren aan. En Mariap van Urk in Urker klederdracht. Het is geen gekke gedachte dat het Mariap is aan het einde van de film, natuurlijk zou ze ja zeggen op de vraag of ze voor of na 3 oktober 1939 voor de camera haar was wilde ophangen.
De gebeurtenis zette Mariap aan tot het schrijven van haar meest bekende gedicht ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’, verschenen in haar gelijknamige dichtbundel in 1949.
Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven, Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’, Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.
Vaarwel, mijn Zuiderzee; gedenken wij de doden, Die eenzaam rusten in je stille schoot, De vissers, die voor dagelijkse noden, Zich waagden op je wiegelende vloot.
Vaarwel, mijn Zuiderzee; de wielen der gemalen, Zij went’len dreunend aanstonds, dag en nacht En rusten niet, aleer gij drooggemalen, Al bloeiend in cultuur zult zijn gebracht.
Vaarwel mijn Zuiderzee; wij zullen niet versagen, Uw stervenswee een nieuwe toekomst baart, Waaraan wij bouwen: en waarop wij vragen Gods zegen! Die aan arbeid is gepaard.
Als de socialistische VARA op 11 juli 1940 een bezoek brengt bij de gereformeerde dichteres, laat zij haar kinderen liedjes zingen en spreken de journalisten met Mariap op onderhoudende toon. In hetzelfde interview draagt Mariap haar gedicht voor, in een nog wat andere vorm dan hoe het uiteindelijk gepubliceerd zou worden.
We zitten dan al in de Tweede Wereldoorlog, de VARA zou niet veel later worden overgenomen door de gelijkgeschakelde Rijksradio-omroep. Het werk in de polder ging gewoon door: de bezetter zag zo’n mogelijke graanschuur ook wel zitten.
De dijk tussen Urk en Kadoelen (de ‘Kaamperdik’) komt 13 december 1940 om 13.52 uur klaar. Ook hier is Mariap getuige van. De stemming is dan wel iets anders dan bij de sluiting van de eerste dijk: nu geen vlagvertoon, maar een sobere viering.
Op rijm, uiteraard, doet ze verslag van de sluiting. ‘Een dag gelijk aan alle and’re dagen’. Wat opvalt is haar ontzag voor de ingenieurs en arbeiders, die de plannen uitvoeren waar Mariap eerst zo hevig tegen protesteerde. En dan haar patriottisme! ‘O, Hollands ras! Zoo taai en onbewogen’. Toch geen ongevaarlijke passage ten tijde van schrijven…
‘Het laatste sluitgat’, Marretje van Urk-Koffeman, 1940. Urk: privéarchief.
Onder redactie van de zoon van Mariap van Urk, dorpshistoricus Albert van Urk (wiki), verschijnt in 1989 het boek ‘Daar werd een dijk gelegd…’ (download) bij Stichting Urker Uitgaven. De titel is ontleend aan een zin uit bovenstaand gedicht.
In het boek zijn interviews met ooggetuigen van de aanleg van de dijken opgenomen, alsmede gastbijdragen over de visserij, de oorlogssituatie, het hergebruikte puin van het platgebombardeerde Rotterdam, de archeologische vondsten in het jonge polderland, Urkers die boer wilden worden, kunstenaars ten tijde van de inpoldering, de sociaal-economische situatie op Urk en natuurlijk… Mariap van Urk, de dichteres van de drooglegging.
Op 3 oktober 1989, precies 50 jaar na de gereedkomen van de eerste dijk, zendt de AVRO een reportage uit, met daarin een interview met Albert van Urk.
Maar Urk is pas echt eiland-af in 1948, als Urk een wegverbinding krijgt met de rest van de polder. Pas zes jaar na de drooglegging van de polder in 1942. Tot 1948 gaan de Urkers nog naar Kampen, naar het ziekenhuis bijvoorbeeld, met een bootverbinding. Of wandelend over de dijk.
Op goed water, betrouwbare elektriciteit en aardgas moeten de Urkers dan nog wat jaren wachten.
Mariap, de vrouw die zich aanvankelijk zo verzette tegen de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee, omarmt uiteindelijk de toekomst. Wel blijft ze zich telkenmaal kritisch uitspreken en zet ze zich onvermoeibaar in voor het behoud van het Urker cultureel erfgoed.
Ook staat haar deur voor iedereen open: van journalisten, tot nonnen, tot dijkwerkers. ‘Een vrouw met een groot hart. Dat ondervonden de polderjongens die, ver van huis, bij haar een thuis vonden.’, zo besluit haar zoon Albert het hoofdstuk in ‘Daar werd een dijk gelegd’ over zijn moeder.
De verhalen van Schokland en de ontruiming in 1859 staan de afgelopen tijd volop in de belangstelling. Zo verscheen het boek ‘Het eiland van Anna’ van schrijver en historicus Eva Vriend. In het Zuiderzeemuseum is deze winter de indrukwekkende tentoonstelling ‘De ziel van Schokland’ te zien. Ook in Museum Schokland wordt het verhaal verteld van de laatste bewoners van Schokland.
Stel: je gemeenschap woont al eeuwenlang op dezelfde plaats. Maar dan valt het besluit dat je moet vertrekken. En daarbij moet je zelfs je eigen huis afbreken, om te voorkomen dat je terugkomt. Goed, je krijgt er een schamele vergoeding voor, je gaat er economisch misschien op vooruit, je leefomstandigheden worden beter, maar je eigen stukje grond laat je achter. Een verlaten eiland.
In een wisseltentoonstelling, die tot eind februari 2025 is te zien, is aandacht voor die ingrijpende gebeurtenis, dit jaar 165 jaar geleden. Een verhaal dat binnen de Schokkervereniging welbekend is: van het verlaten van je geboortegrond en van een verlaten eiland.
De thema’s rondom de ontruiming van Schokland is nog altijd actueel. Wanneer moet je vertrekken? Wat laat je achter? Waar kun je terecht? Zit er wel iemand op jouw komst te wachten? Het zijn verhalen van migratie, armoede, leven met water en de moeizame relaties met overheden. Hoewel de ontruiming van Schokland 165 jaar geleden plaatsvond, lijken de emoties nog springlevend.
Met de Schokkervereniging, de gemeenschap van Schokker nazaten, heeft Museum Schokland de verhalen geselecteerd en tot leven gebracht. Zonder deze samenwerking was de tentoonstelling niet tot stand gekomen. Daarbij dankt het museum in het bijzonder: Bruno Klappe, die inbreng gaf voor de zaalteksten en redactie pleegde; Eva Vriend, die quotes aanleverde quotes uit haar boek ‘Het eiland van Anna’; Henk van Heerde, die meeschreef met de synopsis en meedacht mee over de te presenteren objecten. Johan Akkerman en stagiair Maud Visser verzorgden de vormgeving en realisatie van de tentoonstelling, in samenwerking met het team van Museum Schokland.
De voorzitter van de Schokkervereniging ontvangt een potje met Schokker aarde. Foto: Maxim Ottevanger.
Donderdag 24 juli j.l. is de tentoonstelling geopend. De voorzitter van de Schokkervereniging Theo Grootjen ontving, uit handen van directeur van Cultuurbedrijf Noordoostpolder Marcel Jansen, een potje met Schokker aarde. Dit namen de Schokkers ook mee in hun zakdoek toen ze in 1859 het eiland vaarwel zegden. Theo Grootjen nam het woord namens de Schokkervereniging sprak over de ontruiming en het Schokker-zijn. Na een bezoek aan de tentoonstelling was er voor de ongeveer 60 aanwezigen ruimte voor reflectie in het Museumrestaurant.
Een armoedige gemeenschap laat doorgaans weinig sporen na. De geschiedenis wordt veelal geschreven door de rijkere klassen: aan hen behoorden de kunstwerken, boeken, artefacten. De opkomst van de fotografie, aan het eind van de negentiende eeuw, zorgde ervoor dat de laatste Schokkers, soms op hoge leeftijd, voor de camera konden verschijnen, waarmee hun verhalen doorgegeven kunnen worden. Deze foto’s vormen nu de kern van de tentoonstelling in Museum Schokland. De portretten zijn tevens te vinden in het boek van Bruno Klappe: ‘Schokker portretten’. Aan de hand van dit boek zijn keuzes gemaakt voor de inhoud van de tentoonstelling.
De tentoonstelling presenteert de verhalen van de ontruiming en de periode daarna op een meerstemmige manier. Door gemakkelijk te lezen teksten in de ik-vorm, gebaseerd op het boek van Bruno Klappe, worden de ervaringen van de laatste Schokkers beleefbaar gemaakt voor een breed publiek. Daarnaast reflecteert de Schokkervereniging op de gebeurtenissen rondom 1859. Hoe kijk je als nazaat terug op de ontruiming? In de presentatie is bovendien binnenkort een video te zien waarin nazaten worden geïnterviewd over Schokland en de Schokkervereniging. Deze interviews zijn opgenomen tijdens de laatste Schokkerdag, in het Zuiderzeemuseum.
Naast de tentoonstelling in de Museumkerk en -pastorie zijn elders op Schokland ook nog enkele objecten te vinden die verband houden met de laatste Schokkers. In de tentoonstelling wordt verwezen naar het monument op de begraafplaats van Emmeloord – waar de katholieke Schokkers begraven liggen. Het beeld ‘Geen weg terug’ van Kiny Copinga verbeeldt het vertrek van de Schokkers. Tenslotte is daar het beeldje van Piet Brouwer, met een gedicht van Tromp de Vries, uit 1994.
‘De ontruiming van Schokland’, Piet Brouwer, 1994
In dit gedicht liggen de emoties rondom de ontruiming beklonken.
Ontruiming van Schokland 1859
Schokkers aan hun grond gehecht – Daar geboren en getogen – Werd met landverlies voor ogen Het vertrekken aangezegd
Zwaar heeft hun die stap gewogen Elke raad leek even slecht Maar verloren bleek het gevecht En vergeefs bleef alle pogen
Zie hoe hier een jong gezin staat – bij een schamel beetje huisraad – Dat gedwongen door gebrek Heeft besloten tot vertrek
Zij die blijvend zorgend meegaat Hij het anker om de nek
Met de verwijzingen van binnen naar buiten en vice versa, wordt de bezoeker aangemoedigd het hele voormalige eiland te verkennen, om zo een indruk te krijgen van de situatie rondom de ontruiming.
Hoewel er in de vaste tentoonstelling aandacht is voor de cultuurhistorie van Schokland, is het voor het eerst sinds lange tijd dat de verhalen van de laatste Schokkers – en hun nazaten – expliciet worden belicht binnen Museum Schokland. Dit komt deels door de gelaagdheid van Werelderfgoed Schokland: de geschiedenis van het gebied gaat vele duizenden jaren terug.
Deze tijdelijke tentoonstelling heeft de banden tussen Museum Schokland en de Schokkervereniging aangehaald en is een mooie opstap naar een verdere samenwerking tussen beide partijen. Daarnaast wordt de actieve gemeenschap, die samenkomt binnen de Schokkervereniging, die de verhalen van hun voorouders nog actief deelt en doorgeeft aan volgende generaties, beter zichtbaar als betrokken partij, of stakeholder, binnen Werelderfgoed Schokland.
De tentoonstelling ‘Schokkers en de ontruiming’ is t/m 2 maart te zien in de kerk en pastorie van Museum Schokland. Bezoekers die hun Schokker afkomst vermelden bij de kassa, krijgen een potje met Schokker grond mee naar huis. Reacties op de tentoonstelling worden verzameld en zullen gedeeld worden met de Schokkervereniging. Meer informatie over de tentoonstelling is te vinden op museumschokland.nl.
In Wim Wenders’ film Der Himmel über Berlin uit 1987 staat Homer centraal, een Joodse man, die als enige van zijn familie de oorlog overleefde. Zonder expliciet aan de holocaust te refereren, klinkt het naziverleden van de stad in de hele film door. Ook de muur, de deling van de stad na de oorlog, is niet meer dan een voortzetting van de Tweede Wereldoorlog, zo vertelt de film: als Homer over de Potsdamer Platz loopt ziet de kijker verwoesting, leegte en de Muur, maar Homer het Joods Berlijn van voor de oorlog, waarmee een onwerkelijk beeld wordt opgeroepen.
Na de val van de Muur in 1989 kwam Berlijn in een turbulente tijd terecht. De stad, met zijn krakers en ravefeesten, groeide uit tot hét modern-culturele centrum van West-Europa: eerst kunstenaars en vervolgens young urban creatives en tenslotte de start-ups wisten hun weg naar de herenigde stad te vinden. Als er een Europese stad gegentrificeerd is, dan is het wel Berlijn.
Der Himmel über Berlin (eigen foto, 2021)
Ook de naoorlogse Joodse gemeenschap wist haar weg terug naar Berlijn te vinden. Veel Joden uit de voormalige Sovjet-Unie kwamen naar de stad. Het laatste decennium trekken ook veel jongere Joden, voornamelijk Israëli’s, naar Berlijn.[1] Ze komen terecht in een stad waar de meeste sporen van de eeuwenoude Joodse geschiedenis zijn uitgewist. Een plaats met een schuldig verleden.
En daarvan is de Duitse samenleving zich terdege bewust. De naoorlogse identiteitscrisis – hoe heeft dit kunnen gebeuren? – mondde al gauw uit in een gevoel van schaamte, waarmee de naziperiode en daaruit voortkomende Sjoah in al zijn gruwelijkheid een onbespreekbare periode leek te worden. Ook de schuldvraag liet zich maar moeilijk beantwoorden. Waren de Duitsers niet ook slachtoffer geweest?[2]
Het opruimen van de puinhopen van de periode ’33 – ’45 leidde echter geenszins tot een breuk met het verleden. In het naoorlogse Duitsland was de oorlog iets alledaags geworden, een collectieve herinnering werd verdoofd door de wederopbouw: ook al kregen mensen met een discutabel verleden een nieuwe plek in het bestuur, ook al had ieder gezin wel een verhaal over de oorlog en de eigen schuld; de blik moest vooruit.
Plek van herinnering of toeristische attractie? (eigen foto, 2021)
Het zou tot de jaren ’80 duren tot er sprake zou zijn van een Erinnerungskultur. Na een fel debat tussen een conservatief progressief Duitsland ontstond geleidelijk een nieuwe vorm van herinneren, een beleving die verder ging dan het onbespreekbaar laten.[3] En uit deze nieuwe herinneringscultuur kwamen ook de moderne monumenten voort.
In 2001 werd het Jüdisches Museum Berlin, het Joods Museum in Berlijn, geopend, ontworpen door Libeskind. De Pools-Joodse architect geniet in Nederland voornamelijk bekendheid vanwege zijn ontwerp voor het onlangs gerealiseerde Holocaust Namenmonument aan de Weesperstraat. De gevel van het Joods Museum, waarin je een uitgevouwen Davidsster in zou kunnen herkennen, staat symbool voor de leegte die na de holocaust achterbleef in het straatbeeld van Berlijn.[4]
Het Joods Museum is behalve een klassiek, informerend museum een plaats die een onvergetelijke ervaring bij de bezoeker opwekt. Door de slimme architectuur en de zorgvuldig gekozen objecten maakt de bezoeker een reis waar negatieve emoties worden opgeroepen – welk effect ook te merken is tijdens een bezoek aan het Holocaust Namenmonument. Het gebouw laat de bezoeker verhouden tot het leed van de Joden in Duitsland. Deze intrinsieke ervaring is waar het Joods Museum bekend om staat.
Wie vanaf het Joods Museum de voormalige loop van de Muur richting het noordwesten volgt, ziet vlakbij de Brandenburger Tor 2711 betonnen blokken in het straatbeeld opdoemen. Maar je hoeft er niet naartoe om ze te zien, want dit monument ontbreekt in geen enkel Berlijns reisverslag op social media. Maar om deze plaats te ervaren moet je er wel echt zijn: loop er doorheen en je krijgt een algeheel gevoel van desoriëntatie en dissociatie.
Het monument leverde architect Peter Eisenman kritiek op, meest vanwege de abstracte vorm: het wijkt in alles af van traditionele monumenten. Het monument zou een nivellerende werking hebben, omdat het door de abstractie het leed niet goed zichtbaar maakt.[5] Maar laat het monument juist niet op een integere manier zien dat de Joodse gemeenschap ontegenzeggelijk deel uitmaakt van kosmopolitisch Berlijn, dat de Joodse gemeenschap meer is dan alleen de Sjoah, juist door de abstractie en inmiddels de vanzelfsprekendheid van het monument?
En symboliseert juist de moeizame discussie in aanloop naar de oplevering van het monument niet juist de moeilijke omgang van Duitsland met het verleden? Een voorbeeld: toen men er tijdens de bouw achter kwam dat de producent van de anti-graffiticoating tijdens de oorlog het beruchte Zyklon-B produceerde, werd de bouw tijdelijk stilgelegd, ontstond er commotie, volgde een onderzoek en een conclusie.[6] Juist dit voorval illustreert de complexe verhouding van Duitsland tot de oorlog. De maatschappelijke discussie over het herinneren ligt in het monument verankerd.
Is het onzeglijke weer te geven in een monument of museum? Dat zeker niet. Maar de zin ‘Es ist geschehen, und folglich kann es wieder geschehen’ van de Italiaanse holocaustoverlevende en auteur Primo Levi[7], plaatst het monument onbedoeld misschien wel in de juiste context: zo vanzelfsprekend als de gedenkplaats nu is, voorbijkomend op vakantiekiekjes, zo vanzelfsprekend was het nationaalsocialisme en antisemitisme uiteindelijk voor velen – wat weer raakt aan Hannah Arendts theorie over de ‘banaliteit van het kwaad’.
Zowel het Holocaustmonument als het Joods Museum doen een beroep op onze emoties, ons moraal, aan onze eigen verhouding tot de holocaust. Onmiskenbaar roepen beide plaatsen van herinnering vragen op en leidden ze tot discussie. Maar juist wanneer de beide monumenten ter nagedachtenis van de Joodse slachtoffers worden opgeleverd, krijgt Duitsland te maken met een kater van de eenwording: de grote verdeeldheid binnen het land, de grote verschillen in welvaart (voornamelijk tussen Oost en West) en vooral de mede daaruit voortkomende heropleving van extreemrechts.[8]
Is de Duitse bildung wel bestand tegen het hernieuwde gevoel van slachtofferschap? Is het herinneren aan de hand van beleven wel sterk genoeg om je te wapenen tegen het antisemitisme? En geven monumenten en musea voldoende antwoorden op de vragen van deze tijd?
Behalve bovengenoemde gedenkplaatsen zijn er veel meer plaatsen in Berlijn die zich bezighouden met herinneren, representatie en educatie. Op de grens tussen voormalig Oost en West, waar nog een stuk van de muur overeind staat, is in het voormalig hoofdkwartier van de Gestapo het Topographie des Terrors gevestigd, dat behalve een documentatiecentrum ook tegelijkertijd een museum en gedenkplaats is.[9]
Topographie des Terrors (eigen foto, 2021)
Wie de vaste tentoonstelling bezoekt krijgt een klap in het gezicht. De bezoeker ervaart het verloop van terreur in Duitsland[10] (de opkomst van het nationaalsocialisme, de Tweede Wereldoorlog en de terreur van de Jodenvervolging, de moeizame denazificering van West-Duitsland en de gelijktijdige communistische terreur in Oost-Duitsland na de oorlog) aan de hand van ‘droge’ objecten in een sobere tentoonstellingsruimte.
De werkelijkheid aan de hand van bronnen, die de bezoeker met vragen – maar ook met kennis – achterlaat. De kracht van de tentoonstelling zit in het tonen van foto’s, krantenartikelen en pamfletten, waarbij je zou kunnen denken: ja, het is gebeurd en het kan weer gebeuren.
Topographie des Terrors (eigen foto, 2021)
Maar weer rijst de vraag of een gedenkplaats wel genoeg is om de verschrikkingen van de holocaust te kunnen begrijpen en daar lessen uit te trekken? En dat is een retorische vraag, natuurlijk. Maar misschien brengen al die pogingen bij elkaar wel een klein stapje in de goede richting en is juist het immer worstelende Berlijn als stad wel het beste monument. Een schuldige stad.
[1] A. Wals, “Een groeiende groep Israëliërs trekt naar Berlijn: ‘Hier kan ik ademen’”, De Volkskrant, 8 januari 2021, https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/een-groeiende-groep-israeliers-trekt-naar-berlijn-hier-kan-ik-ademen~bc2fce02/, geraadpleegd 2 juni 2022.
[2] M. Schoonenboom, “Begin van een beter land”, Groene Amsterdammer, 16 april 2020, 38-41.
[4] J. Huisman, “Vul de leegte met leegte Daniel Libeskind ontwerpt het Joods Museum in Berlijn” (versie 5 september 1997), https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/vul-de-leegte-met-leegte-daniel-libeskind-ontwerpt-het-joods-museum-in-berlijn~bcde1248/, geraadpleegd 10 mei 2022.
[5] H. Roth, “Monumentaal Berouw” (versie 1 september 2020), https://www.rektoverso.be/artikel/monumentaal-berouw, geraadpleegd 12 mei 2022.
[6] Trouw, “Monument Holocaust” (versie 14 november 2003), https://www.trouw.nl/nieuws/monument-holocaust~be96d963/, geraadpleegd 2 juni 2022.
[7] DW, “Ein Mahnmal als personalisierte Geschiechte” (versie 10 mei 2005), https://www.dw.com/de/ein-mahnmal-als-personalisierte-geschichte/a-1578044, geraadpleegd 8 mei 2022.
[8] A. Maier, “Fantoompijn in het Oosten”, Groene Amsterdammer, 25 juli 2019, 28-32.
[9] Topographie des Terrors, “Dokumentationszentrum Topographie des Terrors” (versie onbekend), https://www.topographie.de/en/topography-of-terror/, geraadpleegd 20 april 2022.
(Bovenstaande tekst is een bewerking en samenvatting van een eerder geschreven essay als opdracht tijdens mijn studie aan de Reinwardt Academie, bij een bezoek aan Berlijn in 2021)
Ik heb de eer mij ‘stadsdichter’ van Urk te noemen. Wat dit inhoudt: zo nu en verschijnt er een gedicht van mij in de plaatselijke courant en ik draag weleens een gedicht voor bij een belangrijke gebeurtenis. Het wordt echt leuk als anderen met je werk aan de slag gaan. Dat gebeurde de afgelopen weken: zes jonge Urker kunstenaars (‘JUK’) maakten werk rondom mijn gedicht ‘Dit huis is op een rots gebouwd’, dat ik in 2021 schreef om een kunstmanifest vanuit de gemeenschap kracht bij te zetten.
Vandaag opende de mini-expositie in Museum het Oude Raadhuis. Hier begon JUK vijf jaar geleden met een eerste kunstmanifestatie. Sindsdien organiseren we ieder jaar een makersdag, kunstroute door het oude centrum of een expositie.
Er is geen bloeiende kunstscene op Urk, er gaat mijns inziens relatief weinig geld naar kunst en cultuur en voor jonge makers is er niet echt een podium. Dit begint te veranderen sinds de komst van Plein 1890, een lokale galerie, en sinds SCAB thema-avonden voor jongeren houdt. Met de gedachte dat representatie belangrijk is: als je iemand ziet die serieus met kunst bezig is, dan is naar de kunstacademie gaan misschien niet zo’n heel gek idee.
Mooi dus om ieder jaar het werk van de jonge Urker makers – zowel professionals als amateurs – te zien. Dit jaar maakten Salam Kadhim, Hinke Brouwer, Jennie Koffeman, Johan Steller, Pieter Brouwer en Laura Zijlstra beeldend werk bij mijn gedicht. Het gedicht werd in stukken geknipt: ieder werk verhoudt zich tot een deel van het gedicht. Je moet van Urk komen om alle referenties te begrijpen, maar ik heb destijds wel geprobeerd het gedicht een universeel karakter te geven.
Dit huis is op een rots gebouwd
Tekenles. Hier heb ik een lijn getrokken. Nog een keer het hoekje om. Het lijntje wordt een vierkant. Het vierkant wordt een kubus. Dak erop: de kubus wordt een huisje. Tuintje achter, straat van voren, rondom kan wel een leiboom groeien, stokroos bloeien. Op het dak een makelaar. Huisje klaar.
Een huis hoort aan een weg te staan. Prins Hendrikstraat of Raadhuisstraat, Oude Dijk of Staartweg, Vlaak, stuk grond waar nu mijn wiegje staat. Ik zie de weg: er lopen mensen. ‘Dag’, zwaai ik. Bedenk de kachel aan, laat de wereld langs de ramen gaan, want ik heb nog zoveel wensen.
Hier kan mooi een boekenkast. Plank vol oude, maar ook nieuwe schrijvers, boeken die ik niet mag missen, tal van stenen in de vijvers. Plaats voor dichters die de woorden schikken, denkers die de wonden likken. Nog een plank: de Bosatlas. Ik kijk waar Nova Zembla ligt en voel mij Gerrit Westerneng,
aardbol plots wat minder eng. De muren dan, nog wit en kaal, een canvas voor een groot verhaal. Ik maak een spieraam, breed en sterk, span het doek en ga aan ’t werk. Leyden, Sluijters, Lussenburg, Van Mastenbroek, aangenaam! Zovelen zijn u voorgegaan. Terpentijn en handen schoon, aan de muur een monochroom
van blauw op blauw. De zee zo heilig, zo onveilig, altijd in mijn hart gesloten. Dit huis is op een rots gebouwd. Want als ik in de kelder kijk, met mijn handen langs de muren strijk, voel ik keileem als een vaste basis. De bodem is een tijdmachine: fossielen, keien, weerspiegeling, zoveel leven in een laagje aarde. Zoveel meer nog
is van waarde: ik voel de kennis door mijn aderen stromen, leer verhalen die ik nooit kon dromen. Het houdt de bruine ratten buiten, doet vrienden in mijn armen sluiten. Dan nog slechts een naam verzinnen. Het Wakend Oog. Een huis voor eeuwen.
Ook dit jaar stelde Museum het Oude Raadhuis weer een ruimte beschikbaar, waarvoor dank. De expositie is tot en met eind november te zien.
Een (te) korte reflectie op de methode ‘Art-based learning’, een waardevol hulpmiddel voor museumeducatie.
Marijke van Warmerdam, Lichte Stelle, 2000, videoinstallatie, Museum de Fundatie
Bij het volgen van mijn opleiding – Cultureel Erfgoed aan de Reinwardt Academie – mag ik veel naar kunst kijken. Talloos zijn dan ook de museumbezoeken die ik de afgelopen jaren heb afgelegd. Eerlijk gezegd ben ik inmiddels eigenlijk ‘verpest’ door mijn opleiding, dat wil zeggen: door over alle kennis over objecten, het beheer en behoud ervan, de presentatie ervan, de inrichting van musea, de manieren van tentoonstellen, etc. te leren, kan ik nog nauwelijks onbevangen naar kunst kijken. Voortdurend word ik afgeleid door de mensen in de ruimte, de camera’s, de hygiëne, het lichtgebruik…
Ik heb in 2019 het genoegen gehad de minor Liberal Arts, aan de kunstacademie ArtEZ in Zwolle, te volgen. Eerste excursie: Museum de Fundatie, tentoonstelling “Vrijheid”. Alwéér een museumbezoek. Maar deze keer, tot mijn grote opluchting, om daadwerkelijk naar kunst te kijken. Dat aan de hand van een methode: Art-based Learning, ontwikkeld door Jeroen Lutters. Ik wil niet zeggen dat ik een geoefend kunstkijker ben, nee, verre van dat – maar aanvankelijk stond ik nog wat wantrouwig tegenover deze, voor mij onbekende, methode.
Deze ontmoeting met bovenstaand kunstwerk beschrijf ik aan de hand van de aantekeningen die ik tijdens deze excursie heb gemaakt.
Tijdens de eerste stap werd ons als opdracht meegegeven enkele vragen aan jezelf te stellen en daar vervolgens één vraag uit te kiezen. Uit de vragen “Hoe kan kunst mij helpen in het dagelijks leven”, “Welke waarden in de kunst kunnen mij persoonlijk helpen”, “Wat in de kunst kan mij maatschappelijk en creatief prikkelen en daarnaast sturing bieden” en “Hoe kan kunst mij troost bieden”, koos ik de laatste. Vervolgens draalde ik een half uur door de tentoonstelling Vrijheid – welke vijftig toonaangevende kunstwerken van Nederlandse kunstenaars behelst – tot ik bij een werk kwam dat mij raakte. Moeilijk was dit niet, ik kwam terecht bij Van Warmerdams video-installatie. Waarom? Uit mijn notities een paar kernwoorden: “zee”, “stilte”, “herkenbaar beeld”, “rust” en “vragen”.
Bij de tweede stap (“Close reading”) keek ik tien minuten naar het object, in mijn geval de video, zelf. Wat zag ik? Een film in een loop van ongeveer twee minuten (gedigitaliseerde film), een landschap (een meertje, bomen, jongen, eend), kabbelend water in het meertje en water dat uit de broek van de zwembroek van de jongen druppelt. Ik legde de link met Friedrichs “Monnik aan Zee”, al was in vergelijking met dat bombastische schilderij dit een veel realistischer, onschuldiger beeld. Maar de associaties moest ik nog even voor mij houden.
In de volgende stap (“Into the possible world”) verhield ik mij tot het werk. Ik noteerde wat ik ervaren had: “Ik hoor geruis van bomen, maar vooral eigenlijk helemaal niets. Ik ruik zoet water en het is niet heel koud. Misschien is het rond het begin van de zomer. Er zwemt een eend voorbij. Dat jongetje, dat ben ik. Dit zijn mijn kinderjaren. Onzeker, veel gedachten, overweldigd door de natuur. Ik ruik nog meer: de geur van zonnebrand. Ik voel me rustig, ik proef de stilte. Dadelijk stap ik op de fiets en ga ik naar huis. Ik neem de langste weg terug, door de bossen, omdat ik van die geuren houd. Mijn lichaam is moe en ‘s avonds val ik snel in een diepe slaap. VRIJHEID. STILTE. RUST.”
Reflecteren op deze methode van kunst-kijken deed ik met een cursusgenoot. We concludeerden dat je op deze manier heel anders naar een werk gaat kijken. Wij zijn allebei een gesprek aangegaan met het kunstwerk. Ik had het gevoel dat dit bij iedereen in de klas het geval was, ook bij diegenen die nauwelijks in een museum komen. Dit spreekt in het voordeel van de methode: de drempel is laag, maar het effect is groot.
Terugkijkend op deze ontmoeting met het kunstwerk had ik niet gedacht dat ik zo in dit werk getrokken zou worden. Ik heb het gevoel gehad dat ik daar zelf aanwezig was, in dat beeld. Sterker nog: ik voelde mij zelf dat jongetje. Hoe langer ik naar het werk keek, hoe meer mijn zintuigen geprikkeld werden. Ik kon bijna de geuren van het bos ruiken, de warmte van de zon en de kou van het water voelen. Een heel zacht briesje over mijn vochtige huid.
Deze gevoelens heb ik eerder gehad, bij abstract werk. De grote werken van Rothko en Newman bijvoorbeeld. Hoe je door het lange kijken naar de werken een geweldige ervaring kan krijgen.
Bij figuratieve kunst heb ik dit minder. Zelfs bij lang kijken vind ik het moeilijk om zo geprikkeld te worden. Bij “Portret van Albert Verwey”, Jan Veth, 1885 (https://nl.wikipedia.org/wiki/Portret_van_Albert_Verwey) heb ik dat wel gehad. Ik vond het waanzinnig om een soortgelijk gevoel weer opnieuw te beleven in Museum de Fundatie.
Art-based learning is een uitnodiging om een dialoog met een kunstwerk aan te gaan. Het verrijkt een museumbezoek, maar verandert ook de manier hoe we naar kunst kijken. Bovenstaand verslag doet geen recht aan de inhoud van de methode, maar geeft hopelijk een beeld van een mogelijk effect ervan.
Jeroen Lutters is als lector verbonden aan ArtEZ. Zijn boek Art-based learning is verkrijgbaar onder ISBN-nummer 9789046907238. De methode wordt als cursus aangeboden aan ArtEZ.
Column uitgesproken bij de SCABskoel op UrkFM op 29 maart 2021. Terugkijken kan hier. (Ik heb geprobeerd volgens de Schrijfwijzer van Stichting Urker Taol te schrijven, maar in alle gauwigheid heb ik ongetwijfeld wat fouten gemaakt.)
D’r is een bult dat oens verbint, d’r is een bult dat oens verdielt. Een warreld in verangering, een gruuiend gevoel van onbehagen. In de politiek klinken stimmen: we moeten groos wezen op oenze cultuur, oenze cultuur wordt bedreigd, we stoon onger drok. We ewen erfgoed waormie we oens tot enkanger verhouen: gekunstelde dingen as een volkslied, tradiessies as Suunterklaos, ’t Vreems (’t Nederlans) as taol. Kuunen wij Nederlander wezen zonger disse symboliek? Is dit ’t erfgoed dat oens bij enkanger moet ouwen? Of is d’r maar?
’T likt wel een reflex: ’t krampachtig vastouwen an veraolen, tradiessies in rituelen, omdat de warreld verangert. Ok de Urker cultuur wordde bedreigd – in 1932 kwam de Ofsleutdik in de Zuierziecultuur liek ‘ten dode opeskrieven’. ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’, skrief Mariap van Urk in weemoed. ’t Veraol ging dat de vlaggen op de kotters in 1932 alfstok gingen.
Die gevoelens, die angst, ze wazzen op Urk niet basierd op een ongerbukgevoel. Urk krieg nauwelijks een plekkien in ’t narratief van ’t Naaie Laand: Flevolaand zou een provincie worren van superboeren in noeste arbeiders – een perfecte in ofewoegen ofspiegeling van de samenleving, misskien zelfs een geconstruïerde samenleving. Die Urkers, nou, die moesten derluiers eagen boontjes maar zien te doppen.
Urk blief an de iene kaant een eiland binnen Flevolaand. Mar ’t arremoedige begin van de twientigste ieuw wordde goedemaakt duur de goeie verdiensten op zie, e-ulpen duur ’t arbeidsethos: ora et labora, bid in warrek. Het Wonder van Urk.
Mit de gruuiende rikdom van de Urkers, de globalisiering, Urk as belangrijke spuuler in de internationale handelsmarkt, verdwienen ok zuutjesan de erinneringen an ’t eilandleven. Over ’t Ouwe Durp daolde een glaozen stolp neer, ’t toerisme kwam op in erfgoed maakte plaos vor folklore.
We kuuzen vor een moment in de teed, die we gingen musealisieren. ’t Urk van vlak vor de inpoldering. Krampachtig ouwen we vast an krek die kliederdracht, an ’t veraol van de gevolgen van de ofsleuting van de Zuierzie. An Urk tuugen de warreld. Misskien zelfs Urk in een slachtofferrol?
Mar d’r is nog zovuul maar, d’r is nog zovuul moois. Urk as vrijplaos vor kunstenaors in skreevers. Een Urk vol volkscultuur: van spoekveraolen in bijgeloof. Kiengervursies. Rijmpies. Legendes. Veraolen over bevuurbield de walvisvaort – wie kint die eagenlijk nog?
Je hoeven echt niet zo’n linkse rotte as ik te wezen om te bedinken dat ’t geconstruierde Urker narratief ok een instrumint van eutsleuting kan wezen. Want wie oort erbij en wie niet? ’t Wordt teed om oens, an de aand van ’t Urker erfgoed, opnijt te wortelen: eupenstoon vor verangering – zo dynamisch as erfgoed is – in tegelikkerteed bewust te bleeven van ’t verlieën.
Willen we een gemienskap wezen dat zich vergript an loze symbolen, zoas een zieheld mit bloed an z’n aanen, omdat we oens in ’t nauwe edrieven voelen? Of dukken we de archieven in, ontdekken in omarmen we de geschiedenis van Urk in al d’r facetten, gieven we de veraolen duur, op weg nor een eupen in culturiel gezoende gemienskap? ’t Wordt teed vor een nijt Wonder van Urk: de culturele bewustworring van de Urker gemienskap.
As vanzelfspreken lees ik disse column in ’t Urker dialect vuur (’t is trouwens ok de moond van ’t dialect!). Maar oe vanzelfsprekend is dit erfgoed nog, hoe lank got ’t duren aar ’t dialect plaosmakt vor een regiolect in euteandelijk opgot in ’t ABN?
M’n kuukenbessien Mariap wist dat erfgoed bewaord moest worren, maar niet krampachtig. Ze maakte zich stark vor ’t vastleggen van de dracht, ze protestierde tugen de geplande sanering van ’t ouwe durp, ze ding bijdragen vor bijvuurbield ’t Zuiderzeemuseum in ’t Openluchtmuseum.
Eur vuurouwer leverde de eerste teksten in ’t Urker dialect. Um z’n zuun ulp Meertens in Kaiser mit materiaol vor z’n archieven. De zuun van Mariap richtte mit angeren ’t eerste Urker museum op, dat zich tot op de dag van vandage inzet om de veraolen duur te vertellen.
Kortomme: Oe goon we in de toekomst omme mit erfgoed – of mit cultuur in de brieëre zin van ’t woord? Wie binnen de naaie erfgoedhoeders van Urk in kreegen ze de plekke in teed binnen de Urker gemienskap om Urk klaor te maken vor een duurzame relatie mit cultuur in erfgoed in de toekomst?
Dat erfgoed niet statisch is, maar dynamisch, dat maken we elke dag mie. Vurige week won de van Urk ofkomstige dichter Cornelis Kapitein een prees vor een prachtig gedicht in ’t Nedersaksisch (lees: in ’t Urkers). In ofeloepen zaoterdag eupenden twie vriendinnen van mij een succesvolle vierde editie van een expositie mit jonge Urker kunstenaors. Disse jonge Urkers lotten zien dat kunst in cultuur niet inkelt iets is vor ’t volk in de marges – juust niet! – maar dat ’t een prominente plekke innimt – in in moet niemen – in ’t midden van de samenleving. Nijt erfgoed blift koemen, in ’t ouwe omarmen we opnijt maar mit een frisse kiek. Zelfs op Urk, of moet ik zeggen: vanzelf op Urk?
Honderd jaar geleden, in 1920, kwam Willem Arondéus aan op het eiland Urk. Hij kwam hier terecht na contact met zijn kennis Ernst Leyden, die zijn verblijfplaats Urk zou verruilen voor een rondreis door Europa. Arondéus greep de kans met beide handen aan: een plaats om in afzondering te werken.
Over Arondéus is niet bijster veel geschreven. Door Rudi van Dantzig en Marco Entrop werd hij in het nieuwe millennium enigszins uit de rafelranden van de geschiedenis gehaald: als homoseksuele verzetsheld kreeg hij niet bepaald dezelfde aandacht als zijn heteroseksuele kompanen.
Willem Arondéus op Urk, ca 1920-22. bron: Wikipedia
Later meer, veel meer, over Arondéus. Eerst dit.
In 1922 schreef Arondéus een gedichtenbundel, van twintig gedichten, “Afzijdige Strofen” genaamd. De “homo-erotische verzen” [Entrop, “Een droomen van de monden nooit bezeten” de Parelduiker. Jaargang 6, Uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam 2001] waren sterk geïnspireerd door de bundel “Strofen”, van P.C. Boutens, welke in 1919 verscheen.
De gedichten hebben thema’s als eenzaamheid, het eilandleven, zijn genegenheid voor Urker jongens en “het verlangen naar volkomen-zijn”. Opmerkelijk, maar kenmerkend voor de waardering van Arondéus, is dat de bundel pas vele jaren na zijn dood, in 2000 in kleine oplage gepubliceerd door het Drukkerijmuseum.
Een van de sterkste verzen is het vierde, waarin de eenzaamheid, het verlangen en het lijden aan het leven volkomen tot uitdrukking worden gebracht:
IV
Alleen te zijn, en zich alleen te weten, Van geen ontmoet de dag de nacht; Ben ik de zilvren menschen-stem vergeten, Die streelt en lacht.
Van geen begeerd, en vol begeeren wezen Naar elk, die zwijgend komt en keert; Het diepst te minnen wat het diepst te vreezen Is, en meest deert;
Te dwalen, en nooit het waarheen te weten, Een dolen doelloos zonder end, Een droomen van de monden nooit bezeten, En nooit gekend;
Is dit de buit der jaren, doelloos droomen Van alle waken meer gewond? Reeds met hun ernst der wonden-teekens komen Om oog en mond.
Alleen te zijn, en zich alleen te weten, De dag, de nacht ontmoet van geen; Van alle woorden deze onvergeten: Alleen; alleen.
21 April ‘22
Daar het eerste gedicht is ondertekend met 14 april 1922 (precies 98 jaar geleden), leek dit mij een goed moment de bundel Afzijdige Strofen en de gelijknamige website onder uw aandacht te brengen. Laatstgenoemde wil bijdragen aan de waardering van Arondéus en uitgroeien tot een digitaal monument. De bundel Afzijdige Strofen is in zijn geheel terug te vinden op de gelijknamige website.
Verder lezen over Arondéus verblijf op Urk:
Entrop, M., “Een droomen van de monden nooit bezeten” de Parelduiker. Jaargang 6, Uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam 2001. (link)
Dantzig, R. van, Het leven van Willem Arondéus 1894-1943. Een documentaire. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2003.
Straten en scholen dragen zijn naam, maar wie was Lorentz eigenlijk? En wat heeft Lorentz met Teylers Museum in Haarlem te maken? Een longread over de stille professor, die – terecht – weer volop in de belangstelling staat.
Gerrit Achterberg geldt voor mij als één van de grootste dichters uit de Nederlandse literatuur, zo niet de grootste. Eerder sprak ik al over zijn biografie, door Wim Hazeu in een podcast. Ook wijdde ik eens een longread over de link tussen Gerrit Achterbergs gedicht “Ichtyologie”, Boudewijn Büch en de prehistorische vis, de coelacanth.
Het onderwerp van dit artikel is “Hulshorst”, de naam van een plaatsje in de Veluwe en de titel van één van de bekendere gedichten van Gerrit Achterberg. Er is al veel over dit gedicht geschreven in de secundaire literatuur. Uw eigen literaire toerist was ook zeer gefascineerd door het verhaal, dook de boeken in en zocht foto’s van een eerder bezoek op.