Zaprondje

Tijdens een zaprondje kwam ik langs ‘Het verhaal van Nederland – De Tweede Wereldoorlog’. Ik heb het niet gekeken. Maar ik heb zo’n ongelooflijke lol gehad om het idee dat Daan Schuurmans de loop van de oorlog ten goede kan beïnvloeden, maar dat hij daar te ijdel voor is en liever een televisieprogramma presenteert. De gedachte dat er mensen naar de televisie schreeuwen: “doe er wat aan, Daan!” Of: “sta daar niet zo man, grijp die Mussert!”, als Daan Schuurmans weer opeens de geschiedenis binnenstapt.

Onder spanning

Dat ik tijdens mijn weekje vakantie onderweg was naar het plaatsje – laten we zeggen – H., had alles te maken met de emdr-therapie die ik aan het afronden ben. De afgelopen weken heb ik achter zo’n lichtgevend balkje gezeten om wat shitzooi te verschuiven van de ene krocht in mijn hoofd, naar een plaats waar het wat minder kwaad kan. Als je jezelf dan daar, vanuit een hoek van de kamer, ziet zitten (en dat zie ik dan), dan lijkt het grote homeopathisch verdunde onzin, maar het werkt dus wel.

Je sluit het af met blootstelling, en de plek H. bezoeken is daar onderdeel van. Jezelf confronteren met een plaats of persoon of iets anders, waardoor je het een plekje kan geven en verder kan. Ik reed dus op de snelweg en hoe dichterbij ik bij H. kwam, hoe meer spanning ik in mijn lichaam voelde komen. Ik wilde dit niet en toch reed ik door.

In de verte, aan stuurboordzijde, zag ik een gigantische rookpluim. Iedereen reed gewoon door, de rookpluim kwam steeds dichter op ons, weggebruikers, af. Op de vluchtstrook bleek een gigantisch vuur te branden. Een oudtestamentisch beeld. En even zakte de spanning in mijn lichaam weg: hier gebeurde iets anders, iets groters. Dit moet een duister voorteken zijn, dacht ik. Ik voelde een flits van de hitte, toen ik er langsreed.

Het bleek om een aanhanger te gaan, die vlam had gevat. En toen ik in het plaatsje H. was, reed ik op mijn gemak wat rond en dat was onprettig, maar het ging wel. Ik wachtte niet op een heftige reactie, want ik wist dat die niet zou komen. De paniek zakte langzaamaan af en ik werd, gewoon, een beetje nurks.

Ik ben zo’n calvinist dat mijn voorkomen nauwelijks een verbinding heeft met mijn binnenste. Er zijn wel emoties, maar uiten lukt me nooit. Oh, soms zou ik zo heftig willen dat er iets in mij knapt, dat ik in huilen kan uitbarsten of eens woedend een spiegel kapot kan slaan. Op de terugweg dacht ik weer aan dat verterende vuur, dat in de bijbel juist vaak op Gods nabijheid wijst. Toen knapte er toch iets: de v-snaar onder de motorkap. Die had onder te grote spanning gestaan.

De vrouw met de zon in het haar

‘Het leven heeft geen zin, maar ik wel: Leven en werk van Maarten van Roozendaal’, door Patrick van den Hanenberg (Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2019), staat vol wetenswaardigheden over de een van de grootste kunstenaars van Nederland, helaas veel te vroeg gestorven. Man, wat had ik hem graag eens zien optreden. Ik weet nog dat hij in Emmeloord zou optreden, ik zat daar op de havo. Geen geld, geen tijd, zoiets moet het geweest zijn.

Ik denk niet dat ik veel muziek van hem kende, want streamen bestond toen nog niet. Misschien zag ik hem bij VPRO Vrije Geluiden (met Hans Flupsen!), waar ik op zondagochtend naar keek (juist omdat ik dacht dat dit een prima alternatief was voor de kerk, denk ik).

De werkelijke waarde van de muziek ontdekte ik pas later. Het ging soms over leven in de breedte: het grote gebaar, maar nog vaker nog over het kleine leven: miniatuurtjes van zomaar mensen. Ik herkende veel van Lou Reed in zijn teksten, naast Tom Waits blijkt, zo lees ik in die aardige biografie, dat ook zeker een inspiratiebron te zijn geweest.

Van Roozendaal bereikte nooit écht het ‘grote publiek’ (hence dat optreden in Emmeloord). Maar voor veel muzikanten en tekstschrijvers is hij een enorme inspiratiebron.

Troostrijk is ‘Christoffel’. Lang, 6/8 maat, met brede, open akkoorden door Marcel de Groot, goed basspel door Egon Kracht. En Maarten van Roozendaal die je mee op reis neemt door een oh zo Hollands landschap.

Dankzij de biografie kwam ik erachter dat de tekst niet helemaal van Van Roozendaal is. Hij liet zich sterk inspireren door ‘Waiting’, van Raymond Carver: Van Roozendaals partner Eva tipte hem het gedicht. Ik kende het niet, maar het is minstens zo mooi als het lied.

Waiting 

Left off the highway and
down the hill. At the
bottom, hang another left.
Keep bearing left. The road
will make a Y. Left again.
There’s a creek on the left.
Keep going. Just before
the road ends, there’ll be
another road. Take it
and no other. Otherwise,
your life will be ruined
forever. There’s a log house
with a shake roof, on the left.
It’s not that house. It’s
the next house, just over
a rise. The house
where trees are laden with
fruit. Where phlox, forsythia,
and marigold grow. It’s
the house where the woman
stands in the doorway
wearing the sun in her hair. The one
who’s been waiting
all this time.
The woman who loves you.
The one who can say,
“What’s kept you?”

– Raymond Carver

Ik maak de laatste tijd veel lange wandelingen en moet vaak aan dit lied denken. Ik ontdekte ook nog dat Rogi Wieg een gedicht had geschreven over, natuurlijk, juist dit gedicht.

Raymond Carver

Raymond Carver schreef het al. Ik herinner me zijn regels vaag,
ga niet naar links, maar naar rechts. Neem de bocht, ga langs de rivier
en daar bij het huis, dat ene huis, staat de vrouw die van je houdt,

zoiets schreef hij, maar dan anders, al heb ik het onthouden.

Waarom moest hij zo vroeg dood? Er is weinig meer dan wat liefde en kunst
in sommige levens. En als het allemaal niet gaat, als het misloopt, je
wel naar links gaat… Verdomme, waar blíjf ik? De vrouw in het late zonlicht toch?
Neem de bocht, ga langs de rivier, de vrouw in wiens haar het zonlicht schijnt.

Het is daar bij dat ene huis, waar de auto van Carver staat. Ik kan hem
zien achter het stuur, al hangt hij naar voren en ademt hij niet meer in of uit.

– Rogi Wieg, 2007

Binnen roken

Intussen ben ik alweer een tijd van het roken af. Een keer of vijf per dag krijg ik nog wel een ontzettend sterk verlangen naar een sigaret, nee eigenlijk vooral naar het roken, de handeling. Misschien omdat het nog zo gewoon voelt. Of omdat ik lees hoe Knausgård om iedere andere bladzijde een sigaret opsteekt.

Ik hoor bij de laatste generatie voor wie roken nog enigszins normaal was. Een logische stap naar volwassenheid, een jongen die een man wordt. Een merk kiezen dat bij je past, een pakje sigaretten dragen als een horloge.

Dat er nog ruimtes waren waar je binnen mocht roken. Roken in een restaurant maakte ik dan wel niet meer mee, maar nog wel het roken in het café. Zo’n hok dat vanaf het begin van de avond helemaal blauw stond van de rook. Of lekker binnen roken tijdens een verjaardag, bij iemand thuis.

Asbakken vullen. De pakjes shag en sigaretten op tafel, zoals telefoons nu liggen uitgestald. Als er geen asbakkenbeleid was, dan ging het in de lege flesjes bier. Dan gebeurde het nogal eens dat je een slok van het verkeerde flesje nam. Een slok nicotine, soms met een plukje tabak of ronddrijvende filters. Dat was altijd een vermakelijk gebeuren, zolang je maar niet zelf het slachtoffer was.

Of assen in wat verder maar voor handen was: een leeg pakje sigaretten, een colaglas, op je bord. Een vriend kan smakelijk vertellen over hoe vroeger bij hen thuis, na het eten, de peuken werden uitgedrukt in de etensresten. Ik heb eens iemand een sigaret zien uitdrukken in een half aangegeten moot warmgerookte zalm. Maar dat was op Urk en dit kan alleen maar daar. (Nu ik hieraan denk dwalen mijn gedachten af naar het verhaal ‘Korte metten’ van Biesheuvel.)

Vandaag realiseerde ik me dat de laatste plaats in mijn omgeving waar nog binnen kan worden gerookt, de oefenruimte van ons bandje, binnenkort verleden tijd is. Er zijn nog tal van andere, meer voor de hand liggende redenen waarom ik daar weemoedig over kan doen. Toch is dit er wel eentje van.

Een monument voor prima mensen

Het duurt even voor we het monument vinden. K. en ik rijden op een mistige zaterdagmiddag over het ‘Lowlandsweggetje’, langs de dijk bij Biddinghuizen. ‘Het zou hier ergens moeten zijn…’

Dan doemt uit de mist, op de rand van de Flevopolder, een brutalistisch kunstwerk op. Het heeft iets weg van een communistisch monument. Beton. Op een hoge plek. Een ster… van vijf meter hoog… met twee uitgestoken duimen. Direct giert door onze lijven een gevoel van verrukking.

Het ‘Monument voor prima mensen’ is een werk van de Nederlandse kunstenaar Domenique Himmelsbach de Vries. Het monument wordt onthuld in november 2014. De twee opgestoken duimen zijn een verwijzing naar het ‘like’-symbool op sociale media, aldus de sympathieke kunstenaar.

Uit de tekst op zijn website begrijp ik dat het doel van het monument is om bijzondere, vaak onbekende en meestal levende mensen en hun verhalen te eren en zo een alternatieve en eigentijdse geschiedenis te schrijven waaraan het publiek kan bijdragen.

Aan de voet van het monument zien we tegels met namen liggen. Ze zijn geplaatst ter ere van de ‘prima mensen’. We vragen ons hardop af voor wie we zo’n steen zouden kopen.

‘Monument voor prima mensen’, Domenique Himmelsbach de Vries, 2014. Eigen foto, 18 januari 2025.

Himmelsbach de Vries: ‘[Het monument is] een betonnen hommage voor de prima mens; een gedenkplek voor inspirerende vuilnismannen, kunstenaars, schrijvers, goeroes en vrienden. Het monument moet Nederland tot vers optimisme inspireren en dienst doen als verbindend verhaal tussen prima mensen.’

Onwillekeurig moet ik aan Reve’s ‘Roeping’ denken:

Zuster Immaculata die al vier en dertig jaar
verlamde oude mensen wast, in bed verschoont,
en eten voert,
zal nooit haar naam vermeld zien.
Maar elke ongewassen aap die met een bord: dat hij
vóór dit, of tegen dat is, het verkeer verspert,
ziet ‘s avonds reeds zijn smoel op de tee vee.
Toch goed dat er een God is.

Dan staat het beeld ook nog eens op de grens van het oude en het nieuwe land. Is het misschien ook een ode aan de hardwerkende eerste Flevolanders? Wie weet, want de namen van de vroegste bewoners van Biddinghuizen zijn op de tegels terug te vinden.

En ergens spookt toch wel dat communistische ideaal, zowel in Flevoland als in dit kunstwerk. Maar het monument propageert geen onbereikbaar ideaal, het neemt genoegen met ‘prima’.

In het gedicht van Reve krijgt de lezer sympathie voor de zuster. De God van Reve grijpt echter niet in. Misschien zijn zowel de zuster als de aap nodig in onze samenleving. Zou dat zijn wat Reve ons wil zeggen?

Himmelsbach de Vries is er duidelijk over: ‘Het monument kan gebruikt worden als tool om sociale cohesie te bevorderen […]. Een betonnen verbinding, een concrete connectie tussen hen wie prima zijn.’

Wij vinden het in ieder geval helemaal prima.

Toch goed dat er ook kunst is.

Hoe we de herinnering aan de Zuiderzee levend kunnen houden

‘Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven, / Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’, / Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven / Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.’

Zo begint het bekendste gedicht van de Urker dorpsdichteres Mariap (Marretje) van Urk-Koffeman (wiki). Een emotioneel afscheid van een geliefde en gevreesde zee.

‘In de weer’ voor Mariap, woensdag 22 januari jl.

Afgelopen woensdag gaf ik, op uitnodiging van Herderewich, in Harderwijk een lezing over mijn overgrootmoeder Mariap.

Ik moest even nazoeken wanneer ik zoiets voor het laatst deed. Dat was alweer zes jaar geleden! Ik publiceerde daarna een bewerking van mijn lezing elders op deze website.

Er is een aardige stapel boeken verschenen over de Zuiderzee. Zo verschenen bijvoorbeeld ‘Eens ging de zee hier tekeer‘ en ‘Het eiland van Anna‘ van Eva Vriend. De bewoners van de kusten van de Zuiderzee, en hun nazaten, kregen dankzij deze boeken, het grondige onderzoek van Vriend, weer een stem.

Ronald Nijboer schreef ‘Wereldzee in de polder‘: een ontdekkingsreis langs de IJsselmeerregio, in het voetspoor van Henry Havard. Honderdvijftig jaar na het bezoek van Havard aan de Zuiderzeeplaatsen onderzoekt Nijboer hoe we zijn omgegaan met ons landschap en onze cultuur, mede aan de hand van gesprekken met bewoners.

Ook verscheen ‘Duivelseiland‘, van Mandy van Dijk. Ze deed uitgebreid en waardevol onderzoek naar op Urk geïnterneerde officieren tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Deze boeken dragen bij aan de aandacht voor de geschiedenis van de Zuiderzee. Hoe herinneren we ons de in 1932 verdwenen binnenzee eigenlijk? En was er tijdens de afsluiting en inpoldering van ‘ons zeetje’ eigenlijk aandacht voor die bewoners van de Zuiderzeeplaatsjes, de ecologische gevolgen, het verdwijnen van cultureel erfgoed?

Ze dragen ook bij aan mijn eigen onderzoek naar Mariap van Urk. Ze brengen nieuwe inzichten en maken dat ik gebeurtenissen beter kan plaatsen en met steeds meer zekerheid met elkaar in verband kan brengen.

Ook het onderzoek van Babs Boter naar Mary Pos, en de ontvangen mailtjes over Mariap en Mary, deden mij in de afgelopen jaren beter begrijpen met wie Mariap contacten onderhield.

Mary Pos was, net als Mariap, een mediapersoonlijkheid. Toch verstomden in de loop van de tijd hun stemmen. (Afgelopen woensdag was er in de zaal toch één persoon die de naam Mary Pos iets zei.)

De kracht van je stem, daar kon ik de lezing mooi mee openen. Lucia de Vries, die zo bijzonder veel onderzoek doet naar de Urker geschiedenis, ontsloot op haar website het verhaal van Lammertje Kramer. Iedereen in de zaal herkende Aletta Jacobs. Maar de naam van haar dienstmeisje Lammertje? De kracht van je stem wordt niet alleen bepaald door of je bijvoorbeeld man of vrouw bent, maar ook bijvoorbeeld door je sociale klasse, familiebanden, religie, huidskleur.

Een dankbaar bruggetje naar Mariap. De jonge Mariap gaat begin vorige eeuw ook ‘dienen’. Zwaar en ondankbaar werk, waarbij de ongelijke verhouding tussen werkgever en dienstbode altijd aanwezig is. (De podcast ‘Mina en mevrouw’ van Maartje Duin maakt dit onderwerp prachtig invoelbaar.)

In aanloop naar mijn afstuderen aan de Reinwardt Academie hoefde ik niet lang over een onderwerp na te denken. Wat betekent het fysisch antropologisch onderzoek, de roof van menselijke resten door wetenschappers, en de teruggaaf van de schedels, voor de inwoners van Urk?

Door de eerste coronalockdowns had ik niet de ruimte om het onderzoek breed uit te voeren. Het onderzoek bleef beperkt tot interviews met betrokkenen en bureauonderzoek. (Zo zou ik bijvoorbeeld de betrokken erfgoedinstellingen nog graag in het onderzoek willen meenemen. Misschien kan ik er daarna nog eens over publiceren.)

Ik kan dankzij dit onderzoek nu bijvoorbeeld inzichtelijk maken hoe de bewoners van de voormalige Zuiderzeeplaatsen werden uitgesloten van een plek in het ‘nieuwe land’, mede aan de hand van de bevindingen van de wetenschappers. Dat sprak ook de Harderwijker toehoorders aan. Dergelijk onderzoek werd in 1956 nog gedaan in Elburg.

Waar ik de laatste maanden meer over ben gaan nadenken: de ecologische gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee. Hoe had Mariap het gevonden dat de Waddenzee bijvoorbeeld nu UNESCO Werelderfgoed is? Hoe kunnen we met terugwerkende kracht de uitzonderlijke waarden van de Zuiderzee benaderen? Op het strand van Urk lagen zeehonden, er was eb en vloed, een rijk ecosysteem. De Zuiderzee als levend onderdeel van onze delta.

In de presentatie liet ik het volgende citaat zien: ‘De aanleg van de Afsluitdijk in 1932 is een huzarenstuk in onze strijd tegen het water. Tegelijk is het één van de grootste ecologische rampen die ons land ooit trof. Want hoe indrukwekkend dit iconische en meer dan dertig kilometer lange bouwwerk ook is, het betekende het einde van de Zuiderzee. En daarmee van een unieke binnenzee met bijzondere planten en dieren. De geleidelijke overgang tussen rivier en zee werd teruggedrongen tot één lijn.’ (Rijkswaterstaat, ‘Project Afsluitdijk. Aandacht voor de natuur’. December 2021.).

Ik kon in een volgende slide verwijzen naar de uitkomsten van het recente onderzoek ‘Afsluitdijk decimeerde biodiversiteit Zuiderzee en IJsselmeer’, door Jan-Eike Rossius, Maarten Kleinhans en Katja Philippart, waarover ze in maart 2023 publiceerden in het tijdschrift De Levende Natuur.

Toevallig las ik vandaag in NRC een artikel van eerdergenoemde Ronald Nijboer, dat afgelopen vrijdag verscheen. In ‘Hoe mijn oma haar horizon verloor‘ gaat Nijboer in op de beleving van natuur en landschap en de ecologische gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee. Zo’n goed geschreven essay, waarin verschillende invalshoeken worden uitgelicht, maakt dat ik beter begrijp hoe ik de stellingname in de twintigste eeuw tegen de Zuiderzeewerken op waarde kan schatten.

Terug naar de lezing. Richting het einde vroeg ik het publiek: ‘had Mariap van Urk misschien toch een klein beetje gelijk dat die Afsluitdijk er niet had moeten komen?’

Het voorkomen van de Afsluitdijk, en voorkomen dat die zee ingepolderd zou worden, kon ze in ieder geval niet. In een gedicht beschrijft Mariap een baggermolen van de Zuiderzeewerken: ‘Men vroeg mij vele malen / om in een dicht of lied / de molen uit te malen, / helaas, ik kan het niet!’.

Maar haar verslaglegging van de inpoldering en het eilandleven in proza en poëzie, haar verzet tegen de inpoldering, haar inzet voor het behoud van het immateriële en materiële erfgoed van Urk en de Zuiderzee, haar veelkleurige mediapersoonlijkheid, haar gigantische netwerk, maken Mariap tot een belangrijke stem in de geschiedenis van de Zuiderzee.

Maar neem het maar eens op tegen een Cornelis Lely en consorten. En het narratief van ‘Waar wij steden doen verrijzen‘.

Wat bijzonder om met een groep mensen, zoals afgelopen woensdag in Harderwijk, over zulke onderwerpen na te kunnen denken. En goed om af en toe eens stil te staan bij het belang van onderzoek door historici, schrijvers, journalisten, wetenschappers – zolang het maar geen schedelmeters zijn.

Mariap moest eens weten: de Zuiderzeegeschiedenis is hot.

‘Onze wateren, van het IJsselmeer en de Waddenzee tot aan de Noordzee, worden almaar verder volgebouwd. Nederland kent een geschiedenis van ingrijpende veranderingen in het landschap. Iedere halve eeuw ziet de landkaart er weer anders uit dan daarvoor. Dat zal over vijftig jaar niet anders zijn. We kijken daarbij vooral vooruit, zonder stil te staan en om te kijken wat er allemaal verloren gaat. Zonder te begrijpen in wat voor land onze ouders en grootouders leefden. Bij het vormgeven van onze toekomst kan het geen kwaad om af en toe eens door de ogen van onze grootouders te kijken.’

Zo besluit Ronald Nijboer zijn essay. Met een prachtige slotzin.

Laten we inderdaad eens wat meer door de ogen van onze (over)grootouders kijken. En houden we niet alleen de herinnering aan de Zuiderzee levend, maar ook aan al die mensen die, soms tegen de keer, zich ingezet hebben voor al het erfgoed, de verhalen en de gemeenschappen rondom dat zeetje.

Eerder verscheen de tekst van een korte een ingekorte lezing uit 2019 over Mariap van Urk elders op mijn blog. De grootvader van Mariap komt aan bod in mijn artikel over het Dialecticon. Een artikel over Mariap en de dijken van de Noordoostpolder verscheen eerder deze week.

Een schuldige stad?

In Wim Wenders’ film Der Himmel über Berlin uit 1987 staat Homer centraal, een Joodse man, die als enige van zijn familie de oorlog overleefde. Zonder expliciet aan de holocaust te refereren, klinkt het naziverleden van de stad in de hele film door. Ook de muur, de deling van de stad na de oorlog, is niet meer dan een voortzetting van de Tweede Wereldoorlog, zo vertelt de film: als Homer over de Potsdamer Platz loopt ziet de kijker verwoesting, leegte en de Muur, maar Homer het Joods Berlijn van voor de oorlog, waarmee een onwerkelijk beeld wordt opgeroepen.

Na de val van de Muur in 1989 kwam Berlijn in een turbulente tijd terecht. De stad, met zijn krakers en ravefeesten, groeide uit tot hét modern-culturele centrum van West-Europa: eerst kunstenaars en vervolgens young urban creatives en tenslotte de start-ups wisten hun weg naar de herenigde stad te vinden. Als er een Europese stad gegentrificeerd is, dan is het wel Berlijn.

Der Himmel über Berlin (eigen foto, 2021)

Ook de naoorlogse Joodse gemeenschap wist haar weg terug naar Berlijn te vinden. Veel Joden uit de voormalige Sovjet-Unie kwamen naar de stad. Het laatste decennium trekken ook veel jongere Joden, voornamelijk Israëli’s, naar Berlijn.[1] Ze komen terecht in een stad waar de meeste sporen van de eeuwenoude Joodse geschiedenis zijn uitgewist. Een plaats met een schuldig verleden.

En daarvan is de Duitse samenleving zich terdege bewust. De naoorlogse identiteitscrisis – hoe heeft dit kunnen gebeuren? – mondde al gauw uit in een gevoel van schaamte, waarmee de naziperiode en daaruit voortkomende Sjoah in al zijn gruwelijkheid een onbespreekbare periode leek te worden. Ook de schuldvraag liet zich maar moeilijk beantwoorden. Waren de Duitsers niet ook slachtoffer geweest?[2]

Het opruimen van de puinhopen van de periode ’33 – ’45 leidde echter geenszins tot een breuk met het verleden. In het naoorlogse Duitsland was de oorlog iets alledaags geworden, een collectieve herinnering werd verdoofd door de wederopbouw: ook al kregen mensen met een discutabel verleden een nieuwe plek in het bestuur, ook al had ieder gezin wel een verhaal over de oorlog en de eigen schuld; de blik moest vooruit.

Plek van herinnering of toeristische attractie? (eigen foto, 2021)

Het zou tot de jaren ’80 duren tot er sprake zou zijn van een Erinnerungskultur. Na een fel debat tussen een conservatief progressief Duitsland ontstond geleidelijk een nieuwe vorm van herinneren, een beleving die verder ging dan het onbespreekbaar laten.[3] En uit deze nieuwe herinneringscultuur kwamen ook de moderne monumenten voort.

In 2001 werd het Jüdisches Museum Berlin, het Joods Museum in Berlijn, geopend, ontworpen door Libeskind. De Pools-Joodse architect geniet in Nederland voornamelijk bekendheid vanwege zijn ontwerp voor het onlangs gerealiseerde Holocaust Namenmonument aan de Weesperstraat. De gevel van het Joods Museum, waarin je een uitgevouwen Davidsster in zou kunnen herkennen, staat symbool voor de leegte die na de holocaust achterbleef in het straatbeeld van Berlijn.[4]

Het Joods Museum is behalve een klassiek, informerend museum een plaats die een onvergetelijke ervaring bij de bezoeker opwekt. Door de slimme architectuur en de zorgvuldig gekozen objecten maakt de bezoeker een reis waar negatieve emoties worden opgeroepen – welk effect ook te merken is tijdens een bezoek aan het Holocaust Namenmonument. Het gebouw laat de bezoeker verhouden tot het leed van de Joden in Duitsland. Deze intrinsieke ervaring is waar het Joods Museum bekend om staat.

Wie vanaf het Joods Museum de voormalige loop van de Muur richting het noordwesten volgt, ziet vlakbij de Brandenburger Tor 2711 betonnen blokken in het straatbeeld opdoemen. Maar je hoeft er niet naartoe om ze te zien, want dit monument ontbreekt in geen enkel Berlijns reisverslag op social media. Maar om deze plaats te ervaren moet je er wel echt zijn: loop er doorheen en je krijgt een algeheel gevoel van desoriëntatie en dissociatie.

Het monument leverde architect Peter Eisenman kritiek op, meest vanwege de abstracte vorm: het wijkt in alles af van traditionele monumenten. Het monument zou een nivellerende werking hebben, omdat het door de abstractie het leed niet goed zichtbaar maakt.[5] Maar laat het monument juist niet op een integere manier zien dat de Joodse gemeenschap ontegenzeggelijk deel uitmaakt van kosmopolitisch Berlijn, dat de Joodse gemeenschap meer is dan alleen de Sjoah, juist door de abstractie en inmiddels de vanzelfsprekendheid van het monument?

En symboliseert juist de moeizame discussie in aanloop naar de oplevering van het monument niet juist de moeilijke omgang van Duitsland met het verleden? Een voorbeeld: toen men er tijdens de bouw achter kwam dat de producent van de anti-graffiticoating tijdens de oorlog het beruchte Zyklon-B produceerde, werd de bouw tijdelijk stilgelegd, ontstond er commotie, volgde een onderzoek en een conclusie.[6] Juist dit voorval illustreert de complexe verhouding van Duitsland tot de oorlog. De maatschappelijke discussie over het herinneren ligt in het monument verankerd. 

Is het onzeglijke weer te geven in een monument of museum? Dat zeker niet. Maar de zin ‘Es ist geschehen, und folglich kann es wieder geschehen’ van de Italiaanse holocaustoverlevende en auteur Primo Levi[7], plaatst het monument onbedoeld misschien wel in de juiste context: zo vanzelfsprekend als de gedenkplaats nu is, voorbijkomend op vakantiekiekjes, zo vanzelfsprekend was het nationaalsocialisme en antisemitisme uiteindelijk voor velen – wat weer raakt aan Hannah Arendts theorie over de ‘banaliteit van het kwaad’. 

Zowel het Holocaustmonument als het Joods Museum doen een beroep op onze emoties, ons moraal, aan onze eigen verhouding tot de holocaust. Onmiskenbaar roepen beide plaatsen van herinnering vragen op en leidden ze tot discussie. Maar juist wanneer de beide monumenten ter nagedachtenis van de Joodse slachtoffers worden opgeleverd, krijgt Duitsland te maken met een kater van de eenwording: de grote verdeeldheid binnen het land, de grote verschillen in welvaart (voornamelijk tussen Oost en West) en vooral de mede daaruit voortkomende heropleving van extreemrechts.[8]

Is de Duitse bildung wel bestand tegen het hernieuwde gevoel van slachtofferschap? Is het herinneren aan de hand van beleven wel sterk genoeg om je te wapenen tegen het antisemitisme? En geven monumenten en musea voldoende antwoorden op de vragen van deze tijd?

Behalve bovengenoemde gedenkplaatsen zijn er veel meer plaatsen in Berlijn die zich bezighouden met herinneren, representatie en educatie. Op de grens tussen voormalig Oost en West, waar nog een stuk van de muur overeind staat, is in het voormalig hoofdkwartier van de Gestapo het Topographie des Terrors gevestigd, dat behalve een documentatiecentrum ook tegelijkertijd een museum en gedenkplaats is.[9]

Topographie des Terrors (eigen foto, 2021)

Wie de vaste tentoonstelling bezoekt krijgt een klap in het gezicht. De bezoeker ervaart het verloop van terreur in Duitsland[10] (de opkomst van het nationaalsocialisme, de Tweede Wereldoorlog en de terreur van de Jodenvervolging, de moeizame denazificering van West-Duitsland en de gelijktijdige communistische terreur in Oost-Duitsland na de oorlog) aan de hand van ‘droge’ objecten in een sobere tentoonstellingsruimte. 

De werkelijkheid aan de hand van bronnen, die de bezoeker met vragen – maar ook met kennis – achterlaat. De kracht van de tentoonstelling zit in het tonen van foto’s, krantenartikelen en pamfletten, waarbij je zou kunnen denken: ja, het is gebeurd en het kan weer gebeuren.

Topographie des Terrors (eigen foto, 2021)

Maar weer rijst de vraag of een gedenkplaats wel genoeg is om de verschrikkingen van de holocaust te kunnen begrijpen en daar lessen uit te trekken? En dat is een retorische vraag, natuurlijk. Maar misschien brengen al die pogingen bij elkaar wel een klein stapje in de goede richting en is juist het immer worstelende Berlijn als stad wel het beste monument. Een schuldige stad.


[1] A. Wals, “Een groeiende groep Israëliërs trekt naar Berlijn: ‘Hier kan ik ademen’”, De Volkskrant, 8 januari 2021, https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/een-groeiende-groep-israeliers-trekt-naar-berlijn-hier-kan-ik-ademen~bc2fce02/, geraadpleegd 2 juni 2022. 

[2] M. Schoonenboom, “Begin van een beter land”, Groene Amsterdammer, 16 april 2020, 38-41.

[3] Ibidem.

[4] J. Huisman, “Vul de leegte met leegte Daniel Libeskind ontwerpt het Joods Museum in Berlijn” (versie 5 september 1997), https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/vul-de-leegte-met-leegte-daniel-libeskind-ontwerpt-het-joods-museum-in-berlijn~bcde1248/, geraadpleegd 10 mei 2022.

[5] H. Roth, “Monumentaal Berouw” (versie 1 september 2020), https://www.rektoverso.be/artikel/monumentaal-berouw, geraadpleegd 12 mei 2022.

[6] Trouw, “Monument Holocaust” (versie 14 november 2003), https://www.trouw.nl/nieuws/monument-holocaust~be96d963/, geraadpleegd 2 juni 2022.

[7] DW, “Ein Mahnmal als personalisierte Geschiechte” (versie 10 mei 2005), https://www.dw.com/de/ein-mahnmal-als-personalisierte-geschichte/a-1578044, geraadpleegd 8 mei 2022.

[8] A. Maier, “Fantoompijn in het Oosten”, Groene Amsterdammer, 25 juli 2019, 28-32.

[9] Topographie des Terrors, “Dokumentationszentrum Topographie des Terrors” (versie onbekend), https://www.topographie.de/en/topography-of-terror/, geraadpleegd 20 april 2022.

[10] Ibidem.

(Bovenstaande tekst is een bewerking en samenvatting van een eerder geschreven essay als opdracht tijdens mijn studie aan de Reinwardt Academie, bij een bezoek aan Berlijn in 2021)

Van saucijzenbroodjes en biefstukken

Een korte, onvolledige verhandeling over immaterieel culinair erfgoed van Urk: het saucijzenbroodje als motor van de lokale economie, de degelijke frituur en het biefstukje bij ziekte.

Voor iedereen een saucijzenbroodje

Waar in de rest van Nederland de lokale bakkers en slagers opgeheven worden ten gunste van de supermarkten, gaat menig Urker nog graag voor ‘het beste’ brood, lekkernijen of biefstuk naar de bakker of slager. En dan naar de bakker of slager die het best bij zijn gezindte past. Laten we het ‘micro-verzuiling’ noemen.

Meer dan eens ben ik verzeild geraakt in discussies over saucijzenbroodjes. Een Urker is nou eenmaal machtig voor deze lekkernij: het wordt het liefst ’s ochtends genuttigd, wanneer er al enkele uren hard werk is verricht. Er zijn zelfs bezorgdiensten: autobusjes vol met saucijzenbroodjes en andere onverdiende zaligheên rijden vanaf de vroege uurtjes op en aan over het industrieterrein om de werkende man te voeden. Het is de stille motor van de Urker economie.

Het ene saucijzenbroodje is het andere niet en wanneer ik in zo’n discussie dan eens per ongeluk partij koos, kreeg ik steevast als antwoord: “ja, maar jij bent hervormd”. Met andere woorden: ik (als hervormde) zou nooit een gereformeerd saucijzenbroodje op waarde kunnen schatten.

Omrijden voor saucijzenbroodjes

Dat de Urker saucijzenbroodjes in een zo hoog aanzien staan, illustreer ik met de volgende gebeurtenis.

Ik had een tijd geen auto en na een bezoek aan Urk stond ik in alle vroegte bij de bushalte, aan het begin van het Oude Dorp, op de busdienst richting Lelystad te wachten. Plotseling zag ik een auto van iemand uit Kampen, van Urker afkomst, die in Almere werkt, aan komen rijden. Hij is een vriend van mij – ik zal zijn naam hier maar niet noemen – en herkende mij onmiddellijk.

“Wat doe jij op Urk, ben je verdwaald?”, riep ik, richting het opengedraaide autoraam.

“Ik zal even saucijzenbroodjes halen”, antwoordde de vriend in kwestie.

De beste jongen reed maandagochtend om zeven uur bijna dertig kilometer om, omdat de Kamper of Almeerse saucijzenbroodjes nooit zouden kunnen tippen aan de Urker saucijzen.

Frituurpan. Foto: publiek domein.

Gefrituurde spijzen

Een vriendin van mij werkte in een bakkerij annex snackbar. Met enige zekerheid durf ik te zeggen dat dit de enige snackbar in het land is waar geestelijke muziek uit de speakers in het systeemplafond klinkt. Dit vind ik zo’n prachtig beeld: het idee dat een paar frikandellen worden gebakken, terwijl van boven gewijde klanken komen. Leg dat nou maar eens uit aan een vreemde.

(Ik heb eens een keuken gezien, waar naast een dubbele roestvrijstalen frituurpan een grote Statenbijbel lag.)

Biefstuk bij ziekte

Het is op Urk de gewoonte om iemand die ernstig – of minder ernstig – ziek is, te verblijden met een biefstukkien van de slager. Zeg maar gerust: biefstuk. Een biefstuk om aan te sterken klinkt echter niet helemaal medisch verantwoord. Maar het zal zijn oorsprong in oude tijden hebben, toen vlees nog een luxeproduct was.

Een mooi ritueel: je haalt een biefstuk bij de slager, belt aan bij de zieke, je doet je Zweedse klompen uit (maar je houdt je jas aan), praat wat over koetjes en kalfjes en pas als je vertrekt wens je het gezin sterkte toe. Medeleven verpakt in een handeling. Ietwat cryptisch, maar wel zo overzichtelijk. De boodschap is duidelijk.

Millen, waar ze de katten villen

Een kat hoort op een boerderij. Als er een boerderij is zonder kat, dan is dat niet per se gek. Als er een heel boerendorp is zonder katten, dan is dat wel wat vreemd. Als er een heel gebied is zonder katten, dan gaan de alarmbellen rinkelen. Waar is de kat?

Afgelopen weekend verbleef ik, met iemand bij wie ook thuis een kat rondloopt, in het Vlaamse dorp Millen, een kwartier weg van Maastricht. We spraken naar elkaar uit dat het ontbreken van de kat op straat zeer merkwaardig is. Met daarbij natuurlijk onze eigen katten, die in Zwolle achterbleven, in het achterhoofd.

Op het plein, naast de kerk, stuitten we plots op een merkwaardig standbeeld, met de volgende tekst in het lokale dialect: Millë bo zë dë kattë villë, dë hoon spoarë en d’ aa pjad dë nak aofvoarë (“Millen waar ze de katten villen, de honden sparen en de oude paarden de nek afrijden”).

De kattenviller van Millen

Het beeld, geschonken door de lokale carnavalsvereniging, zou een verwijzing moeten zijn naar het zware leven op het platteland. Honden en paarden waren nuttig, katten niet.

Werden er echt katten gevild in Millen? We tastten een weekend lang in het duister, navraag hier en daar leverde geen bevredigend antwoord. Het zou een goed format voor een podcast zijn.

Ach, spookverhalen, kinderschrik, folklore. Dat kleine, dorpse leven, waar men leefde op het ritme der seizoenen, had een eigen belevingswereld, met elk dorp een eigen dialect en vertellinkjes. Die verhalen, om het leven wat draaglijker te maken, ze verdwenen met de komst van straatverlichting, televisie en internet.

Op mijn eigen dorp deed je een kat in de zak en ruilde je ‘m met de duvel voor een wisseldaolder – en een zwarte kat gaf natuurlijk ongeluk. In hoeverre waarin werd geloofd, zullen we nooit weten: de mensen, die elkaar, bij kaarslicht, schrik aanjoegen, terwijl op de houten muren spookachtige silhouetten door de kamer dansten, zijn allang overleden en ze lieten geen bronnen na.

In Millen dacht ik niet alleen aan de Boze Balleboe van vroeger, maar ook aan het eenvoudige leven op het dorp. En achter een oude hoeve, met een volle maan, een kudde koenen recht tegenover ons, een lokaal bier en verder de stilte van het land, was nog even die herinnering aan het mystieke van een eeuwenoude gemeenschap.

Maar ik zou toch wel verrekte graag willen weten waarom we in heel Limburg geen kat op straat hebben gezien.

Emotioneel weerzien met d’n kat