‘Urker’ oorlogsverhalen en de Eerebegraafplaats Bloemendaal

In de duinen bij Overveen ligt de Eerebegraafplaats Bloemendaal. Langs de Zeeweg, richting de kust, vind je de ingang. De begraafplaats wordt geflankeerd door een groot ruwhouten kruis.

Eerebegraafplaats Bloemendaal. Eigen foto, 2018.

Na de bevrijding keerden veel verzetsleden niet terug naar hun families. In de zomer van 1945 werd in 45 grafkuilen in de duinen, verdeeld over zes verschillende plaatsen, de stoffelijke overschotten gevonden van 422 mensen.

De herbegrafenis moet een helse klus zijn geweest. De gefusilleerden waren nog nauwelijks te herkennen.

‘Oud, jong, bankier, los werkman, rechtbankpresident, drogist, familievader, trotse homo, communist, gereformeerde, beeldhouwer, boerenknecht. Een typische dwarsdoorsnede, kortom, van het verzet in westelijk Nederland’, aldus Geert Mak op 5 mei 2006 in NRC Handelsblad.

Op de sobere begraafplaats, die zo prachtig aansluit bij de natuur, zijn bekende namen terug te vinden, zoals Hannie Schaft (overigens de enige vrouw op de begraafplaats) en Gerrit van der Veen. De Eerebegraafplaats werd zo ingedeeld, dat zij die op dezelfde plaats gevonden werden, ook bij elkaar herbegraven werden.

Opvallend veel van de verzetsmensen waren afkomstig uit de Zaan, de Zaanstreek. En ontzettend veel gefusilleerden waren communist, of hervormd of gereformeerd.

Gedenkplaten met tekst van Van Randwijk. Eigen foto, 2018.

In 1953 wilde men een gedenkteken op de begraafplaats laten verrijzen. H.M. van Randwijk leverde twee opties aan, een stuk proza en een gedicht. De keuze viel op het proza en de krachtige tekst werd op vier platen op de begraafplaats aangebracht.

‘Tegen het geweld des vijands stelden zij overtuiging en geloof, tegenover het Germaanse heidendom het getuigenis van Christendom en Humanisme, tegenover de georganiseerde millioenen de onvervangbare waarde van den mens. […] Bedenk, dat hetgeen gisteren bedreigd werd, heden en morgen opnieuw in gevaar kan verkeren. Bescherm het en wees waakzaam.’

Het gedicht, dat een plek op de begraafplaats niet haalde, zou overigens later nog bekender worden. De slotregels daarvan luiden: ‘een volk dat voor tirannen zwicht, / zal meer dan lijf en goed verliezen, / dan dooft het licht.’

Willem Arondéus

Het was in de lente van 2018, toen ik, in de IHLIA-sectie in de Openbare Bibliotheek in Amsterdam, met mijn neus in de biografie (door Rudi van Dantzig) over Willem Arondéus zat. Deze verzetsstrijder en openlijk homoseksueel had voor de oorlog twee jaar op Urk gewoond.

Arondéus was dikwijls ongelukkig en geplaagd door psychische problemen. Maar zijn psychische en financiële zorgen maakten niet dat hij zijn kunstenaarschap opgaf. Op Urk kon hij zich rond 1920 in afzondering op zijn werk storten. Tot grote doorbraken in de kunst leidde dit echter niet.

Wel was hij ook op Urk openlijk over zijn geaardheid, iets dat in die jaren een groot taboe was in het hele land. Geïnspireerd door de poëzie van P.C. Boutens schreef hij op het eiland, waar hij ondanks zijn depressies ook dikwijls gelukkig was, een bundel met twintig gedichten, waarin hij gewag maakte van zijn verhoudingen met twee Urker mannen.

Twintig jaar na zijn periode op Urk brak de oorlog aan. Arondéus verzette zich moedig tegen de bezetter. Hij schreef al in 1942 de ‘Brandarisbrief’, een pamflet waarin hij kunstenaars opriep zich te verzetten tegen de bezetter.

Het daaropvolgende jaar blies hij, met leden van de verzetsgroep Gerrit van der Veen, het bevolkingsregister aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam op.

Arondéus werd opgepakt en gefusilleerd. Vlak voor zijn dood wendde hij zich tot zijn advocate en vroeg haar: ‘Zeg de mensen dat homoseksuelen niet per definitie zwakkelingen zijn’.

Gedenksteen Willem Arondéus. Eigen foto, 2018.

Hoewel Arondéus leider van de actie was, zou vooral Gerrit van der Veen na de oorlog herinnerd worden. Waarschijnlijk paste Arondéus als homoseksueel niet in het na-oorlogse herdenkingsnarratief. Ook Frieda Belinfante, homoseksueel en dochter van een joodse vader, die de oorlog overleefde, kreeg weinig erkenning.

De aanslag op het bevolkingsregister was één van de grootste verzetsdaden in ons land. Tijdens de aanslag werd overigens, opzettelijk, geen enkele Duitser omgebracht. In 1946 werd op de gevel van het bevolkingsregister een gedenkplaat aangebracht.

Ik kwam erachter dat Arondéus begraven ligt op de Eerebegraafplaats. Als jongen ‘uit het oosten’ had ik nog nooit van deze begraafplaats gehoord en ik kwam erachter dat het op slechts een kwartier fietsen van mijn toenmalige appartement in Zandvoort lag.

Roelof Tiede Oost

Op die lentedag in 2018, op zoek naar Arondéus, viel mijn oog op een mij bekende naam: Roelof Tiede Oost. Niet dat ik wist om wie dit ging. Nee, mijn overgrootvader droeg dezelfde naam. Familie?

Roelof Tiede Oost was een gewone man met een buitengewone moed. Samen met zijn gezin woonde hij in Medemblik, waar hij werkte als portier en later als klerk in het Provinciaal Ziekenhuis. Daarnaast vervulde hij een administratieve rol bij het ziekenfonds. Maar in de loop van de Tweede Wereldoorlog werd hij veel meer dan dat: een uitgesproken tegenstander van de NSB en de Duitse bezetter.

Vanaf 1942 raakte Oost actief betrokken bij het verzet. Hij hielp onderduikers door hen onderdak te bieden en zorgde ervoor dat zij veilig konden blijven. Daarnaast verspreidde hij verboden kranten, waaronder het verzetsblad Vrij Nederland.

In de laatste maanden van de oorlog gebruikte hij een verborgen radiotoestel in het ziekenhuis om naar de Engelse zender te luisteren. Hij noteerde belangrijke berichten, typte ze uit en verspreidde ze onder vertrouwde collega’s en bekenden. Het was gevaarlijk werk, en begin 1945 werd de dreiging te groot: hij moest onderduiken.

Op 14 februari 1945 dacht Oost dat het weer veilig was om zich buitenshuis te begeven. Hij had het mis. In zijn eigen woning werd hij gearresteerd en opgesloten in Alkmaar. Later werd hij overgebracht naar het Huis van Bewaring in Amsterdam, waar hij op de lijst van Todeskandidaten werd geplaatst – mensen die geëxecuteerd zouden worden als vergelding voor verzetsdaden.

Op 12 maart 1945 werd het vonnis voltrokken. Samen met 29 anderen werd Roelof Oost gefusilleerd bij het Eerste Weteringplantsoen in Amsterdam, als represaille voor de moord op een Duitse officier, Ernst Wehner.

Gedenksteen Roelof Tiede Oost. Eigen foto, 2018.

Roelof Tiede Oost was geboren op Urk, Nederlands Hervormd… en was inderdaad een volle neef van mijn overgrootvader.

Harm Hendrik Gerssen

Terwijl ik over de begraafplaats liep, zo sereen en tegelijkertijd zo indrukwekkend, viel mijn oog op nog een gedenksteen. Harm Hendrik Gerssen. Een Urker naam, dacht ik direct.

Net als veel andere Urkers kwam de gereformeerde Gerssen in de Zaanstreek terecht. Daar was voldoende werk te vinden. De Urkers vormden er in sommige plaatsen zelfs een gemeenschap binnen een gemeenschap. Tot begin 1942 werkte Harm Gerssen als fabrieksarbeider bij Stijfselfabriek De Bijenkorf in Koog aan de Zaan. Daarna koos hij voor een zelfstandig bestaan als vishandelaar.

Gerssen sloot zich tijdens de oorlog aan bij de verzetsgroep Koog-Bloemwijk, een moedige groep strijders die overvallen pleegde om persoonsbewijzen en bonkaarten te bemachtigen voor onderduikers. Een van de meest gedurfde acties vond plaats op 9 november 1943. Samen met zijn kameraden overviel hij het politiebureau, distributiekantoor en raadhuis van Oegstgeest.

De buit was: 14.000 bonkaarten, honderden blanco persoonsbewijzen, duizenden zegels en een geldbedrag van bijna 1.500 gulden. Een deel van de bonkaarten werd op Urk afgestempeld en verspreid onder degenen die ze het hardst nodig hadden.

Maar daar stopte het niet. Op 11 januari 1944 nam Gerssen deel aan een overval op het postkantoor in Purmerend, waarbij distributiebescheiden en maar liefst 22.000 gulden werden buitgemaakt.

Gedenksteen Harm Hendrik Gerssen. Eigen foto, 2018.

Ook sabotage was een belangrijk onderdeel van zijn verzet. In januari 1944 hielp hij bij een poging een vrachtschip in aanbouw – bedoeld voor de Duitse Wehrmacht – in brand te steken op scheepswerf Czaar Peter in Zaandam. Daarnaast zette hij zich in voor geallieerde vliegers die in Nederland waren neergekomen. Hij bood hen tijdelijk onderdak en hielp hen de grens over naar veiliger gebieden.

Op 22 januari 1944 sloeg het noodlot toe. Door verraad van een V-mann – een infiltrant die verzetsgroepen uitleverde aan de bezetter – werd Gerssen in zijn eigen huis gearresteerd door de Sicherheitspolizei. Zijn strijd eindigde een maand later. Op 23 februari 1944 werd hij, samen met zes andere verzetsleden, geëxecuteerd in de duinen bij Overveen.

Jacobus Jozef Heijdra

Tijdens het schrijven van dit artikel, zeven jaar na het bezoek aan de begraafplaats, ontdekte ik dat op de Eerebegraafplaats nog iemand met ‘Urker banden’ begraven ligt: Jacobus Jozef Heijdra.

De rooms-katholieke Heijdra was in dienst van de marechaussee en het Amsterdamse politiekorps. In die functie kreeg hij in 1942 de opdracht om Joden op te pakken. Maar Heijdra weigerde dit en dook onder in de Zaanstreek. In de onderduik sloot hij zich aan bij bovengenoemde verzetsgroep Koog-Bloemwijk.

Hij hielp Joodse landgenoten met het vervoer naar hun onderduikadres. In de buurt van Urk hielp hij met het opsporen van neergestorte geallieerde vliegers. Misschien wel samen met Gerssen?

In 1943 hiel Heijdra twee gewonde verzetsmensen uit het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam te ontsnappen. Ook was hij betrokken bij de bevrijding van een medewerker van verzetskrant Trouw. Helaas mislukte die actie.

Ook nam Heijdra deel aan de eerdergenoemde overval in Oegstgeest. Hij werd net als Gerssen verraden en ook gefusilleerd op 23 februari 1944.

Vergeten verhalen

Deze verhalen vertellen iets over hoe we de oorlog herinneren en herdenken. Op Urk kennen we onze ‘eigen’ oorlogshelden. Zoals de Engelandvaarder Pieter Hakvoort. De broer van mijn overgrootvader, Jan Ras, kwam niet uit de concentratiekampen terug. Ook zijn naam is op het Urker ‘monument voor gevallen Urkers’ terug te vinden.

In 1995, vijftig jaar na de oorlog, werden de drie namen toegevoegd van Joodse bewoners van Urk: de familie Kropveld. Ook dit zegt iets over welke verhalen we herinneren, op welk moment in de tijd.

Geboren Urkers of oud-inwoners Oost, Gerssen en Arondéus staan niet op het Urker oorlogsmonument genoemd, omdat ze tijdens de oorlog niet op Urk woonden. Misschien dat daarom hun aandeel in de oorlog op Urk niet gemeenschapsbreed bekend is.

Misschien moeten we daarom de komende 4 mei ook eens in gedachten stilstaan bij de ‘Urkers’ op de Eerebegraafplaats in Bloemendaal.

Over Oost en Gerssen valt voor mij nog genoeg uit te zoeken. Ik zou bijvoorbeeld graag meer willen weten over de contacten tussen Gerssen en Urk. Op 4 mei 2024 verscheen in ‘Het Urkerland’ trouwens een mooi portret van Roelof Tiede Oost.

Veel van de biografische gegevens uit bovenstaand artikel zijn terug te vinden op de website van de ‘Stichting de Eerebegraafplaats te Bloemendaal’. Over Willem Arondéus schreef ik eerder op mijn blog. De ‘Stichting Urk in Oorlogstijd’ beheerde een informatieve website over de Tweede Wereldoorlog en Urk, helaas zijn veel van de verhalen van hun website verdwenen.

Een monument voor prima mensen

Het duurt even voor we het monument vinden. K. en ik rijden op een mistige zaterdagmiddag over het ‘Lowlandsweggetje’, langs de dijk bij Biddinghuizen. ‘Het zou hier ergens moeten zijn…’

Dan doemt uit de mist, op de rand van de Flevopolder, een brutalistisch kunstwerk op. Het heeft iets weg van een communistisch monument. Beton. Op een hoge plek. Een ster… van vijf meter hoog… met twee uitgestoken duimen. Direct giert door onze lijven een gevoel van verrukking.

Het ‘Monument voor prima mensen’ is een werk van de Nederlandse kunstenaar Domenique Himmelsbach de Vries. Het monument wordt onthuld in november 2014. De twee opgestoken duimen zijn een verwijzing naar het ‘like’-symbool op sociale media, aldus de sympathieke kunstenaar.

Uit de tekst op zijn website begrijp ik dat het doel van het monument is om bijzondere, vaak onbekende en meestal levende mensen en hun verhalen te eren en zo een alternatieve en eigentijdse geschiedenis te schrijven waaraan het publiek kan bijdragen.

Aan de voet van het monument zien we tegels met namen liggen. Ze zijn geplaatst ter ere van de ‘prima mensen’. We vragen ons hardop af voor wie we zo’n steen zouden kopen.

‘Monument voor prima mensen’, Domenique Himmelsbach de Vries, 2014. Eigen foto, 18 januari 2025.

Himmelsbach de Vries: ‘[Het monument is] een betonnen hommage voor de prima mens; een gedenkplek voor inspirerende vuilnismannen, kunstenaars, schrijvers, goeroes en vrienden. Het monument moet Nederland tot vers optimisme inspireren en dienst doen als verbindend verhaal tussen prima mensen.’

Onwillekeurig moet ik aan Reve’s ‘Roeping’ denken:

Zuster Immaculata die al vier en dertig jaar
verlamde oude mensen wast, in bed verschoont,
en eten voert,
zal nooit haar naam vermeld zien.
Maar elke ongewassen aap die met een bord: dat hij
vóór dit, of tegen dat is, het verkeer verspert,
ziet ‘s avonds reeds zijn smoel op de tee vee.
Toch goed dat er een God is.

Dan staat het beeld ook nog eens op de grens van het oude en het nieuwe land. Is het misschien ook een ode aan de hardwerkende eerste Flevolanders? Wie weet, want de namen van de vroegste bewoners van Biddinghuizen zijn op de tegels terug te vinden.

En ergens spookt toch wel dat communistische ideaal, zowel in Flevoland als in dit kunstwerk. Maar het monument propageert geen onbereikbaar ideaal, het neemt genoegen met ‘prima’.

In het gedicht van Reve krijgt de lezer sympathie voor de zuster. De God van Reve grijpt echter niet in. Misschien zijn zowel de zuster als de aap nodig in onze samenleving. Zou dat zijn wat Reve ons wil zeggen?

Himmelsbach de Vries is er duidelijk over: ‘Het monument kan gebruikt worden als tool om sociale cohesie te bevorderen […]. Een betonnen verbinding, een concrete connectie tussen hen wie prima zijn.’

Wij vinden het in ieder geval helemaal prima.

Toch goed dat er ook kunst is.

Hoe we de herinnering aan de Zuiderzee levend kunnen houden

‘Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven, / Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’, / Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven / Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.’

Zo begint het bekendste gedicht van de Urker dorpsdichteres Mariap (Marretje) van Urk-Koffeman (wiki). Een emotioneel afscheid van een geliefde en gevreesde zee.

‘In de weer’ voor Mariap, woensdag 22 januari jl.

Afgelopen woensdag gaf ik, op uitnodiging van Herderewich, in Harderwijk een lezing over mijn overgrootmoeder Mariap.

Ik moest even nazoeken wanneer ik zoiets voor het laatst deed. Dat was alweer zes jaar geleden! Ik publiceerde daarna een bewerking van mijn lezing elders op deze website.

Er is een aardige stapel boeken verschenen over de Zuiderzee. Zo verschenen bijvoorbeeld ‘Eens ging de zee hier tekeer‘ en ‘Het eiland van Anna‘ van Eva Vriend. De bewoners van de kusten van de Zuiderzee, en hun nazaten, kregen dankzij deze boeken, het grondige onderzoek van Vriend, weer een stem.

Ronald Nijboer schreef ‘Wereldzee in de polder‘: een ontdekkingsreis langs de IJsselmeerregio, in het voetspoor van Henry Havard. Honderdvijftig jaar na het bezoek van Havard aan de Zuiderzeeplaatsen onderzoekt Nijboer hoe we zijn omgegaan met ons landschap en onze cultuur, mede aan de hand van gesprekken met bewoners.

Ook verscheen ‘Duivelseiland‘, van Mandy van Dijk. Ze deed uitgebreid en waardevol onderzoek naar op Urk geïnterneerde officieren tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Deze boeken dragen bij aan de aandacht voor de geschiedenis van de Zuiderzee. Hoe herinneren we ons de in 1932 verdwenen binnenzee eigenlijk? En was er tijdens de afsluiting en inpoldering van ‘ons zeetje’ eigenlijk aandacht voor die bewoners van de Zuiderzeeplaatsjes, de ecologische gevolgen, het verdwijnen van cultureel erfgoed?

Ze dragen ook bij aan mijn eigen onderzoek naar Mariap van Urk. Ze brengen nieuwe inzichten en maken dat ik gebeurtenissen beter kan plaatsen en met steeds meer zekerheid met elkaar in verband kan brengen.

Ook het onderzoek van Babs Boter naar Mary Pos, en de ontvangen mailtjes over Mariap en Mary, deden mij in de afgelopen jaren beter begrijpen met wie Mariap contacten onderhield.

Mary Pos was, net als Mariap, een mediapersoonlijkheid. Toch verstomden in de loop van de tijd hun stemmen. (Afgelopen woensdag was er in de zaal toch één persoon die de naam Mary Pos iets zei.)

De kracht van je stem, daar kon ik de lezing mooi mee openen. Lucia de Vries, die zo bijzonder veel onderzoek doet naar de Urker geschiedenis, ontsloot op haar website het verhaal van Lammertje Kramer. Iedereen in de zaal herkende Aletta Jacobs. Maar de naam van haar dienstmeisje Lammertje? De kracht van je stem wordt niet alleen bepaald door of je bijvoorbeeld man of vrouw bent, maar ook bijvoorbeeld door je sociale klasse, familiebanden, religie, huidskleur.

Een dankbaar bruggetje naar Mariap. De jonge Mariap gaat begin vorige eeuw ook ‘dienen’. Zwaar en ondankbaar werk, waarbij de ongelijke verhouding tussen werkgever en dienstbode altijd aanwezig is. (De podcast ‘Mina en mevrouw’ van Maartje Duin maakt dit onderwerp prachtig invoelbaar.)

In aanloop naar mijn afstuderen aan de Reinwardt Academie hoefde ik niet lang over een onderwerp na te denken. Wat betekent het fysisch antropologisch onderzoek, de roof van menselijke resten door wetenschappers, en de teruggaaf van de schedels, voor de inwoners van Urk?

Door de eerste coronalockdowns had ik niet de ruimte om het onderzoek breed uit te voeren. Het onderzoek bleef beperkt tot interviews met betrokkenen en bureauonderzoek. (Zo zou ik bijvoorbeeld de betrokken erfgoedinstellingen nog graag in het onderzoek willen meenemen. Misschien kan ik er daarna nog eens over publiceren.)

Ik kan dankzij dit onderzoek nu bijvoorbeeld inzichtelijk maken hoe de bewoners van de voormalige Zuiderzeeplaatsen werden uitgesloten van een plek in het ‘nieuwe land’, mede aan de hand van de bevindingen van de wetenschappers. Dat sprak ook de Harderwijker toehoorders aan. Dergelijk onderzoek werd in 1956 nog gedaan in Elburg.

Waar ik de laatste maanden meer over ben gaan nadenken: de ecologische gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee. Hoe had Mariap het gevonden dat de Waddenzee bijvoorbeeld nu UNESCO Werelderfgoed is? Hoe kunnen we met terugwerkende kracht de uitzonderlijke waarden van de Zuiderzee benaderen? Op het strand van Urk lagen zeehonden, er was eb en vloed, een rijk ecosysteem. De Zuiderzee als levend onderdeel van onze delta.

In de presentatie liet ik het volgende citaat zien: ‘De aanleg van de Afsluitdijk in 1932 is een huzarenstuk in onze strijd tegen het water. Tegelijk is het één van de grootste ecologische rampen die ons land ooit trof. Want hoe indrukwekkend dit iconische en meer dan dertig kilometer lange bouwwerk ook is, het betekende het einde van de Zuiderzee. En daarmee van een unieke binnenzee met bijzondere planten en dieren. De geleidelijke overgang tussen rivier en zee werd teruggedrongen tot één lijn.’ (Rijkswaterstaat, ‘Project Afsluitdijk. Aandacht voor de natuur’. December 2021.).

Ik kon in een volgende slide verwijzen naar de uitkomsten van het recente onderzoek ‘Afsluitdijk decimeerde biodiversiteit Zuiderzee en IJsselmeer’, door Jan-Eike Rossius, Maarten Kleinhans en Katja Philippart, waarover ze in maart 2023 publiceerden in het tijdschrift De Levende Natuur.

Toevallig las ik vandaag in NRC een artikel van eerdergenoemde Ronald Nijboer, dat afgelopen vrijdag verscheen. In ‘Hoe mijn oma haar horizon verloor‘ gaat Nijboer in op de beleving van natuur en landschap en de ecologische gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee. Zo’n goed geschreven essay, waarin verschillende invalshoeken worden uitgelicht, maakt dat ik beter begrijp hoe ik de stellingname in de twintigste eeuw tegen de Zuiderzeewerken op waarde kan schatten.

Terug naar de lezing. Richting het einde vroeg ik het publiek: ‘had Mariap van Urk misschien toch een klein beetje gelijk dat die Afsluitdijk er niet had moeten komen?’

Het voorkomen van de Afsluitdijk, en voorkomen dat die zee ingepolderd zou worden, kon ze in ieder geval niet. In een gedicht beschrijft Mariap een baggermolen van de Zuiderzeewerken: ‘Men vroeg mij vele malen / om in een dicht of lied / de molen uit te malen, / helaas, ik kan het niet!’.

Maar haar verslaglegging van de inpoldering en het eilandleven in proza en poëzie, haar verzet tegen de inpoldering, haar inzet voor het behoud van het immateriële en materiële erfgoed van Urk en de Zuiderzee, haar veelkleurige mediapersoonlijkheid, haar gigantische netwerk, maken Mariap tot een belangrijke stem in de geschiedenis van de Zuiderzee.

Maar neem het maar eens op tegen een Cornelis Lely en consorten. En het narratief van ‘Waar wij steden doen verrijzen‘.

Wat bijzonder om met een groep mensen, zoals afgelopen woensdag in Harderwijk, over zulke onderwerpen na te kunnen denken. En goed om af en toe eens stil te staan bij het belang van onderzoek door historici, schrijvers, journalisten, wetenschappers – zolang het maar geen schedelmeters zijn.

Mariap moest eens weten: de Zuiderzeegeschiedenis is hot.

‘Onze wateren, van het IJsselmeer en de Waddenzee tot aan de Noordzee, worden almaar verder volgebouwd. Nederland kent een geschiedenis van ingrijpende veranderingen in het landschap. Iedere halve eeuw ziet de landkaart er weer anders uit dan daarvoor. Dat zal over vijftig jaar niet anders zijn. We kijken daarbij vooral vooruit, zonder stil te staan en om te kijken wat er allemaal verloren gaat. Zonder te begrijpen in wat voor land onze ouders en grootouders leefden. Bij het vormgeven van onze toekomst kan het geen kwaad om af en toe eens door de ogen van onze grootouders te kijken.’

Zo besluit Ronald Nijboer zijn essay. Met een prachtige slotzin.

Laten we inderdaad eens wat meer door de ogen van onze (over)grootouders kijken. En houden we niet alleen de herinnering aan de Zuiderzee levend, maar ook aan al die mensen die, soms tegen de keer, zich ingezet hebben voor al het erfgoed, de verhalen en de gemeenschappen rondom dat zeetje.

Eerder verscheen de tekst van een korte een ingekorte lezing uit 2019 over Mariap van Urk elders op mijn blog. De grootvader van Mariap komt aan bod in mijn artikel over het Dialecticon. Een artikel over Mariap en de dijken van de Noordoostpolder verscheen eerder deze week.

Daar werd een dijk gelegd

Op 3 oktober 1939 om 14.44 uur wordt het laatste gat in de dijk tussen de Lemmer en Urk gedicht. Urk is vanaf dat moment geen eiland meer, maar een schiereiland. Het zal onderdeel worden van de latere Noordoostpolder, welke in 1942 droogvalt.

In 1936 begint de aanleg van de, in totaal, 55 kilometer lange ringdijk rond de toekomstige Noordoostpolder, onderbroken door het eiland Urk. In het IJsselmeer worden meetpunten voor het dijktracé uitgezet en bij de Lemmer en Urk worden werkhavens aangelegd.

Er is veel belangstelling voor het werk. Tijdens een excursie in 1938 kan hoofdingenieur De Blocq van Kuffeler de verzamelde pers melden dat al 14 kilometer dijk is voltooid tussen de Lemmer en Urk.

Leve de oude Polygoonjournaals! Natuurlijk moet dit grootse verhaal, namelijk de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, goed gedocumenteerd worden. Het geeft Nederland in die jaren, de woelige crisisjaren (met oorlogsdreiging), een gevoel van trots.

In 1937 is de Zuiderzee al vijf jaar verleden tijd. Gestaag gaan de werkzaamheden verder. Na de Wieringermeer en de Afsluitdijk is het nu tijd voor de ‘Noord-Oostelijke Polder’. De beelden van de grijpers en het geweld van het water zijn indrukwekkend.

Twee jaar later, in 1939, is het al zover: de dijk is bijna gereed. Het ‘laatste schepje’ is een mooi nieuwshaakje, zo moeten de journalisten hebben gedacht. Bij de Afsluitdijk hebben ze immers hetzelfde gedaan.

Op 3 oktober 1939 is Urk geen eiland meer. Een mooie titel.

We zien de baggermolens en grijpers die de keileem ten behoeve van de dijk aanleveren. De kijker krijgt een beeld van het proces van de aanleg van de dijk, hoe de zinkstukken worden geplaatst en hoe puin en steen ter versteviging worden toegevoegd.

In een shot vaart een klein bootje door een van de laatste sluitgaten, waarin de sterke stroming te zien is. De sluiting van het laatste gat komt in zicht, schepen zijn feestelijk gedecoreerd met vlaggetjes.

Een vrouw in Urker klederdracht houdt een grote Nederlandse vlag vast. We zien een schip van Zanen & Verstoep, met zwaaiende arbeiders. De burgemeesters van Urk en de Lemmer drukken elkaar de hand op een smalle plank.

Daarna een shot van een Urker man, op zijn rug gefilmd, kijkend naar de nieuwe dijk, waarmee zijn eiland ophoudt te bestaan. Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij!

Tenslotte een Urker vrouw (waarvan ik vrij zeker ben dat het mijn overgrootmoeder Mariap van Urk-Koffeman is) die de was uithangt, met de dijk op de achtergrond.

In ieder geval staat vast dat dorpsdichteres en erfgoedhoedster Marretje van Urk-Koffeman (wiki) (blog) bij de feestelijke gebeurtenis aanwezig is. Ze staat zelfs prominent op het schilderij ‘Het laatste schepje’ van Van Mastenbroek, gemaakt in 1939-40. Van Mastenbroek deed beeldend verslag van het grote nationale wonder.

‘Het laatste schepje’, Van Mastenbroek, 1939-40. Enkhuizen: Zuiderzeemuseum / Zuiderzeecollectie.

Op het schilderij zien we deftige mannen in het zwart en werkvolk met lichtere kleren aan. En Mariap van Urk in Urker klederdracht. Het is geen gekke gedachte dat het Mariap is aan het einde van de film, natuurlijk zou ze ja zeggen op de vraag of ze voor of na 3 oktober 1939 voor de camera haar was wilde ophangen.

De gebeurtenis zette Mariap aan tot het schrijven van haar meest bekende gedicht ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’, verschenen in haar gelijknamige dichtbundel in 1949.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven,
Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’,
Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven
Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; gedenken wij de doden,
Die eenzaam rusten in je stille schoot,
De vissers, die voor dagelijkse noden,
Zich waagden op je wiegelende vloot.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de wielen der gemalen,
Zij went’len dreunend aanstonds, dag en nacht
En rusten niet, aleer gij drooggemalen,
Al bloeiend in cultuur zult zijn gebracht.

Vaarwel mijn Zuiderzee; wij zullen niet versagen,
Uw stervenswee een nieuwe toekomst baart,
Waaraan wij bouwen: en waarop wij vragen
Gods zegen! Die aan arbeid is gepaard.

Als de socialistische VARA op 11 juli 1940 een bezoek brengt bij de gereformeerde dichteres, laat zij haar kinderen liedjes zingen en spreken de journalisten met Mariap op onderhoudende toon. In hetzelfde interview draagt Mariap haar gedicht voor, in een nog wat andere vorm dan hoe het uiteindelijk gepubliceerd zou worden.

We zitten dan al in de Tweede Wereldoorlog, de VARA zou niet veel later worden overgenomen door de gelijkgeschakelde Rijksradio-omroep. Het werk in de polder ging gewoon door: de bezetter zag zo’n mogelijke graanschuur ook wel zitten.

De dijk tussen Urk en Kadoelen (de ‘Kaamperdik’) komt 13 december 1940 om 13.52 uur klaar. Ook hier is Mariap getuige van. De stemming is dan wel iets anders dan bij de sluiting van de eerste dijk: nu geen vlagvertoon, maar een sobere viering.

Op rijm, uiteraard, doet ze verslag van de sluiting. ‘Een dag gelijk aan alle and’re dagen’. Wat opvalt is haar ontzag voor de ingenieurs en arbeiders, die de plannen uitvoeren waar Mariap eerst zo hevig tegen protesteerde. En dan haar patriottisme! ‘O, Hollands ras! Zoo taai en onbewogen’. Toch geen ongevaarlijke passage ten tijde van schrijven…

‘Het laatste sluitgat’, Marretje van Urk-Koffeman, 1940. Urk: privéarchief.

Onder redactie van de zoon van Mariap van Urk, dorpshistoricus Albert van Urk (wiki), verschijnt in 1989 het boek ‘Daar werd een dijk gelegd…’ (download) bij Stichting Urker Uitgaven. De titel is ontleend aan een zin uit bovenstaand gedicht.

In het boek zijn interviews met ooggetuigen van de aanleg van de dijken opgenomen, alsmede gastbijdragen over de visserij, de oorlogssituatie, het hergebruikte puin van het platgebombardeerde Rotterdam, de archeologische vondsten in het jonge polderland, Urkers die boer wilden worden, kunstenaars ten tijde van de inpoldering, de sociaal-economische situatie op Urk en natuurlijk… Mariap van Urk, de dichteres van de drooglegging.

Op 3 oktober 1989, precies 50 jaar na de gereedkomen van de eerste dijk, zendt de AVRO een reportage uit, met daarin een interview met Albert van Urk.

Maar Urk is pas echt eiland-af in 1948, als Urk een wegverbinding krijgt met de rest van de polder. Pas zes jaar na de drooglegging van de polder in 1942. Tot 1948 gaan de Urkers nog naar Kampen, naar het ziekenhuis bijvoorbeeld, met een bootverbinding. Of wandelend over de dijk.

Op goed water, betrouwbare elektriciteit en aardgas moeten de Urkers dan nog wat jaren wachten.

Mariap, de vrouw die zich aanvankelijk zo verzette tegen de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee, omarmt uiteindelijk de toekomst. Wel blijft ze zich telkenmaal kritisch uitspreken en zet ze zich onvermoeibaar in voor het behoud van het Urker cultureel erfgoed.

Ook staat haar deur voor iedereen open: van journalisten, tot nonnen, tot dijkwerkers. ‘Een vrouw met een groot hart. Dat ondervonden de polderjongens die, ver van huis, bij haar een thuis vonden.’, zo besluit haar zoon Albert het hoofdstuk in ‘Daar werd een dijk gelegd’ over zijn moeder.

Eerder verscheen de tekst van een korte een lezing uit 2018 over Mariap van Urk elders op mijn blog. De grootvader van Mariap komt aan bod in mijn artikel over het Dialecticon.

Wende en de poëzie

Woensdag 17 april zag ik Wende in Zwolle. Ik had haar al eens eerder gezien op Down the Rabbit Hole, maar in een zaaltje is de beleving toch weer even anders dan op een brakke zondagmorgen in de openlucht (ook al stond ik helemaal achter in de zaal).

De vertolkingen van chansons door Wende luister ik al jarenlang. Ze heeft een energie in haar performance waar weinig andere Nederlandse artiesten aan kunnen tippen.

Dan zijn er nog die prachtige teksten. Op de setlist van afgelopen woensdag stonden drie meer recente nummers die mij raken. Lappen tekst, door anderen geschreven en door Wende op muziek gezet.

Joost Zwagerman vroeg Wende Snijders om van zijn gedicht ‘Voor alles’ een lied te maken. Het lied kwam uit na het overlijden van Zwagerman.

Het lied ‘Troostzoekers’ is een bewerking van het gelijknamige indrukwekkende gedicht van Lucas Rijneveld.

Dimitri Verhulst schreef ‘Deze gin’ (en schreef trouwens nog meer liedteksten voor Wende).

Joost Zwagerman – Voor alles (2004)

Voor te veel mensen in een lift of streekbus
of gewoon een kamer. Voor de krans van
melkwegen, sluiers, nevels en hun zwarte gaten.
Voor je eigen brein, een stuk of wat insecten,
vrouwen, hun stemmingen en stemmen, voor
kokend water, vliezen, scharen, ademhaling.
Voor de meeste onbenulligheden, groot en groter.
Voor de ontijd van mijn ouders, toen vanaf kansels
en in kazuifels men met hel en nauwe poorten dreigde.
Voor sommige geluiden en het levende bij die geluiden.
Voor mails en sms’en, voor enveloppen op mijn tafel.
Voor dromen en demonen, voor uitsluiting en
vrijwel alle onbekenden. Voor woorden in zinnen.
Voor volwassenen die te hard lachen. Die lachen.
Voor de elementen. Voor volk en vaderland.
Voor grote drommen, de deurbel en voor straf.
Voor gepatenteerde gekken en sommige familieleden.
Natuurlijk ook voor ziektes waarover je op school iets leerde.
Voor school, en alles wat erna moest komen.
Voor de ontdekking dat die ziektes ook in dingen huizen
en dat dingen vaak mensen in vermomming zijn.
Voor de aanblik die ik bied en niet wil bieden.
Voor de benauwenis van aangeboren schaamte.
Voor de waarheid, of liever: de dynamiek van harde feiten.
Voor toekomst en verleden en het stuiterende
hier en nu. Voor saters, hufters, brede schouders
en voor types die met messen spelen.
Voor dieren, hoewel niet de meeste. Voor 
personen die snoevend zeggen vrij te zijn
van alle vrees. Voor gedachten, andermans of eigen.
Voor tekens. Sporen. Hoogte. Diepte.
Voor alles wat aan taal ontsnapt
en voor vermoedens van om het even.
Voor God, toch nog. Voor mijn hartslag,
en nog net niet voor figuren
die spontaan aan goede doelen geven.
Voor, een fractie later, die figuren.
Voor alles altijd bang geweest,
niet vrijblijvend maar met recht en reden.
Voor zowel de grote greep
als laatste resten, rafelranden.
Voor de kleinste deeltjes, neutronen, elektronen,
ook de quark, alles groter dan het wijkend Zelf.
Voor sferen, suizingen en de zekerheid
ook thuis in één oogwenk alles kwijt te zijn.
Voor gebouwen zonder ramen, voor
doodgaan en voor alle doden, in films of van nabij.
Voor doodzijn misschien iets minder.
Voor deze constatering. Voor constateren.
Voor kinderen die vragen stellen. Maar
meer nog voor die vragen.
Voor schijnbewegingen, herhalingen
en de grandeur van allerhande eeuwigheden.
Voor alles altijd overtuigd, hoog in de adem
en zuiver in de leer tot in het merg bang geweest,
op het stupide en futiele af,
met oogkleppen en hondentrouw.
Voor alles altijd bang geweest,
ook in tijden waar je alles
op de vingers van één hand.
Voor alles altijd bang geweest,
maar niet voor jou,
nee, niet voor jou.

Lucas Rijneveld – Troostzoekers (2022)

Zoals geluk gevaarlijk is voor wie er spaarzaam mee omgaat,
voor wie niet-leven een koud kunstje werd, voor wie hier binnenkomt
en twijfelt aan alles wat mooi is, twijfelt aan zijn plek in de wereld,
voor wie eindeloos teert op het verlangen naar beterschap,

voor wie niet breekbaar wil zijn net zo min als populierensterk
en wie mij raakt geef ik de wind, voor wie met een bevel tot
omhakken in de hand rillerig plaatsneemt of juist wil opbloeien
en zie me, voor wie alleen wil zijn maar het niet langer meer kan.

Zoals geluk gevaarlijk is voor hen die het niet kunnen delen,
voor wie wel glimlacht maar de snik onzichtbaar en hoog in
de keel heeft, voor wie alles verloor waar hij van hield, voor hen die
de koek uit de mond sparen en altijd andermans honger stillen,

voor wie weerloos omgaat met de dingen, voor wie iedere
avond zichzelf het donker van zijn kop injaagt, voor wie de hoop
heeft opgegeven als een zieke kameraad, voor wie van alles denkt
maar te weinig uitspreekt, voor wie moe is maar niet meer

in slaap komt en eeuwig ligt te woelen, voor hen die willen leunen,
voor wie onder de mensen wil zijn als onder een warme deken,
voor wie niet weet wie hij is en altijd onzeker, we zijn de leegte,
zeggen we, we zijn de leegte en weten niet hoe ons te vullen.

Zoals geluk gevaarlijk is voor de roekeloze, voor wie verstrikt zit
in eigen-ik, voor wie de weerloosheid weg-eet, koopt, slikt, voor wie
zichzelf bezeert omdat een ander het niet meer doet, voor wie
stemmen hoort maar zelden een lief woord, voor wie bang is om

verlaten te worden en in een leeg huis thuis te komen, voor wie zélf
uit voorzorg iedereen verlaat, voor wie weet dat het hart op vele
manieren kan breken en vergeet dat het ook op vele manieren
weer kan helen, voor wie en voor iedereen is hier de plek.

Dimitri Verhulst – Deze gin (2018)

Deze gin verscheen als kakkerlakje. Ik kan het gedicht zo snel niet online terugvinden.

Een gedicht op de begraafplaats

In juni van het afgelopen jaar kreeg ik een telefoontje van de gemeente Urk. Of ik als stadsdichter een gedicht wilde schrijven voor een openingshandeling door de wethouder van een nieuw deel van de plaatselijke begraafplaats. ‘Dat zou een eerwaardige aanvulling zijn bij de speeches en openingshandeling’, aldus de gemeente.

Ik vond het mooi dat ik hiervoor werd gevraagd. Tegelijkertijd ook best een opgave. Je wilt een gedicht schrijven waar iedereen, iedere inwoner van Urk, van iedere gezindte, zich in kan vinden. Een eerwaardig gedicht…

Toen ik aan de slag ging, bleef ik dicht bij mezelf. Wat voel je, als je op een begraafplaats bent, waar je voorouders en dorpsgenoten begraven liggen? Daarna komt de vraag: hoe zwaar of licht moet je zo’n gedicht aanzetten?

Daarom schreef ik een gedicht waar zowel ruimte is voor verdriet als voor hoop. Daar koos ik een rijmvorm bij die eeuwen oud is, een sonnet. Daarmee heb ik het respect voor het verleden willen uitdrukken. In de laatste zinnen komt het protestantse vertrouwen van het dorp en het eeuwenoude geloof van onze voorouders naar voren. Tegelijkertijd is het door de rijmvorm een makkelijk leesbaar gedicht, dat door iedereen begrepen kan worden.

Ik heb deze zo geschreven, dat het behalve geestelijk ook letterlijk kan worden geïnterpreteerd. De ‘loodsende hand’ is in die betekenis de zorg en het nabuurschap in de gemeenschap, het ‘leven na de dood’ de plek van herinnering die achterblijft voor het nageslacht. En ik hoop dat het hiermee een gedicht van troost voor echt alle inwoners van Urk is geworden.

Eind vorig jaar hoorde ik dat het gedicht ook een fysieke plek zou krijgen op de begraafplaats. Het is daarmee het eerste gedicht in de openbare ruimte van een Urker stadsdichter. En ik vind dit een mooi gebaar van de gemeente, dank daarvoor.

Vanochtend werd het gedicht onthuld en kon ik het met eigen ogen bekijken.

De begraafplaats

De stilte draagt het missen, lijden:
Hier zingt een vogel zacht zijn lied.
Ruimte is hier voor verdriet,
Gedachten aan voorbije tijden.

Een wind waait langs de bankjes, bomen,
Grassen, graven, om ons heen,
Streelt hun namen, één voor één,
Dorpsgenoten, thuisgekomen.

Vertrouwen is ons meegegeven:
Aan het einde van het leven
Is een zachte hand die loodst.
En voor ons, die achterbleven,
Is hier een stille plaats die troost,
Tot aan een leven na de dood.