Zo gingen zowel ‘gewone’ als monumentale klokken en carillons verloren. Maar meer dan tweehonderd klokken werden echter gespaard: zij wachtten op de bodem van het IJsselmeer, tot het einde van de oorlog.
Mijn opa Albert van Urk deed veel onderzoek naar het zinken zogenaamde ‘klokkenschip’, waarover vele verhalen de ronde doen. Hij toonde aan waarom het schip zonk: het was een daad van klein verzet was (de vuurtorenwachter doofde het licht en een sleper saboteerde het schip).
Boven één van zijn publicaties over het klokkenschip stond ‘Wie met Gods klokken schiet, die wint de oorlog niet’, een uitspraak die in de oorlogsjaren veel werd gedaan.
Mooi dat zijn onderzoek voortleeft, al wordt hij niet bij naam genoemd in het betreffende artikel – dat is dan weer jammer. Aan de andere kant had het wel bij zijn bescheidenheid gepast.
Een band die ik pas vorig jaar ontdekte (!). De zanger, Christy Dignam, was toen al twee jaar overleden. Vreemd dat ik deze band pas zo laat tegenkwam, ik luister bijna alles wat uit Ierland komt.
Officiële releases zijn er online bijna niet te vinden, ook weinig muziek op de streamingplatforms. Nooit echt doorgebroken op het vasteland, denk ik. Maar groot in Ierland. Terecht ook, als je naar de muziek luistert. En de getroebleerde zanger werd, tussen het afkicken door, een national treasure in het land.
Er staat een clipje op youtube waarin hij met Finbar Furey (van The Fureys) ‘The Green Fields of France’ (een lied dat tot het Schots/Ierse erfgoed kan worden gerekend) zingt. Je hoort daarin goed hoe prachtig, gepassioneerd en doorvoeld hij zingt.
Maar nog mooier is onderstaande video. Aslan, de band, bestaat dan al acht jaar en de zanger heeft, door zijn drugsgebruik, spanning met zijn bandmaten. Misschien mede door de stress van een geplande tour door Amerika (hier zit wat overlap met Ian Curtis/Joy Division).
Als je zijn levensgeschiedenis leest, dan is het niet vreemd dat hij naar de middelen greep. Maar hier zingt hij, solo, slechts begeleid door een piano, de track te zingen die hem groot maakte en ook zwaar op hem woog. Zo’n uniek fragment.
In het Urkerland van 27 april 2006 verscheen een artikel van de hand van Jaap Bakker, met daarin de herinneringen van mijn oud-oom Rinke Oost.
Die (geliefde) ome Rinke overleed in 2018, zijn (geliefde) vrouw Bep Cazant in 2022. Ze woonden in Arnhem. Rinke was de oudste van het Urker gezin van Roelof Tiede Oost (‘Roelof van Rinke’) en Elisabeth Koffeman. Roelof was timmerman en nam het bedrijf over van zijn opa. Ook zijn nakomelingen werden timmerman (Gebroeders Oost).
Er werd door mijn familie Oost (mijn opoe Jent was de zus van Rinke) wel zo nu en dan over de oorlog gepraat. Het waren anekdotes over klein verzet. Maar toch ook van heldenmoed, zoals ik er nu, op wat latere leeftijd, aan denk.
Ik moest gisteren en vandaag weer aan dat inmiddels alweer twintig jaar oude artikel denken, dat hier te lezen is (en hier als pdf).
Het artikel wordt als volgt door de opsteller afgesloten: “Opdat wij niet vergeten hoe boze machten ons de vrijheid kunnen ontnemen en hoe duur de vrijheid herverkregen is. Moge het een levensles zijn om ons niet in haat te laten meeslepen in vooroordelen en voorkomen dat mensen elkaar het recht op vrijheid en vrije meningsuiting ontnemen.”
Over andere Urker oorlogsverhalen schreef ik eerder dit artikel.
Tijdens een zaprondje kwam ik langs ‘Het verhaal van Nederland – De Tweede Wereldoorlog’. Ik heb het niet gekeken. Maar ik heb zo’n ongelooflijke lol gehad om het idee dat Daan Schuurmans de loop van de oorlog ten goede kan beïnvloeden, maar dat hij daar te ijdel voor is en liever een televisieprogramma presenteert. De gedachte dat er mensen naar de televisie schreeuwen: “doe er wat aan, Daan!” Of: “sta daar niet zo man, grijp die Mussert!”, als Daan Schuurmans weer opeens de geschiedenis binnenstapt.
Dat ik tijdens mijn weekje vakantie onderweg was naar het plaatsje – laten we zeggen – H., had alles te maken met de emdr-therapie die ik aan het afronden ben. De afgelopen weken heb ik achter zo’n lichtgevend balkje gezeten om wat shitzooi te verschuiven van de ene krocht in mijn hoofd, naar een plaats waar het wat minder kwaad kan. Als je jezelf dan daar, vanuit een hoek van de kamer, ziet zitten (en dat zie ik dan), dan lijkt het grote homeopathisch verdunde onzin, maar het werkt dus wel.
Je sluit het af met blootstelling, en de plek H. bezoeken is daar onderdeel van. Jezelf confronteren met een plaats of persoon of iets anders, waardoor je het een plekje kan geven en verder kan. Ik reed dus op de snelweg en hoe dichterbij ik bij H. kwam, hoe meer spanning ik in mijn lichaam voelde komen. Ik wilde dit niet en toch reed ik door.
In de verte, aan stuurboordzijde, zag ik een gigantische rookpluim. Iedereen reed gewoon door, de rookpluim kwam steeds dichter op ons, weggebruikers, af. Op de vluchtstrook bleek een gigantisch vuur te branden. Een oudtestamentisch beeld. En even zakte de spanning in mijn lichaam weg: hier gebeurde iets anders, iets groters. Dit moet een duister voorteken zijn, dacht ik. Ik voelde een flits van de hitte, toen ik er langsreed.
Het bleek om een aanhanger te gaan, die vlam had gevat. En toen ik in het plaatsje H. was, reed ik op mijn gemak wat rond en dat was onprettig, maar het ging wel. Ik wachtte niet op een heftige reactie, want ik wist dat die niet zou komen. De paniek zakte langzaamaan af en ik werd, gewoon, een beetje nurks.
Ik ben zo’n calvinist dat mijn voorkomen nauwelijks een verbinding heeft met mijn binnenste. Er zijn wel emoties, maar uiten lukt me nooit. Oh, soms zou ik zo heftig willen dat er iets in mij knapt, dat ik in huilen kan uitbarsten of eens woedend een spiegel kapot kan slaan. Op de terugweg dacht ik weer aan dat verterende vuur, dat in de bijbel juist vaak op Gods nabijheid wijst. Toen knapte er toch iets: de v-snaar onder de motorkap. Die had onder te grote spanning gestaan.
‘Het leven heeft geen zin, maar ik wel: Leven en werk van Maarten van Roozendaal’, door Patrick van den Hanenberg (Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2019), staat vol wetenswaardigheden over de een van de grootste kunstenaars van Nederland, helaas veel te vroeg gestorven. Man, wat had ik hem graag eens zien optreden. Ik weet nog dat hij in Emmeloord zou optreden, ik zat daar op de havo. Geen geld, geen tijd, zoiets moet het geweest zijn.
Ik denk niet dat ik veel muziek van hem kende, want streamen bestond toen nog niet. Misschien zag ik hem bij VPRO Vrije Geluiden (met Hans Flupsen!), waar ik op zondagochtend naar keek (juist omdat ik dacht dat dit een prima alternatief was voor de kerk, denk ik).
De werkelijke waarde van de muziek ontdekte ik pas later. Het ging soms over leven in de breedte: het grote gebaar, maar nog vaker nog over het kleine leven: miniatuurtjes van zomaar mensen. Ik herkende veel van Lou Reed in zijn teksten, naast Tom Waits blijkt, zo lees ik in die aardige biografie, dat ook zeker een inspiratiebron te zijn geweest.
Van Roozendaal bereikte nooit écht het ‘grote publiek’ (hence dat optreden in Emmeloord). Maar voor veel muzikanten en tekstschrijvers is hij een enorme inspiratiebron.
Troostrijk is ‘Christoffel’. Lang, 6/8 maat, met brede, open akkoorden door Marcel de Groot, goed basspel door Egon Kracht. En Maarten van Roozendaal die je mee op reis neemt door een oh zo Hollands landschap.
Dankzij de biografie kwam ik erachter dat de tekst niet helemaal van Van Roozendaal is. Hij liet zich sterk inspireren door ‘Waiting’, van Raymond Carver: Van Roozendaals partner Eva tipte hem het gedicht. Ik kende het niet, maar het is minstens zo mooi als het lied.
Waiting
Left off the highway and down the hill. At the bottom, hang another left. Keep bearing left. The road will make a Y. Left again. There’s a creek on the left. Keep going. Just before the road ends, there’ll be another road. Take it and no other. Otherwise, your life will be ruined forever. There’s a log house with a shake roof, on the left. It’s not that house. It’s the next house, just over a rise. The house where trees are laden with fruit. Where phlox, forsythia, and marigold grow. It’s the house where the woman stands in the doorway wearing the sun in her hair. The one who’s been waiting all this time. The woman who loves you. The one who can say, “What’s kept you?”
– Raymond Carver
Ik maak de laatste tijd veel lange wandelingen en moet vaak aan dit lied denken. Ik ontdekte ook nog dat Rogi Wieg een gedicht had geschreven over, natuurlijk, juist dit gedicht.
Raymond Carver
Raymond Carver schreef het al. Ik herinner me zijn regels vaag, ga niet naar links, maar naar rechts. Neem de bocht, ga langs de rivier en daar bij het huis, dat ene huis, staat de vrouw die van je houdt, zoiets schreef hij, maar dan anders, al heb ik het onthouden.
Waarom moest hij zo vroeg dood? Er is weinig meer dan wat liefde en kunst in sommige levens. En als het allemaal niet gaat, als het misloopt, je wel naar links gaat… Verdomme, waar blíjf ik? De vrouw in het late zonlicht toch? Neem de bocht, ga langs de rivier, de vrouw in wiens haar het zonlicht schijnt.
Het is daar bij dat ene huis, waar de auto van Carver staat. Ik kan hem zien achter het stuur, al hangt hij naar voren en ademt hij niet meer in of uit.
Intussen ben ik alweer een tijd van het roken af. Een keer of vijf per dag krijg ik nog wel een ontzettend sterk verlangen naar een sigaret, nee eigenlijk vooral naar het roken, de handeling. Misschien omdat het nog zo gewoon voelt. Of omdat ik lees hoe Knausgård om iedere andere bladzijde een sigaret opsteekt.
Ik hoor bij de laatste generatie voor wie roken nog enigszins normaal was. Een logische stap naar volwassenheid, een jongen die een man wordt. Een merk kiezen dat bij je past, een pakje sigaretten dragen als een horloge.
Dat er nog ruimtes waren waar je binnen mocht roken. Roken in een restaurant maakte ik dan wel niet meer mee, maar nog wel het roken in het café. Zo’n hok dat vanaf het begin van de avond helemaal blauw stond van de rook. Of lekker binnen roken tijdens een verjaardag, bij iemand thuis.
Asbakken vullen. De pakjes shag en sigaretten op tafel, zoals telefoons nu liggen uitgestald. Als er geen asbakkenbeleid was, dan ging het in de lege flesjes bier. Dan gebeurde het nogal eens dat je een slok van het verkeerde flesje nam. Een slok nicotine, soms met een plukje tabak of ronddrijvende filters. Dat was altijd een vermakelijk gebeuren, zolang je maar niet zelf het slachtoffer was.
Of assen in wat verder maar voor handen was: een leeg pakje sigaretten, een colaglas, op je bord. Een vriend kan smakelijk vertellen over hoe vroeger bij hen thuis, na het eten, de peuken werden uitgedrukt in de etensresten. Ik heb eens iemand een sigaret zien uitdrukken in een half aangegeten moot warmgerookte zalm. Maar dat was op Urk en dit kan alleen maar daar. (Nu ik hieraan denk dwalen mijn gedachten af naar het verhaal ‘Korte metten’ van Biesheuvel.)
Vandaag realiseerde ik me dat de laatste plaats in mijn omgeving waar nog binnen kan worden gerookt, de oefenruimte van ons bandje, binnenkort verleden tijd is. Er zijn nog tal van andere, meer voor de hand liggende redenen waarom ik daar weemoedig over kan doen. Toch is dit er wel eentje van.
Het hele land ligt onder een laagje sneeuw. Dat leverde ook op Werelderfgoed Schokland weer mooie beelden op:
Over winters gesproken. Die waren vroeger net een tikkeltje intenser. En als je dan ook nog ingevroren raakt bij het haast onbewoonde eiland Schokland… Een zeventienjarige schippersdochter maakte het mee.
Het verslag van deze overwintering hieronder integraal overgenomen.
Een overwintering op het eiland Schokland
Belevenissen van een 17-jarige schippersdochter in de winter van 1927-1928
Wij waren met ons lege schip – een zeilklipper van 154 ton genaamd de Annigje – onderweg van Meppel naar Amsterdam. Mijn vader wilde graag met de Kerst in Amsterdam liggen. Het begon al stevig te vriezen. Tegen de avond waren wij bij het eiland Schokland, dat lag nog in de toenmalige Zuiderzee. Mijn vader besloot die nacht voor anker te gaan achter het eiland (in het zogenaamde gat van Ens) om de andere morgen vroeg te gaan varen. Zodoende om te proberen de ijsgang voor te zijn.
Het vroor die nacht hard en ’s morgens was de Zuiderzee bedekt met grondijs. En daar is met een zeilschip niet door te komen. Dus besloot mijn vader om de haven van Schokland binnen te komen, wat met veel moeite is gelukt. Niet vermoedend dat wij de Kerst en Nieuwjaar zouden vieren. Wij waren het enige schip in de haven, dus ligplaats genoeg. Maar gelukkig woonden er nog twee gezinnen op Schokland, de Rijks havenmeester en de lichtwachter, allebei genaamd Smit; het waren broers. De lichtwachter verzorgde de verlichting op het eiland. De verlichting was toen al elektrisch. In het huisje van de misthoorn stond de Kromhoutmotor voor de stroomopwekking. Dit kromhoutje staat nu (1985) nog in de Marker vuurtoren. De havenmeester had een dienstvaartuig tot zijn beschikking: een spierwitte stalen zeilbotter (bijgenaamd het varken).
Gelukkig waren er onder die gezinnen ook jongelui van onze leeftijd en hadden mijn jongere broer ik al gauw contact. Mijn ouders waren goed bevriend met de ouderen en gingen bij deze mensen buurten.
Omdat het bleef vriezen, gingen wij al gauw schaatsenrijden op de Zuiderzee. Wij schaatsten van de haven aan de Noordpunt naar de Middelbuurt waar nu het Museum is in de kerk. In mijn tijd werd de kerk gebruikt als onderkomen voor seizoenarbeiders, maar zo langzamerhand raakte het eten op. En het liep tegen Kerst. Bij de familie Smit, de havenmeester, was een onderwijzeres in huis. De kinderen op het eiland kregen daar op rijkskosten onderwijs thuis. De onderwijzeres wilde graag naar huis met de Kerst. Ze woonde in Groningen en omdat er toch eten gehaald moest worden in Kampen, ging ze met de mannen mee naar Kampen.
Op het eiland was een grote slee en die werd klaargemaakt, ’s morgens bij het aanbreken van de dag waren ze klaar voor vertrek. De onderwijzeres werd in dekens gewikkeld op de slee gezet. Mijn broer mocht ook mee om te helpen. De mannen trokken en duwden de slee zelf op de schaatsen over de Zuiderzee naar hert Kampereiland. De tocht was niet zonder gevaar, wegens de wakken en scheuren in het ijs. Vanaf het Kampereiland werd er gelopen naar Kampen. Een pittige wandeling van ongeveer 15 km. Om niet te verdwalen bij mist of sneeuw op het ijs, hadden ze een kompas meegenomen. Voor de achterblijvers was het ook een spannende dag, want het ijs kon zo gaan scheuren.
Een foto van het betreffende schip. Bron: Museum Schokland.
Maar gelukkig, in de namiddag kwamen de mannen er weer aan, met de slee vol proviand, melk, spek, meel, enz. Nadien is deze reis nog tweemaal herhaald, met aldoor een goede afloop.
Mijn ouders gingen ’s avonds buurten bij de familie Smit. De jongelui kwamen dan bij ons aan boord in de roef en dan werden er spelletjes gedaan. Op een avond tussen Kerst en Nieuwjaar waren wij weer met de hele club bij ons aan boord in de roef en zijn wij kaarten gaan schrijven voor familie en kennissen, maar er waren alleen kaarten met de afbeelding van Schokland er op.
Er kon wel post worden verstuurd en er werd ook post gebracht. Er was een geul gebroken in het ijs van de Zuidpunt van het eiland naar Kampen. Als het mogelijk was, bracht de botter de post. En als de botter op de Zuidpunt was gearriveerd, moesten de mannen over een glad dammetje naar de Zuidpunt lopen om de post op te halen. Het was levensgevaarlijk en zo’n ander halfuur lopen. Ze deden dan sokken over de klompen om niet uit te glijden. Wij hebben ook nog een kaart naar Koningin Wilhelmina gestuurd met de namen van alle eilandbewoners er op. Later hoorden wij dat de Koningin een brief terug had gestuurd.
Omdat er weer meel genoeg was, gingen wij oliebollen en wafels bakken. Je moest toch wat doen. Radio en TV was er nog niet.
Na Nieuwjaar waren de mannen begonnen met grote ijszagen ons schip los te zagen, maar dat ging erg langzaam en was bar zwaar werk. Dit werd gedaan omdat het ondertussen was gaan dooien.
Op een avond zaten wij weer bij elkaar in de roef. Een van ons tuurde door de ramen van de roef naar buiten naar de haveningang en zag ineens boordlichten naar de haveningang komen. Het was de beurtmotor, die wilde in de haven overnachten. De andere dag heeft de beurtmotor het ijs om ons schip heen losgebroken en ons naar buiten gesleept. Vandaar zijn wij onder zeil richting Amsterdam gevaren. Het viel niet mee om op de zeilen door dat losse ijs te varen, maar het is gelukt en zijn wij veilig in Amsterdam aangekomen. Al met al hebben wij vijf weken ingevroren gezeten in de haven van Schokland. Wij hebben ons daar best vermaakt, maar waren toch ook weer blij dat we weer in de vaart waren.
Dit verhaal is waar gebeurd en verteld door Mevr. A. Jetses-van Veen (1908 – 1989) aan haar oudste zoon dhr. A. Jetses wonend te Zaandam.
Bovenstaand artikel werd een paar jaar geleden toegestuurd aan Museum Schokland. Het verscheen eerder ook op de website van de Schokkervereniging en in Het Schokker Erf nr. 28, p. 36-38. Ook verscheen het in De Vriendenkring (Vrienden van Schokland), jaargang 47, nr. 4 (winter 2007), p. 30-32.
Het is de dag voor kerst en op mijn kantoortje op Schokland werk ik de laatste mails weg, plan ik nog wat posts in en schrijf ik de laatste nieuwsbrief van het jaar.
Toen ik eerder op Schokland werkte, deelde ik al eens het Schokker kerstlied ‘Ziet het wonder hoog verheven’ op de socials van het museum. Dit lied werd op Schokland gezongen en overleefde de ontruiming van Schokland in 1859. Katholieke Schokkers bleven het zingen bij de mis in Vollenhove. Halverwege de vorige eeuw kwam het lied opnieuw in de belangstelling. En ik kwam vanmorgen tot de ontdekking dat mijn opa Albert daar een rol in had.
Uit: Fred Thomas, ‘Het laatste kerstlied van Schokland’, De Tijd, 24 december 1958.
Veel immaterieel erfgoed van de eilandperiode bleef niet bewaard. Het dialect verdween decennia na de ontruiming en ook de Schokker streekdracht verdween. Maar dit kerstlied bleef wél bewaard!
Fred Thomas schreef erover in ‘Wijkend water’. Ook stond het centraal in een artikel in ‘De Tijd’, van 24 december 1958 – honderd jaar ná de laatste Kerstnachtmis op Schokland. Ik publiceerde dat artikel eerder op de website van Museum Schokland.
Maar vandaag werd ik ontroerd door een artikel van de hand van mijn grootvader Albert van Urk, die in de kerstbijlage van Het Urkerland van 1980 óók over dit lied schreef.
Het lied fascineerde ook hem. Hij ging naar Kampen, waar de tekst van het lied in het Stadsarchief bewaard werd. En nam het mee naar Urk. Het lied werd uitgevoerd en opgenomen door de Urker zangers, wat een impuls gaf aan de bekendheid van het lied.
En die mooie zinnen van hem: ‘Ik probeerde mij voor te stellen hoe het in vroeger eeuwen opgeklonken zal hebben in de Kerstnacht in het kerkje van Emmeloord. Hoe niet zelden de slepende klanken zich vermengd zullen hebben met het gebulder van de branding, het ruisen van de immer opdringende zee of hoe de ruwe, ongeschoolde vissersstemmen in de stille nacht, wanneer de zee roerloos zich onder de sterrenhemel spiegelde, langzaam verwaaiden over het water van de Zuiderzee.’
Een paar decennia nadat mijn grootvader mij meenam naar Schokland, waarmee mijn liefde voor het gebied begon, mag ik mij ook zo verliezen in die bijzondere verhalen als hij deed.
Met opa (‘beabe’) in Museum Schokland, een paar decennia terug.
Hier volgt het betreffende artikel, met dank overgenomen van de site van de Schokkervereniging. Die overigens in 1985 werd opgericht en waarbij hij betrokken is geweest.
Het kerstlied van Schokland
De geschiedenis van Schokland is er één van zorg en strijd. Zorg om het bestaan, strijd tegen zijn aartsvijand: het water. De kronieken van het eiland getuigen van aanhoudende rampspoed, hongersnood, overstroming en brand. De Schokkers waren arm, armer en weerlozer nog dan hun buren, de Urkers, die op hun hoge keileembult niet direkt bedreigd werden door het water. In het midden van de vorige eeuw is de toestand op het eiland zó uitzichtloos, dat door de regering besloten wordt tot ontruiming. In het najaar van 1858 aanvaardt de Tweede Kamer der Staten-Generaal een regeringsvoorstel tot ontvolking van Schokland en afkoop van het particulier grondbezit. Op 10 juli van het volgende jaar wordt de laatste burgemeester van het eiland, Gillot, eervol van zijn post ontheven en Schokland bij de gemeente Kampen gevoegd. Vóór 1 juli van dat jaar heeft de bevolking al het eiland verlaten. Zo zij daarover al niet bedroefd waren, aanvaardden de arme eilanders hun treurig lot in doffe berusting.
Het kerkje van Emmeloord De oude katholieke kerk van Emmeloord brandde in 1728 af. De nieuwe kerk, als protestants bedehuis gebouwd, werd bij de zware brand, die Emmeloord in 1749 teisterde, eveneens verwoest. Enige jaren later bouwden de katholieken weer een kerk en deze werd bij de beruchte stormvloed van 1825 zwaar gehavend. Van Rijkswege werd in 1842 een nieuwe kerk gebouwd, welke tot de ontruiming in gebruik bleef. De afbraak werd in 1859 benut voor de bouw van een katholieke kerk te Ommen, welke bijna 80 jaar in gebruik bleef. In de kerk van Ommen bevindt zich nog altijd het zandstenen doopvont van Emmeloord, dat in een grijs verleden tussen Urk en Schokland werd opgevist. Ook zijn daar een aantal kandelabers en misbekers terug te vinden, die eeuwenlang dienst hebben gedaan op het eiland. Ooit bewonderde ik in deze Vechtstad de “schatten van Schokland”.
Een lied in een vreemd land Op het eiland Schokland waren drie woonkernen: Emmeloord op de Noordpunt, Ens op de Middelbuurt, en de Zuidert. De laatste werd al vóór 1859 ontruimd. Ens was voornamelijk protestant, Emmeloord katholiek. Beide bevolkingsgroepen verdroegen elkaar goed; de Schokkers waren in godsdienstig opzicht vrij tolerant. Een grote groep Emmeloorders kwam in Vollenhove terecht. De andere “ballingen” verspreidden zich over diverse Zuiderzeegemeenten, o.a. Kampen, Volendam en Urk. Tot op de dag van vandaag leven er nazaten van Schokkers onder ons. Over de groep die naar Vollenhove trok gaat dit artikel. In zekere mate wisten zij zich daar als groep te handhaven. Dit blijkt uit het feit dat zij naast hun schamele bezittingen iets geheel unieks meenamen: het Kerstlied van Schokland. De woorden van het lied “Ziet het wonder hoog verheven” zijn bij overlevering opgetekend. Het wordt in meer dan één bron genoemd. Het zou in Vollenhove nog wel gezongen worden tijdens de Kerstnachtmis, aldus Fred Thomas in “Wijkend Water” (1940/1941). Maar zou dat nu nog zo zijn? Later vernam ik, dat dit inderdaad het geval was. Ik probeerde mij voor te stellen hoe het in vroeger eeuwen opgeklonken zal hebben in de Kerstnacht in het kerkje van Emmeloord. Hoe niet zelden de slepende klanken zich vermengd zullen hebben met het gebulder van de branding, het ruisen van de immer opdringende zee of hoe de ruwe, ongeschoolde vissersstemmen in de stille nacht, wanneer de zee roerloos zich onder de sterrenhemel spiegelde, langzaam verwaaiden over het water van de Zuiderzee.
Een raadsel opgelost De inhoud van het lied bleef lange tijd, voor mij althans een mysterie, naar de onthulling waarvan ik naarstig bleef zoeken. Niet zonder resultaat overigens. Uiteindelijk – om het verhaal niet te lang te maken – belandde ik een aantal jaren terug in het stadsarchief te Kampen, toen nog gevestigd in het middeleeuwse raadhuis van die stad. Hier kwam het raadsel tot een oplossing. Een behulpzame archivaris had slechts een half uur nodig om mij uit de droom te helpen. Het kerstlied van Schokland lag zwart op wit vóór mij. Teruggekeerd op Urk bracht ik de gevonden tekst en muziek naar dirigent Meindert Kramer. Deze schreef een arrangement voor een mannenkoor. Dit werd, in 1977, opgenomen in een werkstuk van J.N. Haanstra en C. Verdoold, dat zij in verband met hun studie schreven over het kerkelijk wel en wee op Schokland. Ook zij hadden, zij het wat later, de tekst van het lied gevonden en het is waarschijnlijk déze tekst die door Kramer werd gebruikt: de oorspronkelijke. Of de bewerking van Kramer ooit is uitgevoerd, is mij niet bekend. Weer gingen de jaren voorbij. Dan, in december 1980, komt er een Kerstplaat uit van de “Urker Zangers”, met daarop: het Kerstlied van Schokland in een bewerking van Jef Penders. Ook hier is gebruik gemaakt van de oorspronkelijke tekst.
Toch nog vragen Over het ontstaan zijn geen gegevens bekend. Als eerder opgemerkt: de tekst werd opgetekend uit de mond van Schokker nazaten in Vollenhove. In hoeverre die in de loop der tijden “verminkt” is kunnen we niet (of nog niet) nagaan. Het is een lied met een voorzang (vgl. Psalm 18). Op de plaat is deze voor rekening van Joh. Schrijver. De inhoud getuigt van een eenvoudig, katholiek geloofsleven, zoals dat op het eiland gevonden werd. De melodie is ietwat slepend (“valt op door de geringe toonafstand, doet klagend aan”, schrijft Haanstra). Op de plaat worden de twee laatste coupletten niet gezongen. Men kan dit betreuren, maar het zal zijn reden hebben. In ieder geval is het lied nu bewaard voor het nageslacht. En tenslotte: deze “gestroomlijnde” bewerking van het lied zal wel ver af staan van de uitvoering van het lied, zoals het gezongen werd met het raspende stemgeluid van doodarme vissers. Maar wie zal dat de Zangers euvel duiden? Voor liefhebbers hier nog de titel van de plaat: “Herders, ik boodschap…”, en het nummer: Dureco 88031.
We leven in een tijd waarin alles wat technisch kan, ook meteen wordt gedaan. Dus ja: we kunnen inmiddels impressies van straatbeelden van vroeger namaken in foto’s en video’s, overleden personen laten praten, lachen, knikken en zinnen uitspreken die ze nooit hebben gezegd. In high def. Met oogcontact. Met een warme stem.
En iedere keer als zo’n AI-gegenereerde video of foto verschijnt, wordt het ons, de consument, aangesmeerd als eerbetoon, historische sensatie of een manier om een herinnering levend te houden.
Maar laten we eerlijk zijn: het is geen eerbetoon. Het is een opgestoken middelvinger naar de doden. Deze leuke plaatjes en videootjes, waarmee onze feeds inmiddels vollopen, zijn immers getraind met beelden van mensen die daar nooit toestemming voor hebben gegeven.
Een echte foto uit het publieke domein.
De dode kan niet meer weigeren
Dat is één van de fundamentele problemen: toestemming. Een overleden persoon kan geen ‘nee’ meer zeggen. Geen bezwaar maken. Geen context toevoegen. Geen correctie geven. Geen grap maken over hoe raar of ongemakkelijk dit is.
Dat maakt AI-video’s van overledenen geen vorm van herdenking, maar van toe-eigening. Je gebruikt iemands gezicht (‘portret’), stem en lichaamstaal als bron- en trainingsmateriaal. Niet omdat zij dat wilden, maar omdat jij je zo lekker kan verkneukelen achter je schermpje, omdat je dat kleine shotje dopamine zo lekker vindt.
(Ik weet dat dit een achterhoedegevecht is, maar wie dit bezwaar niet onderkent, verwart vooruitgang met vrijbrief.)
Van herinnering naar exploitatie
Herinneren is per definitie onvolmaakt. Foto’s verbleken. Opnames kraken. Verhalen veranderen. En nee, het verleden was geen zwart-witfilm, geen gravure of olieverfschilderij. Maar dit waren wel de middelen om iets vast te leggen. Het materiaal zegt iets over het object zelf: het geeft waardevolle informatie, context.
AI haalt die context weg. Het polijst het verleden – en de dood! – tot iets consumeerbaars. Vaak precies wat de maker wil vertellen. Bijvoorbeeld een geromantiseerd beeld van vroeger (hallo PVV!). Of andere propaganda. Of wat goed werkt op LinkedIn, of in een marketingcampagne.
Ik zie zelfs musea en historische verenigingen AI-gegenereerde content gebruiken om een verhaal te vertellen. Content waarvan de modellen getraind worden met archiefbeelden van overleden mensen.
Er bestaat al zoiets als archiefmateriaal. Brieven. Interviews. Dagboeken. Foto’s. Stilte zelfs. Maar dat is blijkbaar niet genoeg. Het is te traag. Te weerbarstig. Te weinig engagement. AI-video’s en -afbeeldingen zijn dan blijkbaar een oplossing om beter je publiek te bereiken, maar je betaalt daar wel een prijs voor: je verliest je geloofwaardigheid, je autoriteit.
AI-video’s kunnen niet dienen als interpretatie van het verleden, het is buikspreken met een dode pop. Jij, de maker, bepaalt wat je de bezoeker, kijker, consument wil laten zien. Niet de geofferde mensen uit het verleden.
Respect vraagt om beperking, niet om meer pixels
Echte eerbied zit niet in technologische hoogstandjes, maar in terughoudendheid. In accepteren dat ook de doden recht hebben op hun rust. Dat hun stem stopt waar de opnames stoppen. Dat hun blik niet opnieuw kan worden gegenereerd zonder iets fundamenteels te schenden.
Of ze nu begraven zijn met de verwachting op wederopstanding of met een andere religieuze gedachte: de rust moet eerbiedigd worden. We hebben tal van regels op het gebied van onze omgang met de dood. Maar we zijn te langzaam, of gewoonweg te lui, om voor onszelf een antwoord te formuleren op de huidige ethische kwesties.
En het gaat het niet alleen om het letterlijk ‘laten bewegen’ van een foto van een overleden persoon of om het genereren van een heel nieuw beeld: ook voor inkleuren en upscaling van foto en film worden modellen getraind met archiefmateriaal van overledenen.
‘Maar het is goed bedoeld’
Dat is misschien wel het zwakste argument. Goede bedoelingen zijn geen ethische vrijstelling. Ze zijn vaak juist het excuus waarmee grenzen worden overschreden.
Niet alles hoeft immersief, realistisch of tot leven worden gewekt. Sommige dingen verdienen stilte of eerbied.
Laat de doden met rust! In Godsnaam! Zij hebben immers niets te winnen bij jouw innovatie. Alle winst, zij het cultureel, symbolisch, of financieel, ligt bij de levenden. Dus misschien is de juiste vraag niet: kan het? Maar: waarom durven we niet te stoppen?
Want elke AI-video of -foto waarin het verleden op een ‘realistische wijze’ wordt opgediend, zegt vooral dit over ons: dat we het verleden, en de dood, niet kunnen verdragen zonder eerst te manipuleren.
En dat is, hoe je het wendt of keert, een opgestoken middelvinger.
Lees ook:
UNESCO, ‘New UNESCO report warns that Generative AI threatens Holocaust memory’, 18 juni 2024. (link)
Ik schreef al eerder iets over AI-gegenereerde afbeeldingen. Over het andere probleem van generatief upscaling en inkleuren, namelijk het verstoren van de informatiedrager, moeten we het een andere keer maar eens hebben.
En dan zijn er nog tal van goede ontwikkelingen, ook in de cultuursector, waarin handig gebruik van kunstmatige intelligentie wordt gemaakt. Bijvoorbeeld bij archivering, ontcijferen van handschriften, etc. Ook voor later?
Eva Vriend is essayist van de Maand van de Geschiedenis. Ieder jaar krijgt een andere historicus de eer om het essay te schrijven, naar aanleiding van een jaarlijks wisselend thema.
Eva schreef over de polder in ‘Het nieuwe land’, over de Zuiderzeewerken in ‘Eens ging de zee hier tekeer’ en over Schokland en de Schokker nazaten in ‘Het eiland van Anna’.
Eva Vriend over ‘De waterzoon’.
27 september jl. vond op Schokland de landelijke aftrap van de Maand van de Geschiedenis plaats. De Maand stelde Schokland als locatie voor. En plots stond de Museumkerk vol radio-apparatuur. Het werd een bijzondere ochtend, met twee Schokker nazaten, Eva Vriend en een mooie column van Nelleke Noordervliet. Gaaf hoe alles samenkomt en dat we Werelderfgoed Schokland weer landelijk onder de aandacht kunnen brengen.
Het essay van Eva heet ‘De waterzoon. Jac. P. Thijsse, zijn zoon en onze verhouding tot de natuur’. Iedereen kent Jac. P. van de Verkade-albums.
Minder bekend dan Jac. P. is diens zoon Jo, de ‘rekenmachine’ achter onder andere de Zuiderzeewerken.
Eva schetst de familiegeschiedenis van de Thijsses. Ze zoekt naar de relatie tussen vader en zoon en brengt ook moeder en schoondochter in beeld. Het essay is ook persoonlijk: het begint op de boerderij waar Eva opgroeide. Haar vader had een melkveehouderij.
‘Zelf liet ik het gemaakte land in 1992 achter me. Ik verruilde de boerderij van mijn familie voor de universiteit. De IJsselmeerpolders verdwenen hiermee niet uit mijn leven. De geschiedenis van het Zuiderzeeproject keert telkens terug in mijn werk en ik denk dat ik intussen begrijp waarom. De vragen die ik mezelf erover stel, hebben een universele reikwijdte; ze gaan over veel meer dan die rechte, strakke grond van mijn jeugd.
Een van de kwesties die me niet loslaat, gaat over de ingenieurs die aan de basis stonden van de IJsselmeerpolders. Wat dreef deze mannen die ervan uitgingen dat ze de wereld naar hun hand konden zetten? Kenden deze maakbaarheidsstrevers ook hun bedenkingen? En in het verlengde daarvan: hoe keken ze terug op hun idealen?’
Zo begint het essay. In 1905 gaf Jac. P. aanzet tot de oprichting van Natuurmonumenten. Een jaar later verscheen het eerste Verkade-album, ‘Lente’. Zijn zoon Jo maakte een paar decennia later carrière als ingenieur. Het contrast kan niet sterker zijn, zo lijkt het althans.
Er zit inderdaad een spanning tussen het natuurbeheer van Jac P. en het naar de hand zetten van het landschap door zijn zoon Jo. Je voelt die spanning op veel plekken in het land. Aan de ene kant willen we de natuur beschermen, aan de andere kant moeten dijken zorgen voor onze veiligheid en polders de groeiende bevolking woonruimte bieden.
Een spanning die we ook op Schokland voelen. Waar we ook met verschillende lagen, en verschillende organisaties, te maken hebben: natuur, archeologie, bezoekers, bewoners, cultuurhistorie.
Tijdens de lezing door Ronald Nijboer en Yftinus van Popta, eerder deze maand, werd dieper ingegaan op de herinnering aan het landschap van vroeger. En wat die herinnering voor ons vandaag de dag betekent. Veel ging verloren door de inpoldering, maar ook ontstonden nieuwe plekken als Werelderfgoed Schokland, de Marker Wadden, het Waterloopbos. Op die laatste plek liggen wetenschap, natuur en erfgoed zo haast vanzelfsprekend dicht bij elkaar. Het is ook een plek die terugkomt in De waterzoon.
Jo solliciteerde bij de grote Lorentz, destijds een rockster. Hij was Nobelprijswinnaar. Van 1918 tot 1926 was hij voorzitter van de Zuiderzeecommissie. Jo werkte voor Lorentz en voelde zich al snel thuis in dit werkveld.
Zowel Lorentz als Thijsse verdwenen in zekere zin uit ons collectief geheugen. Ze staan een beetje in de schaduw van Cornelis Lely. Toch waren de wetenschappers niet minder belangrijk. In 1928 werd Lorentz begraven. Honderden mensen stonden langs de stoet. In Haarlem, waar hij werd begraven, werden gordijnen gesloten en straatlantaarns gedimd. Albert Einstein en Marie Curie waren bij de begrafenis aanwezig.
Ook Jo Thijsse steeg snel in populariteit. Na de watersnoodramp in 1953 keerde hij, na een kort verblijf in Amerika, halsoverkop terug naar Nederland.
‘‘Een ramp heeft het land getroffen,’ schreef de Volkskrant. En er was maar één man die redding kon brengen. ‘Men heeft hem nodig. Een man die als geen ander de waterloopkundige problemen van zijn land beheerst.’
De rijzige man die daar de vliegtuigtrap afdaalde, was professor ingenieur Johannes Theodoor Thijsse. Hij moest het land verlossen.’
De ingenieur als verlosser. De natuur kon naar de hand van de mens gezet worden, zo was lang de gedachte. Maar door invloed van vader Thijsse werd steeds meer gestreefd naar een ‘holistische’ aanpak bij aanpassingen in het landschap: ook de natuur en de mens moesten een plek krijgen in de visies.
Hoe groot de tegenstellingen tussen vader en zoon ook waren, ze wilden elkaar steeds begrijpen. Vriend: ‘De offervaardigheid werkt twee kanten op, meenden vader en zoon eensgezind. Ja, menigmaal betaalt de natuur een prijs voor de vooruitgang. Maar de mens mag niet doorschieten en moet, indien nodig, bereid zijn met minder genoegen te nemen, opdat het ecologische evenwicht niet onomkeerbaar verstoord raakt. Knappe ingenieurs mogen denken dat ze alles kunnen, maar de maakbaarheid kent grenzen. Het is een kwestie van geven en nemen, stelden de Thijsses. In goed overleg.’
Lezing Eva Vriend in de Museumkerk op 25 oktober. Eigen foto.
Welke offers zijn we bereid te brengen? Dat was de afsluitende vraag tijdens de lezing die Eva Vriend afgelopen zaterdag gaf in de Museumkerk. De historische context van Schokland: de afsluiting van de Zuiderzee, de inpoldering, de Werelderfgoedstatus, gaf de lezing een mooie dimensie. ‘Alles is belangrijk’, zo besluit het essay.
De waterzoon geeft energie om de rol van de mens ten opzichte van de natuur kritisch te beschouwen, vanuit verschillende invalshoeken. Hoe zien de polder en Werelderfgoed Schokland er over een jaar of vijftig uit? Laten we er hardop over na blijven denken.
Het boek De waterzoon. Jac. P. Thijsse, zijn zoon en onze verhouding tot de natuur is verschenen bij Atlas Contact.
Zondag ging ik met K. naar de film ‘Rietland’. Ik dacht dat het een documentaire over rietsnijders in de Wieden was, maar het was toch echt een dramafilm: rietsnijder Johan vindt op zijn perceeltje het levenloze lichaam van een meisje.
Het is een film met mooie beelden van het ons bekende natuurgebied. En het wordt gespeeld door een rietsnijder: de hoofdrolspeler Gerrit Knobbe komt uit Belt-Schutsloot en had geen toneelervaring.
Er zit nog een kleine rol voor Museum Schokland in de film. De kleindochter van Johan ziet op tv een fragment over de tentoonstelling ‘Nijlpaarden in de polder’, die in 2023-2024 in het museum was te zien.
Door dit fragment, waarin Dick Mol te zien is, krijgt het meisje inspiratie om nijlpaarden te verwerken in de schoolmusical. Het thema ‘nijlpaard’ komt nog eens terug in de vorm van een dreigende trekker.
Prachtige film.
(Over rietsnijders op Schokland later meer.)
Edit: oh, de soundtrack van de film… Liesbeth List!