Zaprondje

Tijdens een zaprondje kwam ik langs ‘Het verhaal van Nederland – De Tweede Wereldoorlog’. Ik heb het niet gekeken. Maar ik heb zo’n ongelooflijke lol gehad om het idee dat Daan Schuurmans de loop van de oorlog ten goede kan beïnvloeden, maar dat hij daar te ijdel voor is en liever een televisieprogramma presenteert. De gedachte dat er mensen naar de televisie schreeuwen: “doe er wat aan, Daan!” Of: “sta daar niet zo man, grijp die Mussert!”, als Daan Schuurmans weer opeens de geschiedenis binnenstapt.

Onder spanning

Dat ik tijdens mijn weekje vakantie onderweg was naar het plaatsje – laten we zeggen – H., had alles te maken met de emdr-therapie die ik aan het afronden ben. De afgelopen weken heb ik achter zo’n lichtgevend balkje gezeten om wat shitzooi te verschuiven van de ene krocht in mijn hoofd, naar een plaats waar het wat minder kwaad kan. Als je jezelf dan daar, vanuit een hoek van de kamer, ziet zitten (en dat zie ik dan), dan lijkt het grote homeopathisch verdunde onzin, maar het werkt dus wel.

Je sluit het af met blootstelling, en de plek H. bezoeken is daar onderdeel van. Jezelf confronteren met een plaats of persoon of iets anders, waardoor je het een plekje kan geven en verder kan. Ik reed dus op de snelweg en hoe dichterbij ik bij H. kwam, hoe meer spanning ik in mijn lichaam voelde komen. Ik wilde dit niet en toch reed ik door.

In de verte, aan stuurboordzijde, zag ik een gigantische rookpluim. Iedereen reed gewoon door, de rookpluim kwam steeds dichter op ons, weggebruikers, af. Op de vluchtstrook bleek een gigantisch vuur te branden. Een oudtestamentisch beeld. En even zakte de spanning in mijn lichaam weg: hier gebeurde iets anders, iets groters. Dit moet een duister voorteken zijn, dacht ik. Ik voelde een flits van de hitte, toen ik er langsreed.

Het bleek om een aanhanger te gaan, die vlam had gevat. En toen ik in het plaatsje H. was, reed ik op mijn gemak wat rond en dat was onprettig, maar het ging wel. Ik wachtte niet op een heftige reactie, want ik wist dat die niet zou komen. De paniek zakte langzaamaan af en ik werd, gewoon, een beetje nurks.

Ik ben zo’n calvinist dat mijn voorkomen nauwelijks een verbinding heeft met mijn binnenste. Er zijn wel emoties, maar uiten lukt me nooit. Oh, soms zou ik zo heftig willen dat er iets in mij knapt, dat ik in huilen kan uitbarsten of eens woedend een spiegel kapot kan slaan. Op de terugweg dacht ik weer aan dat verterende vuur, dat in de bijbel juist vaak op Gods nabijheid wijst. Toen knapte er toch iets: de v-snaar onder de motorkap. Die had onder te grote spanning gestaan.

De vrouw met de zon in het haar

‘Het leven heeft geen zin, maar ik wel: Leven en werk van Maarten van Roozendaal’, door Patrick van den Hanenberg (Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2019), staat vol wetenswaardigheden over de een van de grootste kunstenaars van Nederland, helaas veel te vroeg gestorven. Man, wat had ik hem graag eens zien optreden. Ik weet nog dat hij in Emmeloord zou optreden, ik zat daar op de havo. Geen geld, geen tijd, zoiets moet het geweest zijn.

Ik denk niet dat ik veel muziek van hem kende, want streamen bestond toen nog niet. Misschien zag ik hem bij VPRO Vrije Geluiden (met Hans Flupsen!), waar ik op zondagochtend naar keek (juist omdat ik dacht dat dit een prima alternatief was voor de kerk, denk ik).

De werkelijke waarde van de muziek ontdekte ik pas later. Het ging soms over leven in de breedte: het grote gebaar, maar nog vaker nog over het kleine leven: miniatuurtjes van zomaar mensen. Ik herkende veel van Lou Reed in zijn teksten, naast Tom Waits blijkt, zo lees ik in die aardige biografie, dat ook zeker een inspiratiebron te zijn geweest.

Van Roozendaal bereikte nooit écht het ‘grote publiek’ (hence dat optreden in Emmeloord). Maar voor veel muzikanten en tekstschrijvers is hij een enorme inspiratiebron.

Troostrijk is ‘Christoffel’. Lang, 6/8 maat, met brede, open akkoorden door Marcel de Groot, goed basspel door Egon Kracht. En Maarten van Roozendaal die je mee op reis neemt door een oh zo Hollands landschap.

Dankzij de biografie kwam ik erachter dat de tekst niet helemaal van Van Roozendaal is. Hij liet zich sterk inspireren door ‘Waiting’, van Raymond Carver: Van Roozendaals partner Eva tipte hem het gedicht. Ik kende het niet, maar het is minstens zo mooi als het lied.

Waiting 

Left off the highway and
down the hill. At the
bottom, hang another left.
Keep bearing left. The road
will make a Y. Left again.
There’s a creek on the left.
Keep going. Just before
the road ends, there’ll be
another road. Take it
and no other. Otherwise,
your life will be ruined
forever. There’s a log house
with a shake roof, on the left.
It’s not that house. It’s
the next house, just over
a rise. The house
where trees are laden with
fruit. Where phlox, forsythia,
and marigold grow. It’s
the house where the woman
stands in the doorway
wearing the sun in her hair. The one
who’s been waiting
all this time.
The woman who loves you.
The one who can say,
“What’s kept you?”

– Raymond Carver

Ik maak de laatste tijd veel lange wandelingen en moet vaak aan dit lied denken. Ik ontdekte ook nog dat Rogi Wieg een gedicht had geschreven over, natuurlijk, juist dit gedicht.

Raymond Carver

Raymond Carver schreef het al. Ik herinner me zijn regels vaag,
ga niet naar links, maar naar rechts. Neem de bocht, ga langs de rivier
en daar bij het huis, dat ene huis, staat de vrouw die van je houdt,

zoiets schreef hij, maar dan anders, al heb ik het onthouden.

Waarom moest hij zo vroeg dood? Er is weinig meer dan wat liefde en kunst
in sommige levens. En als het allemaal niet gaat, als het misloopt, je
wel naar links gaat… Verdomme, waar blíjf ik? De vrouw in het late zonlicht toch?
Neem de bocht, ga langs de rivier, de vrouw in wiens haar het zonlicht schijnt.

Het is daar bij dat ene huis, waar de auto van Carver staat. Ik kan hem
zien achter het stuur, al hangt hij naar voren en ademt hij niet meer in of uit.

– Rogi Wieg, 2007

Binnen roken

Intussen ben ik alweer een tijd van het roken af. Een keer of vijf per dag krijg ik nog wel een ontzettend sterk verlangen naar een sigaret, nee eigenlijk vooral naar het roken, de handeling. Misschien omdat het nog zo gewoon voelt. Of omdat ik lees hoe Knausgård om iedere andere bladzijde een sigaret opsteekt.

Ik hoor bij de laatste generatie voor wie roken nog enigszins normaal was. Een logische stap naar volwassenheid, een jongen die een man wordt. Een merk kiezen dat bij je past, een pakje sigaretten dragen als een horloge.

Dat er nog ruimtes waren waar je binnen mocht roken. Roken in een restaurant maakte ik dan wel niet meer mee, maar nog wel het roken in het café. Zo’n hok dat vanaf het begin van de avond helemaal blauw stond van de rook. Of lekker binnen roken tijdens een verjaardag, bij iemand thuis.

Asbakken vullen. De pakjes shag en sigaretten op tafel, zoals telefoons nu liggen uitgestald. Als er geen asbakkenbeleid was, dan ging het in de lege flesjes bier. Dan gebeurde het nogal eens dat je een slok van het verkeerde flesje nam. Een slok nicotine, soms met een plukje tabak of ronddrijvende filters. Dat was altijd een vermakelijk gebeuren, zolang je maar niet zelf het slachtoffer was.

Of assen in wat verder maar voor handen was: een leeg pakje sigaretten, een colaglas, op je bord. Een vriend kan smakelijk vertellen over hoe vroeger bij hen thuis, na het eten, de peuken werden uitgedrukt in de etensresten. Ik heb eens iemand een sigaret zien uitdrukken in een half aangegeten moot warmgerookte zalm. Maar dat was op Urk en dit kan alleen maar daar. (Nu ik hieraan denk dwalen mijn gedachten af naar het verhaal ‘Korte metten’ van Biesheuvel.)

Vandaag realiseerde ik me dat de laatste plaats in mijn omgeving waar nog binnen kan worden gerookt, de oefenruimte van ons bandje, binnenkort verleden tijd is. Er zijn nog tal van andere, meer voor de hand liggende redenen waarom ik daar weemoedig over kan doen. Toch is dit er wel eentje van.

Ziet het wonder hoog verheven…

Het is de dag voor kerst en op mijn kantoortje op Schokland werk ik de laatste mails weg, plan ik nog wat posts in en schrijf ik de laatste nieuwsbrief van het jaar.

Toen ik eerder op Schokland werkte, deelde ik al eens het Schokker kerstlied ‘Ziet het wonder hoog verheven’ op de socials van het museum. Dit lied werd op Schokland gezongen en overleefde de ontruiming van Schokland in 1859. Katholieke Schokkers bleven het zingen bij de mis in Vollenhove. Halverwege de vorige eeuw kwam het lied opnieuw in de belangstelling. En ik kwam vanmorgen tot de ontdekking dat mijn opa Albert daar een rol in had.

Uit: Fred Thomas, ‘Het laatste kerstlied van Schokland’, De Tijd, 24 december 1958.

Veel immaterieel erfgoed van de eilandperiode bleef niet bewaard. Het dialect verdween decennia na de ontruiming en ook de Schokker streekdracht verdween. Maar dit kerstlied bleef wél bewaard!

Fred Thomas schreef erover in ‘Wijkend water’. Ook stond het centraal in een artikel in ‘De Tijd’, van 24 december 1958 – honderd jaar ná de laatste Kerstnachtmis op Schokland. Ik publiceerde dat artikel eerder op de website van Museum Schokland.

Maar vandaag werd ik ontroerd door een artikel van de hand van mijn grootvader Albert van Urk, die in de kerstbijlage van Het Urkerland van 1980 óók over dit lied schreef.

Het lied fascineerde ook hem. Hij ging naar Kampen, waar de tekst van het lied in het Stadsarchief bewaard werd. En nam het mee naar Urk. Het lied werd uitgevoerd en opgenomen door de Urker zangers, wat een impuls gaf aan de bekendheid van het lied.

En die mooie zinnen van hem: ‘Ik probeerde mij voor te stellen hoe het in vroeger eeuwen opgeklonken zal hebben in de Kerstnacht in het kerkje van Emmeloord. Hoe niet zelden de slepende klanken zich vermengd zullen hebben met het gebulder van de branding, het ruisen van de immer opdringende zee of hoe de ruwe, ongeschoolde vissersstemmen in de stille nacht, wanneer de zee roerloos zich onder de sterrenhemel spiegelde, langzaam verwaaiden over het water van de Zuiderzee.’

Een paar decennia nadat mijn grootvader mij meenam naar Schokland, waarmee mijn liefde voor het gebied begon, mag ik mij ook zo verliezen in die bijzondere verhalen als hij deed.

Met opa (‘beabe’) in Museum Schokland, een paar decennia terug.

Hier volgt het betreffende artikel, met dank overgenomen van de site van de Schokkervereniging. Die overigens in 1985 werd opgericht en waarbij hij betrokken is geweest.

Het kerstlied van Schokland

De geschiedenis van Schokland is er één van zorg en strijd. Zorg om het bestaan, strijd tegen zijn aartsvijand: het water. De kronieken van het eiland getuigen van aanhoudende rampspoed, hongersnood, overstroming en brand. De Schokkers waren arm, armer en weerlozer nog dan hun buren, de Urkers, die op hun hoge keileembult niet direkt bedreigd werden door het water. In het midden van de vorige eeuw is de toestand op het eiland zó uitzichtloos, dat door de regering besloten wordt tot ontruiming.
In het najaar van 1858 aanvaardt de Tweede Kamer der Staten-Generaal een regeringsvoorstel tot ontvolking van Schokland en afkoop van het particulier grondbezit. Op 10 juli van het volgende jaar wordt de laatste burgemeester van het eiland, Gillot, eervol van zijn post ontheven en Schokland bij de gemeente Kampen gevoegd. Vóór 1 juli van dat jaar heeft de bevolking al het eiland verlaten. Zo zij daarover al niet bedroefd waren, aanvaardden de arme eilanders hun treurig lot in doffe berusting.

Het kerkje van Emmeloord
De oude katholieke kerk van Emmeloord brandde in 1728 af. De nieuwe kerk, als protestants bedehuis gebouwd, werd bij de zware brand, die Emmeloord in 1749 teisterde, eveneens verwoest. Enige jaren later bouwden de katholieken weer een kerk en deze werd bij de beruchte stormvloed van 1825 zwaar gehavend. Van Rijkswege werd in 1842 een nieuwe kerk gebouwd, welke tot de ontruiming in gebruik bleef. De afbraak werd in 1859 benut voor de bouw van een katholieke kerk te Ommen, welke bijna 80 jaar in gebruik bleef. In de kerk van Ommen bevindt zich nog altijd het zandstenen doopvont van Emmeloord, dat in een grijs verleden tussen Urk en Schokland werd opgevist. Ook zijn daar een aantal kandelabers en misbekers terug te vinden, die eeuwenlang dienst hebben gedaan op het eiland. Ooit bewonderde ik in deze Vechtstad de “schatten van Schokland”.

Een lied in een vreemd land
Op het eiland Schokland waren drie woonkernen: Emmeloord op de Noordpunt, Ens op de Middelbuurt, en de Zuidert. De laatste werd al vóór 1859 ontruimd. Ens was voornamelijk protestant, Emmeloord katholiek. Beide bevolkingsgroepen verdroegen elkaar goed; de Schokkers waren in godsdienstig opzicht vrij tolerant.
Een grote groep Emmeloorders kwam in Vollenhove terecht. De andere “ballingen” verspreidden zich over diverse Zuiderzeegemeenten, o.a. Kampen, Volendam en Urk. Tot op de dag van vandaag leven er nazaten van Schokkers onder ons. Over de groep die naar Vollenhove trok gaat dit artikel.
In zekere mate wisten zij zich daar als groep te handhaven. Dit blijkt uit het feit dat zij naast hun schamele bezittingen iets geheel unieks meenamen: het Kerstlied van Schokland. De woorden van het lied “Ziet het wonder hoog verheven” zijn bij overlevering opgetekend. Het wordt in meer dan één bron genoemd. Het zou in Vollenhove nog wel gezongen worden tijdens de Kerstnachtmis, aldus Fred Thomas in “Wijkend Water” (1940/1941). Maar zou dat nu nog zo zijn? Later vernam ik, dat dit inderdaad het geval was. Ik probeerde mij voor te stellen hoe het in vroeger eeuwen opgeklonken zal hebben in de Kerstnacht in het kerkje van Emmeloord. Hoe niet zelden de slepende klanken zich vermengd zullen hebben met het gebulder van de branding, het ruisen van de immer opdringende zee of hoe de ruwe, ongeschoolde vissersstemmen in de stille nacht, wanneer de zee roerloos zich onder de sterrenhemel spiegelde, langzaam verwaaiden over het water van de Zuiderzee.

Een raadsel opgelost
De inhoud van het lied bleef lange tijd, voor mij althans een mysterie, naar de onthulling waarvan ik naarstig bleef zoeken. Niet zonder resultaat overigens. Uiteindelijk – om het verhaal niet te lang te maken – belandde ik een aantal jaren terug in het stadsarchief te Kampen, toen nog gevestigd in het middeleeuwse raadhuis van die stad. Hier kwam het raadsel tot een oplossing. Een behulpzame archivaris had slechts een half uur nodig om mij uit de droom te helpen. Het kerstlied van Schokland lag zwart op wit vóór mij. Teruggekeerd op Urk bracht ik de gevonden tekst en muziek naar dirigent Meindert Kramer. Deze schreef een arrangement voor een mannenkoor. Dit werd, in 1977, opgenomen in een werkstuk van J.N. Haanstra en C. Verdoold, dat zij in verband met hun studie schreven over het kerkelijk wel en wee op Schokland. Ook zij hadden, zij het wat later, de tekst van het lied gevonden en het is waarschijnlijk déze tekst die door Kramer werd gebruikt: de oorspronkelijke. Of de bewerking van Kramer ooit is uitgevoerd, is mij niet bekend.
Weer gingen de jaren voorbij. Dan, in december 1980, komt er een Kerstplaat uit van de “Urker Zangers”, met daarop: het Kerstlied van Schokland in een bewerking van Jef Penders. Ook hier is gebruik gemaakt van de oorspronkelijke tekst.

Toch nog vragen
Over het ontstaan zijn geen gegevens bekend. Als eerder opgemerkt: de tekst werd opgetekend uit de mond van Schokker nazaten in Vollenhove. In hoeverre die in de loop der tijden “verminkt” is kunnen we niet (of nog niet) nagaan. Het is een lied met een voorzang (vgl. Psalm 18). Op de plaat is deze voor rekening van Joh. Schrijver. De inhoud getuigt van een eenvoudig, katholiek geloofsleven, zoals dat op het eiland gevonden werd. De melodie is ietwat slepend (“valt op door de geringe toonafstand, doet klagend aan”, schrijft Haanstra). Op de plaat worden de twee laatste coupletten niet gezongen. Men kan dit betreuren, maar het zal zijn reden hebben. In ieder geval is het lied nu bewaard voor het nageslacht.
En tenslotte: deze “gestroomlijnde” bewerking van het lied zal wel ver af staan van de uitvoering van het lied, zoals het gezongen werd met het raspende stemgeluid van doodarme vissers. Maar wie zal dat de Zangers euvel duiden?
Voor liefhebbers hier nog de titel van de plaat: “Herders, ik boodschap…”, en het nummer: Dureco 88031.

Albert van Urk, Urk.

AI-gegenereerde beelden van vroeger zijn geen eerbetoon, maar een opgestoken middelvinger naar de doden

We leven in een tijd waarin alles wat technisch kan, ook meteen wordt gedaan. Dus ja: we kunnen inmiddels impressies van straatbeelden van vroeger namaken in foto’s en video’s, overleden personen laten praten, lachen, knikken en zinnen uitspreken die ze nooit hebben gezegd. In high def. Met oogcontact. Met een warme stem.

En iedere keer als zo’n AI-gegenereerde video of foto verschijnt, wordt het ons, de consument, aangesmeerd als eerbetoon, historische sensatie of een manier om een herinnering levend te houden.

Maar laten we eerlijk zijn: het is geen eerbetoon. Het is een opgestoken middelvinger naar de doden. Deze leuke plaatjes en videootjes, waarmee onze feeds inmiddels vollopen, zijn immers getraind met beelden van mensen die daar nooit toestemming voor hebben gegeven.

Een echte foto uit het publieke domein.

De dode kan niet meer weigeren

Dat is één van de fundamentele problemen: toestemming. Een overleden persoon kan geen ‘nee’ meer zeggen. Geen bezwaar maken. Geen context toevoegen. Geen correctie geven. Geen grap maken over hoe raar of ongemakkelijk dit is.

Dat maakt AI-video’s van overledenen geen vorm van herdenking, maar van toe-eigening. Je gebruikt iemands gezicht (‘portret’), stem en lichaamstaal als bron- en trainingsmateriaal. Niet omdat zij dat wilden, maar omdat jij je zo lekker kan verkneukelen achter je schermpje, omdat je dat kleine shotje dopamine zo lekker vindt.

(Ik weet dat dit een achterhoedegevecht is, maar wie dit bezwaar niet onderkent, verwart vooruitgang met vrijbrief.)

Van herinnering naar exploitatie

Herinneren is per definitie onvolmaakt. Foto’s verbleken. Opnames kraken. Verhalen veranderen. En nee, het verleden was geen zwart-witfilm, geen gravure of olieverfschilderij. Maar dit waren wel de middelen om iets vast te leggen. Het materiaal zegt iets over het object zelf: het geeft waardevolle informatie, context.

AI haalt die context weg. Het polijst het verleden – en de dood! – tot iets consumeerbaars. Vaak precies wat de maker wil vertellen. Bijvoorbeeld een geromantiseerd beeld van vroeger (hallo PVV!). Of andere propaganda. Of wat goed werkt op LinkedIn, of in een marketingcampagne.

Ik zie zelfs musea en historische verenigingen AI-gegenereerde content gebruiken om een verhaal te vertellen. Content waarvan de modellen getraind worden met archiefbeelden van overleden mensen.

Er bestaat al zoiets als archiefmateriaal. Brieven. Interviews. Dagboeken. Foto’s. Stilte zelfs. Maar dat is blijkbaar niet genoeg. Het is te traag. Te weerbarstig. Te weinig engagement. AI-video’s en -afbeeldingen zijn dan blijkbaar een oplossing om beter je publiek te bereiken, maar je betaalt daar wel een prijs voor: je verliest je geloofwaardigheid, je autoriteit.

AI-video’s kunnen niet dienen als interpretatie van het verleden, het is buikspreken met een dode pop. Jij, de maker, bepaalt wat je de bezoeker, kijker, consument wil laten zien. Niet de geofferde mensen uit het verleden.

Respect vraagt om beperking, niet om meer pixels

Echte eerbied zit niet in technologische hoogstandjes, maar in terughoudendheid. In accepteren dat ook de doden recht hebben op hun rust. Dat hun stem stopt waar de opnames stoppen. Dat hun blik niet opnieuw kan worden gegenereerd zonder iets fundamenteels te schenden.

Of ze nu begraven zijn met de verwachting op wederopstanding of met een andere religieuze gedachte: de rust moet eerbiedigd worden. We hebben tal van regels op het gebied van onze omgang met de dood. Maar we zijn te langzaam, of gewoonweg te lui, om voor onszelf een antwoord te formuleren op de huidige ethische kwesties.

En het gaat het niet alleen om het letterlijk ‘laten bewegen’ van een foto van een overleden persoon of om het genereren van een heel nieuw beeld: ook voor inkleuren en upscaling van foto en film worden modellen getraind met archiefmateriaal van overledenen.

‘Maar het is goed bedoeld’

Dat is misschien wel het zwakste argument. Goede bedoelingen zijn geen ethische vrijstelling. Ze zijn vaak juist het excuus waarmee grenzen worden overschreden.

Niet alles hoeft immersief, realistisch of tot leven worden gewekt. Sommige dingen verdienen stilte of eerbied.

Laat de doden met rust! In Godsnaam! Zij hebben immers niets te winnen bij jouw innovatie. Alle winst, zij het cultureel, symbolisch, of financieel, ligt bij de levenden. Dus misschien is de juiste vraag niet: kan het? Maar: waarom durven we niet te stoppen?

Want elke AI-video of -foto waarin het verleden op een ‘realistische wijze’ wordt opgediend, zegt vooral dit over ons: dat we het verleden, en de dood, niet kunnen verdragen zonder eerst te manipuleren.

En dat is, hoe je het wendt of keert, een opgestoken middelvinger.

Lees ook:

  • UNESCO, ‘New UNESCO report warns that Generative AI threatens Holocaust memory’, 18 juni 2024. (link)

Ik schreef al eerder iets over AI-gegenereerde afbeeldingen. Over het andere probleem van generatief upscaling en inkleuren, namelijk het verstoren van de informatiedrager, moeten we het een andere keer maar eens hebben.

En dan zijn er nog tal van goede ontwikkelingen, ook in de cultuursector, waarin handig gebruik van kunstmatige intelligentie wordt gemaakt. Bijvoorbeeld bij archivering, ontcijferen van handschriften, etc. Ook voor later?

Voor tevredenen of legen

Boeken, muziek, verhalen, huisdieren of religies, schilderijen kunnen mensen troosten. En mensen, misschien. Mensen zouden mensen kunnen troosten.

Minder vaak gaat het over troostende landschappen. Een plek die als een warme deken voelt. Ik kan er zo een paar opnoemen die wat mij betreft in aanmerking komen: Gaasterland, de Waddenzee bij Wierum, het landschap ten zuiden van de stuw bij Vilsteren en eigenlijk het hele dal van de Overijsselse Vecht, het voormalige eiland Schokland, delen van de Veluwe.

Het monotone weidelandschap van Friesland troost mij niet. De Zaanstreek ook niet. Er zijn ook plaatsen die mij niet troosten: heel Amsterdam (op een paar kamers na), de stad Utrecht (en eigenlijk de hele provincie), station Brussel-Zuid, de stad Groningen alles op de weg van Rijsel/Lille naar Calais. Wegen die niet troosten: de A4 en de N50.

Er is het een en ander geschreven over landschappen.

Door dichters natuurlijk.

Maar moest ik kiezen tussen de “halflandelijkheid” (of: halfstedelijkheid) uit Zelfkant van Vestdijk (‘Ik houd het meest van de halfland’lijkheid: / Van vage weidewinden die met lijnen / Vol waschgoed spelen; van fabrieksterreinen / Waar tusschen arm’lijk gras de lorrie rijdt‘) of de stedelijkheid uit De Dapperstraat van Bloem: (Geef mij de grauwe, stedelijke wegen, / D’ in kaden vastgeklonken waterkant, / De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand / Door zolderramen, langs de lucht bewegen.)?

Nee, dan koos ik de echte weidsheid van Ede Staal: ’t Is de waait, ’t is de hoaver / ’t Is ’t koolzoad in de blui, / ’t Is de horizon bie Roanum, / Vlak noa ’n dunderbui (’t Hogeland).

Dan maar een nazaat van de Tachtigers.

Dat Hogeland kan ook Limburg zijn. De boerendorpjes waar de tijd heeft stilgestaan. Leegheid en tevredenheid: de landerijen, de zandwegen, het simpele, lekkere eten, de tripels, de koenen in de wei. Hoog over dit alles klinkt een zachte melodie, als een teken van de verre overkant.

Daarom gingen we dit jaar terug naar hetzelfde plekje in België als vorig jaar. Niet meer dan drie uur met de auto. (Maar ik wil best mijn best doen te geloven dat Thailand en Bali ook kunnen troosten.)

En telkens wanneer ik met een biertje aan de oever van de IJssel zit (vijf minuten fietsen van thuis), voel ik die zachte melodie.

J.C. Bloem was trouwens pas werkelijk gelukkig (of getroost?) nadat hij in Kalenberg ging wonen. Middenin de Weerribben.

Bas in Limburg, 2025

Bij een begrafenis op Urk (of op Amager, Denemarken)

In de collectie van het Zuiderzeemuseum is een mooie film te vinden (link) van Urk in 1949, gemaakt in opdracht van het museum. De kijker ziet de was worden opgehangen, nettenboetende vissers, uitvarende schepen en… een begrafenis.

De eerste vraag die in mij opkomt: is de stoet in scene gezet? Ik betwijfel het ten zeerste. Want die Urkers en hun ontzag voor de dood…

De begrafenisstoet trekt, langs het pas opgerichte oorlogsmonument, het kerkhof op, naast het hervormde Kerkje aan de Zee.

De mannen en vrouwen in klederdracht (correcter: streekdracht) vallen direct op. Ook lopen enkele personen in ‘burgerdracht’ mee.

Wanneer je iets beter kijkt, zie je gesluierde vrouwen in de stoet meelopen. Gesluierde vrouwen op Urk?

Still uit bovenstaand videofragment. Een gesluierde vrouw is duidelijk in beeld.

Dat is wel bekend van Wieringen, waar de vrouwen in vroegere tijden in een ‘huik’ gekleed gaan.

Ik heb wel gelezen en gehoord over dit gebruik op Urk. Tijd om er eens in te duiken.

Twee rouwende vrouwen in Zaandam. Ze dragen een zogenaamde huik. Gedateerd op circa 1700. Afbeelding: maker onbekend, collectie Nederlands Openluchtmuseum.

Lakens voor de ramen

Net als overal ter wereld kent Urk doorheen de geschiedenis tal van rituelen, gebruiken en tradities rondom de dood. Sommigen zijn gedocumenteerd en een enkel gebruik heeft de tijd doorstaan.

Tot die gebruiken behoren in vroegere tijden, op Urk, maar ook elders: het dragen van rouwdracht (op Urk voornamelijk bij vrouwen); het aanzeggen; het bedekken van spiegels in het huis; het omdraaien van portretten of schilderijen; een laken hangen voor het raam.

Dat laatste gebruik heeft de tijd overleefd. Nu worden de gordijnen, na het sterven van een familielid, voor een periode gesloten gehouden (vroeger: minstens zes weken), al lijkt deze traditie ook helaas te verdwijnen. Ik zag het ‘aan de wal’ in Zwolle in 2024 ook nog wel bij een kennis uit Twente.

Veel van deze gebruiken zijn te herleiden naar oude tradities, ooit wijdverspreid. En ze zijn dus zeker geen merkwaardigheid van een bepaald dorp. Op kaarten van het Meertens Instituut kan men de verspreiding van zulke gebruiken zien.

Kaart uit de collectie het Meertens Instituut, gemaakt onder verantwoordelijkheid van J.J. Voskuil. Aan respondenten is de vraag gesteld of het in hun plaats gebruikelijk is of was dat de spiegel na overlijden omgekeerd of bedekt wordt. Bron: via Meertens Instituut. Kruijsen, Joep en Nicoline van der Sijs (samenstellers) (2016), Meertens Kaartenbank, op www.meertens.knaw.nl/kaartenbank/; eerste versie gelanceerd in 2014.

Ook is een en ander opgetekend over vroeger volks- of bijgeloof, zoals de ‘vuurbereidige’ of ‘vuurbereiige’ (in het Nederlands: ‘voorspook’). Een naderende dood wordt dan vooraf kenbaar gemaakt aan iemand die de gave bezit de boodschap te ontvangen. Over de vuurbreidige wordt in meerdere bronnen gesproken.

Het is jammer dat het hierbij vaak gaat om anekdotische verhalen (het bijgeloof is ten tijde van optekening al min of meer verdwenen uit het dorp, bronnen herinnerden zich de verhalen van hun voorouders, ook werd het praten erover steeds meer taboe), bovendien soms opgetekend door pseudo-wetenschappers. Maar: ook iets als een voorspook beperkt zich niet tot Urk.

Het geplooide skort

Terug naar ‘onze’ gesluierde vrouwen. Cruys Voorbergh schrijft in zijn boek ‘Erfenis van eeuwen’ (Amsterdam: A.R.B.O., 1941) over het ‘skort’, een geplooide rok, die over het hoofd geslagen werd als een grote doek.

Voor het plooien (werkwoord) is hulp van de bakker nodig. Over het skort wordt een kleed gelegd, daarbovenop roggebroden. Door de warmte blijven de plooien er voor altijd inzitten.

Puck van der Zwan, ‘Urker goed’. Urk: Stichting Urker Uitgaven, 1997, p. 37.

De termen ‘rok’ en ‘skort’ door elkaar worden door elkaar gebruikt en dat geeft wat verwarring. Puck van der Zwan geeft uitsluitsel in het boek ‘Urker goed’ van Stichting Urker Uitgaven: het skort wordt hiervoor gebruikt, maar later ook een zwarte rok.

Historicus van Urker afkomst, Lucia de Vries, schrijft in een blogartikel over de laatste ‘aanzegster’ van Urk, Jante Baarssen-Schraal (link). In dat artikel wordt het bovengenoemde gebruik van ‘aanzeggen’ beschreven. Ook stipt De Vries het gebruik van het skort aan. In de collectie van het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem bevinden zich een paar Urker skorten, rokken en ‘boezels’. In haar artikel toont De Vries een voorbeeld.

Amager en de Urkers

Voorbergh maakt trouwens ook de vergelijking met de dracht van Urk en van Amager, een eiland in de Sont bij Denemarken, waarop de hoofdstad van het land zich tegenwoordig deels bevindt.

In de zestiende eeuw gaan Hollanders, waaronder – volgens Voorbergh – enkele Urkers, op uitnodiging van de toenmalige vorst van dit gebied zich daar vestigen:

Een groep Waterlanders en enige Urkers gaven aan die oproep gehoor, toegen met pak en zak naar Denemarken en kregen de beschikking over het eiland Amager bij Kopenhagen, waar zij met allerlei voorrechten werden begunstigd. (C. Voorbergh, ‘Erfenis van eeuwen’ Amsterdam: A.R.B.O., 1941. p.212.)

De klederdracht van Amager vertoont veel overeenkomsten met de Urker dracht en met de verschillende klederdrachten rond de Zuiderzee in het algemeen, ontdekken ook Meindert Hakvoort en Jelle van Slooten. Ze gaan op onderzoek uit en schrijven er een artikel over (link).

De daar bekende ‘jøb’, de geplooide rok die over het hoofd geslagen wordt, lijkt toch echt het meest op het Urker skort.

Voorbergh concludeert in zijn boek dat het skort meegegaan is met de ‘Hollandse’ kolonisatie van Amager in 1520.

Als we de gedachte van het meegereisde skort volgen (Hakvoort en Van Slooten redeneren in hun artikel enthousiast met Voorbergh mee), dan is de gezichtsbedekking op Urk als gebruik ten minste vierhonderd jaar oud!

Het artikel over de zoektocht in Amager is razend interessant en nodigt uit tot verder onderzoek. Er is voor zover mij bekend helaas geen tastbaar bewijs dat Urkers zich in de zestiende eeuw op Amager vestigen. Al lijken een paar van die namen van kolonisten inderdaad wel op ‘Urker’ namen.

In het onderzoek van Ann Marynissen & Joost Robbe, ‘Hollanders, Friezen of Vlamingen? Een studie naar de persoonsnamen van de eerste Amagerboeren uit de toenmalige Nederlanden’, gepubliceerd in 2020, wordt Urk niet genoemd. Wel wordt Hoorn genoemd als mogelijk centrum vanwaar de kolonisatie begint. Tja, en met West-Friesland hebben die Urkers natuurlijk al eeuwenlang goede contacten…

Misschien een wilde fantasie van Voorbergh. Urk is bovendien tijdens de oorlog ook een geliefd onderwerp in de propagandamachine (link). Maar zou het toch zo kunnen zijn dat… Urk en Amager…

Een erfenis van eeuwen

Terug naar ons skort. Er is genoeg bewijs dat zulke rouwgewaden algemeen zijn vanaf – in ieder geval – de zestiende eeuw in Nederland en daarbuiten. Ze zijn zelfs te zien op de schilderijen van Hendrick Avercamp.

Op Wieringen is het dragen van een huik tot begin twintigste eeuw nog gebruikelijk. In een video van het Zuiderzeemuseum wordt een Wieringer begrafenis (in Stroe) nagespeeld (link).

Rouwkostuum van een Wieringer vrouw met een huik. Datering: 1850. Maker reproductie: Wim Zandbergen. Bron: Zuiderzeecollectie / Zuiderzeemuseum Enkhuizen. CC BY-SA 4.0.

Op Urk dus tot na de Tweede Wereldoorlog. Een traditie die meer dan vijfhonderd jaar teruggaat. Tot ver voor de Reformatie op Urk.

In 1949 gelukkig nog vastgelegd op film. Mijn grootmoeder vertelt mij afgelopen vrijdagavond dat in 1951 nog enige vrouwen gesluierd naar de rouwdienst gaan.

Ik word er weleens verdrietig van: al die verdwenen tradities, gebruiken, rituelen, verhalen. We zijn te laat om ze te beleven en zelfs te laat om ze goed te kunnen documenteren. En hoe verder we gaan, hoe meer ons erfgoed folklore wordt.

De Volkskrant maakt op 28 augustus 1976 nog een melding van het gebruik van het skort bij een begrafenis op Urk.

Maar waarschijnlijk is het gebruik dan al enige tijd een stille dood gestorven.

P.S. In populaire cultuur: In het lied ‘Uffelte’ van At the Close of Every Day (link) wordt melding gemaakt van een ‘regenkleed’, een soort van sluier bij rouw, die in bijvoorbeeld Friesland werd gedragen. Op Urk is er een metalbandje dat zich ‘vuurberaaijege’ noemt (link).

100 dagen op Schokland: het schriftje van Ingvar Kristensen

Voor de Tweede Wereldoorlog begint de aanleg van de Noordoostpolder, de eerste polder van Flevoland. Schokland, een verlaten eiland in de voormalige Zuiderzee, ligt in het midden van die beoogde polder. De bezetter ziet de aanleg van de polder wel zitten: het zal zorgen voor voedselvoorziening. De inpoldering gaat tijdens de oorlog dus gewoon door.

Bovendien krijgen arbeiders in de Noordoostpolder vrijstelling van de verplichte ‘arbeitseinsatz’ in Duitsland. Het werk is zwaar: veel van de sloten en greppels werden met de hand gegraven. De leefomstandigheden zijn slecht. Ook duiken veel Nederlanders in de polder onder. Er vinden razzia’s plaats. De polder krijgt na de oorlog de bijnaam ‘Nederlands Onderduikers Paradijs’.

Eerste pagina van het schrift van Ingvar Kristensen. Afbeelding: collectie Museum Schokland.

Ingvar Kristensen

Ingvar Kristensen (1918-1996) is geboren in Leiden. Al op jonge leeftijd blijkt zijn liefde voor de natuur, want zijn hele kamer staat volgebouwd met aquaria. Een studie biologie ligt dus voor de hand. In het kader van zijn studie besluit de jonge Kristensen in 1941 de natuurontwikkeling in de nieuwe, slecht bereikbare, Noordoostpolder te gaan onderzoeken. Dat brengt hem nog datzelfde jaar naar de polder. Hij bezoekt enkele malen Schokland. Het eiland is dan nog niet eens drooggevallen.

100 dagen op Schokland

Hij vestigt zich in 1942 bij de oude haven van Schokland. ‘Het verblijf van 100 dagen op Schokland’ schrijft hij in zijn dagboek. Kristensen wil langere tijd op Schokland verblijven. Hij voert daarvoor als reden aan:

‘Schokland bleek zowat het centrum van flora en fauna van den N.O.P. te zijn. Het ligt echter bijna 15 KM. van Kampen vandaan; de weg Kampen-Ramspol was dikwijls één geglibber door de modder, dan weer een gezeul met je fiets door het mulle zand voor den nieuwen weg. Dan moest men tweemaal overgezet, en dán kwam nog het ergste, het gebagger door de klei. Het zou teveel tijd kosten om dit althans eenige malen per week te doen, terwijl men bij een verblijf op Schokland vrijwel elke dag of elk gewenscht uur aan het onderzoek kan besteden.’

In eerste instantie vestigt hij zich in de schapenschuur van havenmeester Spit. Hij maakt uitgebreide beschrijvingen van hoe hij de schuur inricht, welke lichamelijke oefeningen hij verricht, hoe hij aan schoon drinkwater komt en hoe hij aan eten komt (onder het kopje ‘Het Fourageeren’).

Met Pinksteren verlaat hij Schokland voor een paar dagen, waarschijnlijk om familie te bezoeken. Als hij naar Schokland terugkeert, is er ingebroken in zijn provisorische woning. Kristensen geeft de moed niet op en neemt nu intrek in het huis van de havenmeester: de lichtwachterswoning.

Het tweede onderkomen dat Kristensen betrok was de lichtwachterswoning, nu Rijksmonument de Lichtwachter. Deze foto is ingeplakt in het schriftje. Afbeelding: collectie Museum Schokland.

Moerasandijvie

Hij tekent zijn belevenissen op in een schrift. En dat zijn er heel wat. Op scherpzinnige wijze en soms met een kwinkslag doet hij verslag van de gemakken en ongemakken die hij ondervindt. Hij ontmoet onbekende en bekende mensen, zoals de heer Modderman. Deze jonge archeoloog maakt naam door zijn opgravingen en onderzoek van scheepswrakken in de polder.

In de aantekeningen van Kristensen is vanzelfsprekend ook veel aandacht voor de ontluikende natuur:

‘Heel opvallend was de moerasandijvie die er zich geweldig ontwikkelde. De zeeaster bloeide in alle variaties rondom Schokland. Op het eiland zelf waren de velden zilverschoor en Cochlearia [lepelblad, red.] soms schitterend. […] Als plantaardige bijzonderheid had Schokland een spichtige vorm van waterpest (Elodea canadensis angustifolia), die in de lagunen bloeide en groeide, dat het een lust was. Ik was de eerste, die deze vorm in Nederland vond.’

Tekeningen van de landafslag van Schokland in het betreffende schrift van Ingvar Kristensen, door hemzelf getekend aan de hand van eerdere bronnen. Afbeelding: collectie Museum Schokland.

Onderzoek in de oorlog

Zijn dagboekaantekeningen geven een uniek beeld van de eerste jaren van de bezetting, maar ook van de vroege vegetatie op de voormalige zeebodem, de nieuwe diersoorten en hoe de Zuiderzeewerken verlopen.

Kristensen kan in relatieve vrijheid, tussen de werkkampen en het toezicht van de bezetter, zijn onderzoek doen. Toch blijkt uit zijn aantekeningen dat hij kritisch staat tegenover de bezetting.

‘De oude burgemeester van Kampen was afgezet omdat hij weigerde om koninklijke namen van straten te veranderen. Opvolger werd Jonkheer van Sandbergen, die zich als N.S.B.-leeraar op de koloniale Landbouwschool te Deventer geheel onmogelijk gemaakt had. In Kampen bemoeide hij zich met alles. Eens stond hij op de IJselbrug en zag, hoe een schip zonder vaart te verminderen de brug passeerde. Hij riep den schipper toe, maar die hield zich doof. De burgemeester wond zich hierover op en riep tenslotte: “Weet je wel, wien je voor je hebt? Ik ben de burgemeester van Kampen!” De schipper keek even op en riep: “Ha, ha! Hoe lang nog?” Kort daarop werd de burgemeester door een “goeden” controleur betrapt op het binnensmokkelen van zwart vleesch. Hiermee werd zijn positie onhoudbaar en kon hij niets anders doen dan maar naar het Oostfront te vertrekken.’

Kristensen beschrijft zijn ontmoetingen op Schokland maar ook in andere plaatsen, zoals Kampen, Kuinre en Urk. Op Urk overnacht hij in Hotel Havenzicht, getuige het bonnetje dat ingeplakt zit in zijn schriftje.

Nota van Hotel Havenzicht (Weduwe A. Brouwer – Urk [WABU]) uit 1942, ingeplakt in het schrift. Voorburg is in die tijd een geliefd sinaasappelbittertje. Afbeelding: collectie Museum Schokland.

Uniek document

Het moedige en avontuurlijke onderzoek van Kristensen raakt in de vergetelheid, tot Museum Schokland in 2022 een schenking krijgt van de nazaten van de bioloog: zijn schriftje. Een uniek document dat zowel een beeld geeft van het leven tijdens de oorlog als van de flora en fauna in de prille polder.

Het geeft meer inzicht op de unieke waarden van Werelderfgoed Schokland en omgeving. Want mede door de inpoldering en het Wederopbouwgebied rondom het voormalige eiland, verkrijgt Schokland, als eerste plaats in het Koninkrijk, in 1995 een plek op de Werelderfgoedlijst.

In september 2022, tachtig jaar nadat de Noordoostpolder droogvalt, zendt Omroep Flevoland een documentaire uit over het prille begin van de polder. Het is dan de laatste week dat ik bij Museum Schokland als communicatiemedewerker in dienst ben. Een mooie afronding van deze functie.

Afscheid van Schokland

In september beginnen de dagen korter te worden. Het wordt voor Kristensen tijd het eiland te verlaten. Precies in die maand valt de polder officieel droog. Kristensen is hier dus getuige van. Het langdurige verblijf eindigt met een paar ontroerende zinnen:

‘Het afscheid van Schokland was allerminst droevig. Ik had er van gehad, wat ik er van hebben wilde, en dat gaf groote voldoening. De zomer was voorbij, en het was misschien wel de mooiste zomer geweest, die ik ooit gehad heb, want mooier wijze om de schepping te leeren kennen, is haast niet denkbaar.’

In oktober keert hij nog eens terug. In het voorjaar van 1943 probeert Kristensen zich opnieuw voor een langere periode op Schokland te vestigen, maar: ‘[…] juist, toen ik mijn intrek daar zou nemen, veroorzaakten de Duitsche maatregelen mijn spoedig vertrek uit den polder, zoodat ik mijn werk aan anderen moest overlaten.’

Ingvar Kristensen (midden) op een foto in het schrift. Afbeelding: collectie Museum Schokland.

Bij zijn vertrek van Schokland wordt de trein, waarin hij zit, beschoten door een geallieerd vliegtuig. Kristensen overleeft de beschieting, maar de wagon waarin zijn bagage (met zijn onderzoeksresultaten) zit, wordt volledig vernietigd. ‘Het verlies van alles waarvoor hij zo lang en met zoveel ontbering had gewerkt was een grote slag’, schrijft C. Swennen in een in memoriam in 1996 (BASTERIA, 60: 195-200, 1996). ‘Zijn korte artikel in Het Aquarium van 1944 [De vestiging van enkele waterplanten en dieren in de N.O.-polder. – Het Aquarium 14 (10): 85-86, 91.] is het enige wat er van dit onderzoek is vastgelegd.’

Maar dan is er natuurlijk nog dit schriftje, nu veilig in de collectie van Museum Schokland. Ook online te raadplegen via de website van Museum Schokland.

Proefgeloven en Jonah Falke

Op de middelbare school noemden we ze ‘oo-gees’: de groep scholieren die we iedere schooldag tegenkwamen op het fietspad van Urk naar Emmeloord. Wij onderweg van Urk naar de polderstad, zij vanuit de polder naar de uitloper van de biblebelt. En ’s middags in omgekeerde richting. Ze behoorden tot een andere wereld, met de rokken van de meisjes en de lange broeken van de jongens in de zomer.

Hoewel ik ben geboren en deels opgegroeid op Urk, behoorde ik niet tot de refo’s. Dat was een andere subcultuur. Want onze eigen bubbel, daar hoorden eigenlijk alleen de ‘gewone’ hervormden en gereformeerden toe. Misschien ook wel de christelijk gereformeerden en Nederlands gereformeerden, misschien zelfs ook de vrijgemaakten, maar alles ‘rechts’ daarvan – daar hadden we eigenlijk niet zoveel contact mee.

‘Oo-gee’ was voor ons een scheldwoord en het kwam wel eens tot puberaal duwen en trekken op de fiets. Oo-gee (OG) staat voor Oud-Gereformeerd, de meest orthodoxe stroming (op misschien de ’thuislezers’ na, dan). We gooiden alle orthodox-gereformeerden voor het gemak op één hoop. En zij ons, als heidenen, misschien ook wel.

In zijn recent verschenen boek, ‘De Bible Belt’, neemt schrijver en kunstenaar Jonah Falke de lezer mee op een diepgaande en persoonlijke ontdekkingsreis door de orthodox-gereformeerde gemeenschappen van Nederland.

Als agnost van buiten de biblebelt besloot Falke zich anderhalf jaar lang onder te dompelen in een voor hem onbekende wereld, gedreven door zijn nieuwsgierigheid en een verlangen om voorbij de clichés en vooroordelen te kijken die vaak aan dit strookje land kleven. Je zou het proefgeloven kunnen noemen: al was Falke daar niet bewust mee bezig.

Voorbij het vooroordeel

Falkes interesse voor de Biblebelt werd gewekt na een ontmoeting met journalist (en oud-Urker) Riekelt Pasterkamp op een cruiseschip richting New York. Deze ontmoeting deed hem beseffen hoe beperkt zijn kennis was over deze gemeenschap. Falke wist meer over de Amerikaanse metropool dan over de biblebelt, schrijft hij. Waarom was dat eigenlijk zo?

Vastberaden een genuanceerder beeld te krijgen, bezocht Falke diverse kerkdiensten, logeerde hij bij een domineesgezin en sprak hij met een breed scala aan mensen binnen de gemeenschap(pen), van dominees tot jongeren en politici. Deze benadering stelde hem in staat om diep door te dringen in een gemeenschap die vaak als gesloten wordt beschouwd.

Een van de meest opvallende ontdekkingen voor Falke was de gastvrijheid en toegankelijkheid van de mensen binnen de Biblebelt. ‘Ik heb ontdekt dat mensen in de Biblebelt niet wereldvreemd zijn, maar toegankelijk en slim – er wordt veel gelezen. Ik zag ook veel humor: er wordt veel gelachen.’, zegt hij in een interview in het Reformatorisch Dagblad

Deze ervaringen stonden in schril contrast met de vooroordelen die hij eerder had. Falke realiseerde zich dat de gemeenschap veel diverser en opener is dan vaak wordt aangenomen.

Mijn eigen vooroordelen begonnen ook te verbleken ook toen ik als vakkenvuller in de Boni, de grootgrutter van het oostelijke deel van de biblebelt, opeens reformatorische collega’s had. We verschilden wel, maar over heel veel zaken waren we het toch wel hartgrondig eens. En de gesprekken met leeftijdsgenoten over thema’s als de positie van vrouwen en abortus zijn mij bijgebleven. Ze waren ook benieuwd wat ik ervan vond.

Diepgaande ontmoetingen

Een bijzondere ervaring was zijn verblijf bij het gezin van ds. A. den Hartog in Tholen. Falke verbleef een weekend in de pastorie van de Hersteld Hervormde Kerk. ‘De verschillen met de wereldse wereld vond ik niet zo groot. Ik had een gezin verwacht waar het stil was, maar de kinderen renden door de tuin en het huis, waren zelfs aan het voetballen. Er werden frikandellen en poffertjes gegeten.’, vertelt hij in hetzelfde interview. 

Ondanks religieuze overtuigingen vertoont de dagelijkse realiteit van refo’s veel overeenkomsten met die van niet-gelovigen. Niet zo gek ook.

Dagelijkse realiteit. Toen ik op een zondagmiddag van Urk naar mijn toenmalige lief in de Randstad wilde rijden, viel mijn Peugootje na een paar honderd meter plots uit. Het was op een weg die ’s zondags geldt als een aanlooproute naar een aantal strengere kerken. Om me heen liep het donkergeklede kerkvolk.

Ik schaamde me: ‘we’ waren gewend om ‘ze’ te respecteren en andersom. Nu kreeg ik het autootje niet aan de praat en mijn poging het te starten maakte veel herrie op deze rustdag. Ik zag de kerkgangers opkijken.

Toen kwamen een paar jongemannen in het zwart naar me toe. Ik weet nog dat ik schrok. Wilden ze verhaal halen omdat ik hun kerkgang verstoorde?

Maar de motorkap werd opengedaan, er werd wat met draadjes gefrutseld of aan buisjes gevoeld. En plots startte de auto weer. Er werden niet veel woorden gewisseld. Ze zagen wel mijn dankbaarheid in mijn gezicht.

Enkele ogenblikken later reed ik, nog steeds als heiden, met een paar vooroordelen minder de A6 op.

Vrijheid voor andersdenkenden

Misschien wel de meest verrassende wending in Falkes reis was zijn ontmoeting met dominee Kort, een predikant die bekendstaat om zijn strikte opvattingen. Aanvankelijk verwachtte Falke weinig openheid, maar tot zijn verbazing werd hij – uiteindelijk – hartelijk ontvangen.

Net als Falke heb ik en half Nederland een vooroordeel klaar over deze ‘haatdominee’. Dat komt door die aflevering van BOOS, van Tim Hofman.

In een mooi maar soms wat warrig gesprek tussen Falke en Van der Laan in Nooit meer slapen, vraagt Van der Laan in verschillende bewoordingen aan Falke waarom hij de intolerantie van de biblebeltbewoners niet meer aandacht heeft gegeven. Dat zou toch zijn plicht moeten zijn? Ik meen te horen in Falkes stem dat deze vragen wat irritatie bij hem oproepen. Hij verdedigt zijn werkwijze: hij is een schrijver en geeft een minderheid een stem.

Ook de intolerantie van de refo’s is grondwettelijk verankerd. Dat is waar Hofman problemen mee heeft. Maar waar Falke juist door wordt aangespoord.

Hij schroomt niet om in zijn boek vooraf en nadien Rosa Luxemburg aan te halen (grappig dat zij in een boek over orthodox gereformeerden wordt geciteerd): ‘Vrijheid betekent immer: vrijheid voor andersdenkenden’.

Complexiteit

‘De Bible Belt’ is dus geen journalistiek verslag maar een introspectieve reis waarin Falke zijn eigen aannames en perspectieven voortdurend bevraagt. Zijn ervaringen nodigen de lezer uit om na te denken over de complexiteit van geloof, gemeenschap en identiteit in het moderne Nederland.

Ik heb vaak hardop gelachen, omdat Falke, hoewel niet vertrouwd met de protestantse wereld en de refowereld in het bijzonder, vaak de zo unieke humor weergeeft. Want ondanks alle zwaarmoedigheid is er toch ook veel lichtzinnigheid.

Ook complex: al die stromingen, al die verschillende gebruiken, al dat protestantse jargon. Soms gaat Falke de mist in bij een detail.

Maar mijn hart ging sneller kloppen van die psalmen in oude berijming en de bijbelteksten in de Statenvertaling. Hij heeft echt zijn best gedaan om alles getrouw weer te geven.

En dat valt niet mee. In het begin van het boek staat de ons bekende stamboom met alle doleanties. Alleen begrijpelijk voor insiders.

Ik zit in een groepsapp die de naam draagt van de gemeenschappen waartoe de vrienden in kwestie behoren of behoorden: CGK, GKV, NGK, NHK. En mijn oude studievrienden in Amsterdam vinden het verschil tussen katholiek en protestants al ingewikkeld.

Proefgeloven

Als puber heb ik mij zo hevig verzet tegen die intolerantie van de ‘mannenbroeders’. Toen we met een punkbandje optraden kregen we brieven van dominees in de lokale krant. Koren op onze molen, natuurlijk.

Maar later ben ik ook de schoonheid van onze vrijheden en pluriformiteit gaan inzien. Juist die vrijheid van godsdienst, meningsuiting, onderwijs, maakt dat we over het algemeen goed met elkaar kunnen samenleven.

Mijn eigen, wat onwennige, proefgeloven is begonnen toen ik in 2018 de Bethelkerk in Den Haag bezocht, waar een estafettedienst aan de gang was om te voorkomen dat een Armeens gezin uitgezet zou worden. Dit kerkasiel maakte diepe indruk op mij. Niet alleen vanwege de maatschappelijke relevantie van de kerk, maar ook vanwege de bijzonderheid van de uitzonderingspositie van religie in ons land. Want binnen de kerk kan de buitenwereld je niets maken. Ook dat is de erfenis van een half millennium godsdiensttwisten. Ook dat is tolerantie, de wet, de vrijheid.

Nu dat proefgeloven alweer een zeven jaar aan de gang is, en ik ben teruggekeerd naar de kerk van mijn voorouders, heb ik nog steeds moeite met de intolerantie in mijn eigen gemeenschap of doleantie.

Maar: als je bewust buiten de gemeenschap gaat staan, kun je ook geen verandering tewerkstellen. In een wat meer vrijzinnige kerk hoorde ik een oproep: praat met elkaar als je verandering wil. Want alleen dan zul je iemand overtuigen.

Waar ik mee achterblijf, na het lezen van dit boek, zijn dus mijn eigen vragen bij het mechanisme van tolerantie en intolerantie. En dat is onbevredigend. En daardoor goed. Falke heeft het ergens over de mooie overeenkomst tussen de agnost en een oud-gereformeerde: de twijfel. Het niet-stellig weten. Of misschien beter nog: het stellig niet-weten. En daar sluit ik mij graag bij aan.

In zekere zin is het boek van Falke een oproep tegen bubbels en polarisatie en voor wederzijds begrip. En een oproep om minderheden gelijk te behandelen.

En een andere conclusie: er zit toch ook iets werelds, iets universeels in dat lokale, in dat kleine strookje Nederland dat we biblebelt noemen.

Een monument voor prima mensen

Het duurt even voor we het monument vinden. K. en ik rijden op een mistige zaterdagmiddag over het ‘Lowlandsweggetje’, langs de dijk bij Biddinghuizen. ‘Het zou hier ergens moeten zijn…’

Dan doemt uit de mist, op de rand van de Flevopolder, een brutalistisch kunstwerk op. Het heeft iets weg van een communistisch monument. Beton. Op een hoge plek. Een ster… van vijf meter hoog… met twee uitgestoken duimen. Direct giert door onze lijven een gevoel van verrukking.

Het ‘Monument voor prima mensen’ is een werk van de Nederlandse kunstenaar Domenique Himmelsbach de Vries. Het monument wordt onthuld in november 2014. De twee opgestoken duimen zijn een verwijzing naar het ‘like’-symbool op sociale media, aldus de sympathieke kunstenaar.

Uit de tekst op zijn website begrijp ik dat het doel van het monument is om bijzondere, vaak onbekende en meestal levende mensen en hun verhalen te eren en zo een alternatieve en eigentijdse geschiedenis te schrijven waaraan het publiek kan bijdragen.

Aan de voet van het monument zien we tegels met namen liggen. Ze zijn geplaatst ter ere van de ‘prima mensen’. We vragen ons hardop af voor wie we zo’n steen zouden kopen.

‘Monument voor prima mensen’, Domenique Himmelsbach de Vries, 2014. Eigen foto, 18 januari 2025.

Himmelsbach de Vries: ‘[Het monument is] een betonnen hommage voor de prima mens; een gedenkplek voor inspirerende vuilnismannen, kunstenaars, schrijvers, goeroes en vrienden. Het monument moet Nederland tot vers optimisme inspireren en dienst doen als verbindend verhaal tussen prima mensen.’

Onwillekeurig moet ik aan Reve’s ‘Roeping’ denken:

Zuster Immaculata die al vier en dertig jaar
verlamde oude mensen wast, in bed verschoont,
en eten voert,
zal nooit haar naam vermeld zien.
Maar elke ongewassen aap die met een bord: dat hij
vóór dit, of tegen dat is, het verkeer verspert,
ziet ‘s avonds reeds zijn smoel op de tee vee.
Toch goed dat er een God is.

Dan staat het beeld ook nog eens op de grens van het oude en het nieuwe land. Is het misschien ook een ode aan de hardwerkende eerste Flevolanders? Wie weet, want de namen van de vroegste bewoners van Biddinghuizen zijn op de tegels terug te vinden.

En ergens spookt toch wel dat communistische ideaal, zowel in Flevoland als in dit kunstwerk. Maar het monument propageert geen onbereikbaar ideaal, het neemt genoegen met ‘prima’.

In het gedicht van Reve krijgt de lezer sympathie voor de zuster. De God van Reve grijpt echter niet in. Misschien zijn zowel de zuster als de aap nodig in onze samenleving. Zou dat zijn wat Reve ons wil zeggen?

Himmelsbach de Vries is er duidelijk over: ‘Het monument kan gebruikt worden als tool om sociale cohesie te bevorderen […]. Een betonnen verbinding, een concrete connectie tussen hen wie prima zijn.’

Wij vinden het in ieder geval helemaal prima.

Toch goed dat er ook kunst is.

Hoe we de herinnering aan de Zuiderzee levend kunnen houden

‘Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven, / Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’, / Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven / Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.’

Zo begint het bekendste gedicht van de Urker dorpsdichteres Mariap (Marretje) van Urk-Koffeman (wiki). Een emotioneel afscheid van een geliefde en gevreesde zee.

‘In de weer’ voor Mariap, woensdag 22 januari jl.

Afgelopen woensdag gaf ik, op uitnodiging van Herderewich, in Harderwijk een lezing over mijn overgrootmoeder Mariap.

Ik moest even nazoeken wanneer ik zoiets voor het laatst deed. Dat was alweer zes jaar geleden! Ik publiceerde daarna een bewerking van mijn lezing elders op deze website.

Er is een aardige stapel boeken verschenen over de Zuiderzee. Zo verschenen bijvoorbeeld ‘Eens ging de zee hier tekeer‘ en ‘Het eiland van Anna‘ van Eva Vriend. De bewoners van de kusten van de Zuiderzee, en hun nazaten, kregen dankzij deze boeken, het grondige onderzoek van Vriend, weer een stem.

Ronald Nijboer schreef ‘Wereldzee in de polder‘: een ontdekkingsreis langs de IJsselmeerregio, in het voetspoor van Henry Havard. Honderdvijftig jaar na het bezoek van Havard aan de Zuiderzeeplaatsen onderzoekt Nijboer hoe we zijn omgegaan met ons landschap en onze cultuur, mede aan de hand van gesprekken met bewoners.

Ook verscheen ‘Duivelseiland‘, van Mandy van Dijk. Ze deed uitgebreid en waardevol onderzoek naar op Urk geïnterneerde officieren tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Deze boeken dragen bij aan de aandacht voor de geschiedenis van de Zuiderzee. Hoe herinneren we ons de in 1932 verdwenen binnenzee eigenlijk? En was er tijdens de afsluiting en inpoldering van ‘ons zeetje’ eigenlijk aandacht voor die bewoners van de Zuiderzeeplaatsjes, de ecologische gevolgen, het verdwijnen van cultureel erfgoed?

Ze dragen ook bij aan mijn eigen onderzoek naar Mariap van Urk. Ze brengen nieuwe inzichten en maken dat ik gebeurtenissen beter kan plaatsen en met steeds meer zekerheid met elkaar in verband kan brengen.

Ook het onderzoek van Babs Boter naar Mary Pos, en de ontvangen mailtjes over Mariap en Mary, deden mij in de afgelopen jaren beter begrijpen met wie Mariap contacten onderhield.

Mary Pos was, net als Mariap, een mediapersoonlijkheid. Toch verstomden in de loop van de tijd hun stemmen. (Afgelopen woensdag was er in de zaal toch één persoon die de naam Mary Pos iets zei.)

De kracht van je stem, daar kon ik de lezing mooi mee openen. Lucia de Vries, die zo bijzonder veel onderzoek doet naar de Urker geschiedenis, ontsloot op haar website het verhaal van Lammertje Kramer. Iedereen in de zaal herkende Aletta Jacobs. Maar de naam van haar dienstmeisje Lammertje? De kracht van je stem wordt niet alleen bepaald door of je bijvoorbeeld man of vrouw bent, maar ook bijvoorbeeld door je sociale klasse, familiebanden, religie, huidskleur.

Een dankbaar bruggetje naar Mariap. De jonge Mariap gaat begin vorige eeuw ook ‘dienen’. Zwaar en ondankbaar werk, waarbij de ongelijke verhouding tussen werkgever en dienstbode altijd aanwezig is. (De podcast ‘Mina en mevrouw’ van Maartje Duin maakt dit onderwerp prachtig invoelbaar.)

In aanloop naar mijn afstuderen aan de Reinwardt Academie hoefde ik niet lang over een onderwerp na te denken. Wat betekent het fysisch antropologisch onderzoek, de roof van menselijke resten door wetenschappers, en de teruggaaf van de schedels, voor de inwoners van Urk?

Door de eerste coronalockdowns had ik niet de ruimte om het onderzoek breed uit te voeren. Het onderzoek bleef beperkt tot interviews met betrokkenen en bureauonderzoek. (Zo zou ik bijvoorbeeld de betrokken erfgoedinstellingen nog graag in het onderzoek willen meenemen. Misschien kan ik er daarna nog eens over publiceren.)

Ik kan dankzij dit onderzoek nu bijvoorbeeld inzichtelijk maken hoe de bewoners van de voormalige Zuiderzeeplaatsen werden uitgesloten van een plek in het ‘nieuwe land’, mede aan de hand van de bevindingen van de wetenschappers. Dat sprak ook de Harderwijker toehoorders aan. Dergelijk onderzoek werd in 1956 nog gedaan in Elburg.

Waar ik de laatste maanden meer over ben gaan nadenken: de ecologische gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee. Hoe had Mariap het gevonden dat de Waddenzee bijvoorbeeld nu UNESCO Werelderfgoed is? Hoe kunnen we met terugwerkende kracht de uitzonderlijke waarden van de Zuiderzee benaderen? Op het strand van Urk lagen zeehonden, er was eb en vloed, een rijk ecosysteem. De Zuiderzee als levend onderdeel van onze delta.

In de presentatie liet ik het volgende citaat zien: ‘De aanleg van de Afsluitdijk in 1932 is een huzarenstuk in onze strijd tegen het water. Tegelijk is het één van de grootste ecologische rampen die ons land ooit trof. Want hoe indrukwekkend dit iconische en meer dan dertig kilometer lange bouwwerk ook is, het betekende het einde van de Zuiderzee. En daarmee van een unieke binnenzee met bijzondere planten en dieren. De geleidelijke overgang tussen rivier en zee werd teruggedrongen tot één lijn.’ (Rijkswaterstaat, ‘Project Afsluitdijk. Aandacht voor de natuur’. December 2021.).

Ik kon in een volgende slide verwijzen naar de uitkomsten van het recente onderzoek ‘Afsluitdijk decimeerde biodiversiteit Zuiderzee en IJsselmeer’, door Jan-Eike Rossius, Maarten Kleinhans en Katja Philippart, waarover ze in maart 2023 publiceerden in het tijdschrift De Levende Natuur.

Toevallig las ik vandaag in NRC een artikel van eerdergenoemde Ronald Nijboer, dat afgelopen vrijdag verscheen. In ‘Hoe mijn oma haar horizon verloor‘ gaat Nijboer in op de beleving van natuur en landschap en de ecologische gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee. Zo’n goed geschreven essay, waarin verschillende invalshoeken worden uitgelicht, maakt dat ik beter begrijp hoe ik de stellingname in de twintigste eeuw tegen de Zuiderzeewerken op waarde kan schatten.

Terug naar de lezing. Richting het einde vroeg ik het publiek: ‘had Mariap van Urk misschien toch een klein beetje gelijk dat die Afsluitdijk er niet had moeten komen?’

Het voorkomen van de Afsluitdijk, en voorkomen dat die zee ingepolderd zou worden, kon ze in ieder geval niet. In een gedicht beschrijft Mariap een baggermolen van de Zuiderzeewerken: ‘Men vroeg mij vele malen / om in een dicht of lied / de molen uit te malen, / helaas, ik kan het niet!’.

Maar haar verslaglegging van de inpoldering en het eilandleven in proza en poëzie, haar verzet tegen de inpoldering, haar inzet voor het behoud van het immateriële en materiële erfgoed van Urk en de Zuiderzee, haar veelkleurige mediapersoonlijkheid, haar gigantische netwerk, maken Mariap tot een belangrijke stem in de geschiedenis van de Zuiderzee.

Maar neem het maar eens op tegen een Cornelis Lely en consorten. En het narratief van ‘Waar wij steden doen verrijzen‘.

Wat bijzonder om met een groep mensen, zoals afgelopen woensdag in Harderwijk, over zulke onderwerpen na te kunnen denken. En goed om af en toe eens stil te staan bij het belang van onderzoek door historici, schrijvers, journalisten, wetenschappers – zolang het maar geen schedelmeters zijn.

Mariap moest eens weten: de Zuiderzeegeschiedenis is hot.

‘Onze wateren, van het IJsselmeer en de Waddenzee tot aan de Noordzee, worden almaar verder volgebouwd. Nederland kent een geschiedenis van ingrijpende veranderingen in het landschap. Iedere halve eeuw ziet de landkaart er weer anders uit dan daarvoor. Dat zal over vijftig jaar niet anders zijn. We kijken daarbij vooral vooruit, zonder stil te staan en om te kijken wat er allemaal verloren gaat. Zonder te begrijpen in wat voor land onze ouders en grootouders leefden. Bij het vormgeven van onze toekomst kan het geen kwaad om af en toe eens door de ogen van onze grootouders te kijken.’

Zo besluit Ronald Nijboer zijn essay. Met een prachtige slotzin.

Laten we inderdaad eens wat meer door de ogen van onze (over)grootouders kijken. En houden we niet alleen de herinnering aan de Zuiderzee levend, maar ook aan al die mensen die, soms tegen de keer, zich ingezet hebben voor al het erfgoed, de verhalen en de gemeenschappen rondom dat zeetje.

Eerder verscheen de tekst van een korte een ingekorte lezing uit 2019 over Mariap van Urk elders op mijn blog. De grootvader van Mariap komt aan bod in mijn artikel over het Dialecticon. Een artikel over Mariap en de dijken van de Noordoostpolder verscheen eerder deze week.