On revient toujours à ses premières amours

In mei 1932 werd het laatste gat in de Afsluitdijk gesloten. Het brakke water van de voormalige Zuiderzee zou vanaf dan steeds zoeter worden. Op 20 september 1932 kreeg de nu afgesloten binnenzee een nieuwe naam: Zuiderzee werd IJsselmeer. Dat die zee een meer werd, zorgde voor grote veranderingen in de flora en fauna. Waren de beestjes en de plantjes in het gebied al voor de afsluiting van de Zuiderzee geliefde onderwerpen voor biologen; de post-Afsluitdijksituatie zorgde voor hernieuwde interesse.

Toen de Noordoostpolder in 1942 droogviel waren de voormalige eilanden Schokland en Urk gemakkelijk te bereiken. Tijdens de oorlog verbleef bijvoorbeeld de biologiestudent Ingvar Kristensen “100 dagen” op Schokland en hield daar een dagboek bij.1 Ook andere onderzoekers en studenten bezochten Schokland.

Eerder al, vlak na de afsluiting, leidde dr. J.H. Schuurmans Stekhoven een excursie naar Schokland. Tijdens de zomer van 1933, het water was nog niet helemaal verzoet, verbleven biologiestudenten op het eiland onder zijn leiding en deden daar veldwerk.

Op 29 augustus 1933 verscheen in de Telegraaf een artikel van zijn hand over de aanleiding van de excursie: ‘De keus van Schokland was uit meer dan een opzicht gemotiveerd. Schokland toch zal, als de voorteekenen niet bedriegen, niet lang meer Schokland zijn. Wanneer men den Noordoostelijken Zuiderzeepolder gaat winnen, wordt Schokland voor de eerstkomende eeuwen stevig aan het vasteland van Nederland verankerd en dan zal zeer spoedig het karakter van dit bijna verlaten niemandsland een grondige wijziging ondergaan. Voordat dit gebeurt willen wij vastleggen hoe de toestand in 1933 was: dus voordat de mensch duurzaam in het lot van Schokland van thans ingreep.’2

Aan de excursie zouden voornamelijk studenten deelnemen van de Universiteit Utrecht en enkelen van de Groninger universiteit. Onder de twintig deelnemers bevonden zich ‘zes dames’,3 zo berichtte de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant. Een bijzonderheid voor die tijd…

Over het Utrechtse karakter van de excursie grapte Schuurmans Stekhoven: ‘Dra zal Schokland, dat in de tweede helft der veertiende eeuw een twistappel vormde tusschen de heeren Van Voort en Kuinre en den bisschop van Utrecht, waar in 1555 Jan van Zoudenbalch, zoon van een aanzienlijk patricisch geslacht In Utrecht den scepter zwaaide, opnieuw door Utrechtenaren worden bezet, zullen de Utrechtenaren het gezegde; On revient toujours à ses premières amours, men keert altijd tot zijn eerste liefde terug, waar maken.’4

Luchtfoto van Schokland in 1933. Publiek domein.

On revient toujours à ses premières amours… Ach, die aantrekkingskracht van Schokland.

In Kampen werd een botter gehuurd5, en de oversteek werd gemaakt naar Schokland. Op de Middelbuurt, rondom en in het kerkje, werd het kampement opgezet.6 Er werd van alles onderzocht: van steekmuggen tot slijkgapers en van zoutminnende planten tot kreeftjes.7 Het aardige van de excursie, volgens Schuurmans Stekhoven: ‘dat wij de overgangen van het zoete water naar het zoute ter plaatse zien en waarnemen kunnen’.8

Ik beeld mij in hoe ze daar rondliepen: een bonte stoet aan studenten en universiteitsdocenten, banjerend over het bijna verlaten eiland, vol spanning, verrukt over steeds weer een nieuw vergezicht of klein beestje, opgewonden over het komende studiejaar en het ontluikende studentenleven. Er was tijd voor ontspanning: er werd gezwommen, studenten in hun kleurige badpakjes. O zomeravond, o zover van huis te zijn…

Een van die studenten was, tot mijn verrassing, de dichter, bioloog, schilder en schrijver Leo Vroman. In 1932 begon hij aan een studie biologie aan de Universiteit Utrecht. Hij was achttien tijdens de excursie naar Schokland. ‘Leo genoot. Ze dwaalden over zee met netten om plankton te verzamelen, keken vogels op het strand, bestudeerden vogels, vissen, krabbetjes. Het kwam tegemoet aan zijn verlangen naar kleine beestjes, zijn honger naar het leren kennen van vreemde organismen die hem gelukkig maakten, echt gelukkig, duizelig van genoegen.’9

Bovendien bracht de excursie naar het eiland nog iets: ‘voor het eerst in een ruimte met meisjes [daar zijn die ‘dames’!] van zijn leeftijd die hij met al zijn biologische interesse prachtig vond, en begeerlijk, en onbereikbaar ver weg’10. Ach, die begeerte naar de onbekende en onbereikbare medestudent.

Leo Vroman op Schokland in 1933, met planktonnet. Herkomst afbeelding is mij onbekend.

Vroman zelf: ‘Ik leek wel verliefd op alle dieren behalve parasieten en kon zelfs behoorlijk opschieten met planten vanwege hun zo aandoenlijk openlijke geslachtelijke gedrag. Ja, er waren ook een paar meisjes om wie ik wel graag mijn armen heen had geslagen om allerlei biologisch acceptabele dingen mee te doen, maar ik deed ze nooit want hun vreemde ouders, broeders, ondergoed en ideeën waren alleen in mijn verbeelding al angstwekkend.’11

Na de inval van de nazi’s maakte de joodse Vroman de oversteek (in een zeiljacht) naar Engeland, vocht hij in gekoloniseerd Nederlands-Indië (waar hij eerst zijn studie afrondde), kwam hij terecht in jappenkampen… Uiteindelijk vertrok hij naar de Verenigde Staten, waar hij zijn liefde van voor de oorlog huwde, waar hij werkte en woonde, tot hij in 2014 overleed. Zijn bekendste dichtregels zijn de slotregels van “Vrede”: ‘kom vanavond met verhalen / hoe de oorlog is verdwenen / en herhaal ze honderd malen: / alle malen zal ik wenen.’12

On revient toujours à ses premières amours, men keert altijd tot zijn eerste liefde terug. Dat de oude Vroman soms nog aan die jonge Vroman, op dat kleine, onbewoonde eilandje in de Zuiderzee, terugdacht, blijkt uit het volgende, prachtige gedicht, ruim zestig (!) jaar na de excursie gepubliceerd.

Schokland

Doordat de Zuiderzee rondom verzoette
krioelde het er kort van jonge biologen
Om (o die blonde met haar blauwe ogen!)
plankton te vissen en planten op te wroeten.

In de kerk van Emmeleroord
(o die blonde met haar blauwe ogen!)
hingen de badpakken van toen te drogen
en ’s nachts werd er door de kerk van Emmeleroord
niets dan wat gewoel op die gezonde
strozakken aangehoord.

Het is nu meer dan zestig jaren later.
O zij is ontslapen, wij anderen zijn bejaard,
en verheven door het uitgestorven water
ligt Schokland zelf levend opgebaard.13

O, die blonde met haar blauwe ogen. Dat die badpakken in de Enser kerk en niet in de Emmeloorder kerk (die was toen al decennia afgebroken) te drogen hingen, vergeven we Vroman maar.

‘[…] verheven door het uitgestorven water ligt Schokland zelf levend opgebaard’. Schokland als een bejaarde die ooit een diepe indruk maakte op de jonge dichter-bioloog. On revient toujours à ses premières amours.

(Om de cirkel rond te maken: het oorlogsmonument in Emmeloord [de naar Emmeloord vernoemde plaats in de Noordoostpolder, volgt u het nog?] draagt de bekende regels uit “Vrede”.)

  1. 100 dagen op Schokland, het schriftje van Ingvar Kristensen, 26 februari 2025. https://basvisscher.com/2025/02/26/100-dagen-op-schokland-het-schriftje-van-ingvar-kristensen. ↩︎
  2. J.H. Schuurmans Stekhoven, “Ontdekkingstocht op Schokland. Onderzoek naar de fauna door Utrechtse biologen.”, de Telegraaf, 29 augustus 1933. ↩︎
  3. “Op en om Schokland. Tiendaagsche onderzoekingen van Utrechtse biologen.”, Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, 6 september 1933. ↩︎
  4. J.H. Schuurmans Stekhoven, “Ontdekkingstocht op Schokland. Onderzoek naar de fauna door Utrechtse biologen.”, de Telegraaf, 29 augustus 1933. ↩︎
  5. “Op en om Schokland. Tiendaagsche onderzoekingen van Utrechtse biologen.”, Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, 6 september 1933. ↩︎
  6. Ibidem. ↩︎
  7. J.H. Schuurmans Stekhoven, “Schokland-excursie. Onderzoek van fauna en flora. – Steekmuggen niet inheemsch.”, de Telegraaf, 9 september 1933. ↩︎
  8. Ibidem. ↩︎
  9. Hengel, Mirjam van, Hoe mooi alles: Leo en Tineke Vroman, een liefde in oorlogstijd. (Amsterdam: Querido, 2017). ↩︎
  10. Ibidem. ↩︎
  11. Ibidem. ↩︎
  12. L. Vroman, Uit slaapwandelen, (Amsterdam: Querido, 1957). ↩︎
  13. L. Vroman, “Twee gedichten”, De Tweede Ronde. Jaargang 17. (Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1996), p. 63. ↩︎

Ons dorp gaat langzaam achteruit

Niet alle ingangen in het archief van Beeld en Geluid zijn publiek toegankelijk. Ik werd afgelopen maand getipt op een audiofragment van Mariap van Urk-Koffeman, waarvan ik zelf het bestaan niet wist. Wat is dat toch steeds een sensatie, als je bewegend beeld of audio ontdekt van bijna honderd jaar geleden.

In de betreffende reportage van de AVRO, op 5 november 1936, draagt ze haar gedicht ‘Waarde-Vermindering’ voor.

Een cadeautje, want er is maar weinig audiomateriaal of bewegend beeld van Mariap van Urk bekend. Een fragment uit 1940, voor de VARA, kende ik al wel. Nu dus een fragment van nog een kleine vier jaar eerder. Toch bijzonder dat ze, als trouwe aanhangster van Colijn, meewerkte aan programma’s voor resp. de liberale en socialistische omroepen.

Bij haar handschrift lezen we over de inhoud van het gedicht: ‘Na de drooglegging van de Zuiderzee werd een commissie benoemd die de netten en het vischtuig herwaardeerde en de visschers kregen waarde-vermindering van hun netten, door deze Regeerings Commissie, vergoed. Wat nooit vergoed werd, leest u in dit versje.’

Het gedicht verscheen, in een ietwat gewijzigde vorm, in 1949 in haar eerste bundel ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’.

Waarde-Vermindering

Aan d’oever van het IJsselmeer
Een jonge visscher zat,
Hij staart, al droevig, in den plas,
Hij, die geen toekomst had.

Drie vischjes wierp hij, moedeloos,
Mistroostig, in de zee…
En sprak: ,,Die botjes, half vergaan,
Wat moet ik daar nu mee?

Mijn gansche vischwant in de war,
De hoekers vol van wier…
Het visschen in dien dooden plas
Is dat tot mijn pleizier?

Het water in het IJsselmeer
Zoo zoetjes aan verzoet…
Ach, dat mijn visch die zoete dood
Voorzeker sterven moet.

Ons dorp gaat langzaam achteruit
Door ’t leggen van een dijk:
Wij hadden altijd werk en brood,
Al waren wij niet rijk.

Wat vischte in de Zuiderzee
Op haring, bot en schol
Hij vocht voor ’t rijke avontuur
Van zilvernetten vol.

Helaas, de zee is uitgemoord!
Van schulden wordt men ziek;
En, wat er dààdlijks onder lijdt…
De Urksche… romantiek.

Wat mij opvalt: in haar handschrift schrijft ze ‘Ons dorp gaat vliegend achteruit‘, wat in de latere versie werd vervangen door ‘Ons dorp gaat langzaam achteruit‘. Alsof ze wilde benadrukken dat de gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee langer doorwerken dan aanvankelijk gedacht. En misschien had ze daar wel gelijk in.

Dijkstra & Evenblij ter Plekke zonden 17 augustus jl. uit vanaf Urk en in een gesprek met Eva Vriend was bovenstaand fragment te horen.

En hier dan nog even vier seconden bewegend beeld van een proclamerende Mariap.

Met dank aan Els Knaapen, die mij op het audiofragment uit 1936 wees.

Voor tevredenen of legen

Boeken, muziek, verhalen, huisdieren of religies, schilderijen kunnen mensen troosten. En mensen, misschien. Mensen zouden mensen kunnen troosten.

Minder vaak gaat het over troostende landschappen. Een plek die als een warme deken voelt. Ik kan er zo een paar opnoemen die wat mij betreft in aanmerking komen: Gaasterland, de Waddenzee bij Wierum, het landschap ten zuiden van de stuw bij Vilsteren en eigenlijk het hele dal van de Overijsselse Vecht, het voormalige eiland Schokland, delen van de Veluwe.

Het monotone weidelandschap van Friesland troost mij niet. De Zaanstreek ook niet. Er zijn ook plaatsen die mij niet troosten: heel Amsterdam (op een paar kamers na), de stad Utrecht (en eigenlijk de hele provincie), station Brussel-Zuid, de stad Groningen alles op de weg van Rijsel/Lille naar Calais. Wegen die niet troosten: de A4 en de N50.

Er is het een en ander geschreven over landschappen.

Door dichters natuurlijk.

Maar moest ik kiezen tussen de “halflandelijkheid” (of: halfstedelijkheid) uit Zelfkant van Vestdijk (‘Ik houd het meest van de halfland’lijkheid: / Van vage weidewinden die met lijnen / Vol waschgoed spelen; van fabrieksterreinen / Waar tusschen arm’lijk gras de lorrie rijdt‘) of de stedelijkheid uit De Dapperstraat van Bloem: (Geef mij de grauwe, stedelijke wegen, / D’ in kaden vastgeklonken waterkant, / De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand / Door zolderramen, langs de lucht bewegen.)?

Nee, dan koos ik de echte weidsheid van Ede Staal: ’t Is de waait, ’t is de hoaver / ’t Is ’t koolzoad in de blui, / ’t Is de horizon bie Roanum, / Vlak noa ’n dunderbui (’t Hogeland).

Dan maar een nazaat van de Tachtigers.

Dat Hogeland kan ook Limburg zijn. De boerendorpjes waar de tijd heeft stilgestaan. Leegheid en tevredenheid: de landerijen, de zandwegen, het simpele, lekkere eten, de tripels, de koenen in de wei. Hoog over dit alles klinkt een zachte melodie, als een teken van de verre overkant.

Daarom gingen we dit jaar terug naar hetzelfde plekje in België als vorig jaar. Niet meer dan drie uur met de auto. (Maar ik wil best mijn best doen te geloven dat Thailand en Bali ook kunnen troosten.)

En telkens wanneer ik met een biertje aan de oever van de IJssel zit (vijf minuten fietsen van thuis), voel ik die zachte melodie.

J.C. Bloem was trouwens pas werkelijk gelukkig (of getroost?) nadat hij in Kalenberg ging wonen. Middenin de Weerribben.

Bas in Limburg, 2025

Hoe de Urker ijsvlet bewaard bleef

In de tijd dat Urk nog een eiland in de Zuiderzee was, vormde de winter een bijzondere uitdaging. Wanneer de zee dichtvroor, werd het eiland geïsoleerd van de buitenwereld. In deze barre omstandigheden kwam de ‘ijsvlet’ in actie: een speciaal ontworpen boot uitgerust met glij-ijzers, die zowel over ijs als door open water kon worden voortbewogen. Deze vletten waren essentieel voor het transport van voedsel, post en het verlenen van medische hulp tijdens de strenge winters.

De Urker vereniging ‘Hulp en Steun’

In 1897 werd op Urk de vereniging ‘Hulp en Steun’ opgericht. Deze organisatie beheerde meerdere ijsvletten en coördineerde reddingsacties voor schepen die vastzaten in het ijs. De bemanning van de ijsvlet, de ‘ijslopers’ genoemd, trotseerde vaak levensgevaarlijke omstandigheden om hulp te bieden en verbindingen met het vasteland te onderhouden. Deze tochten stonden bekend als ‘bloedreizen’ vanwege hun gevaarlijke en uitputtende karakter.

In het Urker dialect wordt met ‘bloedreis’ nog steeds een ‘hachelijke tocht’ bedoeld.

De laatste tocht

Met de aanleg van de dijk naar de Lemmer in 1939 en later de opening van de weg naar Emmeloord in 1948, verloor de ijsvlet zijn functie.

Toen dreigde de laatste overgebleven houten ijsvlet, gebouwd vóór 1870, te worden afgedankt en als brandhout te eindigen.

Dankzij het initiatief van oud-voorzitter van Hulp en Steun, Lubbertje (Lub) Kramer, werd de vlet echter in 1949 geschonken (tegen een onkostenvergoeding van 75 gulden) aan het Zuiderzeemuseum in oprichting in Enkhuizen, waar hij tot op de dag van vandaag wordt bewaard.

De laatste tocht van de ijsvlet voerde naar Enkhuizen. Niet over het ijs, maar over de weg: vastgebonden op een transportwagen.

De bloedreis nagespeeld

In datzelfde jaar werd in Enkhuizen een ‘Urkerdag’ georganiseerd. Het nieuwe museum zou al geopend moeten zijn, maar die opening werd een jaar uitgesteld. In plaats daarvan werd in de Drommedaris van de ‘Geuzenstad’ een ‘Zuiderzee Tentoonstelling’ georganiseerd. Naast de ‘Urkerdag’ werden ook een ‘Spakenburgerdag’ en een ‘Markerdag’ georganiseerd. Vol deelnemers in klederdracht, met muziek, toespraken, dans en voordrachten. In een ander, kort, fragment is de Urker dorpsdichteres Mariap van Urk te zien, die een toespraak houdt.

Misschien is de vlet op die dag wel feestelijk aan het Zuiderzeemuseum overhandigd, dat zou ik eens na moeten zoeken.

In het fragment zien we in ieder geval hoe de ijsvlet werd gebruikt. De ‘sterke mannen’ bonden ijzers onder hun voeten om grip te krijgen op het ijs. De ijsvlet werd vooruit geduwd of getrokken. Zeilen hielpen de ijsvlet wat meer ‘goffie’ te geven.

De Urker dichteres Mariap schreef in één van haar bundels: ‘De leden van de bemanning hadden het niet gemakkelijk, hoor! ’s Morgens vroeg kregen zij, voor hun uitvaart, eerst een bord erwten of bonen voor “vastigheid” in de maag. Daarna werd gebeden voor een goede overtocht. […] De tocht ging via Schokland, over de Ramspol naar Kampen. […] Was de vlet in zicht op Urk, na ’n moeizame tocht, dan liepen de jongelui van ons eiland de bemanning tegemoet, de zelen of spantouwen werden dan overgenomen, en de ijsvletters liepen achter de jongkerels aan. Dat was een triomftocht. […] Wat niet verdwenen is, dat is de rheumatiek, niet te verwarren met romantiek, van alle vissers die tot de bemanning van deze schuit hebben behoord. En in een hoekje van de kast staat nog wel het flesje “pérecheulie” (pijlrogolie) dat moeder de vrouw maar vast klaarzette, als onfeilbaar middel, om de oververmoeide gewrichten op gang te helpen, na een “bloedreis”.’ (Mariap van Urk, Urker ambachten en bedrijven. Enkhuizen: Vereniging van Vrienden van het Zuiderzeemuseum, 1955, p. 39.)

Deze toelichting hoort bij het gedicht ‘De ijsvlet’, dat in dezelfde bundel verscheen. Misschien droeg ze (een eerdere versie van) het gedicht wel voor tijdens de Urkerdag in Enkhuizen? Als handeling van overhandiging?

In De Waterkampioen (1951, no. 883 (feb), p. 69) schrijft drs. A. Schaper: ‘Ontroerend is de “Ode aan de oude Urker ijsvlet” gedicht door Mariap van Urk ter gelegenheid van deze overdracht, waarin zij de prestaties van de ijsvlet en de ontberingen van zijn dappere bemanning bezingt.’

De ijsvlet.

Oude, trouwe Urker ijsvlet!
Bitter stevig vastgesnoerd,
Werd jij, boven op een auto
Naar de Geuzenstad gevoerd.

Over Zwolle, Utrecht, Mokum
Ging je! Voor je laatste reis!
Zal het wéér een “bloedreis” worden,
Net als vroeger, over ’t ijs?

Menig barre Noordpool-winter
Heb je goede dienst gedaan:
En je voerde post en kranten,
Ja óók levensmidd’len aan.

Op je allerláátste “ijsreis”
Zat een stoomboot in de knel
Tussen huizenhoge schotsen
In ’t Zuid-West, zeg, weet je wel?

Hier van Urk af nauw’lijks zichtbaar
Seinde men, uit bitt’re nood,
Vrouwen en zelfs kind’ren waren
In gevaar op deze boot.

Dapp’re mannen waagden ’t leven,
Grepen spaak en roer en touw,
Gingen onverschrokken vóórwaarts,
Ondanks vorst en felle kou.

Piepend’ knarsten j’oude ijzers
Krakend’ ging ’t gebinte mee…
Wieg’lend, schuivend, zeilend, glijdend,
Zeulde de bemanning mee.

God beloonde ’t ernstig streven:
Vrouw en kind werd rijk gered:
En in menig Urker woning
Steeg een vurig dankgebed.

In het Zuiderzeemuseum,
Treft men vele dingen aan…
Doch ik smeek U, laat de ijsvlet
Op een éreplaatsje staan!

De ijsvlet van Schokland

Niet alleen op Urk, maar ook in andere Zuiderzeeplaatsen zoals Schokland, Spakenburg, Wieringen en Marken werden ijsvletten gebruikt. Deze boten waren cruciaal voor het onderhouden van verbindingen tijdens strenge winters. Zo onderhielden de bewoners van Schokland contact met Kampen.

Op Schokland, de Middelbuurt, is nog de schuur te vinden van de Schokker ijsvlet. De ‘IJsloperschuur’ is tegenwoordig een Rijksmonument. Het ligt wat verscholen achter de niet-authentieke museumgebouwen in ‘Zuiderzeestijl’. De ijsloperschuur is wel authentiek, al is in de loop van de jaren natuurlijk veel houtwerk vervangen.

De IJsloperschuur op Schokland. Rijksmonument. Foto: Pa3ems, via Wikimedia Commons. CC BY-SA 3.0.

En de ijsvlet zelf? Die heeft de tijd helaas niet overleefd. Het zou nog eens een mooi kunstproject zijn om een ijsvlet na te bouwen…

‘Voor wat een bloedreis werd geheten’

Tegenwoordig herinnert een kunstwerk bij de ingang van het ‘oude dorp’ op Urk, gemaakt door kunstenaar Piet Brouwer, aan de moedige tochten van de ijsvletbemanningen. Bij het monument zijn de namen van de deelnemers aan de laatste tocht te vinden, namelijk: Albert van Veen, Reijer Post, Tiemen Weerstand, Cornelis Bakker, Hessel van Urk, Jaap van Veen, Jan Bakker, Jan Wakker, Teunis Pasterkamp en Johannes van Veen.

Het is mij onduidelijk of deze mannen ook in het bovenstaande filmfragment te zien zijn, of dat dit om andere Urkers gaat.

De ijsvlet door Piet Brouwer, 1992. Foto: Pa3ems, via Wikimedia Commons. CC BY-SA 3.0.

Bij deze ijsvlet – op schaal – schreef ‘meester’ Tromp de Vries een prachtig gedicht.

Een raadselachtig fenomeen:
tien mannen die welhaast verloren
in dichte nevels om zich heen,
hun hakken in de schotsen boren.

Ze zijn nu gans en al alleen,
er is geen mistsein meer te horen,
en ’t licht dat van de vuren scheen
ging in de grauwe nacht verloren.

Ze stonden met z’n allen klaar
voor wat een bloedreis wordt geheten,
en hebben huis en haard vergeten
om in een tocht zo bang en zwaar,
en menigmaal in doodsgevaar,
zich met hun element te meten

Door de prominente plek van het monument wordt de herinnering aan de ijsvlet levend gehouden.

Begin 2018 gooide de Urker afdeling van de ChristenUnie nog een balletje op om de ijsvlet uit het Zuiderzeemuseum terug naar Urk te houden. Zo’n object hoort toch op Urk thuis? Een mooie campagnestunt misschien, maar ze vergaten voor het gemak van hoeveel belang de juiste conservering van zo’n minstens 150 jaar oud schip is.

Een ereplaats

De Urker ijsvlet werd in 1949 gered van de stook.

En er gebeurde waar dichteres Mariap op hoopte: al decennia heeft de Urker ijsvlet een ereplek in de vaste tentoonstelling van het Zuiderzeemuseum, onder collectienummer ZZM 000589.

De Urker ijsvlet in de schepenzaal in het binnenmuseum van Zuiderzeemuseum Enkhuizen. Datering foto onbekend. Bron: Zuiderzeecollectie / Zuiderzeemuseum Enkhuizen. CC BY-SA 4.0.

Voor deze post heb ik dankbaar gebruik gemaakt van: het artikel ‘IJsvlet gered van de sloop’, geschreven door Lub van den Berg, verschenen in het ‘Urker Volksleven’, mei 2020; de objecten van het Zuiderzeemuseum in de Zuiderzeecollectie (zie verwijzingen hierboven); de pagina op de website Flevolands Erfgoed over de ijsvlet door Piet Brouwer.

‘Urker’ oorlogsverhalen en de Eerebegraafplaats Bloemendaal

In de duinen bij Overveen ligt de Eerebegraafplaats Bloemendaal. Langs de Zeeweg, richting de kust, vind je de ingang. De begraafplaats wordt geflankeerd door een groot ruwhouten kruis.

Eerebegraafplaats Bloemendaal. Eigen foto, 2018.

Na de bevrijding keerden veel verzetsleden niet terug naar hun families. In de zomer van 1945 werd in 45 grafkuilen in de duinen, verdeeld over zes verschillende plaatsen, de stoffelijke overschotten gevonden van 422 mensen.

De herbegrafenis moet een helse klus zijn geweest. De gefusilleerden waren nog nauwelijks te herkennen.

‘Oud, jong, bankier, los werkman, rechtbankpresident, drogist, familievader, trotse homo, communist, gereformeerde, beeldhouwer, boerenknecht. Een typische dwarsdoorsnede, kortom, van het verzet in westelijk Nederland’, aldus Geert Mak op 5 mei 2006 in NRC Handelsblad.

Op de sobere begraafplaats, die zo prachtig aansluit bij de natuur, zijn bekende namen terug te vinden, zoals Hannie Schaft (overigens de enige vrouw op de begraafplaats) en Gerrit van der Veen. De Eerebegraafplaats werd zo ingedeeld, dat zij die op dezelfde plaats gevonden werden, ook bij elkaar herbegraven werden.

Opvallend veel van de verzetsmensen waren afkomstig uit de Zaan, de Zaanstreek. En ontzettend veel gefusilleerden waren communist, of hervormd of gereformeerd.

Gedenkplaten met tekst van Van Randwijk. Eigen foto, 2018.

In 1953 wilde men een gedenkteken op de begraafplaats laten verrijzen. H.M. van Randwijk leverde twee opties aan, een stuk proza en een gedicht. De keuze viel op het proza en de krachtige tekst werd op vier platen op de begraafplaats aangebracht.

‘Tegen het geweld des vijands stelden zij overtuiging en geloof, tegenover het Germaanse heidendom het getuigenis van Christendom en Humanisme, tegenover de georganiseerde millioenen de onvervangbare waarde van den mens. […] Bedenk, dat hetgeen gisteren bedreigd werd, heden en morgen opnieuw in gevaar kan verkeren. Bescherm het en wees waakzaam.’

Het gedicht, dat een plek op de begraafplaats niet haalde, zou overigens later nog bekender worden. De slotregels daarvan luiden: ‘een volk dat voor tirannen zwicht, / zal meer dan lijf en goed verliezen, / dan dooft het licht.’

Willem Arondéus

Het was in de lente van 2018, toen ik, in de IHLIA-sectie in de Openbare Bibliotheek in Amsterdam, met mijn neus in de biografie (door Rudi van Dantzig) over Willem Arondéus zat. Deze verzetsstrijder en openlijk homoseksueel had voor de oorlog twee jaar op Urk gewoond.

Arondéus was dikwijls ongelukkig en geplaagd door psychische problemen. Maar zijn psychische en financiële zorgen maakten niet dat hij zijn kunstenaarschap opgaf. Op Urk kon hij zich rond 1920 in afzondering op zijn werk storten. Tot grote doorbraken in de kunst leidde dit echter niet.

Wel was hij ook op Urk openlijk over zijn geaardheid, iets dat in die jaren een groot taboe was in het hele land. Geïnspireerd door de poëzie van P.C. Boutens schreef hij op het eiland, waar hij ondanks zijn depressies ook dikwijls gelukkig was, een bundel met twintig gedichten, waarin hij gewag maakte van zijn verhoudingen met twee Urker mannen.

Twintig jaar na zijn periode op Urk brak de oorlog aan. Arondéus verzette zich moedig tegen de bezetter. Hij schreef al in 1942 de ‘Brandarisbrief’, een pamflet waarin hij kunstenaars opriep zich te verzetten tegen de bezetter.

Het daaropvolgende jaar blies hij, met leden van de verzetsgroep Gerrit van der Veen, het bevolkingsregister aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam op.

Arondéus werd opgepakt en gefusilleerd. Vlak voor zijn dood wendde hij zich tot zijn advocate en vroeg haar: ‘Zeg de mensen dat homoseksuelen niet per definitie zwakkelingen zijn’.

Gedenksteen Willem Arondéus. Eigen foto, 2018.

Hoewel Arondéus leider van de actie was, zou vooral Gerrit van der Veen na de oorlog herinnerd worden. Waarschijnlijk paste Arondéus als homoseksueel niet in het na-oorlogse herdenkingsnarratief. Ook Frieda Belinfante, homoseksueel en dochter van een joodse vader, die de oorlog overleefde, kreeg weinig erkenning.

De aanslag op het bevolkingsregister was één van de grootste verzetsdaden in ons land. Tijdens de aanslag werd overigens, opzettelijk, geen enkele Duitser omgebracht. In 1946 werd op de gevel van het bevolkingsregister een gedenkplaat aangebracht.

Ik kwam erachter dat Arondéus begraven ligt op de Eerebegraafplaats. Als jongen ‘uit het oosten’ had ik nog nooit van deze begraafplaats gehoord en ik kwam erachter dat het op slechts een kwartier fietsen van mijn toenmalige appartement in Zandvoort lag.

Roelof Tiede Oost

Op die lentedag in 2018, op zoek naar Arondéus, viel mijn oog op een mij bekende naam: Roelof Tiede Oost. Niet dat ik wist om wie dit ging. Nee, mijn overgrootvader droeg dezelfde naam. Familie?

Roelof Tiede Oost was een gewone man met een buitengewone moed. Samen met zijn gezin woonde hij in Medemblik, waar hij werkte als portier en later als klerk in het Provinciaal Ziekenhuis. Daarnaast vervulde hij een administratieve rol bij het ziekenfonds. Maar in de loop van de Tweede Wereldoorlog werd hij veel meer dan dat: een uitgesproken tegenstander van de NSB en de Duitse bezetter.

Vanaf 1942 raakte Oost actief betrokken bij het verzet. Hij hielp onderduikers door hen onderdak te bieden en zorgde ervoor dat zij veilig konden blijven. Daarnaast verspreidde hij verboden kranten, waaronder het verzetsblad Vrij Nederland.

In de laatste maanden van de oorlog gebruikte hij een verborgen radiotoestel in het ziekenhuis om naar de Engelse zender te luisteren. Hij noteerde belangrijke berichten, typte ze uit en verspreidde ze onder vertrouwde collega’s en bekenden. Het was gevaarlijk werk, en begin 1945 werd de dreiging te groot: hij moest onderduiken.

Op 14 februari 1945 dacht Oost dat het weer veilig was om zich buitenshuis te begeven. Hij had het mis. In zijn eigen woning werd hij gearresteerd en opgesloten in Alkmaar. Later werd hij overgebracht naar het Huis van Bewaring in Amsterdam, waar hij op de lijst van Todeskandidaten werd geplaatst – mensen die geëxecuteerd zouden worden als vergelding voor verzetsdaden.

Op 12 maart 1945 werd het vonnis voltrokken. Samen met 29 anderen werd Roelof Oost gefusilleerd bij het Eerste Weteringplantsoen in Amsterdam, als represaille voor de moord op een Duitse officier, Ernst Wehner.

Gedenksteen Roelof Tiede Oost. Eigen foto, 2018.

Roelof Tiede Oost was geboren op Urk, Nederlands Hervormd… en was inderdaad een volle neef van mijn overgrootvader.

Harm Hendrik Gerssen

Terwijl ik over de begraafplaats liep, zo sereen en tegelijkertijd zo indrukwekkend, viel mijn oog op nog een gedenksteen. Harm Hendrik Gerssen. Een Urker naam, dacht ik direct.

Net als veel andere Urkers kwam de gereformeerde Gerssen in de Zaanstreek terecht. Daar was voldoende werk te vinden. De Urkers vormden er in sommige plaatsen zelfs een gemeenschap binnen een gemeenschap. Tot begin 1942 werkte Harm Gerssen als fabrieksarbeider bij Stijfselfabriek De Bijenkorf in Koog aan de Zaan. Daarna koos hij voor een zelfstandig bestaan als vishandelaar.

Gerssen sloot zich tijdens de oorlog aan bij de verzetsgroep Koog-Bloemwijk, een moedige groep strijders die overvallen pleegde om persoonsbewijzen en bonkaarten te bemachtigen voor onderduikers. Een van de meest gedurfde acties vond plaats op 9 november 1943. Samen met zijn kameraden overviel hij het politiebureau, distributiekantoor en raadhuis van Oegstgeest.

De buit was: 14.000 bonkaarten, honderden blanco persoonsbewijzen, duizenden zegels en een geldbedrag van bijna 1.500 gulden. Een deel van de bonkaarten werd op Urk afgestempeld en verspreid onder degenen die ze het hardst nodig hadden.

Maar daar stopte het niet. Op 11 januari 1944 nam Gerssen deel aan een overval op het postkantoor in Purmerend, waarbij distributiebescheiden en maar liefst 22.000 gulden werden buitgemaakt.

Gedenksteen Harm Hendrik Gerssen. Eigen foto, 2018.

Ook sabotage was een belangrijk onderdeel van zijn verzet. In januari 1944 hielp hij bij een poging een vrachtschip in aanbouw – bedoeld voor de Duitse Wehrmacht – in brand te steken op scheepswerf Czaar Peter in Zaandam. Daarnaast zette hij zich in voor geallieerde vliegers die in Nederland waren neergekomen. Hij bood hen tijdelijk onderdak en hielp hen de grens over naar veiliger gebieden.

Op 22 januari 1944 sloeg het noodlot toe. Door verraad van een V-mann – een infiltrant die verzetsgroepen uitleverde aan de bezetter – werd Gerssen in zijn eigen huis gearresteerd door de Sicherheitspolizei. Zijn strijd eindigde een maand later. Op 23 februari 1944 werd hij, samen met zes andere verzetsleden, geëxecuteerd in de duinen bij Overveen.

Jacobus Jozef Heijdra

Tijdens het schrijven van dit artikel, zeven jaar na het bezoek aan de begraafplaats, ontdekte ik dat op de Eerebegraafplaats nog iemand met ‘Urker banden’ begraven ligt: Jacobus Jozef Heijdra.

De rooms-katholieke Heijdra was in dienst van de marechaussee en het Amsterdamse politiekorps. In die functie kreeg hij in 1942 de opdracht om Joden op te pakken. Maar Heijdra weigerde dit en dook onder in de Zaanstreek. In de onderduik sloot hij zich aan bij bovengenoemde verzetsgroep Koog-Bloemwijk.

Hij hielp Joodse landgenoten met het vervoer naar hun onderduikadres. In de buurt van Urk hielp hij met het opsporen van neergestorte geallieerde vliegers. Misschien wel samen met Gerssen?

In 1943 hiel Heijdra twee gewonde verzetsmensen uit het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam te ontsnappen. Ook was hij betrokken bij de bevrijding van een medewerker van verzetskrant Trouw. Helaas mislukte die actie.

Ook nam Heijdra deel aan de eerdergenoemde overval in Oegstgeest. Hij werd net als Gerssen verraden en ook gefusilleerd op 23 februari 1944.

Vergeten verhalen

Deze verhalen vertellen iets over hoe we de oorlog herinneren en herdenken. Op Urk kennen we onze ‘eigen’ oorlogshelden. Zoals de Engelandvaarder Pieter Hakvoort. De broer van mijn overgrootvader, Jan Ras, kwam niet uit de concentratiekampen terug. Ook zijn naam is op het Urker ‘monument voor gevallen Urkers’ terug te vinden.

In 1995, vijftig jaar na de oorlog, werden de drie namen toegevoegd van Joodse bewoners van Urk: de familie Kropveld. Ook dit zegt iets over welke verhalen we herinneren, op welk moment in de tijd.

Geboren Urkers of oud-inwoners Oost, Gerssen en Arondéus staan niet op het Urker oorlogsmonument genoemd, omdat ze tijdens de oorlog niet op Urk woonden. Misschien dat daarom hun aandeel in de oorlog op Urk niet gemeenschapsbreed bekend is.

Misschien moeten we daarom de komende 4 mei ook eens in gedachten stilstaan bij de ‘Urkers’ op de Eerebegraafplaats in Bloemendaal.

Over Oost en Gerssen valt voor mij nog genoeg uit te zoeken. Ik zou bijvoorbeeld graag meer willen weten over de contacten tussen Gerssen en Urk. Op 4 mei 2024 verscheen in ‘Het Urkerland’ trouwens een mooi portret van Roelof Tiede Oost.

Veel van de biografische gegevens uit bovenstaand artikel zijn terug te vinden op de website van de ‘Stichting de Eerebegraafplaats te Bloemendaal’. Over Willem Arondéus schreef ik eerder op mijn blog. De ‘Stichting Urk in Oorlogstijd’ beheerde een informatieve website over de Tweede Wereldoorlog en Urk, helaas zijn veel van de verhalen van hun website verdwenen.

Een monument voor prima mensen

Het duurt even voor we het monument vinden. K. en ik rijden op een mistige zaterdagmiddag over het ‘Lowlandsweggetje’, langs de dijk bij Biddinghuizen. ‘Het zou hier ergens moeten zijn…’

Dan doemt uit de mist, op de rand van de Flevopolder, een brutalistisch kunstwerk op. Het heeft iets weg van een communistisch monument. Beton. Op een hoge plek. Een ster… van vijf meter hoog… met twee uitgestoken duimen. Direct giert door onze lijven een gevoel van verrukking.

Het ‘Monument voor prima mensen’ is een werk van de Nederlandse kunstenaar Domenique Himmelsbach de Vries. Het monument wordt onthuld in november 2014. De twee opgestoken duimen zijn een verwijzing naar het ‘like’-symbool op sociale media, aldus de sympathieke kunstenaar.

Uit de tekst op zijn website begrijp ik dat het doel van het monument is om bijzondere, vaak onbekende en meestal levende mensen en hun verhalen te eren en zo een alternatieve en eigentijdse geschiedenis te schrijven waaraan het publiek kan bijdragen.

Aan de voet van het monument zien we tegels met namen liggen. Ze zijn geplaatst ter ere van de ‘prima mensen’. We vragen ons hardop af voor wie we zo’n steen zouden kopen.

‘Monument voor prima mensen’, Domenique Himmelsbach de Vries, 2014. Eigen foto, 18 januari 2025.

Himmelsbach de Vries: ‘[Het monument is] een betonnen hommage voor de prima mens; een gedenkplek voor inspirerende vuilnismannen, kunstenaars, schrijvers, goeroes en vrienden. Het monument moet Nederland tot vers optimisme inspireren en dienst doen als verbindend verhaal tussen prima mensen.’

Onwillekeurig moet ik aan Reve’s ‘Roeping’ denken:

Zuster Immaculata die al vier en dertig jaar
verlamde oude mensen wast, in bed verschoont,
en eten voert,
zal nooit haar naam vermeld zien.
Maar elke ongewassen aap die met een bord: dat hij
vóór dit, of tegen dat is, het verkeer verspert,
ziet ‘s avonds reeds zijn smoel op de tee vee.
Toch goed dat er een God is.

Dan staat het beeld ook nog eens op de grens van het oude en het nieuwe land. Is het misschien ook een ode aan de hardwerkende eerste Flevolanders? Wie weet, want de namen van de vroegste bewoners van Biddinghuizen zijn op de tegels terug te vinden.

En ergens spookt toch wel dat communistische ideaal, zowel in Flevoland als in dit kunstwerk. Maar het monument propageert geen onbereikbaar ideaal, het neemt genoegen met ‘prima’.

In het gedicht van Reve krijgt de lezer sympathie voor de zuster. De God van Reve grijpt echter niet in. Misschien zijn zowel de zuster als de aap nodig in onze samenleving. Zou dat zijn wat Reve ons wil zeggen?

Himmelsbach de Vries is er duidelijk over: ‘Het monument kan gebruikt worden als tool om sociale cohesie te bevorderen […]. Een betonnen verbinding, een concrete connectie tussen hen wie prima zijn.’

Wij vinden het in ieder geval helemaal prima.

Toch goed dat er ook kunst is.

Hoe we de herinnering aan de Zuiderzee levend kunnen houden

‘Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven, / Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’, / Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven / Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.’

Zo begint het bekendste gedicht van de Urker dorpsdichteres Mariap (Marretje) van Urk-Koffeman (wiki). Een emotioneel afscheid van een geliefde en gevreesde zee.

‘In de weer’ voor Mariap, woensdag 22 januari jl.

Afgelopen woensdag gaf ik, op uitnodiging van Herderewich, in Harderwijk een lezing over mijn overgrootmoeder Mariap.

Ik moest even nazoeken wanneer ik zoiets voor het laatst deed. Dat was alweer zes jaar geleden! Ik publiceerde daarna een bewerking van mijn lezing elders op deze website.

Er is een aardige stapel boeken verschenen over de Zuiderzee. Zo verschenen bijvoorbeeld ‘Eens ging de zee hier tekeer‘ en ‘Het eiland van Anna‘ van Eva Vriend. De bewoners van de kusten van de Zuiderzee, en hun nazaten, kregen dankzij deze boeken, het grondige onderzoek van Vriend, weer een stem.

Ronald Nijboer schreef ‘Wereldzee in de polder‘: een ontdekkingsreis langs de IJsselmeerregio, in het voetspoor van Henry Havard. Honderdvijftig jaar na het bezoek van Havard aan de Zuiderzeeplaatsen onderzoekt Nijboer hoe we zijn omgegaan met ons landschap en onze cultuur, mede aan de hand van gesprekken met bewoners.

Ook verscheen ‘Duivelseiland‘, van Mandy van Dijk. Ze deed uitgebreid en waardevol onderzoek naar op Urk geïnterneerde officieren tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Deze boeken dragen bij aan de aandacht voor de geschiedenis van de Zuiderzee. Hoe herinneren we ons de in 1932 verdwenen binnenzee eigenlijk? En was er tijdens de afsluiting en inpoldering van ‘ons zeetje’ eigenlijk aandacht voor die bewoners van de Zuiderzeeplaatsjes, de ecologische gevolgen, het verdwijnen van cultureel erfgoed?

Ze dragen ook bij aan mijn eigen onderzoek naar Mariap van Urk. Ze brengen nieuwe inzichten en maken dat ik gebeurtenissen beter kan plaatsen en met steeds meer zekerheid met elkaar in verband kan brengen.

Ook het onderzoek van Babs Boter naar Mary Pos, en de ontvangen mailtjes over Mariap en Mary, deden mij in de afgelopen jaren beter begrijpen met wie Mariap contacten onderhield.

Mary Pos was, net als Mariap, een mediapersoonlijkheid. Toch verstomden in de loop van de tijd hun stemmen. (Afgelopen woensdag was er in de zaal toch één persoon die de naam Mary Pos iets zei.)

De kracht van je stem, daar kon ik de lezing mooi mee openen. Lucia de Vries, die zo bijzonder veel onderzoek doet naar de Urker geschiedenis, ontsloot op haar website het verhaal van Lammertje Kramer. Iedereen in de zaal herkende Aletta Jacobs. Maar de naam van haar dienstmeisje Lammertje? De kracht van je stem wordt niet alleen bepaald door of je bijvoorbeeld man of vrouw bent, maar ook bijvoorbeeld door je sociale klasse, familiebanden, religie, huidskleur.

Een dankbaar bruggetje naar Mariap. De jonge Mariap gaat begin vorige eeuw ook ‘dienen’. Zwaar en ondankbaar werk, waarbij de ongelijke verhouding tussen werkgever en dienstbode altijd aanwezig is. (De podcast ‘Mina en mevrouw’ van Maartje Duin maakt dit onderwerp prachtig invoelbaar.)

In aanloop naar mijn afstuderen aan de Reinwardt Academie hoefde ik niet lang over een onderwerp na te denken. Wat betekent het fysisch antropologisch onderzoek, de roof van menselijke resten door wetenschappers, en de teruggaaf van de schedels, voor de inwoners van Urk?

Door de eerste coronalockdowns had ik niet de ruimte om het onderzoek breed uit te voeren. Het onderzoek bleef beperkt tot interviews met betrokkenen en bureauonderzoek. (Zo zou ik bijvoorbeeld de betrokken erfgoedinstellingen nog graag in het onderzoek willen meenemen. Misschien kan ik er daarna nog eens over publiceren.)

Ik kan dankzij dit onderzoek nu bijvoorbeeld inzichtelijk maken hoe de bewoners van de voormalige Zuiderzeeplaatsen werden uitgesloten van een plek in het ‘nieuwe land’, mede aan de hand van de bevindingen van de wetenschappers. Dat sprak ook de Harderwijker toehoorders aan. Dergelijk onderzoek werd in 1956 nog gedaan in Elburg.

Waar ik de laatste maanden meer over ben gaan nadenken: de ecologische gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee. Hoe had Mariap het gevonden dat de Waddenzee bijvoorbeeld nu UNESCO Werelderfgoed is? Hoe kunnen we met terugwerkende kracht de uitzonderlijke waarden van de Zuiderzee benaderen? Op het strand van Urk lagen zeehonden, er was eb en vloed, een rijk ecosysteem. De Zuiderzee als levend onderdeel van onze delta.

In de presentatie liet ik het volgende citaat zien: ‘De aanleg van de Afsluitdijk in 1932 is een huzarenstuk in onze strijd tegen het water. Tegelijk is het één van de grootste ecologische rampen die ons land ooit trof. Want hoe indrukwekkend dit iconische en meer dan dertig kilometer lange bouwwerk ook is, het betekende het einde van de Zuiderzee. En daarmee van een unieke binnenzee met bijzondere planten en dieren. De geleidelijke overgang tussen rivier en zee werd teruggedrongen tot één lijn.’ (Rijkswaterstaat, ‘Project Afsluitdijk. Aandacht voor de natuur’. December 2021.).

Ik kon in een volgende slide verwijzen naar de uitkomsten van het recente onderzoek ‘Afsluitdijk decimeerde biodiversiteit Zuiderzee en IJsselmeer’, door Jan-Eike Rossius, Maarten Kleinhans en Katja Philippart, waarover ze in maart 2023 publiceerden in het tijdschrift De Levende Natuur.

Toevallig las ik vandaag in NRC een artikel van eerdergenoemde Ronald Nijboer, dat afgelopen vrijdag verscheen. In ‘Hoe mijn oma haar horizon verloor‘ gaat Nijboer in op de beleving van natuur en landschap en de ecologische gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee. Zo’n goed geschreven essay, waarin verschillende invalshoeken worden uitgelicht, maakt dat ik beter begrijp hoe ik de stellingname in de twintigste eeuw tegen de Zuiderzeewerken op waarde kan schatten.

Terug naar de lezing. Richting het einde vroeg ik het publiek: ‘had Mariap van Urk misschien toch een klein beetje gelijk dat die Afsluitdijk er niet had moeten komen?’

Het voorkomen van de Afsluitdijk, en voorkomen dat die zee ingepolderd zou worden, kon ze in ieder geval niet. In een gedicht beschrijft Mariap een baggermolen van de Zuiderzeewerken: ‘Men vroeg mij vele malen / om in een dicht of lied / de molen uit te malen, / helaas, ik kan het niet!’.

Maar haar verslaglegging van de inpoldering en het eilandleven in proza en poëzie, haar verzet tegen de inpoldering, haar inzet voor het behoud van het immateriële en materiële erfgoed van Urk en de Zuiderzee, haar veelkleurige mediapersoonlijkheid, haar gigantische netwerk, maken Mariap tot een belangrijke stem in de geschiedenis van de Zuiderzee.

Maar neem het maar eens op tegen een Cornelis Lely en consorten. En het narratief van ‘Waar wij steden doen verrijzen‘.

Wat bijzonder om met een groep mensen, zoals afgelopen woensdag in Harderwijk, over zulke onderwerpen na te kunnen denken. En goed om af en toe eens stil te staan bij het belang van onderzoek door historici, schrijvers, journalisten, wetenschappers – zolang het maar geen schedelmeters zijn.

Mariap moest eens weten: de Zuiderzeegeschiedenis is hot.

‘Onze wateren, van het IJsselmeer en de Waddenzee tot aan de Noordzee, worden almaar verder volgebouwd. Nederland kent een geschiedenis van ingrijpende veranderingen in het landschap. Iedere halve eeuw ziet de landkaart er weer anders uit dan daarvoor. Dat zal over vijftig jaar niet anders zijn. We kijken daarbij vooral vooruit, zonder stil te staan en om te kijken wat er allemaal verloren gaat. Zonder te begrijpen in wat voor land onze ouders en grootouders leefden. Bij het vormgeven van onze toekomst kan het geen kwaad om af en toe eens door de ogen van onze grootouders te kijken.’

Zo besluit Ronald Nijboer zijn essay. Met een prachtige slotzin.

Laten we inderdaad eens wat meer door de ogen van onze (over)grootouders kijken. En houden we niet alleen de herinnering aan de Zuiderzee levend, maar ook aan al die mensen die, soms tegen de keer, zich ingezet hebben voor al het erfgoed, de verhalen en de gemeenschappen rondom dat zeetje.

Eerder verscheen de tekst van een korte een ingekorte lezing uit 2019 over Mariap van Urk elders op mijn blog. De grootvader van Mariap komt aan bod in mijn artikel over het Dialecticon. Een artikel over Mariap en de dijken van de Noordoostpolder verscheen eerder deze week.

Daar werd een dijk gelegd

Op 3 oktober 1939 om 14.44 uur wordt het laatste gat in de dijk tussen de Lemmer en Urk gedicht. Urk is vanaf dat moment geen eiland meer, maar een schiereiland. Het zal onderdeel worden van de latere Noordoostpolder, welke in 1942 droogvalt.

In 1936 begint de aanleg van de, in totaal, 55 kilometer lange ringdijk rond de toekomstige Noordoostpolder, onderbroken door het eiland Urk. In het IJsselmeer worden meetpunten voor het dijktracé uitgezet en bij de Lemmer en Urk worden werkhavens aangelegd.

Er is veel belangstelling voor het werk. Tijdens een excursie in 1938 kan hoofdingenieur De Blocq van Kuffeler de verzamelde pers melden dat al 14 kilometer dijk is voltooid tussen de Lemmer en Urk.

Leve de oude Polygoonjournaals! Natuurlijk moet dit grootse verhaal, namelijk de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, goed gedocumenteerd worden. Het geeft Nederland in die jaren, de woelige crisisjaren (met oorlogsdreiging), een gevoel van trots.

In 1937 is de Zuiderzee al vijf jaar verleden tijd. Gestaag gaan de werkzaamheden verder. Na de Wieringermeer en de Afsluitdijk is het nu tijd voor de ‘Noord-Oostelijke Polder’. De beelden van de grijpers en het geweld van het water zijn indrukwekkend.

Twee jaar later, in 1939, is het al zover: de dijk is bijna gereed. Het ‘laatste schepje’ is een mooi nieuwshaakje, zo moeten de journalisten hebben gedacht. Bij de Afsluitdijk hebben ze immers hetzelfde gedaan.

Op 3 oktober 1939 is Urk geen eiland meer. Een mooie titel.

We zien de baggermolens en grijpers die de keileem ten behoeve van de dijk aanleveren. De kijker krijgt een beeld van het proces van de aanleg van de dijk, hoe de zinkstukken worden geplaatst en hoe puin en steen ter versteviging worden toegevoegd.

In een shot vaart een klein bootje door een van de laatste sluitgaten, waarin de sterke stroming te zien is. De sluiting van het laatste gat komt in zicht, schepen zijn feestelijk gedecoreerd met vlaggetjes.

Een vrouw in Urker klederdracht houdt een grote Nederlandse vlag vast. We zien een schip van Zanen & Verstoep, met zwaaiende arbeiders. De burgemeesters van Urk en de Lemmer drukken elkaar de hand op een smalle plank.

Daarna een shot van een Urker man, op zijn rug gefilmd, kijkend naar de nieuwe dijk, waarmee zijn eiland ophoudt te bestaan. Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij!

Tenslotte een Urker vrouw (waarvan ik vrij zeker ben dat het mijn overgrootmoeder Mariap van Urk-Koffeman is) die de was uithangt, met de dijk op de achtergrond.

In ieder geval staat vast dat dorpsdichteres en erfgoedhoedster Marretje van Urk-Koffeman (wiki) (blog) bij de feestelijke gebeurtenis aanwezig is. Ze staat zelfs prominent op het schilderij ‘Het laatste schepje’ van Van Mastenbroek, gemaakt in 1939-40. Van Mastenbroek deed beeldend verslag van het grote nationale wonder.

‘Het laatste schepje’, Van Mastenbroek, 1939-40. Enkhuizen: Zuiderzeemuseum / Zuiderzeecollectie.

Op het schilderij zien we deftige mannen in het zwart en werkvolk met lichtere kleren aan. En Mariap van Urk in Urker klederdracht. Het is geen gekke gedachte dat het Mariap is aan het einde van de film, natuurlijk zou ze ja zeggen op de vraag of ze voor of na 3 oktober 1939 voor de camera haar was wilde ophangen.

De gebeurtenis zette Mariap aan tot het schrijven van haar meest bekende gedicht ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’, verschenen in haar gelijknamige dichtbundel in 1949.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven,
Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’,
Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven
Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; gedenken wij de doden,
Die eenzaam rusten in je stille schoot,
De vissers, die voor dagelijkse noden,
Zich waagden op je wiegelende vloot.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de wielen der gemalen,
Zij went’len dreunend aanstonds, dag en nacht
En rusten niet, aleer gij drooggemalen,
Al bloeiend in cultuur zult zijn gebracht.

Vaarwel mijn Zuiderzee; wij zullen niet versagen,
Uw stervenswee een nieuwe toekomst baart,
Waaraan wij bouwen: en waarop wij vragen
Gods zegen! Die aan arbeid is gepaard.

Als de socialistische VARA op 11 juli 1940 een bezoek brengt bij de gereformeerde dichteres, laat zij haar kinderen liedjes zingen en spreken de journalisten met Mariap op onderhoudende toon. In hetzelfde interview draagt Mariap haar gedicht voor, in een nog wat andere vorm dan hoe het uiteindelijk gepubliceerd zou worden.

We zitten dan al in de Tweede Wereldoorlog, de VARA zou niet veel later worden overgenomen door de gelijkgeschakelde Rijksradio-omroep. Het werk in de polder ging gewoon door: de bezetter zag zo’n mogelijke graanschuur ook wel zitten.

De dijk tussen Urk en Kadoelen (de ‘Kaamperdik’) komt 13 december 1940 om 13.52 uur klaar. Ook hier is Mariap getuige van. De stemming is dan wel iets anders dan bij de sluiting van de eerste dijk: nu geen vlagvertoon, maar een sobere viering.

Op rijm, uiteraard, doet ze verslag van de sluiting. ‘Een dag gelijk aan alle and’re dagen’. Wat opvalt is haar ontzag voor de ingenieurs en arbeiders, die de plannen uitvoeren waar Mariap eerst zo hevig tegen protesteerde. En dan haar patriottisme! ‘O, Hollands ras! Zoo taai en onbewogen’. Toch geen ongevaarlijke passage ten tijde van schrijven…

‘Het laatste sluitgat’, Marretje van Urk-Koffeman, 1940. Urk: privéarchief.

Onder redactie van de zoon van Mariap van Urk, dorpshistoricus Albert van Urk (wiki), verschijnt in 1989 het boek ‘Daar werd een dijk gelegd…’ (download) bij Stichting Urker Uitgaven. De titel is ontleend aan een zin uit bovenstaand gedicht.

In het boek zijn interviews met ooggetuigen van de aanleg van de dijken opgenomen, alsmede gastbijdragen over de visserij, de oorlogssituatie, het hergebruikte puin van het platgebombardeerde Rotterdam, de archeologische vondsten in het jonge polderland, Urkers die boer wilden worden, kunstenaars ten tijde van de inpoldering, de sociaal-economische situatie op Urk en natuurlijk… Mariap van Urk, de dichteres van de drooglegging.

Op 3 oktober 1989, precies 50 jaar na de gereedkomen van de eerste dijk, zendt de AVRO een reportage uit, met daarin een interview met Albert van Urk.

Maar Urk is pas echt eiland-af in 1948, als Urk een wegverbinding krijgt met de rest van de polder. Pas zes jaar na de drooglegging van de polder in 1942. Tot 1948 gaan de Urkers nog naar Kampen, naar het ziekenhuis bijvoorbeeld, met een bootverbinding. Of wandelend over de dijk.

Op goed water, betrouwbare elektriciteit en aardgas moeten de Urkers dan nog wat jaren wachten.

Mariap, de vrouw die zich aanvankelijk zo verzette tegen de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee, omarmt uiteindelijk de toekomst. Wel blijft ze zich telkenmaal kritisch uitspreken en zet ze zich onvermoeibaar in voor het behoud van het Urker cultureel erfgoed.

Ook staat haar deur voor iedereen open: van journalisten, tot nonnen, tot dijkwerkers. ‘Een vrouw met een groot hart. Dat ondervonden de polderjongens die, ver van huis, bij haar een thuis vonden.’, zo besluit haar zoon Albert het hoofdstuk in ‘Daar werd een dijk gelegd’ over zijn moeder.

Eerder verscheen de tekst van een korte een lezing uit 2018 over Mariap van Urk elders op mijn blog. De grootvader van Mariap komt aan bod in mijn artikel over het Dialecticon.

Wende en de poëzie

Woensdag 17 april zag ik Wende in Zwolle. Ik had haar al eens eerder gezien op Down the Rabbit Hole, maar in een zaaltje is de beleving toch weer even anders dan op een brakke zondagmorgen in de openlucht (ook al stond ik helemaal achter in de zaal).

De vertolkingen van chansons door Wende luister ik al jarenlang. Ze heeft een energie in haar performance waar weinig andere Nederlandse artiesten aan kunnen tippen.

Dan zijn er nog die prachtige teksten. Op de setlist van afgelopen woensdag stonden drie meer recente nummers die mij raken. Lappen tekst, door anderen geschreven en door Wende op muziek gezet.

Joost Zwagerman vroeg Wende Snijders om van zijn gedicht ‘Voor alles’ een lied te maken. Het lied kwam uit na het overlijden van Zwagerman.

Het lied ‘Troostzoekers’ is een bewerking van het gelijknamige indrukwekkende gedicht van Lucas Rijneveld.

Dimitri Verhulst schreef ‘Deze gin’ (en schreef trouwens nog meer liedteksten voor Wende).

Joost Zwagerman – Voor alles (2004)

Voor te veel mensen in een lift of streekbus
of gewoon een kamer. Voor de krans van
melkwegen, sluiers, nevels en hun zwarte gaten.
Voor je eigen brein, een stuk of wat insecten,
vrouwen, hun stemmingen en stemmen, voor
kokend water, vliezen, scharen, ademhaling.
Voor de meeste onbenulligheden, groot en groter.
Voor de ontijd van mijn ouders, toen vanaf kansels
en in kazuifels men met hel en nauwe poorten dreigde.
Voor sommige geluiden en het levende bij die geluiden.
Voor mails en sms’en, voor enveloppen op mijn tafel.
Voor dromen en demonen, voor uitsluiting en
vrijwel alle onbekenden. Voor woorden in zinnen.
Voor volwassenen die te hard lachen. Die lachen.
Voor de elementen. Voor volk en vaderland.
Voor grote drommen, de deurbel en voor straf.
Voor gepatenteerde gekken en sommige familieleden.
Natuurlijk ook voor ziektes waarover je op school iets leerde.
Voor school, en alles wat erna moest komen.
Voor de ontdekking dat die ziektes ook in dingen huizen
en dat dingen vaak mensen in vermomming zijn.
Voor de aanblik die ik bied en niet wil bieden.
Voor de benauwenis van aangeboren schaamte.
Voor de waarheid, of liever: de dynamiek van harde feiten.
Voor toekomst en verleden en het stuiterende
hier en nu. Voor saters, hufters, brede schouders
en voor types die met messen spelen.
Voor dieren, hoewel niet de meeste. Voor 
personen die snoevend zeggen vrij te zijn
van alle vrees. Voor gedachten, andermans of eigen.
Voor tekens. Sporen. Hoogte. Diepte.
Voor alles wat aan taal ontsnapt
en voor vermoedens van om het even.
Voor God, toch nog. Voor mijn hartslag,
en nog net niet voor figuren
die spontaan aan goede doelen geven.
Voor, een fractie later, die figuren.
Voor alles altijd bang geweest,
niet vrijblijvend maar met recht en reden.
Voor zowel de grote greep
als laatste resten, rafelranden.
Voor de kleinste deeltjes, neutronen, elektronen,
ook de quark, alles groter dan het wijkend Zelf.
Voor sferen, suizingen en de zekerheid
ook thuis in één oogwenk alles kwijt te zijn.
Voor gebouwen zonder ramen, voor
doodgaan en voor alle doden, in films of van nabij.
Voor doodzijn misschien iets minder.
Voor deze constatering. Voor constateren.
Voor kinderen die vragen stellen. Maar
meer nog voor die vragen.
Voor schijnbewegingen, herhalingen
en de grandeur van allerhande eeuwigheden.
Voor alles altijd overtuigd, hoog in de adem
en zuiver in de leer tot in het merg bang geweest,
op het stupide en futiele af,
met oogkleppen en hondentrouw.
Voor alles altijd bang geweest,
ook in tijden waar je alles
op de vingers van één hand.
Voor alles altijd bang geweest,
maar niet voor jou,
nee, niet voor jou.

Lucas Rijneveld – Troostzoekers (2022)

Zoals geluk gevaarlijk is voor wie er spaarzaam mee omgaat,
voor wie niet-leven een koud kunstje werd, voor wie hier binnenkomt
en twijfelt aan alles wat mooi is, twijfelt aan zijn plek in de wereld,
voor wie eindeloos teert op het verlangen naar beterschap,

voor wie niet breekbaar wil zijn net zo min als populierensterk
en wie mij raakt geef ik de wind, voor wie met een bevel tot
omhakken in de hand rillerig plaatsneemt of juist wil opbloeien
en zie me, voor wie alleen wil zijn maar het niet langer meer kan.

Zoals geluk gevaarlijk is voor hen die het niet kunnen delen,
voor wie wel glimlacht maar de snik onzichtbaar en hoog in
de keel heeft, voor wie alles verloor waar hij van hield, voor hen die
de koek uit de mond sparen en altijd andermans honger stillen,

voor wie weerloos omgaat met de dingen, voor wie iedere
avond zichzelf het donker van zijn kop injaagt, voor wie de hoop
heeft opgegeven als een zieke kameraad, voor wie van alles denkt
maar te weinig uitspreekt, voor wie moe is maar niet meer

in slaap komt en eeuwig ligt te woelen, voor hen die willen leunen,
voor wie onder de mensen wil zijn als onder een warme deken,
voor wie niet weet wie hij is en altijd onzeker, we zijn de leegte,
zeggen we, we zijn de leegte en weten niet hoe ons te vullen.

Zoals geluk gevaarlijk is voor de roekeloze, voor wie verstrikt zit
in eigen-ik, voor wie de weerloosheid weg-eet, koopt, slikt, voor wie
zichzelf bezeert omdat een ander het niet meer doet, voor wie
stemmen hoort maar zelden een lief woord, voor wie bang is om

verlaten te worden en in een leeg huis thuis te komen, voor wie zélf
uit voorzorg iedereen verlaat, voor wie weet dat het hart op vele
manieren kan breken en vergeet dat het ook op vele manieren
weer kan helen, voor wie en voor iedereen is hier de plek.

Dimitri Verhulst – Deze gin (2018)

Deze gin verscheen als kakkerlakje. Ik kan het gedicht zo snel niet online terugvinden.

Een gedicht op de begraafplaats

In juni van het afgelopen jaar kreeg ik een telefoontje van de gemeente Urk. Of ik als stadsdichter een gedicht wilde schrijven voor een openingshandeling door de wethouder van een nieuw deel van de plaatselijke begraafplaats. ‘Dat zou een eerwaardige aanvulling zijn bij de speeches en openingshandeling’, aldus de gemeente.

Ik vond het mooi dat ik hiervoor werd gevraagd. Tegelijkertijd ook best een opgave. Je wilt een gedicht schrijven waar iedereen, iedere inwoner van Urk, van iedere gezindte, zich in kan vinden. Een eerwaardig gedicht…

Toen ik aan de slag ging, bleef ik dicht bij mezelf. Wat voel je, als je op een begraafplaats bent, waar je voorouders en dorpsgenoten begraven liggen? Daarna komt de vraag: hoe zwaar of licht moet je zo’n gedicht aanzetten?

Daarom schreef ik een gedicht waar zowel ruimte is voor verdriet als voor hoop. Daar koos ik een rijmvorm bij die eeuwen oud is, een sonnet. Daarmee heb ik het respect voor het verleden willen uitdrukken. In de laatste zinnen komt het protestantse vertrouwen van het dorp en het eeuwenoude geloof van onze voorouders naar voren. Tegelijkertijd is het door de rijmvorm een makkelijk leesbaar gedicht, dat door iedereen begrepen kan worden.

Ik heb deze zo geschreven, dat het behalve geestelijk ook letterlijk kan worden geïnterpreteerd. De ‘loodsende hand’ is in die betekenis de zorg en het nabuurschap in de gemeenschap, het ‘leven na de dood’ de plek van herinnering die achterblijft voor het nageslacht. En ik hoop dat het hiermee een gedicht van troost voor echt alle inwoners van Urk is geworden.

Eind vorig jaar hoorde ik dat het gedicht ook een fysieke plek zou krijgen op de begraafplaats. Het is daarmee het eerste gedicht in de openbare ruimte van een Urker stadsdichter. En ik vind dit een mooi gebaar van de gemeente, dank daarvoor.

Vanochtend werd het gedicht onthuld en kon ik het met eigen ogen bekijken.

De begraafplaats

De stilte draagt het missen, lijden:
Hier zingt een vogel zacht zijn lied.
Ruimte is hier voor verdriet,
Gedachten aan voorbije tijden.

Een wind waait langs de bankjes, bomen,
Grassen, graven, om ons heen,
Streelt hun namen, één voor één,
Dorpsgenoten, thuisgekomen.

Vertrouwen is ons meegegeven:
Aan het einde van het leven
Is een zachte hand die loodst.
En voor ons, die achterbleven,
Is hier een stille plaats die troost,
Tot aan een leven na de dood.