On revient toujours à ses premières amours

In mei 1932 werd het laatste gat in de Afsluitdijk gesloten. Het brakke water van de voormalige Zuiderzee zou vanaf dan steeds zoeter worden. Op 20 september 1932 kreeg de nu afgesloten binnenzee een nieuwe naam: Zuiderzee werd IJsselmeer. Dat die zee een meer werd, zorgde voor grote veranderingen in de flora en fauna. Waren de beestjes en de plantjes in het gebied al voor de afsluiting van de Zuiderzee geliefde onderwerpen voor biologen; de post-Afsluitdijksituatie zorgde voor hernieuwde interesse.

Toen de Noordoostpolder in 1942 droogviel waren de voormalige eilanden Schokland en Urk gemakkelijk te bereiken. Tijdens de oorlog verbleef bijvoorbeeld de biologiestudent Ingvar Kristensen “100 dagen” op Schokland en hield daar een dagboek bij.1 Ook andere onderzoekers en studenten bezochten Schokland.

Eerder al, vlak na de afsluiting, leidde dr. J.H. Schuurmans Stekhoven een excursie naar Schokland. Tijdens de zomer van 1933, het water was nog niet helemaal verzoet, verbleven biologiestudenten op het eiland onder zijn leiding en deden daar veldwerk.

Op 29 augustus 1933 verscheen in de Telegraaf een artikel van zijn hand over de aanleiding van de excursie: ‘De keus van Schokland was uit meer dan een opzicht gemotiveerd. Schokland toch zal, als de voorteekenen niet bedriegen, niet lang meer Schokland zijn. Wanneer men den Noordoostelijken Zuiderzeepolder gaat winnen, wordt Schokland voor de eerstkomende eeuwen stevig aan het vasteland van Nederland verankerd en dan zal zeer spoedig het karakter van dit bijna verlaten niemandsland een grondige wijziging ondergaan. Voordat dit gebeurt willen wij vastleggen hoe de toestand in 1933 was: dus voordat de mensch duurzaam in het lot van Schokland van thans ingreep.’2

Aan de excursie zouden voornamelijk studenten deelnemen van de Universiteit Utrecht en enkelen van de Groninger universiteit. Onder de twintig deelnemers bevonden zich ‘zes dames’,3 zo berichtte de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant. Een bijzonderheid voor die tijd…

Over het Utrechtse karakter van de excursie grapte Schuurmans Stekhoven: ‘Dra zal Schokland, dat in de tweede helft der veertiende eeuw een twistappel vormde tusschen de heeren Van Voort en Kuinre en den bisschop van Utrecht, waar in 1555 Jan van Zoudenbalch, zoon van een aanzienlijk patricisch geslacht In Utrecht den scepter zwaaide, opnieuw door Utrechtenaren worden bezet, zullen de Utrechtenaren het gezegde; On revient toujours à ses premières amours, men keert altijd tot zijn eerste liefde terug, waar maken.’4

Luchtfoto van Schokland in 1933. Publiek domein.

On revient toujours à ses premières amours… Ach, die aantrekkingskracht van Schokland.

In Kampen werd een botter gehuurd5, en de oversteek werd gemaakt naar Schokland. Op de Middelbuurt, rondom en in het kerkje, werd het kampement opgezet.6 Er werd van alles onderzocht: van steekmuggen tot slijkgapers en van zoutminnende planten tot kreeftjes.7 Het aardige van de excursie, volgens Schuurmans Stekhoven: ‘dat wij de overgangen van het zoete water naar het zoute ter plaatse zien en waarnemen kunnen’.8

Ik beeld mij in hoe ze daar rondliepen: een bonte stoet aan studenten en universiteitsdocenten, banjerend over het bijna verlaten eiland, vol spanning, verrukt over steeds weer een nieuw vergezicht of klein beestje, opgewonden over het komende studiejaar en het ontluikende studentenleven. Er was tijd voor ontspanning: er werd gezwommen, studenten in hun kleurige badpakjes. O zomeravond, o zover van huis te zijn…

Een van die studenten was, tot mijn verrassing, de dichter, bioloog, schilder en schrijver Leo Vroman. In 1932 begon hij aan een studie biologie aan de Universiteit Utrecht. Hij was achttien tijdens de excursie naar Schokland. ‘Leo genoot. Ze dwaalden over zee met netten om plankton te verzamelen, keken vogels op het strand, bestudeerden vogels, vissen, krabbetjes. Het kwam tegemoet aan zijn verlangen naar kleine beestjes, zijn honger naar het leren kennen van vreemde organismen die hem gelukkig maakten, echt gelukkig, duizelig van genoegen.’9

Bovendien bracht de excursie naar het eiland nog iets: ‘voor het eerst in een ruimte met meisjes [daar zijn die ‘dames’!] van zijn leeftijd die hij met al zijn biologische interesse prachtig vond, en begeerlijk, en onbereikbaar ver weg’10. Ach, die begeerte naar de onbekende en onbereikbare medestudent.

Leo Vroman op Schokland in 1933, met planktonnet. Herkomst afbeelding is mij onbekend.

Vroman zelf: ‘Ik leek wel verliefd op alle dieren behalve parasieten en kon zelfs behoorlijk opschieten met planten vanwege hun zo aandoenlijk openlijke geslachtelijke gedrag. Ja, er waren ook een paar meisjes om wie ik wel graag mijn armen heen had geslagen om allerlei biologisch acceptabele dingen mee te doen, maar ik deed ze nooit want hun vreemde ouders, broeders, ondergoed en ideeën waren alleen in mijn verbeelding al angstwekkend.’11

Na de inval van de nazi’s maakte de joodse Vroman de oversteek (in een zeiljacht) naar Engeland, vocht hij in gekoloniseerd Nederlands-Indië (waar hij eerst zijn studie afrondde), kwam hij terecht in jappenkampen… Uiteindelijk vertrok hij naar de Verenigde Staten, waar hij zijn liefde van voor de oorlog huwde, waar hij werkte en woonde, tot hij in 2014 overleed. Zijn bekendste dichtregels zijn de slotregels van “Vrede”: ‘kom vanavond met verhalen / hoe de oorlog is verdwenen / en herhaal ze honderd malen: / alle malen zal ik wenen.’12

On revient toujours à ses premières amours, men keert altijd tot zijn eerste liefde terug. Dat de oude Vroman soms nog aan die jonge Vroman, op dat kleine, onbewoonde eilandje in de Zuiderzee, terugdacht, blijkt uit het volgende, prachtige gedicht, ruim zestig (!) jaar na de excursie gepubliceerd.

Schokland

Doordat de Zuiderzee rondom verzoette
krioelde het er kort van jonge biologen
Om (o die blonde met haar blauwe ogen!)
plankton te vissen en planten op te wroeten.

In de kerk van Emmeleroord
(o die blonde met haar blauwe ogen!)
hingen de badpakken van toen te drogen
en ’s nachts werd er door de kerk van Emmeleroord
niets dan wat gewoel op die gezonde
strozakken aangehoord.

Het is nu meer dan zestig jaren later.
O zij is ontslapen, wij anderen zijn bejaard,
en verheven door het uitgestorven water
ligt Schokland zelf levend opgebaard.13

O, die blonde met haar blauwe ogen. Dat die badpakken in de Enser kerk en niet in de Emmeloorder kerk (die was toen al decennia afgebroken) te drogen hingen, vergeven we Vroman maar.

‘[…] verheven door het uitgestorven water ligt Schokland zelf levend opgebaard’. Schokland als een bejaarde die ooit een diepe indruk maakte op de jonge dichter-bioloog. On revient toujours à ses premières amours.

(Om de cirkel rond te maken: het oorlogsmonument in Emmeloord [de naar Emmeloord vernoemde plaats in de Noordoostpolder, volgt u het nog?] draagt de bekende regels uit “Vrede”.)

  1. 100 dagen op Schokland, het schriftje van Ingvar Kristensen, 26 februari 2025. https://basvisscher.com/2025/02/26/100-dagen-op-schokland-het-schriftje-van-ingvar-kristensen. ↩︎
  2. J.H. Schuurmans Stekhoven, “Ontdekkingstocht op Schokland. Onderzoek naar de fauna door Utrechtse biologen.”, de Telegraaf, 29 augustus 1933. ↩︎
  3. “Op en om Schokland. Tiendaagsche onderzoekingen van Utrechtse biologen.”, Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, 6 september 1933. ↩︎
  4. J.H. Schuurmans Stekhoven, “Ontdekkingstocht op Schokland. Onderzoek naar de fauna door Utrechtse biologen.”, de Telegraaf, 29 augustus 1933. ↩︎
  5. “Op en om Schokland. Tiendaagsche onderzoekingen van Utrechtse biologen.”, Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, 6 september 1933. ↩︎
  6. Ibidem. ↩︎
  7. J.H. Schuurmans Stekhoven, “Schokland-excursie. Onderzoek van fauna en flora. – Steekmuggen niet inheemsch.”, de Telegraaf, 9 september 1933. ↩︎
  8. Ibidem. ↩︎
  9. Hengel, Mirjam van, Hoe mooi alles: Leo en Tineke Vroman, een liefde in oorlogstijd. (Amsterdam: Querido, 2017). ↩︎
  10. Ibidem. ↩︎
  11. Ibidem. ↩︎
  12. L. Vroman, Uit slaapwandelen, (Amsterdam: Querido, 1957). ↩︎
  13. L. Vroman, “Twee gedichten”, De Tweede Ronde. Jaargang 17. (Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1996), p. 63. ↩︎

Op de golven van de tijd

‘Schokland, op de golven van de tijd…’ heet het boekje (link) uit 1998, geschreven door mijn grootvader Albert van Urk (link). Een boekje vol foto’s, afbeeldingen, herinneringen aan een verdwenen eiland.

Op het schutblad staat een quote van de door hem (en mij) geliefde J.C. Bloem: ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’.

Het citaat is een regel uit Bloems gedicht ‘Herinnering’, gepubliceerd in 1931 in de bundel ‘Media vita’.

Een paar strofen uit dat gedicht (link):

Maar het vergankelijke kent geen keer
Dan in de opstanding der herinneringen;
Gistren is even ver als deze dingen:
In het verleden is de tijd niet meer.

[…]

En zullen we, in de wervling van den tijd
En de vervoeringen, die niet beklijven,
Indachtig aan onze oude dagen blijven
Met onvergankelijke aanhanklijkheid.

Tot aan het zwichten en het laatst getij,
Wanneer de wereld één wordt met het duistren,
En wij de niet te hooren woorden fluistren:
Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij.

In de werveling van den tijd… Toepasselijk voor Schokland.

In 1859 werd het eiland ontruimd en met het vertrek van de Schokkers verdwenen ook de bijzonderheden van hun eigen cultuur, zoals hun streekdracht, hun gewoonten, hun gerechten, hun tradities, hun bijgeloof, hun kennis van het eiland, hun kennis van de Zuiderzee.

Ze vertrokken naar Kampen, Vollenhove, Volendam, Urk en andere plaatsen.

In de decennia die daarop volgden was het eiland niet geheel verlaten. Er bleven nog een paar ambtenaren (vuurtorenwachters die al dan niet tegelijkertijd havenmeester, postbeambte, baas van de visafslag waren) met hun gezinnen op het dan stille eiland wonen.

Schokland werd voor de tweede maal ontruimd toen in 1942 de polder droogviel. Na het verdwijnen van de Zuiderzee – en dus ‘het laatst getij’, eb en vloed – in 1932 werd Schokland nu een eiland op het droge.

Een paar zaken overleefden de werveling van de tijd. Zoals de Schokker moppen, een koekje van het eiland. Of een paar Schokker liederen. Of wat huisraad. Maar toch vooral bleef de herinnering aan een eiland.

De Schokkervereniging, waarin mensen van Schokker afkomst zich verenigen, werd in 1985 opgericht. Het is opvallend hoeveel nazaten zich nog identificeren als Schokker. En hoe dus die herinnering aan vroeger levend wordt gehouden, al is het eiland Schokland ‘voorgoed voorbij’.

In het voorwoord van het boekje schrijft mijn opa: ‘In dit boekje willen we beelden verzamelen en vasthouden van een eiland dat in feite niet meer bestaat. Schokland is een eiland op het droge geworden. Mét de drie andere eilanden in de Zuiderzee, Wieringen, Urk en Marken, werd Schokland ooit in één adem genoemd, lang geleden, vóór de komst van de Afsluitdijk en de drooglegging van de polders. Ze zijn verdwenen, die eilanden met hun eigen geschiedenis, folklore en dialect. […] Naar iedere nieuwe vestigingsplaats brachten de Schokkers hun verhalen mee, verhalen van ontberingen en armoede vooral. Het verhaal van Schokland is vooral de kroniek van een nederlaag.’

Beelden verzamelen en vasthouden van een eiland dat in feite niet meer bestaat.

Het waren, naast bijvoorbeeld de heren Klappe, ook Urkers die in de jaren ’80 en ’90 een kleine maar opmerkelijke rol hadden in het levend houden van de geschiedenis van Schokland. Voor de bovengenoemde oprichting van de Schokkervereniging vormde een ‘Schokkerdag’ in 1985, georganiseerd door Stichting Urker Uitgaven, de aanleiding.

In een zaaltje van de Hervormde Kerk werd een herdruk van ‘Het verlaten eiland’ van Bouman gepresenteerd. Op deze dag kwamen driehonderd Schokker nazaten af, veel meer dan de stichting had verwacht. ‘We zijn overdonderd’, aldus mevrouw Cense van de stichting (De Noordoostpolder, 16 september 1985). Voorzitter ‘meester’ De Vries: ‘Wij willen proberen de geschiedenis van Urk en de rest van de Zuiderzee niet verloren te laten gaan. Over Urk hadden we al het een en ander gepubliceerd, dus wat lag er meer voor de hand dan nu eens iets met onze naaste buren, de Schokkers, te doen?’ (De Noordoostpolder, 16 september 1985). Opa Albert van Urk droeg een gedicht voor.

Na de presentatie van het boekje, en het nuttigen van een gebakken visje met rijstepap, trok het bonte gezelschap naar Schokland. Daar werd het museum en de Gesteentetuin bezocht.

De Urkers wisten natuurlijk hoe het was om je eiland te zien verdwijnen. Ook na 1985 werden door Urkers bijdragen aan Museum Schokland gedaan. Zo werd een replica van het doopvont uit de katholieke kerk gemaakt (link) en maakte Pieter Brouwer een beeld voor de vaste buitententoonstelling.

Schokland was, naast de Urker boeren, Urk en de Eerste Wereldoorlog (link), het klokkenschip, één van de fascinaties van mijn grootvader. Niet vreemd dat het dus in 1998 kwam tot nog een publicatie van de stichting.

De ontbrekende aandacht voor de cultuurhistorie in Museum Schokland – een punt van kritiek tijdens de Schokkerdag – zou een aanleiding kunnen zijn geweest om ook dit boekje te laten drukken. Het werd aan de Schokkervereniging gepresenteerd tijdens de Schokkerdag van 1999.

En er werd rijkelijk gedrukt. De oplage was zo groot, dat in 2025 nog stapels van dit boekje onverkocht zijn.

Afgelopen week kreeg ik een vriendelijk appje van het Urker museum. Of ik nog twee dozen met het boekje wou ophalen, anders zouden ze naar de kringloop moeten gaan.

Ook het Urker museum, ‘Museum het Oude Raadhuis’, is veranderd sinds ik daar als klein jongetje met opa rondliep.

Niet alleen de manier waarop je verhalen vertelt, binnen de muren van een museum, veranderen in de tijd. Ook het werk van erfgoedhoeders in het verleden verstomt.

Meester De Vries, mevrouw Cense, Albert van Urk (om er een paar te noemen), ze zijn er niet meer.

‘Zullen we, in de werv’ling van den tijd, en de vervoeringen, die niet beklijven, indachtig aan onze oude dagen blijven, met onvergankelijke aanhanklijkheid, tot aan het zwichten en het laatst getij?’

En nu ligt dat boekje van mijn opa dus in de achterbak van mijn auto. Ergens ontroert het me een beetje. ‘Voorbij, voorbij…’

Ik denk dat we er een mooie bestemming voor gaan vinden in Museum Schokland.

Bij een begrafenis op Urk (of op Amager, Denemarken)

In de collectie van het Zuiderzeemuseum is een mooie film te vinden (link) van Urk in 1949, gemaakt in opdracht van het museum. De kijker ziet de was worden opgehangen, nettenboetende vissers, uitvarende schepen en… een begrafenis.

De eerste vraag die in mij opkomt: is de stoet in scene gezet? Ik betwijfel het ten zeerste. Want die Urkers en hun ontzag voor de dood…

De begrafenisstoet trekt, langs het pas opgerichte oorlogsmonument, het kerkhof op, naast het hervormde Kerkje aan de Zee.

De mannen en vrouwen in klederdracht (correcter: streekdracht) vallen direct op. Ook lopen enkele personen in ‘burgerdracht’ mee.

Wanneer je iets beter kijkt, zie je gesluierde vrouwen in de stoet meelopen. Gesluierde vrouwen op Urk?

Still uit bovenstaand videofragment. Een gesluierde vrouw is duidelijk in beeld.

Dat is wel bekend van Wieringen, waar de vrouwen in vroegere tijden in een ‘huik’ gekleed gaan.

Ik heb wel gelezen en gehoord over dit gebruik op Urk. Tijd om er eens in te duiken.

Twee rouwende vrouwen in Zaandam. Ze dragen een zogenaamde huik. Gedateerd op circa 1700. Afbeelding: maker onbekend, collectie Nederlands Openluchtmuseum.

Lakens voor de ramen

Net als overal ter wereld kent Urk doorheen de geschiedenis tal van rituelen, gebruiken en tradities rondom de dood. Sommigen zijn gedocumenteerd en een enkel gebruik heeft de tijd doorstaan.

Tot die gebruiken behoren in vroegere tijden, op Urk, maar ook elders: het dragen van rouwdracht (op Urk voornamelijk bij vrouwen); het aanzeggen; het bedekken van spiegels in het huis; het omdraaien van portretten of schilderijen; een laken hangen voor het raam.

Dat laatste gebruik heeft de tijd overleefd. Nu worden de gordijnen, na het sterven van een familielid, voor een periode gesloten gehouden (vroeger: minstens zes weken), al lijkt deze traditie ook helaas te verdwijnen. Ik zag het ‘aan de wal’ in Zwolle in 2024 ook nog wel bij een kennis uit Twente.

Veel van deze gebruiken zijn te herleiden naar oude tradities, ooit wijdverspreid. En ze zijn dus zeker geen merkwaardigheid van een bepaald dorp. Op kaarten van het Meertens Instituut kan men de verspreiding van zulke gebruiken zien.

Kaart uit de collectie het Meertens Instituut, gemaakt onder verantwoordelijkheid van J.J. Voskuil. Aan respondenten is de vraag gesteld of het in hun plaats gebruikelijk is of was dat de spiegel na overlijden omgekeerd of bedekt wordt. Bron: via Meertens Instituut. Kruijsen, Joep en Nicoline van der Sijs (samenstellers) (2016), Meertens Kaartenbank, op www.meertens.knaw.nl/kaartenbank/; eerste versie gelanceerd in 2014.

Ook is een en ander opgetekend over vroeger volks- of bijgeloof, zoals de ‘vuurbereidige’ of ‘vuurbereiige’ (in het Nederlands: ‘voorspook’). Een naderende dood wordt dan vooraf kenbaar gemaakt aan iemand die de gave bezit de boodschap te ontvangen. Over de vuurbreidige wordt in meerdere bronnen gesproken.

Het is jammer dat het hierbij vaak gaat om anekdotische verhalen (het bijgeloof is ten tijde van optekening al min of meer verdwenen uit het dorp, bronnen herinnerden zich de verhalen van hun voorouders, ook werd het praten erover steeds meer taboe), bovendien soms opgetekend door pseudo-wetenschappers. Maar: ook iets als een voorspook beperkt zich niet tot Urk.

Het geplooide skort

Terug naar ‘onze’ gesluierde vrouwen. Cruys Voorbergh schrijft in zijn boek ‘Erfenis van eeuwen’ (Amsterdam: A.R.B.O., 1941) over het ‘skort’, een geplooide rok, die over het hoofd geslagen werd als een grote doek.

Voor het plooien (werkwoord) is hulp van de bakker nodig. Over het skort wordt een kleed gelegd, daarbovenop roggebroden. Door de warmte blijven de plooien er voor altijd inzitten.

Puck van der Zwan, ‘Urker goed’. Urk: Stichting Urker Uitgaven, 1997, p. 37.

De termen ‘rok’ en ‘skort’ door elkaar worden door elkaar gebruikt en dat geeft wat verwarring. Puck van der Zwan geeft uitsluitsel in het boek ‘Urker goed’ van Stichting Urker Uitgaven: het skort wordt hiervoor gebruikt, maar later ook een zwarte rok.

Historicus van Urker afkomst, Lucia de Vries, schrijft in een blogartikel over de laatste ‘aanzegster’ van Urk, Jante Baarssen-Schraal (link). In dat artikel wordt het bovengenoemde gebruik van ‘aanzeggen’ beschreven. Ook stipt De Vries het gebruik van het skort aan. In de collectie van het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem bevinden zich een paar Urker skorten, rokken en ‘boezels’. In haar artikel toont De Vries een voorbeeld.

Amager en de Urkers

Voorbergh maakt trouwens ook de vergelijking met de dracht van Urk en van Amager, een eiland in de Sont bij Denemarken, waarop de hoofdstad van het land zich tegenwoordig deels bevindt.

In de zestiende eeuw gaan Hollanders, waaronder – volgens Voorbergh – enkele Urkers, op uitnodiging van de toenmalige vorst van dit gebied zich daar vestigen:

Een groep Waterlanders en enige Urkers gaven aan die oproep gehoor, toegen met pak en zak naar Denemarken en kregen de beschikking over het eiland Amager bij Kopenhagen, waar zij met allerlei voorrechten werden begunstigd. (C. Voorbergh, ‘Erfenis van eeuwen’ Amsterdam: A.R.B.O., 1941. p.212.)

De klederdracht van Amager vertoont veel overeenkomsten met de Urker dracht en met de verschillende klederdrachten rond de Zuiderzee in het algemeen, ontdekken ook Meindert Hakvoort en Jelle van Slooten. Ze gaan op onderzoek uit en schrijven er een artikel over (link).

De daar bekende ‘jøb’, de geplooide rok die over het hoofd geslagen wordt, lijkt toch echt het meest op het Urker skort.

Voorbergh concludeert in zijn boek dat het skort meegegaan is met de ‘Hollandse’ kolonisatie van Amager in 1520.

Als we de gedachte van het meegereisde skort volgen (Hakvoort en Van Slooten redeneren in hun artikel enthousiast met Voorbergh mee), dan is de gezichtsbedekking op Urk als gebruik ten minste vierhonderd jaar oud!

Het artikel over de zoektocht in Amager is razend interessant en nodigt uit tot verder onderzoek. Er is voor zover mij bekend helaas geen tastbaar bewijs dat Urkers zich in de zestiende eeuw op Amager vestigen. Al lijken een paar van die namen van kolonisten inderdaad wel op ‘Urker’ namen.

In het onderzoek van Ann Marynissen & Joost Robbe, ‘Hollanders, Friezen of Vlamingen? Een studie naar de persoonsnamen van de eerste Amagerboeren uit de toenmalige Nederlanden’, gepubliceerd in 2020, wordt Urk niet genoemd. Wel wordt Hoorn genoemd als mogelijk centrum vanwaar de kolonisatie begint. Tja, en met West-Friesland hebben die Urkers natuurlijk al eeuwenlang goede contacten…

Misschien een wilde fantasie van Voorbergh. Urk is bovendien tijdens de oorlog ook een geliefd onderwerp in de propagandamachine (link). Maar zou het toch zo kunnen zijn dat… Urk en Amager…

Een erfenis van eeuwen

Terug naar ons skort. Er is genoeg bewijs dat zulke rouwgewaden algemeen zijn vanaf – in ieder geval – de zestiende eeuw in Nederland en daarbuiten. Ze zijn zelfs te zien op de schilderijen van Hendrick Avercamp.

Op Wieringen is het dragen van een huik tot begin twintigste eeuw nog gebruikelijk. In een video van het Zuiderzeemuseum wordt een Wieringer begrafenis (in Stroe) nagespeeld (link).

Rouwkostuum van een Wieringer vrouw met een huik. Datering: 1850. Maker reproductie: Wim Zandbergen. Bron: Zuiderzeecollectie / Zuiderzeemuseum Enkhuizen. CC BY-SA 4.0.

Op Urk dus tot na de Tweede Wereldoorlog. Een traditie die meer dan vijfhonderd jaar teruggaat. Tot ver voor de Reformatie op Urk.

In 1949 gelukkig nog vastgelegd op film. Mijn grootmoeder vertelt mij afgelopen vrijdagavond dat in 1951 nog enige vrouwen gesluierd naar de rouwdienst gaan.

Ik word er weleens verdrietig van: al die verdwenen tradities, gebruiken, rituelen, verhalen. We zijn te laat om ze te beleven en zelfs te laat om ze goed te kunnen documenteren. En hoe verder we gaan, hoe meer ons erfgoed folklore wordt.

De Volkskrant maakt op 28 augustus 1976 nog een melding van het gebruik van het skort bij een begrafenis op Urk.

Maar waarschijnlijk is het gebruik dan al enige tijd een stille dood gestorven.

P.S. In populaire cultuur: In het lied ‘Uffelte’ van At the Close of Every Day (link) wordt melding gemaakt van een ‘regenkleed’, een soort van sluier bij rouw, die in bijvoorbeeld Friesland werd gedragen. Op Urk is er een metalbandje dat zich ‘vuurberaaijege’ noemt (link).

100 dagen op Schokland: het schriftje van Ingvar Kristensen

Voor de Tweede Wereldoorlog begint de aanleg van de Noordoostpolder, de eerste polder van Flevoland. Schokland, een verlaten eiland in de voormalige Zuiderzee, ligt in het midden van die beoogde polder. De bezetter ziet de aanleg van de polder wel zitten: het zal zorgen voor voedselvoorziening. De inpoldering gaat tijdens de oorlog dus gewoon door.

Bovendien krijgen arbeiders in de Noordoostpolder vrijstelling van de verplichte ‘arbeitseinsatz’ in Duitsland. Het werk is zwaar: veel van de sloten en greppels werden met de hand gegraven. De leefomstandigheden zijn slecht. Ook duiken veel Nederlanders in de polder onder. Er vinden razzia’s plaats. De polder krijgt na de oorlog de bijnaam ‘Nederlands Onderduikers Paradijs’.

Eerste pagina van het schrift van Ingvar Kristensen. Afbeelding: collectie Museum Schokland.

Ingvar Kristensen

Ingvar Kristensen (1918-1996) is geboren in Leiden. Al op jonge leeftijd blijkt zijn liefde voor de natuur, want zijn hele kamer staat volgebouwd met aquaria. Een studie biologie ligt dus voor de hand. In het kader van zijn studie besluit de jonge Kristensen in 1941 de natuurontwikkeling in de nieuwe, slecht bereikbare, Noordoostpolder te gaan onderzoeken. Dat brengt hem nog datzelfde jaar naar de polder. Hij bezoekt enkele malen Schokland. Het eiland is dan nog niet eens drooggevallen.

100 dagen op Schokland

Hij vestigt zich in 1942 bij de oude haven van Schokland. ‘Het verblijf van 100 dagen op Schokland’ schrijft hij in zijn dagboek. Kristensen wil langere tijd op Schokland verblijven. Hij voert daarvoor als reden aan:

‘Schokland bleek zowat het centrum van flora en fauna van den N.O.P. te zijn. Het ligt echter bijna 15 KM. van Kampen vandaan; de weg Kampen-Ramspol was dikwijls één geglibber door de modder, dan weer een gezeul met je fiets door het mulle zand voor den nieuwen weg. Dan moest men tweemaal overgezet, en dán kwam nog het ergste, het gebagger door de klei. Het zou teveel tijd kosten om dit althans eenige malen per week te doen, terwijl men bij een verblijf op Schokland vrijwel elke dag of elk gewenscht uur aan het onderzoek kan besteden.’

In eerste instantie vestigt hij zich in de schapenschuur van havenmeester Spit. Hij maakt uitgebreide beschrijvingen van hoe hij de schuur inricht, welke lichamelijke oefeningen hij verricht, hoe hij aan schoon drinkwater komt en hoe hij aan eten komt (onder het kopje ‘Het Fourageeren’).

Met Pinksteren verlaat hij Schokland voor een paar dagen, waarschijnlijk om familie te bezoeken. Als hij naar Schokland terugkeert, is er ingebroken in zijn provisorische woning. Kristensen geeft de moed niet op en neemt nu intrek in het huis van de havenmeester: de lichtwachterswoning.

Het tweede onderkomen dat Kristensen betrok was de lichtwachterswoning, nu Rijksmonument de Lichtwachter. Deze foto is ingeplakt in het schriftje. Afbeelding: collectie Museum Schokland.

Moerasandijvie

Hij tekent zijn belevenissen op in een schrift. En dat zijn er heel wat. Op scherpzinnige wijze en soms met een kwinkslag doet hij verslag van de gemakken en ongemakken die hij ondervindt. Hij ontmoet onbekende en bekende mensen, zoals de heer Modderman. Deze jonge archeoloog maakt naam door zijn opgravingen en onderzoek van scheepswrakken in de polder.

In de aantekeningen van Kristensen is vanzelfsprekend ook veel aandacht voor de ontluikende natuur:

‘Heel opvallend was de moerasandijvie die er zich geweldig ontwikkelde. De zeeaster bloeide in alle variaties rondom Schokland. Op het eiland zelf waren de velden zilverschoor en Cochlearia [lepelblad, red.] soms schitterend. […] Als plantaardige bijzonderheid had Schokland een spichtige vorm van waterpest (Elodea canadensis angustifolia), die in de lagunen bloeide en groeide, dat het een lust was. Ik was de eerste, die deze vorm in Nederland vond.’

Tekeningen van de landafslag van Schokland in het betreffende schrift van Ingvar Kristensen, door hemzelf getekend aan de hand van eerdere bronnen. Afbeelding: collectie Museum Schokland.

Onderzoek in de oorlog

Zijn dagboekaantekeningen geven een uniek beeld van de eerste jaren van de bezetting, maar ook van de vroege vegetatie op de voormalige zeebodem, de nieuwe diersoorten en hoe de Zuiderzeewerken verlopen.

Kristensen kan in relatieve vrijheid, tussen de werkkampen en het toezicht van de bezetter, zijn onderzoek doen. Toch blijkt uit zijn aantekeningen dat hij kritisch staat tegenover de bezetting.

‘De oude burgemeester van Kampen was afgezet omdat hij weigerde om koninklijke namen van straten te veranderen. Opvolger werd Jonkheer van Sandbergen, die zich als N.S.B.-leeraar op de koloniale Landbouwschool te Deventer geheel onmogelijk gemaakt had. In Kampen bemoeide hij zich met alles. Eens stond hij op de IJselbrug en zag, hoe een schip zonder vaart te verminderen de brug passeerde. Hij riep den schipper toe, maar die hield zich doof. De burgemeester wond zich hierover op en riep tenslotte: “Weet je wel, wien je voor je hebt? Ik ben de burgemeester van Kampen!” De schipper keek even op en riep: “Ha, ha! Hoe lang nog?” Kort daarop werd de burgemeester door een “goeden” controleur betrapt op het binnensmokkelen van zwart vleesch. Hiermee werd zijn positie onhoudbaar en kon hij niets anders doen dan maar naar het Oostfront te vertrekken.’

Kristensen beschrijft zijn ontmoetingen op Schokland maar ook in andere plaatsen, zoals Kampen, Kuinre en Urk. Op Urk overnacht hij in Hotel Havenzicht, getuige het bonnetje dat ingeplakt zit in zijn schriftje.

Nota van Hotel Havenzicht (Weduwe A. Brouwer – Urk [WABU]) uit 1942, ingeplakt in het schrift. Voorburg is in die tijd een geliefd sinaasappelbittertje. Afbeelding: collectie Museum Schokland.

Uniek document

Het moedige en avontuurlijke onderzoek van Kristensen raakt in de vergetelheid, tot Museum Schokland in 2022 een schenking krijgt van de nazaten van de bioloog: zijn schriftje. Een uniek document dat zowel een beeld geeft van het leven tijdens de oorlog als van de flora en fauna in de prille polder.

Het geeft meer inzicht op de unieke waarden van Werelderfgoed Schokland en omgeving. Want mede door de inpoldering en het Wederopbouwgebied rondom het voormalige eiland, verkrijgt Schokland, als eerste plaats in het Koninkrijk, in 1995 een plek op de Werelderfgoedlijst.

In september 2022, tachtig jaar nadat de Noordoostpolder droogvalt, zendt Omroep Flevoland een documentaire uit over het prille begin van de polder. Het is dan de laatste week dat ik bij Museum Schokland als communicatiemedewerker in dienst ben. Een mooie afronding van deze functie.

Afscheid van Schokland

In september beginnen de dagen korter te worden. Het wordt voor Kristensen tijd het eiland te verlaten. Precies in die maand valt de polder officieel droog. Kristensen is hier dus getuige van. Het langdurige verblijf eindigt met een paar ontroerende zinnen:

‘Het afscheid van Schokland was allerminst droevig. Ik had er van gehad, wat ik er van hebben wilde, en dat gaf groote voldoening. De zomer was voorbij, en het was misschien wel de mooiste zomer geweest, die ik ooit gehad heb, want mooier wijze om de schepping te leeren kennen, is haast niet denkbaar.’

In oktober keert hij nog eens terug. In het voorjaar van 1943 probeert Kristensen zich opnieuw voor een langere periode op Schokland te vestigen, maar: ‘[…] juist, toen ik mijn intrek daar zou nemen, veroorzaakten de Duitsche maatregelen mijn spoedig vertrek uit den polder, zoodat ik mijn werk aan anderen moest overlaten.’

Ingvar Kristensen (midden) op een foto in het schrift. Afbeelding: collectie Museum Schokland.

Bij zijn vertrek van Schokland wordt de trein, waarin hij zit, beschoten door een geallieerd vliegtuig. Kristensen overleeft de beschieting, maar de wagon waarin zijn bagage (met zijn onderzoeksresultaten) zit, wordt volledig vernietigd. ‘Het verlies van alles waarvoor hij zo lang en met zoveel ontbering had gewerkt was een grote slag’, schrijft C. Swennen in een in memoriam in 1996 (BASTERIA, 60: 195-200, 1996). ‘Zijn korte artikel in Het Aquarium van 1944 [De vestiging van enkele waterplanten en dieren in de N.O.-polder. – Het Aquarium 14 (10): 85-86, 91.] is het enige wat er van dit onderzoek is vastgelegd.’

Maar dan is er natuurlijk nog dit schriftje, nu veilig in de collectie van Museum Schokland. Ook online te raadplegen via de website van Museum Schokland.

Hoe de Urker ijsvlet bewaard bleef

In de tijd dat Urk nog een eiland in de Zuiderzee was, vormde de winter een bijzondere uitdaging. Wanneer de zee dichtvroor, werd het eiland geïsoleerd van de buitenwereld. In deze barre omstandigheden kwam de ‘ijsvlet’ in actie: een speciaal ontworpen boot uitgerust met glij-ijzers, die zowel over ijs als door open water kon worden voortbewogen. Deze vletten waren essentieel voor het transport van voedsel, post en het verlenen van medische hulp tijdens de strenge winters.

De Urker vereniging ‘Hulp en Steun’

In 1897 werd op Urk de vereniging ‘Hulp en Steun’ opgericht. Deze organisatie beheerde meerdere ijsvletten en coördineerde reddingsacties voor schepen die vastzaten in het ijs. De bemanning van de ijsvlet, de ‘ijslopers’ genoemd, trotseerde vaak levensgevaarlijke omstandigheden om hulp te bieden en verbindingen met het vasteland te onderhouden. Deze tochten stonden bekend als ‘bloedreizen’ vanwege hun gevaarlijke en uitputtende karakter.

In het Urker dialect wordt met ‘bloedreis’ nog steeds een ‘hachelijke tocht’ bedoeld.

De laatste tocht

Met de aanleg van de dijk naar de Lemmer in 1939 en later de opening van de weg naar Emmeloord in 1948, verloor de ijsvlet zijn functie.

Toen dreigde de laatste overgebleven houten ijsvlet, gebouwd vóór 1870, te worden afgedankt en als brandhout te eindigen.

Dankzij het initiatief van oud-voorzitter van Hulp en Steun, Lubbertje (Lub) Kramer, werd de vlet echter in 1949 geschonken (tegen een onkostenvergoeding van 75 gulden) aan het Zuiderzeemuseum in oprichting in Enkhuizen, waar hij tot op de dag van vandaag wordt bewaard.

De laatste tocht van de ijsvlet voerde naar Enkhuizen. Niet over het ijs, maar over de weg: vastgebonden op een transportwagen.

De bloedreis nagespeeld

In datzelfde jaar werd in Enkhuizen een ‘Urkerdag’ georganiseerd. Het nieuwe museum zou al geopend moeten zijn, maar die opening werd een jaar uitgesteld. In plaats daarvan werd in de Drommedaris van de ‘Geuzenstad’ een ‘Zuiderzee Tentoonstelling’ georganiseerd. Naast de ‘Urkerdag’ werden ook een ‘Spakenburgerdag’ en een ‘Markerdag’ georganiseerd. Vol deelnemers in klederdracht, met muziek, toespraken, dans en voordrachten. In een ander, kort, fragment is de Urker dorpsdichteres Mariap van Urk te zien, die een toespraak houdt.

Misschien is de vlet op die dag wel feestelijk aan het Zuiderzeemuseum overhandigd, dat zou ik eens na moeten zoeken.

In het fragment zien we in ieder geval hoe de ijsvlet werd gebruikt. De ‘sterke mannen’ bonden ijzers onder hun voeten om grip te krijgen op het ijs. De ijsvlet werd vooruit geduwd of getrokken. Zeilen hielpen de ijsvlet wat meer ‘goffie’ te geven.

De Urker dichteres Mariap schreef in één van haar bundels: ‘De leden van de bemanning hadden het niet gemakkelijk, hoor! ’s Morgens vroeg kregen zij, voor hun uitvaart, eerst een bord erwten of bonen voor “vastigheid” in de maag. Daarna werd gebeden voor een goede overtocht. […] De tocht ging via Schokland, over de Ramspol naar Kampen. […] Was de vlet in zicht op Urk, na ’n moeizame tocht, dan liepen de jongelui van ons eiland de bemanning tegemoet, de zelen of spantouwen werden dan overgenomen, en de ijsvletters liepen achter de jongkerels aan. Dat was een triomftocht. […] Wat niet verdwenen is, dat is de rheumatiek, niet te verwarren met romantiek, van alle vissers die tot de bemanning van deze schuit hebben behoord. En in een hoekje van de kast staat nog wel het flesje “pérecheulie” (pijlrogolie) dat moeder de vrouw maar vast klaarzette, als onfeilbaar middel, om de oververmoeide gewrichten op gang te helpen, na een “bloedreis”.’ (Mariap van Urk, Urker ambachten en bedrijven. Enkhuizen: Vereniging van Vrienden van het Zuiderzeemuseum, 1955, p. 39.)

Deze toelichting hoort bij het gedicht ‘De ijsvlet’, dat in dezelfde bundel verscheen. Misschien droeg ze (een eerdere versie van) het gedicht wel voor tijdens de Urkerdag in Enkhuizen? Als handeling van overhandiging?

In De Waterkampioen (1951, no. 883 (feb), p. 69) schrijft drs. A. Schaper: ‘Ontroerend is de “Ode aan de oude Urker ijsvlet” gedicht door Mariap van Urk ter gelegenheid van deze overdracht, waarin zij de prestaties van de ijsvlet en de ontberingen van zijn dappere bemanning bezingt.’

De ijsvlet.

Oude, trouwe Urker ijsvlet!
Bitter stevig vastgesnoerd,
Werd jij, boven op een auto
Naar de Geuzenstad gevoerd.

Over Zwolle, Utrecht, Mokum
Ging je! Voor je laatste reis!
Zal het wéér een “bloedreis” worden,
Net als vroeger, over ’t ijs?

Menig barre Noordpool-winter
Heb je goede dienst gedaan:
En je voerde post en kranten,
Ja óók levensmidd’len aan.

Op je allerláátste “ijsreis”
Zat een stoomboot in de knel
Tussen huizenhoge schotsen
In ’t Zuid-West, zeg, weet je wel?

Hier van Urk af nauw’lijks zichtbaar
Seinde men, uit bitt’re nood,
Vrouwen en zelfs kind’ren waren
In gevaar op deze boot.

Dapp’re mannen waagden ’t leven,
Grepen spaak en roer en touw,
Gingen onverschrokken vóórwaarts,
Ondanks vorst en felle kou.

Piepend’ knarsten j’oude ijzers
Krakend’ ging ’t gebinte mee…
Wieg’lend, schuivend, zeilend, glijdend,
Zeulde de bemanning mee.

God beloonde ’t ernstig streven:
Vrouw en kind werd rijk gered:
En in menig Urker woning
Steeg een vurig dankgebed.

In het Zuiderzeemuseum,
Treft men vele dingen aan…
Doch ik smeek U, laat de ijsvlet
Op een éreplaatsje staan!

De ijsvlet van Schokland

Niet alleen op Urk, maar ook in andere Zuiderzeeplaatsen zoals Schokland, Spakenburg, Wieringen en Marken werden ijsvletten gebruikt. Deze boten waren cruciaal voor het onderhouden van verbindingen tijdens strenge winters. Zo onderhielden de bewoners van Schokland contact met Kampen.

Op Schokland, de Middelbuurt, is nog de schuur te vinden van de Schokker ijsvlet. De ‘IJsloperschuur’ is tegenwoordig een Rijksmonument. Het ligt wat verscholen achter de niet-authentieke museumgebouwen in ‘Zuiderzeestijl’. De ijsloperschuur is wel authentiek, al is in de loop van de jaren natuurlijk veel houtwerk vervangen.

De IJsloperschuur op Schokland. Rijksmonument. Foto: Pa3ems, via Wikimedia Commons. CC BY-SA 3.0.

En de ijsvlet zelf? Die heeft de tijd helaas niet overleefd. Het zou nog eens een mooi kunstproject zijn om een ijsvlet na te bouwen…

‘Voor wat een bloedreis werd geheten’

Tegenwoordig herinnert een kunstwerk bij de ingang van het ‘oude dorp’ op Urk, gemaakt door kunstenaar Piet Brouwer, aan de moedige tochten van de ijsvletbemanningen. Bij het monument zijn de namen van de deelnemers aan de laatste tocht te vinden, namelijk: Albert van Veen, Reijer Post, Tiemen Weerstand, Cornelis Bakker, Hessel van Urk, Jaap van Veen, Jan Bakker, Jan Wakker, Teunis Pasterkamp en Johannes van Veen.

Het is mij onduidelijk of deze mannen ook in het bovenstaande filmfragment te zien zijn, of dat dit om andere Urkers gaat.

De ijsvlet door Piet Brouwer, 1992. Foto: Pa3ems, via Wikimedia Commons. CC BY-SA 3.0.

Bij deze ijsvlet – op schaal – schreef ‘meester’ Tromp de Vries een prachtig gedicht.

Een raadselachtig fenomeen:
tien mannen die welhaast verloren
in dichte nevels om zich heen,
hun hakken in de schotsen boren.

Ze zijn nu gans en al alleen,
er is geen mistsein meer te horen,
en ’t licht dat van de vuren scheen
ging in de grauwe nacht verloren.

Ze stonden met z’n allen klaar
voor wat een bloedreis wordt geheten,
en hebben huis en haard vergeten
om in een tocht zo bang en zwaar,
en menigmaal in doodsgevaar,
zich met hun element te meten

Door de prominente plek van het monument wordt de herinnering aan de ijsvlet levend gehouden.

Begin 2018 gooide de Urker afdeling van de ChristenUnie nog een balletje op om de ijsvlet uit het Zuiderzeemuseum terug naar Urk te houden. Zo’n object hoort toch op Urk thuis? Een mooie campagnestunt misschien, maar ze vergaten voor het gemak van hoeveel belang de juiste conservering van zo’n minstens 150 jaar oud schip is.

Een ereplaats

De Urker ijsvlet werd in 1949 gered van de stook.

En er gebeurde waar dichteres Mariap op hoopte: al decennia heeft de Urker ijsvlet een ereplek in de vaste tentoonstelling van het Zuiderzeemuseum, onder collectienummer ZZM 000589.

De Urker ijsvlet in de schepenzaal in het binnenmuseum van Zuiderzeemuseum Enkhuizen. Datering foto onbekend. Bron: Zuiderzeecollectie / Zuiderzeemuseum Enkhuizen. CC BY-SA 4.0.

Voor deze post heb ik dankbaar gebruik gemaakt van: het artikel ‘IJsvlet gered van de sloop’, geschreven door Lub van den Berg, verschenen in het ‘Urker Volksleven’, mei 2020; de objecten van het Zuiderzeemuseum in de Zuiderzeecollectie (zie verwijzingen hierboven); de pagina op de website Flevolands Erfgoed over de ijsvlet door Piet Brouwer.

Proefgeloven en Jonah Falke

Op de middelbare school noemden we ze ‘oo-gees’: de groep scholieren die we iedere schooldag tegenkwamen op het fietspad van Urk naar Emmeloord. Wij onderweg van Urk naar de polderstad, zij vanuit de polder naar de uitloper van de biblebelt. En ’s middags in omgekeerde richting. Ze behoorden tot een andere wereld, met de rokken van de meisjes en de lange broeken van de jongens in de zomer.

Hoewel ik ben geboren en deels opgegroeid op Urk, behoorde ik niet tot de refo’s. Dat was een andere subcultuur. Want onze eigen bubbel, daar hoorden eigenlijk alleen de ‘gewone’ hervormden en gereformeerden toe. Misschien ook wel de christelijk gereformeerden en Nederlands gereformeerden, misschien zelfs ook de vrijgemaakten, maar alles ‘rechts’ daarvan – daar hadden we eigenlijk niet zoveel contact mee.

‘Oo-gee’ was voor ons een scheldwoord en het kwam wel eens tot puberaal duwen en trekken op de fiets. Oo-gee (OG) staat voor Oud-Gereformeerd, de meest orthodoxe stroming (op misschien de ’thuislezers’ na, dan). We gooiden alle orthodox-gereformeerden voor het gemak op één hoop. En zij ons, als heidenen, misschien ook wel.

In zijn recent verschenen boek, ‘De Bible Belt’, neemt schrijver en kunstenaar Jonah Falke de lezer mee op een diepgaande en persoonlijke ontdekkingsreis door de orthodox-gereformeerde gemeenschappen van Nederland.

Als agnost van buiten de biblebelt besloot Falke zich anderhalf jaar lang onder te dompelen in een voor hem onbekende wereld, gedreven door zijn nieuwsgierigheid en een verlangen om voorbij de clichés en vooroordelen te kijken die vaak aan dit strookje land kleven. Je zou het proefgeloven kunnen noemen: al was Falke daar niet bewust mee bezig.

Voorbij het vooroordeel

Falkes interesse voor de Biblebelt werd gewekt na een ontmoeting met journalist (en oud-Urker) Riekelt Pasterkamp op een cruiseschip richting New York. Deze ontmoeting deed hem beseffen hoe beperkt zijn kennis was over deze gemeenschap. Falke wist meer over de Amerikaanse metropool dan over de biblebelt, schrijft hij. Waarom was dat eigenlijk zo?

Vastberaden een genuanceerder beeld te krijgen, bezocht Falke diverse kerkdiensten, logeerde hij bij een domineesgezin en sprak hij met een breed scala aan mensen binnen de gemeenschap(pen), van dominees tot jongeren en politici. Deze benadering stelde hem in staat om diep door te dringen in een gemeenschap die vaak als gesloten wordt beschouwd.

Een van de meest opvallende ontdekkingen voor Falke was de gastvrijheid en toegankelijkheid van de mensen binnen de Biblebelt. ‘Ik heb ontdekt dat mensen in de Biblebelt niet wereldvreemd zijn, maar toegankelijk en slim – er wordt veel gelezen. Ik zag ook veel humor: er wordt veel gelachen.’, zegt hij in een interview in het Reformatorisch Dagblad

Deze ervaringen stonden in schril contrast met de vooroordelen die hij eerder had. Falke realiseerde zich dat de gemeenschap veel diverser en opener is dan vaak wordt aangenomen.

Mijn eigen vooroordelen begonnen ook te verbleken ook toen ik als vakkenvuller in de Boni, de grootgrutter van het oostelijke deel van de biblebelt, opeens reformatorische collega’s had. We verschilden wel, maar over heel veel zaken waren we het toch wel hartgrondig eens. En de gesprekken met leeftijdsgenoten over thema’s als de positie van vrouwen en abortus zijn mij bijgebleven. Ze waren ook benieuwd wat ik ervan vond.

Diepgaande ontmoetingen

Een bijzondere ervaring was zijn verblijf bij het gezin van ds. A. den Hartog in Tholen. Falke verbleef een weekend in de pastorie van de Hersteld Hervormde Kerk. ‘De verschillen met de wereldse wereld vond ik niet zo groot. Ik had een gezin verwacht waar het stil was, maar de kinderen renden door de tuin en het huis, waren zelfs aan het voetballen. Er werden frikandellen en poffertjes gegeten.’, vertelt hij in hetzelfde interview. 

Ondanks religieuze overtuigingen vertoont de dagelijkse realiteit van refo’s veel overeenkomsten met die van niet-gelovigen. Niet zo gek ook.

Dagelijkse realiteit. Toen ik op een zondagmiddag van Urk naar mijn toenmalige lief in de Randstad wilde rijden, viel mijn Peugootje na een paar honderd meter plots uit. Het was op een weg die ’s zondags geldt als een aanlooproute naar een aantal strengere kerken. Om me heen liep het donkergeklede kerkvolk.

Ik schaamde me: ‘we’ waren gewend om ‘ze’ te respecteren en andersom. Nu kreeg ik het autootje niet aan de praat en mijn poging het te starten maakte veel herrie op deze rustdag. Ik zag de kerkgangers opkijken.

Toen kwamen een paar jongemannen in het zwart naar me toe. Ik weet nog dat ik schrok. Wilden ze verhaal halen omdat ik hun kerkgang verstoorde?

Maar de motorkap werd opengedaan, er werd wat met draadjes gefrutseld of aan buisjes gevoeld. En plots startte de auto weer. Er werden niet veel woorden gewisseld. Ze zagen wel mijn dankbaarheid in mijn gezicht.

Enkele ogenblikken later reed ik, nog steeds als heiden, met een paar vooroordelen minder de A6 op.

Vrijheid voor andersdenkenden

Misschien wel de meest verrassende wending in Falkes reis was zijn ontmoeting met dominee Kort, een predikant die bekendstaat om zijn strikte opvattingen. Aanvankelijk verwachtte Falke weinig openheid, maar tot zijn verbazing werd hij – uiteindelijk – hartelijk ontvangen.

Net als Falke heb ik en half Nederland een vooroordeel klaar over deze ‘haatdominee’. Dat komt door die aflevering van BOOS, van Tim Hofman.

In een mooi maar soms wat warrig gesprek tussen Falke en Van der Laan in Nooit meer slapen, vraagt Van der Laan in verschillende bewoordingen aan Falke waarom hij de intolerantie van de biblebeltbewoners niet meer aandacht heeft gegeven. Dat zou toch zijn plicht moeten zijn? Ik meen te horen in Falkes stem dat deze vragen wat irritatie bij hem oproepen. Hij verdedigt zijn werkwijze: hij is een schrijver en geeft een minderheid een stem.

Ook de intolerantie van de refo’s is grondwettelijk verankerd. Dat is waar Hofman problemen mee heeft. Maar waar Falke juist door wordt aangespoord.

Hij schroomt niet om in zijn boek vooraf en nadien Rosa Luxemburg aan te halen (grappig dat zij in een boek over orthodox gereformeerden wordt geciteerd): ‘Vrijheid betekent immer: vrijheid voor andersdenkenden’.

Complexiteit

‘De Bible Belt’ is dus geen journalistiek verslag maar een introspectieve reis waarin Falke zijn eigen aannames en perspectieven voortdurend bevraagt. Zijn ervaringen nodigen de lezer uit om na te denken over de complexiteit van geloof, gemeenschap en identiteit in het moderne Nederland.

Ik heb vaak hardop gelachen, omdat Falke, hoewel niet vertrouwd met de protestantse wereld en de refowereld in het bijzonder, vaak de zo unieke humor weergeeft. Want ondanks alle zwaarmoedigheid is er toch ook veel lichtzinnigheid.

Ook complex: al die stromingen, al die verschillende gebruiken, al dat protestantse jargon. Soms gaat Falke de mist in bij een detail.

Maar mijn hart ging sneller kloppen van die psalmen in oude berijming en de bijbelteksten in de Statenvertaling. Hij heeft echt zijn best gedaan om alles getrouw weer te geven.

En dat valt niet mee. In het begin van het boek staat de ons bekende stamboom met alle doleanties. Alleen begrijpelijk voor insiders.

Ik zit in een groepsapp die de naam draagt van de gemeenschappen waartoe de vrienden in kwestie behoren of behoorden: CGK, GKV, NGK, NHK. En mijn oude studievrienden in Amsterdam vinden het verschil tussen katholiek en protestants al ingewikkeld.

Proefgeloven

Als puber heb ik mij zo hevig verzet tegen die intolerantie van de ‘mannenbroeders’. Toen we met een punkbandje optraden kregen we brieven van dominees in de lokale krant. Koren op onze molen, natuurlijk.

Maar later ben ik ook de schoonheid van onze vrijheden en pluriformiteit gaan inzien. Juist die vrijheid van godsdienst, meningsuiting, onderwijs, maakt dat we over het algemeen goed met elkaar kunnen samenleven.

Mijn eigen, wat onwennige, proefgeloven is begonnen toen ik in 2018 de Bethelkerk in Den Haag bezocht, waar een estafettedienst aan de gang was om te voorkomen dat een Armeens gezin uitgezet zou worden. Dit kerkasiel maakte diepe indruk op mij. Niet alleen vanwege de maatschappelijke relevantie van de kerk, maar ook vanwege de bijzonderheid van de uitzonderingspositie van religie in ons land. Want binnen de kerk kan de buitenwereld je niets maken. Ook dat is de erfenis van een half millennium godsdiensttwisten. Ook dat is tolerantie, de wet, de vrijheid.

Nu dat proefgeloven alweer een zeven jaar aan de gang is, en ik ben teruggekeerd naar de kerk van mijn voorouders, heb ik nog steeds moeite met de intolerantie in mijn eigen gemeenschap of doleantie.

Maar: als je bewust buiten de gemeenschap gaat staan, kun je ook geen verandering tewerkstellen. In een wat meer vrijzinnige kerk hoorde ik een oproep: praat met elkaar als je verandering wil. Want alleen dan zul je iemand overtuigen.

Waar ik mee achterblijf, na het lezen van dit boek, zijn dus mijn eigen vragen bij het mechanisme van tolerantie en intolerantie. En dat is onbevredigend. En daardoor goed. Falke heeft het ergens over de mooie overeenkomst tussen de agnost en een oud-gereformeerde: de twijfel. Het niet-stellig weten. Of misschien beter nog: het stellig niet-weten. En daar sluit ik mij graag bij aan.

In zekere zin is het boek van Falke een oproep tegen bubbels en polarisatie en voor wederzijds begrip. En een oproep om minderheden gelijk te behandelen.

En een andere conclusie: er zit toch ook iets werelds, iets universeels in dat lokale, in dat kleine strookje Nederland dat we biblebelt noemen.

Een monument voor prima mensen

Het duurt even voor we het monument vinden. K. en ik rijden op een mistige zaterdagmiddag over het ‘Lowlandsweggetje’, langs de dijk bij Biddinghuizen. ‘Het zou hier ergens moeten zijn…’

Dan doemt uit de mist, op de rand van de Flevopolder, een brutalistisch kunstwerk op. Het heeft iets weg van een communistisch monument. Beton. Op een hoge plek. Een ster… van vijf meter hoog… met twee uitgestoken duimen. Direct giert door onze lijven een gevoel van verrukking.

Het ‘Monument voor prima mensen’ is een werk van de Nederlandse kunstenaar Domenique Himmelsbach de Vries. Het monument wordt onthuld in november 2014. De twee opgestoken duimen zijn een verwijzing naar het ‘like’-symbool op sociale media, aldus de sympathieke kunstenaar.

Uit de tekst op zijn website begrijp ik dat het doel van het monument is om bijzondere, vaak onbekende en meestal levende mensen en hun verhalen te eren en zo een alternatieve en eigentijdse geschiedenis te schrijven waaraan het publiek kan bijdragen.

Aan de voet van het monument zien we tegels met namen liggen. Ze zijn geplaatst ter ere van de ‘prima mensen’. We vragen ons hardop af voor wie we zo’n steen zouden kopen.

‘Monument voor prima mensen’, Domenique Himmelsbach de Vries, 2014. Eigen foto, 18 januari 2025.

Himmelsbach de Vries: ‘[Het monument is] een betonnen hommage voor de prima mens; een gedenkplek voor inspirerende vuilnismannen, kunstenaars, schrijvers, goeroes en vrienden. Het monument moet Nederland tot vers optimisme inspireren en dienst doen als verbindend verhaal tussen prima mensen.’

Onwillekeurig moet ik aan Reve’s ‘Roeping’ denken:

Zuster Immaculata die al vier en dertig jaar
verlamde oude mensen wast, in bed verschoont,
en eten voert,
zal nooit haar naam vermeld zien.
Maar elke ongewassen aap die met een bord: dat hij
vóór dit, of tegen dat is, het verkeer verspert,
ziet ‘s avonds reeds zijn smoel op de tee vee.
Toch goed dat er een God is.

Dan staat het beeld ook nog eens op de grens van het oude en het nieuwe land. Is het misschien ook een ode aan de hardwerkende eerste Flevolanders? Wie weet, want de namen van de vroegste bewoners van Biddinghuizen zijn op de tegels terug te vinden.

En ergens spookt toch wel dat communistische ideaal, zowel in Flevoland als in dit kunstwerk. Maar het monument propageert geen onbereikbaar ideaal, het neemt genoegen met ‘prima’.

In het gedicht van Reve krijgt de lezer sympathie voor de zuster. De God van Reve grijpt echter niet in. Misschien zijn zowel de zuster als de aap nodig in onze samenleving. Zou dat zijn wat Reve ons wil zeggen?

Himmelsbach de Vries is er duidelijk over: ‘Het monument kan gebruikt worden als tool om sociale cohesie te bevorderen […]. Een betonnen verbinding, een concrete connectie tussen hen wie prima zijn.’

Wij vinden het in ieder geval helemaal prima.

Toch goed dat er ook kunst is.

Het reizende doopvont van Schokland en het gespikkelde huwelijk

De of het doopvont? Beide lidwoorden zijn hier correct, aldus de Van Dale. Als dialectspreker ben ik gewend het doopvont te zeggen.

Een doopvont is een waterbekken, voor de toediening van de doop in de christelijke traditie. Zo is mijn voorhoofd besprenkeld met het water uit het vont van de Nederlands Hervormde Kerk de Ark op Urk. Het gebouw waar nu de Hersteld Hervormde Gemeente de Moria gehuisvest is.

Van doleanties is in de laatste eeuwen van de geschiedenis van Schokland nog geen sprake. Je bent er of protestant of katholiek. En dat heeft te maken met waar je op Schokland woont.

Het eiland is al bestuurlijk opgesplitst, als het na de reformatie ook nog religieus wordt opgesplitst. Het noordelijke deel, ‘Emmeloord’, blijft de oude religie aanhangen. Daar krijgt de ‘ware leer’ geen voet aan wal. Het zuidelijke deel, ‘Ens’, gaat over naar het protestantisme. Wanneer in de Franse tijd het hele eiland één gemeente wordt, blijft de religieuze scheiding.

Gespikkeld huwelijk

Een huwelijk tussen beide geloofsgroepen wordt een ‘gespikkeld huwelijk’ genoemd. Het woord gespikkeld verwijst naar Genesis 30, het verhaal van Jacob en Laban. De tale Kanaäns is onder de rechtlijnige protestanten geliefd en misschien komt zo de term ‘gespikkeld’ wel in de historische bronnen over Schokland terecht.

Dat een gemengd huwelijk not done is op Schokland, betekent niet dat dit niet gebeurt. Hiervan zijn het aanwijsbare aantal gespikkelde huwelijken getuige. In mijn eigen stamboom kom ik een huwelijk tussen iemand uit Ens en Emmeloord tegen. (En wat zegt dit over mij?)

Schokland, Hermanus Koekkoek. 1830-82. Enkhuizen: Zuiderzeemuseum / Zuiderzeecollectie.

Nagele en het doopvont

Het Zuiderzeegebied is sinds het ontstaan, waarschijnlijk ergens in de loop van de middeleeuwen, voortdurend in verandering. Mede doordat een groot deel van het land uit veengrond bestaat, en door menselijke bewerking van het landschap, slaat de Zuiderzee steeds meer land af. De zee wordt alsmaar breder en groter. In het gebied dat we nu als Noordoostpolder kennen, zijn eeuwenlang meer nederzettingen dan alleen Urk en Schokland, de eilanden die tot 1932 het geweld van de Zuiderzee overleven.

Bij veel Nederlanders is de ‘legende van Nagele’ bekend. Bij een gevecht in de lokale herberg op het eilandje of terp Nagele springt de lokale pastoor tussenbeide. Hij wordt bruut neergestoken. In zijn laatste woorden voorspelt hij dat Nagele zal verdrinken en dat vissers hun netten aan de grafzerken zullen scheuren.

Dit verhaal maakt invoelbaar hoe hele dorpen verdwijnen in de Zuiderzee.

Eind achttiende eeuw wordt tussen Urk en Schokland een doopvont opgevist, nadat eerder een kandelaar met de vangst naar boven komt. Vissers vertellen elkaar dan al een tijd over opgeviste grafzerken ter hoogte van het ‘Urker kerkhof’, een deel van het water dat ze ook wel ‘de Nagel’ noemen. Misschien maken ze elkaar bij zo’n vondst wel bang met de legende van Nagele.

Het schijnt dat in 1922 een hoogbejaarde Schokker nazaat, uit Kampen, nog beweert dat het zijn grootvader is, die de bovengenoemde kandelaar heeft opgevist. De verhalen van Nagele blijven meereizen met de tijd, ook ver na de ontruiming van Schokland in 1859.

Doopvont afkomstig de voormalige kerk te Schokland (Ens), A.J. van der Wal, 1984. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Verdronken dorpen

Yftinus van Popta, maritiem archeoloog, combineert in 2020 gegevens over vloeden, historische bronnen en archeologische vondsten in zijn proefschrift ‘When the Shore becomes the Sea‘. De positie van het verdronken dorp Nagele zou heel goed ten noorden van Urk en Schokland kunnen zijn. De plek van het ‘kerkhof’.

Niet alleen onderzoekt hij Nagele, ook doet hij onderzoek naar de andere ‘verdronken dorpen’, zoals Fenehuysen en Marcnesse. Hiermee ontstaat een beter beeld van het gebied in de middeleeuwen. Ik begrijp nu beter hoe het leven er tussen 1100 en 1400 voor de Schokkers en Urkers uitziet.

Bijvangst van zijn onderzoek: de huidige namen van de polderdorpen zijn weliswaar gebaseerd op voormalige plaatsen, maar corresponderen niet met hun ligging. Het huidige Nagele bijvoorbeeld ligt dan wel tussen Urk en Schokland, maar dan een stuk zuidelijker dan de historische naamsgenoot.

Van Schokland naar Ommen

Tijdens de watersnoodramp van 1825 wordt het altaar in de kerk op Emmeloord weggespoeld. In 1826 krijgt de Rooms-Katholieke kerk op Emmeloord een nieuw altaar. De pastoor koopt het vont aan en laat er zijn naam in beitelen. Na de ontruiming van Schokland in 1859 verhuizen zowel de ‘nieuwe’ ‘Waterstaatskerk’ van Emmeloord, in 1842 gebouwd ter vervanging van het vorige godshuis, als het doopvont, naar Ommen.

Na het einde van de ‘Schokker kerk’ van Ommen in 1938, verhuist het opnieuw, nu naar het Ommense Rooms-Katholieke kerkgebouw St. Brigitta, dat in 1939 wordt gewijd.

“’t Vont laat de duiding van het water weten”

Een regel uit een gedicht van de Urker Tromp de Vries, bij een replica van het doopvont. Urkers zijn na de inpoldering betrokken bij de geschiedenis van Schokland. Er ontbreekt iets op Schokland, zo wordt gedacht. Beeldhouwer Piet Brouwer maakt een replica van het doopvont, dat in 1996 in de hervormde Enserkerk wordt geplaatst.

Van het verdronken Nagele naar Schokland en van Schokland naar Ommen. Een geschiedenis van acht eeuwen (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed geeft de twaalfde of dertiende eeuw mee als datering) in één object.

En drie eeuwen nadat de reformatie op Schokland komt, is er sinds 1996 ook een hervormd Schokker doopvont, een replica van een katholiek Nagelees doopvont. Gemaakt door een gereformeerde Urker.

Daar werd een dijk gelegd

Op 3 oktober 1939 om 14.44 uur wordt het laatste gat in de dijk tussen de Lemmer en Urk gedicht. Urk is vanaf dat moment geen eiland meer, maar een schiereiland. Het zal onderdeel worden van de latere Noordoostpolder, welke in 1942 droogvalt.

In 1936 begint de aanleg van de, in totaal, 55 kilometer lange ringdijk rond de toekomstige Noordoostpolder, onderbroken door het eiland Urk. In het IJsselmeer worden meetpunten voor het dijktracé uitgezet en bij de Lemmer en Urk worden werkhavens aangelegd.

Er is veel belangstelling voor het werk. Tijdens een excursie in 1938 kan hoofdingenieur De Blocq van Kuffeler de verzamelde pers melden dat al 14 kilometer dijk is voltooid tussen de Lemmer en Urk.

Leve de oude Polygoonjournaals! Natuurlijk moet dit grootse verhaal, namelijk de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, goed gedocumenteerd worden. Het geeft Nederland in die jaren, de woelige crisisjaren (met oorlogsdreiging), een gevoel van trots.

In 1937 is de Zuiderzee al vijf jaar verleden tijd. Gestaag gaan de werkzaamheden verder. Na de Wieringermeer en de Afsluitdijk is het nu tijd voor de ‘Noord-Oostelijke Polder’. De beelden van de grijpers en het geweld van het water zijn indrukwekkend.

Twee jaar later, in 1939, is het al zover: de dijk is bijna gereed. Het ‘laatste schepje’ is een mooi nieuwshaakje, zo moeten de journalisten hebben gedacht. Bij de Afsluitdijk hebben ze immers hetzelfde gedaan.

Op 3 oktober 1939 is Urk geen eiland meer. Een mooie titel.

We zien de baggermolens en grijpers die de keileem ten behoeve van de dijk aanleveren. De kijker krijgt een beeld van het proces van de aanleg van de dijk, hoe de zinkstukken worden geplaatst en hoe puin en steen ter versteviging worden toegevoegd.

In een shot vaart een klein bootje door een van de laatste sluitgaten, waarin de sterke stroming te zien is. De sluiting van het laatste gat komt in zicht, schepen zijn feestelijk gedecoreerd met vlaggetjes.

Een vrouw in Urker klederdracht houdt een grote Nederlandse vlag vast. We zien een schip van Zanen & Verstoep, met zwaaiende arbeiders. De burgemeesters van Urk en de Lemmer drukken elkaar de hand op een smalle plank.

Daarna een shot van een Urker man, op zijn rug gefilmd, kijkend naar de nieuwe dijk, waarmee zijn eiland ophoudt te bestaan. Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij!

Tenslotte een Urker vrouw (waarvan ik vrij zeker ben dat het mijn overgrootmoeder Mariap van Urk-Koffeman is) die de was uithangt, met de dijk op de achtergrond.

In ieder geval staat vast dat dorpsdichteres en erfgoedhoedster Marretje van Urk-Koffeman (wiki) (blog) bij de feestelijke gebeurtenis aanwezig is. Ze staat zelfs prominent op het schilderij ‘Het laatste schepje’ van Van Mastenbroek, gemaakt in 1939-40. Van Mastenbroek deed beeldend verslag van het grote nationale wonder.

‘Het laatste schepje’, Van Mastenbroek, 1939-40. Enkhuizen: Zuiderzeemuseum / Zuiderzeecollectie.

Op het schilderij zien we deftige mannen in het zwart en werkvolk met lichtere kleren aan. En Mariap van Urk in Urker klederdracht. Het is geen gekke gedachte dat het Mariap is aan het einde van de film, natuurlijk zou ze ja zeggen op de vraag of ze voor of na 3 oktober 1939 voor de camera haar was wilde ophangen.

De gebeurtenis zette Mariap aan tot het schrijven van haar meest bekende gedicht ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’, verschenen in haar gelijknamige dichtbundel in 1949.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven,
Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’,
Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven
Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; gedenken wij de doden,
Die eenzaam rusten in je stille schoot,
De vissers, die voor dagelijkse noden,
Zich waagden op je wiegelende vloot.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de wielen der gemalen,
Zij went’len dreunend aanstonds, dag en nacht
En rusten niet, aleer gij drooggemalen,
Al bloeiend in cultuur zult zijn gebracht.

Vaarwel mijn Zuiderzee; wij zullen niet versagen,
Uw stervenswee een nieuwe toekomst baart,
Waaraan wij bouwen: en waarop wij vragen
Gods zegen! Die aan arbeid is gepaard.

Als de socialistische VARA op 11 juli 1940 een bezoek brengt bij de gereformeerde dichteres, laat zij haar kinderen liedjes zingen en spreken de journalisten met Mariap op onderhoudende toon. In hetzelfde interview draagt Mariap haar gedicht voor, in een nog wat andere vorm dan hoe het uiteindelijk gepubliceerd zou worden.

We zitten dan al in de Tweede Wereldoorlog, de VARA zou niet veel later worden overgenomen door de gelijkgeschakelde Rijksradio-omroep. Het werk in de polder ging gewoon door: de bezetter zag zo’n mogelijke graanschuur ook wel zitten.

De dijk tussen Urk en Kadoelen (de ‘Kaamperdik’) komt 13 december 1940 om 13.52 uur klaar. Ook hier is Mariap getuige van. De stemming is dan wel iets anders dan bij de sluiting van de eerste dijk: nu geen vlagvertoon, maar een sobere viering.

Op rijm, uiteraard, doet ze verslag van de sluiting. ‘Een dag gelijk aan alle and’re dagen’. Wat opvalt is haar ontzag voor de ingenieurs en arbeiders, die de plannen uitvoeren waar Mariap eerst zo hevig tegen protesteerde. En dan haar patriottisme! ‘O, Hollands ras! Zoo taai en onbewogen’. Toch geen ongevaarlijke passage ten tijde van schrijven…

‘Het laatste sluitgat’, Marretje van Urk-Koffeman, 1940. Urk: privéarchief.

Onder redactie van de zoon van Mariap van Urk, dorpshistoricus Albert van Urk (wiki), verschijnt in 1989 het boek ‘Daar werd een dijk gelegd…’ (download) bij Stichting Urker Uitgaven. De titel is ontleend aan een zin uit bovenstaand gedicht.

In het boek zijn interviews met ooggetuigen van de aanleg van de dijken opgenomen, alsmede gastbijdragen over de visserij, de oorlogssituatie, het hergebruikte puin van het platgebombardeerde Rotterdam, de archeologische vondsten in het jonge polderland, Urkers die boer wilden worden, kunstenaars ten tijde van de inpoldering, de sociaal-economische situatie op Urk en natuurlijk… Mariap van Urk, de dichteres van de drooglegging.

Op 3 oktober 1989, precies 50 jaar na de gereedkomen van de eerste dijk, zendt de AVRO een reportage uit, met daarin een interview met Albert van Urk.

Maar Urk is pas echt eiland-af in 1948, als Urk een wegverbinding krijgt met de rest van de polder. Pas zes jaar na de drooglegging van de polder in 1942. Tot 1948 gaan de Urkers nog naar Kampen, naar het ziekenhuis bijvoorbeeld, met een bootverbinding. Of wandelend over de dijk.

Op goed water, betrouwbare elektriciteit en aardgas moeten de Urkers dan nog wat jaren wachten.

Mariap, de vrouw die zich aanvankelijk zo verzette tegen de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee, omarmt uiteindelijk de toekomst. Wel blijft ze zich telkenmaal kritisch uitspreken en zet ze zich onvermoeibaar in voor het behoud van het Urker cultureel erfgoed.

Ook staat haar deur voor iedereen open: van journalisten, tot nonnen, tot dijkwerkers. ‘Een vrouw met een groot hart. Dat ondervonden de polderjongens die, ver van huis, bij haar een thuis vonden.’, zo besluit haar zoon Albert het hoofdstuk in ‘Daar werd een dijk gelegd’ over zijn moeder.

Eerder verscheen de tekst van een korte een lezing uit 2018 over Mariap van Urk elders op mijn blog. De grootvader van Mariap komt aan bod in mijn artikel over het Dialecticon.

Schokkers en de ontruiming

De verhalen van Schokland en de ontruiming in 1859 staan de afgelopen tijd volop in de belangstelling. Zo verscheen het boek ‘Het eiland van Anna’ van schrijver en historicus Eva Vriend. In het Zuiderzeemuseum is deze winter de indrukwekkende tentoonstelling ‘De ziel van Schokland’ te zien. Ook in Museum Schokland wordt het verhaal verteld van de laatste bewoners van Schokland.

Stel: je gemeenschap woont al eeuwenlang op dezelfde plaats. Maar dan valt het besluit dat je moet vertrekken. En daarbij moet je zelfs je eigen huis afbreken, om te voorkomen dat je terugkomt. Goed, je krijgt er een schamele vergoeding voor, je gaat er economisch misschien op vooruit, je leefomstandigheden worden beter, maar je eigen stukje grond laat je achter. Een verlaten eiland.

In een wisseltentoonstelling, die tot eind februari 2025 is te zien, is aandacht voor die ingrijpende gebeurtenis, dit jaar 165 jaar geleden. Een verhaal dat binnen de Schokkervereniging welbekend is: van het verlaten van je geboortegrond en van een verlaten eiland.

De thema’s rondom de ontruiming van Schokland is nog altijd actueel. Wanneer moet je vertrekken? Wat laat je achter? Waar kun je terecht? Zit er wel iemand op jouw komst te wachten? Het zijn verhalen van migratie, armoede, leven met water en de moeizame relaties met overheden. Hoewel de ontruiming van Schokland 165 jaar geleden plaatsvond, lijken de emoties nog springlevend.

Met de Schokkervereniging, de gemeenschap van Schokker nazaten, heeft Museum Schokland de verhalen geselecteerd en tot leven gebracht. Zonder deze samenwerking was de tentoonstelling niet tot stand gekomen. Daarbij dankt het museum in het bijzonder: Bruno Klappe, die inbreng gaf voor de zaalteksten en redactie pleegde; Eva Vriend, die quotes aanleverde quotes uit haar boek ‘Het eiland van Anna’; Henk van Heerde, die meeschreef met de synopsis en meedacht mee over de te presenteren objecten. Johan Akkerman en stagiair Maud Visser verzorgden de vormgeving en realisatie van de tentoonstelling, in samenwerking met het team van Museum Schokland.

De voorzitter van de Schokkervereniging ontvangt een potje met Schokker aarde. Foto: Maxim Ottevanger.

Donderdag 24 juli j.l. is de tentoonstelling geopend. De voorzitter van de Schokkervereniging Theo Grootjen ontving, uit handen van directeur van Cultuurbedrijf Noordoostpolder Marcel Jansen, een potje met Schokker aarde. Dit namen de Schokkers ook mee in hun zakdoek toen ze in 1859 het eiland vaarwel zegden. Theo Grootjen nam het woord namens de Schokkervereniging sprak over de ontruiming en het Schokker-zijn. Na een bezoek aan de tentoonstelling was er voor de ongeveer 60 aanwezigen ruimte voor reflectie in het Museumrestaurant.

Een armoedige gemeenschap laat doorgaans weinig sporen na. De geschiedenis wordt veelal geschreven door de rijkere klassen: aan hen behoorden de kunstwerken, boeken, artefacten. De opkomst van de fotografie, aan het eind van de negentiende eeuw, zorgde ervoor dat de laatste Schokkers, soms op hoge leeftijd, voor de camera konden verschijnen, waarmee hun verhalen doorgegeven kunnen worden. Deze foto’s vormen nu de kern van de tentoonstelling in Museum Schokland. De portretten zijn tevens te vinden in het boek van Bruno Klappe: ‘Schokker portretten’. Aan de hand van dit boek zijn keuzes gemaakt voor de inhoud van de tentoonstelling. 

De tentoonstelling presenteert de verhalen van de ontruiming en de periode daarna op een meerstemmige manier. Door gemakkelijk te lezen teksten in de ik-vorm, gebaseerd op het boek van Bruno Klappe, worden de ervaringen van de laatste Schokkers beleefbaar gemaakt voor een breed publiek. Daarnaast reflecteert de Schokkervereniging op de gebeurtenissen rondom 1859. Hoe kijk je als nazaat terug op de ontruiming? In de presentatie is bovendien binnenkort een video te zien waarin nazaten worden geïnterviewd over Schokland en de Schokkervereniging. Deze interviews zijn opgenomen tijdens de laatste Schokkerdag, in het Zuiderzeemuseum.

Naast de tentoonstelling in de Museumkerk en -pastorie zijn elders op Schokland ook nog enkele objecten te vinden die verband houden met de laatste Schokkers. In de tentoonstelling wordt verwezen naar het monument op de begraafplaats van Emmeloord – waar de katholieke Schokkers begraven liggen. Het beeld ‘Geen weg terug’ van Kiny Copinga verbeeldt het vertrek van de Schokkers. Tenslotte is daar het beeldje van Piet Brouwer, met een gedicht van Tromp de Vries, uit 1994.

‘De ontruiming van Schokland’, Piet Brouwer, 1994

In dit gedicht liggen de emoties rondom de ontruiming beklonken.

Ontruiming van Schokland 1859

Schokkers aan hun grond gehecht
– Daar geboren en getogen –
Werd met landverlies voor ogen
Het vertrekken aangezegd

Zwaar heeft hun die stap gewogen
Elke raad leek even slecht
Maar verloren bleek het gevecht
En vergeefs bleef alle pogen

Zie hoe hier een jong gezin staat
– bij een schamel beetje huisraad –
Dat gedwongen door gebrek
Heeft besloten tot vertrek

Zij die blijvend zorgend meegaat
Hij het anker om de nek

Met de verwijzingen van binnen naar buiten en vice versa, wordt de bezoeker aangemoedigd het hele voormalige eiland te verkennen, om zo een indruk te krijgen van de situatie rondom de ontruiming.

Hoewel er in de vaste tentoonstelling aandacht is voor de cultuurhistorie van Schokland, is het voor het eerst sinds lange tijd dat de verhalen van de laatste Schokkers – en hun nazaten – expliciet worden belicht binnen Museum Schokland. Dit komt deels door de gelaagdheid van Werelderfgoed Schokland: de geschiedenis van het gebied gaat vele duizenden jaren terug.

Deze tijdelijke tentoonstelling heeft de banden tussen Museum Schokland en de Schokkervereniging aangehaald en is een mooie opstap naar een verdere samenwerking tussen beide partijen. Daarnaast wordt de actieve gemeenschap, die samenkomt binnen de Schokkervereniging, die de verhalen van hun voorouders nog actief deelt en doorgeeft aan volgende generaties, beter zichtbaar als betrokken partij, of stakeholder, binnen Werelderfgoed Schokland.

De tentoonstelling ‘Schokkers en de ontruiming’ is t/m 2 maart te zien in de kerk en pastorie van Museum Schokland. Bezoekers die hun Schokker afkomst vermelden bij de kassa, krijgen een potje met Schokker grond mee naar huis. Reacties op de tentoonstelling worden verzameld en zullen gedeeld worden met de Schokkervereniging. Meer informatie over de tentoonstelling is te vinden op museumschokland.nl. 

Een schuldige stad?

In Wim Wenders’ film Der Himmel über Berlin uit 1987 staat Homer centraal, een Joodse man, die als enige van zijn familie de oorlog overleefde. Zonder expliciet aan de holocaust te refereren, klinkt het naziverleden van de stad in de hele film door. Ook de muur, de deling van de stad na de oorlog, is niet meer dan een voortzetting van de Tweede Wereldoorlog, zo vertelt de film: als Homer over de Potsdamer Platz loopt ziet de kijker verwoesting, leegte en de Muur, maar Homer het Joods Berlijn van voor de oorlog, waarmee een onwerkelijk beeld wordt opgeroepen.

Na de val van de Muur in 1989 kwam Berlijn in een turbulente tijd terecht. De stad, met zijn krakers en ravefeesten, groeide uit tot hét modern-culturele centrum van West-Europa: eerst kunstenaars en vervolgens young urban creatives en tenslotte de start-ups wisten hun weg naar de herenigde stad te vinden. Als er een Europese stad gegentrificeerd is, dan is het wel Berlijn.

Der Himmel über Berlin (eigen foto, 2021)

Ook de naoorlogse Joodse gemeenschap wist haar weg terug naar Berlijn te vinden. Veel Joden uit de voormalige Sovjet-Unie kwamen naar de stad. Het laatste decennium trekken ook veel jongere Joden, voornamelijk Israëli’s, naar Berlijn.[1] Ze komen terecht in een stad waar de meeste sporen van de eeuwenoude Joodse geschiedenis zijn uitgewist. Een plaats met een schuldig verleden.

En daarvan is de Duitse samenleving zich terdege bewust. De naoorlogse identiteitscrisis – hoe heeft dit kunnen gebeuren? – mondde al gauw uit in een gevoel van schaamte, waarmee de naziperiode en daaruit voortkomende Sjoah in al zijn gruwelijkheid een onbespreekbare periode leek te worden. Ook de schuldvraag liet zich maar moeilijk beantwoorden. Waren de Duitsers niet ook slachtoffer geweest?[2]

Het opruimen van de puinhopen van de periode ’33 – ’45 leidde echter geenszins tot een breuk met het verleden. In het naoorlogse Duitsland was de oorlog iets alledaags geworden, een collectieve herinnering werd verdoofd door de wederopbouw: ook al kregen mensen met een discutabel verleden een nieuwe plek in het bestuur, ook al had ieder gezin wel een verhaal over de oorlog en de eigen schuld; de blik moest vooruit.

Plek van herinnering of toeristische attractie? (eigen foto, 2021)

Het zou tot de jaren ’80 duren tot er sprake zou zijn van een Erinnerungskultur. Na een fel debat tussen een conservatief progressief Duitsland ontstond geleidelijk een nieuwe vorm van herinneren, een beleving die verder ging dan het onbespreekbaar laten.[3] En uit deze nieuwe herinneringscultuur kwamen ook de moderne monumenten voort.

In 2001 werd het Jüdisches Museum Berlin, het Joods Museum in Berlijn, geopend, ontworpen door Libeskind. De Pools-Joodse architect geniet in Nederland voornamelijk bekendheid vanwege zijn ontwerp voor het onlangs gerealiseerde Holocaust Namenmonument aan de Weesperstraat. De gevel van het Joods Museum, waarin je een uitgevouwen Davidsster in zou kunnen herkennen, staat symbool voor de leegte die na de holocaust achterbleef in het straatbeeld van Berlijn.[4]

Het Joods Museum is behalve een klassiek, informerend museum een plaats die een onvergetelijke ervaring bij de bezoeker opwekt. Door de slimme architectuur en de zorgvuldig gekozen objecten maakt de bezoeker een reis waar negatieve emoties worden opgeroepen – welk effect ook te merken is tijdens een bezoek aan het Holocaust Namenmonument. Het gebouw laat de bezoeker verhouden tot het leed van de Joden in Duitsland. Deze intrinsieke ervaring is waar het Joods Museum bekend om staat.

Wie vanaf het Joods Museum de voormalige loop van de Muur richting het noordwesten volgt, ziet vlakbij de Brandenburger Tor 2711 betonnen blokken in het straatbeeld opdoemen. Maar je hoeft er niet naartoe om ze te zien, want dit monument ontbreekt in geen enkel Berlijns reisverslag op social media. Maar om deze plaats te ervaren moet je er wel echt zijn: loop er doorheen en je krijgt een algeheel gevoel van desoriëntatie en dissociatie.

Het monument leverde architect Peter Eisenman kritiek op, meest vanwege de abstracte vorm: het wijkt in alles af van traditionele monumenten. Het monument zou een nivellerende werking hebben, omdat het door de abstractie het leed niet goed zichtbaar maakt.[5] Maar laat het monument juist niet op een integere manier zien dat de Joodse gemeenschap ontegenzeggelijk deel uitmaakt van kosmopolitisch Berlijn, dat de Joodse gemeenschap meer is dan alleen de Sjoah, juist door de abstractie en inmiddels de vanzelfsprekendheid van het monument?

En symboliseert juist de moeizame discussie in aanloop naar de oplevering van het monument niet juist de moeilijke omgang van Duitsland met het verleden? Een voorbeeld: toen men er tijdens de bouw achter kwam dat de producent van de anti-graffiticoating tijdens de oorlog het beruchte Zyklon-B produceerde, werd de bouw tijdelijk stilgelegd, ontstond er commotie, volgde een onderzoek en een conclusie.[6] Juist dit voorval illustreert de complexe verhouding van Duitsland tot de oorlog. De maatschappelijke discussie over het herinneren ligt in het monument verankerd. 

Is het onzeglijke weer te geven in een monument of museum? Dat zeker niet. Maar de zin ‘Es ist geschehen, und folglich kann es wieder geschehen’ van de Italiaanse holocaustoverlevende en auteur Primo Levi[7], plaatst het monument onbedoeld misschien wel in de juiste context: zo vanzelfsprekend als de gedenkplaats nu is, voorbijkomend op vakantiekiekjes, zo vanzelfsprekend was het nationaalsocialisme en antisemitisme uiteindelijk voor velen – wat weer raakt aan Hannah Arendts theorie over de ‘banaliteit van het kwaad’. 

Zowel het Holocaustmonument als het Joods Museum doen een beroep op onze emoties, ons moraal, aan onze eigen verhouding tot de holocaust. Onmiskenbaar roepen beide plaatsen van herinnering vragen op en leidden ze tot discussie. Maar juist wanneer de beide monumenten ter nagedachtenis van de Joodse slachtoffers worden opgeleverd, krijgt Duitsland te maken met een kater van de eenwording: de grote verdeeldheid binnen het land, de grote verschillen in welvaart (voornamelijk tussen Oost en West) en vooral de mede daaruit voortkomende heropleving van extreemrechts.[8]

Is de Duitse bildung wel bestand tegen het hernieuwde gevoel van slachtofferschap? Is het herinneren aan de hand van beleven wel sterk genoeg om je te wapenen tegen het antisemitisme? En geven monumenten en musea voldoende antwoorden op de vragen van deze tijd?

Behalve bovengenoemde gedenkplaatsen zijn er veel meer plaatsen in Berlijn die zich bezighouden met herinneren, representatie en educatie. Op de grens tussen voormalig Oost en West, waar nog een stuk van de muur overeind staat, is in het voormalig hoofdkwartier van de Gestapo het Topographie des Terrors gevestigd, dat behalve een documentatiecentrum ook tegelijkertijd een museum en gedenkplaats is.[9]

Topographie des Terrors (eigen foto, 2021)

Wie de vaste tentoonstelling bezoekt krijgt een klap in het gezicht. De bezoeker ervaart het verloop van terreur in Duitsland[10] (de opkomst van het nationaalsocialisme, de Tweede Wereldoorlog en de terreur van de Jodenvervolging, de moeizame denazificering van West-Duitsland en de gelijktijdige communistische terreur in Oost-Duitsland na de oorlog) aan de hand van ‘droge’ objecten in een sobere tentoonstellingsruimte. 

De werkelijkheid aan de hand van bronnen, die de bezoeker met vragen – maar ook met kennis – achterlaat. De kracht van de tentoonstelling zit in het tonen van foto’s, krantenartikelen en pamfletten, waarbij je zou kunnen denken: ja, het is gebeurd en het kan weer gebeuren.

Topographie des Terrors (eigen foto, 2021)

Maar weer rijst de vraag of een gedenkplaats wel genoeg is om de verschrikkingen van de holocaust te kunnen begrijpen en daar lessen uit te trekken? En dat is een retorische vraag, natuurlijk. Maar misschien brengen al die pogingen bij elkaar wel een klein stapje in de goede richting en is juist het immer worstelende Berlijn als stad wel het beste monument. Een schuldige stad.


[1] A. Wals, “Een groeiende groep Israëliërs trekt naar Berlijn: ‘Hier kan ik ademen’”, De Volkskrant, 8 januari 2021, https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/een-groeiende-groep-israeliers-trekt-naar-berlijn-hier-kan-ik-ademen~bc2fce02/, geraadpleegd 2 juni 2022. 

[2] M. Schoonenboom, “Begin van een beter land”, Groene Amsterdammer, 16 april 2020, 38-41.

[3] Ibidem.

[4] J. Huisman, “Vul de leegte met leegte Daniel Libeskind ontwerpt het Joods Museum in Berlijn” (versie 5 september 1997), https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/vul-de-leegte-met-leegte-daniel-libeskind-ontwerpt-het-joods-museum-in-berlijn~bcde1248/, geraadpleegd 10 mei 2022.

[5] H. Roth, “Monumentaal Berouw” (versie 1 september 2020), https://www.rektoverso.be/artikel/monumentaal-berouw, geraadpleegd 12 mei 2022.

[6] Trouw, “Monument Holocaust” (versie 14 november 2003), https://www.trouw.nl/nieuws/monument-holocaust~be96d963/, geraadpleegd 2 juni 2022.

[7] DW, “Ein Mahnmal als personalisierte Geschiechte” (versie 10 mei 2005), https://www.dw.com/de/ein-mahnmal-als-personalisierte-geschichte/a-1578044, geraadpleegd 8 mei 2022.

[8] A. Maier, “Fantoompijn in het Oosten”, Groene Amsterdammer, 25 juli 2019, 28-32.

[9] Topographie des Terrors, “Dokumentationszentrum Topographie des Terrors” (versie onbekend), https://www.topographie.de/en/topography-of-terror/, geraadpleegd 20 april 2022.

[10] Ibidem.

(Bovenstaande tekst is een bewerking en samenvatting van een eerder geschreven essay als opdracht tijdens mijn studie aan de Reinwardt Academie, bij een bezoek aan Berlijn in 2021)

Dit huis is op een rots gebouwd

Ik heb de eer mij ‘stadsdichter’ van Urk te noemen. Wat dit inhoudt: zo nu en verschijnt er een gedicht van mij in de plaatselijke courant en ik draag weleens een gedicht voor bij een belangrijke gebeurtenis. Het wordt echt leuk als anderen met je werk aan de slag gaan. Dat gebeurde de afgelopen weken: zes jonge Urker kunstenaars (‘JUK’) maakten werk rondom mijn gedicht ‘Dit huis is op een rots gebouwd’, dat ik in 2021 schreef om een kunstmanifest vanuit de gemeenschap kracht bij te zetten.

Vandaag opende de mini-expositie in Museum het Oude Raadhuis. Hier begon JUK vijf jaar geleden met een eerste kunstmanifestatie. Sindsdien organiseren we ieder jaar een makersdag, kunstroute door het oude centrum of een expositie.

Er is geen bloeiende kunstscene op Urk, er gaat mijns inziens relatief weinig geld naar kunst en cultuur en voor jonge makers is er niet echt een podium. Dit begint te veranderen sinds de komst van Plein 1890, een lokale galerie, en sinds SCAB thema-avonden voor jongeren houdt. Met de gedachte dat representatie belangrijk is: als je iemand ziet die serieus met kunst bezig is, dan is naar de kunstacademie gaan misschien niet zo’n heel gek idee.

Mooi dus om ieder jaar het werk van de jonge Urker makers – zowel professionals als amateurs – te zien. Dit jaar maakten Salam Kadhim, Hinke Brouwer, Jennie Koffeman, Johan Steller, Pieter Brouwer en Laura Zijlstra beeldend werk bij mijn gedicht. Het gedicht werd in stukken geknipt: ieder werk verhoudt zich tot een deel van het gedicht. Je moet van Urk komen om alle referenties te begrijpen, maar ik heb destijds wel geprobeerd het gedicht een universeel karakter te geven.

Dit huis is op een rots gebouwd

Tekenles. Hier heb ik een lijn getrokken. Nog een keer het hoekje om. Het lijntje wordt een vierkant. Het vierkant wordt een kubus. Dak erop: de kubus wordt een huisje. Tuintje achter, straat van voren, rondom kan wel een leiboom groeien, stokroos bloeien. Op het dak een makelaar. Huisje klaar.

Een huis hoort aan een weg te staan. Prins Hendrikstraat of Raadhuisstraat, Oude Dijk of Staartweg, Vlaak, stuk grond waar nu mijn wiegje staat. Ik zie de weg: er lopen mensen. ‘Dag’, zwaai ik. Bedenk de kachel aan, laat de wereld langs de ramen gaan, want ik heb nog zoveel wensen.

Hier kan mooi een boekenkast. Plank vol oude, maar ook nieuwe schrijvers, boeken die ik niet mag missen, tal van stenen in de vijvers. Plaats voor dichters die de woorden schikken, denkers die de wonden likken. Nog een plank: de Bosatlas. Ik kijk waar Nova Zembla ligt en voel mij Gerrit Westerneng,

aardbol plots wat minder eng. De muren dan, nog wit en kaal, een canvas voor een groot verhaal. Ik maak een spieraam, breed en sterk, span het doek en ga aan ’t werk. Leyden, Sluijters, Lussenburg, Van Mastenbroek, aangenaam! Zovelen zijn u voorgegaan. Terpentijn en handen schoon, aan de muur een monochroom

van blauw op blauw. De zee zo heilig, zo onveilig, altijd in mijn hart gesloten. Dit huis is op een rots gebouwd. Want als ik in de kelder kijk, met mijn handen langs de muren strijk, voel ik keileem als een vaste basis. De bodem is een tijdmachine: fossielen, keien, weerspiegeling, zoveel leven in een laagje aarde. Zoveel meer nog

is van waarde: ik voel de kennis door mijn aderen stromen, leer verhalen die ik nooit kon dromen. Het houdt de bruine ratten buiten, doet vrienden in mijn armen sluiten. Dan nog slechts een naam verzinnen. Het Wakend Oog. Een huis voor eeuwen.

Ook dit jaar stelde Museum het Oude Raadhuis weer een ruimte beschikbaar, waarvoor dank. De expositie is tot en met eind november te zien.