Sinds de openstelling van het archief van Beeld & Geluid, heb ik al veel plezier gehad met het terugkijken van items over Urk en Schokland. Natuurlijk zocht ik ook naar mijn opa (beabe) Albert van Urk in het archief. Ik vond een prachtig item met De meiden van Halal, waarin hij een ginkiestocht geeft aan het gezelschap.
Maar ook een radio-item met Marjoke Roorda, een VPRO-radiomaker met heerlijke Delftse tongval. In het programma De plek ging het over veiligheid, waterhuishouding en natuur rond het IJsselmeer.
Geen bijster interessante aflevering, maar wel met een mooie afsluiter: (Roorda:) ‘Ik heb een toetje! Ik heb een toetje! (…) Ik was op Urk zo ongelooflijk gecharmeerd van de cultuurhistoricus, dat ik een extra klein mini-reportagetje heb gemaakt met Albert van Urk.’
Ik werd gegrepen door de dynamiek tussen Roorda en mijn grootvader.
Uit: De plek, Het natte hart van Nederland, VPRO: 19 december 2000.
Ik dacht, ik zoek Marjoke Roorda online op en vraag haar of ze herinneringen heeft aan het gesprek, maar zij overleed in 2024.
In mijn kwartierstaat vind ik voorouders uit Urk (natuurlijk) en heel veel uit Vollenhove. In mindere mate – voor zover mij bekend, natuurlijk – werden ze geboren in Zwartsluis, Hasselt, Kuinre, het verdronken dorp Beulake, Enkhuizen. Een enkeling op de lijst was Fries, Duitser of Amsterdammer. Maar de meesten kwamen dus uit ‘de kom’ van de Zuiderzee. Watermensen.
Zelf werd ik geboren op Urk. Mijn opa Hendrik Visscher kwam uit een familie uit Zwartsluis en Hasselt. Mijn andere grootouders werden geboren op Urk. Ik voel mij een Urker, maar ook een Tollebeker, want daar woonde ik ook. En nu ook een Zwollenaar. Maar of ik me ook een Vollenhovenaar of Hasselter voel? Voel ik de roep van verre voorouders als ik over de Beulakerwiede vaar? Ik weet het niet.
Ik vind het gebied wel mooi. Maar het kost wat moeite je een voorstelling te maken van hoe het ‘oude land’ vroeger was, toen het nog aan de Zuiderzee lag. Nu grenst het aan – of ligt het ín – de Noordoostpolder.
Kaart van de Zuiderzee door Willem van Baarsel uit 1886. Rechts in het midden de eilanden Urk en Schokland. Zuiderzeecollectie / Zuiderzeemuseum Enkhuizen. Licentie: BY-SA.
Nu ben ik de meeste dagen van de week op het prachtige voormalige eiland Schokland, want ik werk daar.
Of ik ook Schokker voorouders heb? Ja… in ieder geval is daar Jannegien.
Jannegien Bruins
In mijn stamboom vind ik, ruim tien generaties terug, Jannegien Bruins. Zij werd geboren op Ens, het zuidelijke deel van Schokland, in 1680. Dit deel van Schokland ging zo tegen het einde van de zeventiende eeuw over naar de nieuwe leer. Het noordelijke deel, Emmeloord, ging niet over tot de reformatie en bleef het oude geloof aanhangen.
Deze scheiding kan verklaard worden doordat het bestuur van Ens in die tijd toebehoorde aan Overijssel. Emmeloord (en Urk), was rond die tijd een ambachtsheerlijkheid en vanaf 1660 werd het bestuurd door de stad Amsterdam. Op Urk en in Emmeloord ging de reformatie moeizamer dan op Ens, het zou nog tot ongeveer 1725 duren voordat het hele eiland Urk écht gerifformaard was1, op Emmeloord kreeg de reformatie geen vaste voet aan de grond, ondanks meerdere pogingen.
Jannegien Bruins werd dus geboren in een bijzonder tijdsgewricht: dat van de onrusten rondom de nije lare.
Schokland is nooit een geïsoleerd eiland geweest. Door handel en landbouw, en later door de visserij, was er veel contact met andere plaatsen rondom de Zuiderzee. Schokland lag op scheepvaartroutes richting het oosten, via de IJssel en de Overijsselse Vecht.
Niet gek dat ze een Urker aan de haak sloeg: Jacob Jansz. Romkes. Jacob Janszoon trouwde op 14 mei 1702 op Urk met Jannegien, beiden waren toen begin twintig. Ze werden ingeschreven in het trouwboek van de gereformeerde kerk van Ens, op bladzijde 121 (verso)2.
Een vroeg gereformeerd stel, dus.
Gespikkeld huwelijk?
In mijn kwartierstaat zie ik staan dat Jannegien een tweede maal huwde, op Schokland, met Albert Stevensen. Opmerkelijk, want zij zouden getrouwd zijn in Emmeloord, als rooms-katholieken dus. En inderdaad, in het trouwboek van de rooms-katholieke kerk zie ik Albert Stevensen en Jannetjen Bruins staan.
Daarom heb ik dus een tijd gedacht dat mijn voorouder Jannegien, als gereformeerde vrouw, een tweede keer trouwde, dit keer met een katholiek. Een gespikkeld huwelijk, werd zoiets op Schokland genoemd. Want twee geloven op één kussen… (Dat woord ‘gespikkeld’ is hoogstwaarschijnlijk afkomstig uit Genesis 30.)
Maar dan zie ik bij de vermelding in het trouwboek ‘Obiit 14 7bris 1726’3 onder de naam van Jannetjen staan (‘overleden op 14 september 1726’). Én dat klopt niet met het grafregister. Jannegien overleed in 1773 en ligt begraven ín het Kerkje aan de Zee, met kerkgrafnummer 38.4 Het zijn dus niet dezelfde vrouwen.
Jannegien was de nieuwe leer dus trouw gebleven en trad niet voor de tweede keer in het huwelijk. Het is niet gek dat personen verward worden, het is altijd een goed idee om de bronnen er op na te slaan. En wat fijn dat er zoveel gedigitaliseerd is.
Het Kerkje aan de Zee, Urk. eigen foto
Moeder van de schout
Een zoon van de Schokker vrouw zou de Urker geschiedenis ingaan als schout. Cornelis Jacobszoon Romkes werd in 1748 benoemd tot nieuwe schout, op voordracht van dominee Weerman.5 Dit nadat er veel te doen was over Romkes’ voorganger Anthony van Dompzelaer. Een niet-Urker, die op Urk niet geliefd was.
Een schout zorgde ten tijde van de Republiek voor het lokale bestuur, de handhaving van de openbare orde en de rechtspraak. Een belangrijke functie, dus.
Deze Van Dompzelaer was een driftig mens. Cornelis de Vries, een belangrijke geschiedschrijver van Urk, beschrijft dat hij zijn tong uitstak naar een diaken6 en dominee De Bruyn een stomp in de borst gaf7 (‘een manier van doen, die hij in dergelijke gevallen meer volgde’). Ik kan me geen groter kwaad voorstellen dan iemand die op Urk een dominee aanvalt.
‘De gegevens voor dit hoofdstuk (…) zouden te verwerken zijn tot een spannenden historischen roman met b.v. als titel: Dominee en Schout,en als ondertitel: Een afmattende strijd tegen politieke aanmatiging.‘, schrijft De Vries veelzeggend8. Van Dompzelaer werd in 1718 tot schout aangesteld, werd later ook nog ouderling9, en pas na ingrijpen van de stad Amsterdam in 1747 uit zijn ambt ontheven. ‘Hij werd dus, plat gezegd, van Urk weggejaagd’, aldus De Vries10. Wie verder over deze soapserie lezen wil, zal blz. 231 tot 260 van Geschiedenis van het eiland Urk erop moeten naslaan.
‘In zijn plaats werd aangesteld Cornelis Jacobs Romkes, een man van ongeveer 50 jaar oud uit een der beste familiën van Urk.’, aldus De Vries.11
Bedenk hier ook de landelijke onrust bij, die ook het eiland Urk niet onberoerd liet. In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden kwam het Tweede Stadhouderloze Tijdperk ten einde, in 1747 kwam stadhouder Willem IV aan de macht. Waarschijnlijk hadden bestuurlijke crises daaromtrent ook hun doorwerking op Urk12, waar ze wel toe waren aan wat rust. Die rust vonden ze, na decennia gehannes met de vorige schout, in Cornelis Romkes, zoon van Schokker Jannegien.
Cornelis was schout van Urk van 1748 tot zijn dood in 1779 en werd begraven bij zijn Schokker moeder in het kerkje aan de zee, grafnummer 38.13 Dat er in het boek van De Vries niet veel over schout Cornelis te vinden is, zegt veel over zijn functioneren. Ik stel mij een rechtgeaard oranjegetrouw mens voor. Zou hij nog vaak hebben gedacht aan het Schokland van zijn moeder?
De kleinzoon van Jannegien
Na de dood van Cornelis brak er nog een machtsstrijd los over zijn opvolging waarbij zijn zoon – de kleinzoon van Jannegien – betrokken was. In 1787 kwam de strijd tussen de patriotten en de orangisten landelijk tot een hoogtepunt en op Urk ondertekenden 83 tegenstanders (een meerderheid van de Urker mannen) van schout Barends een brief. Bij nummer 14 staat de naam van Jacob Cornelisz. Romkes.14 Jannegiens kleinzoon!
Dit alles heeft grootmoeder Jannegien gelukkig niet hoeven meemaken. Ze overleed in 1773. 92 of 93 jaren oud werd zij, een hele leeftijd, helemaal voor die tijd: de bijbel uit, zeggen we op Urk, ouder dan de leeftijd der zeer sterken (Psalm 90).
Vooraan in de kerk
Historica Lucia de Vries stuurde mij een foto van het grafregister, waaruit blijkt dat Jannegien (en Cornelis) vooraan in de kerk begraven ligt. Dat zegt iets over de status van mensen en zou kunnen wijzen op een rooms idee: zo dicht mogelijk bij het altaar. Dat hadden de Urkers waarschijnlijk nog niet helemaal losgelaten.
Tot de verre nakomelingen van Jannegien behoren – als ik het wel heb – onder anderen Klaos ‘de Measter’ Koffeman, dichteres Mariap van Urk-Koffeman en historicus Albert van Urk. En opa (beabe) Albert leverde inspanningen voor de geschiedenis van Schokland. Was hij zich bewust van zijn Schokker voormoeder? Ik kan het hem helaas niet meer navragen.
Cornelis de Vries had dus gelijk, toen hij schreef over ‘een der beste familiën van Urk’.
– Bas Visscher
Met dank aan Bruno Klappe, die transcripties maakte van de trouwboeken van zowel de rooms-katholieke als de gereformeerde kerk van Schokland. En met dank aan Lucia de Vries, voor de informatie in het artikel over de reformatie op Urk. De Vries publiceerde onlangs ook een mooi en persoonlijk artikel over haar voorouders en de graven in en rondom het Kerkje aan de Zee, waarin ze ook een afbeelding van het grafregister heeft opgenomen. Urker vriend Jan van den Berg schreef vorig jaar ook een mooie blogpost over de graven van zijn voorouders.
L. de Vries, Stichting Urker Uitgaven, “Een katholieke vrijstaat”, versie onbekend, geraadpleegd 30 mei 2026, https://www.urkeruitgaven.nl/kort-historisch/een-katholieke-vrijstaat/. ↩︎
B. Klappe, Het Nederduits-Gereformeerde trouwboek van Ens op het eiland Schokland, 1688-1791. (Eindhoven, 2012), 13. ↩︎
B. Klappe, ‘Het Rooms-Katholieke trouwboek van Emmeloord op het eiland Schokland, 1714-1812’. (Eindhoven, 2012), 7. ↩︎
Zo gingen zowel ‘gewone’ als monumentale klokken en carillons verloren. Maar meer dan tweehonderd klokken werden echter gespaard: zij wachtten op de bodem van het IJsselmeer, tot het einde van de oorlog.
Mijn opa Albert van Urk deed veel onderzoek naar het zinken zogenaamde ‘klokkenschip’, waarover vele verhalen de ronde doen. Hij toonde aan waarom het schip zonk: het was een daad van klein verzet was (de vuurtorenwachter doofde het licht en een sleper saboteerde het schip).
Boven één van zijn publicaties over het klokkenschip stond ‘Wie met Gods klokken schiet, die wint de oorlog niet’, een uitspraak die in de oorlogsjaren veel werd gedaan.
Mooi dat zijn onderzoek voortleeft, al wordt hij niet bij naam genoemd in het betreffende artikel – dat is dan weer jammer. Aan de andere kant had het wel bij zijn bescheidenheid gepast.
In het Urkerland van 27 april 2006 verscheen een artikel van de hand van Jaap Bakker, met daarin de herinneringen van mijn oud-oom Rinke Oost.
Die (geliefde) ome Rinke overleed in 2018, zijn (geliefde) vrouw Bep Cazant in 2022. Ze woonden in Arnhem. Rinke was de oudste van het Urker gezin van Roelof Tiede Oost (‘Roelof van Rinke’) en Elisabeth Koffeman. Roelof was timmerman en nam het bedrijf over van zijn opa. Ook zijn nakomelingen werden timmerman (Gebroeders Oost).
Er werd door mijn familie Oost (mijn opoe Jent was de zus van Rinke) wel zo nu en dan over de oorlog gepraat. Het waren anekdotes over klein verzet. Maar toch ook van heldenmoed, zoals ik er nu, op wat latere leeftijd, aan denk.
Ik moest gisteren en vandaag weer aan dat inmiddels alweer twintig jaar oude artikel denken, dat hier te lezen is (en hier als pdf).
Het artikel wordt als volgt door de opsteller afgesloten: “Opdat wij niet vergeten hoe boze machten ons de vrijheid kunnen ontnemen en hoe duur de vrijheid herverkregen is. Moge het een levensles zijn om ons niet in haat te laten meeslepen in vooroordelen en voorkomen dat mensen elkaar het recht op vrijheid en vrije meningsuiting ontnemen.”
Over andere Urker oorlogsverhalen schreef ik eerder dit artikel.
Het hele land ligt onder een laagje sneeuw. Dat leverde ook op Werelderfgoed Schokland weer mooie beelden op:
Over winters gesproken. Die waren vroeger net een tikkeltje intenser. En als je dan ook nog ingevroren raakt bij het haast onbewoonde eiland Schokland… Een zeventienjarige schippersdochter maakte het mee.
Het verslag van deze overwintering hieronder integraal overgenomen.
Een overwintering op het eiland Schokland
Belevenissen van een 17-jarige schippersdochter in de winter van 1927-1928
Wij waren met ons lege schip – een zeilklipper van 154 ton genaamd de Annigje – onderweg van Meppel naar Amsterdam. Mijn vader wilde graag met de Kerst in Amsterdam liggen. Het begon al stevig te vriezen. Tegen de avond waren wij bij het eiland Schokland, dat lag nog in de toenmalige Zuiderzee. Mijn vader besloot die nacht voor anker te gaan achter het eiland (in het zogenaamde gat van Ens) om de andere morgen vroeg te gaan varen. Zodoende om te proberen de ijsgang voor te zijn.
Het vroor die nacht hard en ’s morgens was de Zuiderzee bedekt met grondijs. En daar is met een zeilschip niet door te komen. Dus besloot mijn vader om de haven van Schokland binnen te komen, wat met veel moeite is gelukt. Niet vermoedend dat wij de Kerst en Nieuwjaar zouden vieren. Wij waren het enige schip in de haven, dus ligplaats genoeg. Maar gelukkig woonden er nog twee gezinnen op Schokland, de Rijks havenmeester en de lichtwachter, allebei genaamd Smit; het waren broers. De lichtwachter verzorgde de verlichting op het eiland. De verlichting was toen al elektrisch. In het huisje van de misthoorn stond de Kromhoutmotor voor de stroomopwekking. Dit kromhoutje staat nu (1985) nog in de Marker vuurtoren. De havenmeester had een dienstvaartuig tot zijn beschikking: een spierwitte stalen zeilbotter (bijgenaamd het varken).
Gelukkig waren er onder die gezinnen ook jongelui van onze leeftijd en hadden mijn jongere broer ik al gauw contact. Mijn ouders waren goed bevriend met de ouderen en gingen bij deze mensen buurten.
Omdat het bleef vriezen, gingen wij al gauw schaatsenrijden op de Zuiderzee. Wij schaatsten van de haven aan de Noordpunt naar de Middelbuurt waar nu het Museum is in de kerk. In mijn tijd werd de kerk gebruikt als onderkomen voor seizoenarbeiders, maar zo langzamerhand raakte het eten op. En het liep tegen Kerst. Bij de familie Smit, de havenmeester, was een onderwijzeres in huis. De kinderen op het eiland kregen daar op rijkskosten onderwijs thuis. De onderwijzeres wilde graag naar huis met de Kerst. Ze woonde in Groningen en omdat er toch eten gehaald moest worden in Kampen, ging ze met de mannen mee naar Kampen.
Op het eiland was een grote slee en die werd klaargemaakt, ’s morgens bij het aanbreken van de dag waren ze klaar voor vertrek. De onderwijzeres werd in dekens gewikkeld op de slee gezet. Mijn broer mocht ook mee om te helpen. De mannen trokken en duwden de slee zelf op de schaatsen over de Zuiderzee naar hert Kampereiland. De tocht was niet zonder gevaar, wegens de wakken en scheuren in het ijs. Vanaf het Kampereiland werd er gelopen naar Kampen. Een pittige wandeling van ongeveer 15 km. Om niet te verdwalen bij mist of sneeuw op het ijs, hadden ze een kompas meegenomen. Voor de achterblijvers was het ook een spannende dag, want het ijs kon zo gaan scheuren.
Een foto van het betreffende schip. Bron: Museum Schokland.
Maar gelukkig, in de namiddag kwamen de mannen er weer aan, met de slee vol proviand, melk, spek, meel, enz. Nadien is deze reis nog tweemaal herhaald, met aldoor een goede afloop.
Mijn ouders gingen ’s avonds buurten bij de familie Smit. De jongelui kwamen dan bij ons aan boord in de roef en dan werden er spelletjes gedaan. Op een avond tussen Kerst en Nieuwjaar waren wij weer met de hele club bij ons aan boord in de roef en zijn wij kaarten gaan schrijven voor familie en kennissen, maar er waren alleen kaarten met de afbeelding van Schokland er op.
Er kon wel post worden verstuurd en er werd ook post gebracht. Er was een geul gebroken in het ijs van de Zuidpunt van het eiland naar Kampen. Als het mogelijk was, bracht de botter de post. En als de botter op de Zuidpunt was gearriveerd, moesten de mannen over een glad dammetje naar de Zuidpunt lopen om de post op te halen. Het was levensgevaarlijk en zo’n ander halfuur lopen. Ze deden dan sokken over de klompen om niet uit te glijden. Wij hebben ook nog een kaart naar Koningin Wilhelmina gestuurd met de namen van alle eilandbewoners er op. Later hoorden wij dat de Koningin een brief terug had gestuurd.
Omdat er weer meel genoeg was, gingen wij oliebollen en wafels bakken. Je moest toch wat doen. Radio en TV was er nog niet.
Na Nieuwjaar waren de mannen begonnen met grote ijszagen ons schip los te zagen, maar dat ging erg langzaam en was bar zwaar werk. Dit werd gedaan omdat het ondertussen was gaan dooien.
Op een avond zaten wij weer bij elkaar in de roef. Een van ons tuurde door de ramen van de roef naar buiten naar de haveningang en zag ineens boordlichten naar de haveningang komen. Het was de beurtmotor, die wilde in de haven overnachten. De andere dag heeft de beurtmotor het ijs om ons schip heen losgebroken en ons naar buiten gesleept. Vandaar zijn wij onder zeil richting Amsterdam gevaren. Het viel niet mee om op de zeilen door dat losse ijs te varen, maar het is gelukt en zijn wij veilig in Amsterdam aangekomen. Al met al hebben wij vijf weken ingevroren gezeten in de haven van Schokland. Wij hebben ons daar best vermaakt, maar waren toch ook weer blij dat we weer in de vaart waren.
Dit verhaal is waar gebeurd en verteld door Mevr. A. Jetses-van Veen (1908 – 1989) aan haar oudste zoon dhr. A. Jetses wonend te Zaandam.
Bovenstaand artikel werd een paar jaar geleden toegestuurd aan Museum Schokland. Het verscheen eerder ook op de website van de Schokkervereniging en in Het Schokker Erf nr. 28, p. 36-38. Ook verscheen het in De Vriendenkring (Vrienden van Schokland), jaargang 47, nr. 4 (winter 2007), p. 30-32.
Het is de dag voor kerst en op mijn kantoortje op Schokland werk ik de laatste mails weg, plan ik nog wat posts in en schrijf ik de laatste nieuwsbrief van het jaar.
Toen ik eerder op Schokland werkte, deelde ik al eens het Schokker kerstlied ‘Ziet het wonder hoog verheven’ op de socials van het museum. Dit lied werd op Schokland gezongen en overleefde de ontruiming van Schokland in 1859. Katholieke Schokkers bleven het zingen bij de mis in Vollenhove. Halverwege de vorige eeuw kwam het lied opnieuw in de belangstelling. En ik kwam vanmorgen tot de ontdekking dat mijn opa Albert daar een rol in had.
Uit: Fred Thomas, ‘Het laatste kerstlied van Schokland’, De Tijd, 24 december 1958.
Veel immaterieel erfgoed van de eilandperiode bleef niet bewaard. Het dialect verdween decennia na de ontruiming en ook de Schokker streekdracht verdween. Maar dit kerstlied bleef wél bewaard!
Fred Thomas schreef erover in ‘Wijkend water’. Ook stond het centraal in een artikel in ‘De Tijd’, van 24 december 1958 – honderd jaar ná de laatste Kerstnachtmis op Schokland. Ik publiceerde dat artikel eerder op de website van Museum Schokland.
Maar vandaag werd ik ontroerd door een artikel van de hand van mijn grootvader Albert van Urk, die in de kerstbijlage van Het Urkerland van 1980 óók over dit lied schreef.
Het lied fascineerde ook hem. Hij ging naar Kampen, waar de tekst van het lied in het Stadsarchief bewaard werd. En nam het mee naar Urk. Het lied werd uitgevoerd en opgenomen door de Urker zangers, wat een impuls gaf aan de bekendheid van het lied.
En die mooie zinnen van hem: ‘Ik probeerde mij voor te stellen hoe het in vroeger eeuwen opgeklonken zal hebben in de Kerstnacht in het kerkje van Emmeloord. Hoe niet zelden de slepende klanken zich vermengd zullen hebben met het gebulder van de branding, het ruisen van de immer opdringende zee of hoe de ruwe, ongeschoolde vissersstemmen in de stille nacht, wanneer de zee roerloos zich onder de sterrenhemel spiegelde, langzaam verwaaiden over het water van de Zuiderzee.’
Een paar decennia nadat mijn grootvader mij meenam naar Schokland, waarmee mijn liefde voor het gebied begon, mag ik mij ook zo verliezen in die bijzondere verhalen als hij deed.
Met opa (‘beabe’) in Museum Schokland, een paar decennia terug.
Hier volgt het betreffende artikel, met dank overgenomen van de site van de Schokkervereniging. Die overigens in 1985 werd opgericht en waarbij hij betrokken is geweest.
Het kerstlied van Schokland
De geschiedenis van Schokland is er één van zorg en strijd. Zorg om het bestaan, strijd tegen zijn aartsvijand: het water. De kronieken van het eiland getuigen van aanhoudende rampspoed, hongersnood, overstroming en brand. De Schokkers waren arm, armer en weerlozer nog dan hun buren, de Urkers, die op hun hoge keileembult niet direkt bedreigd werden door het water. In het midden van de vorige eeuw is de toestand op het eiland zó uitzichtloos, dat door de regering besloten wordt tot ontruiming. In het najaar van 1858 aanvaardt de Tweede Kamer der Staten-Generaal een regeringsvoorstel tot ontvolking van Schokland en afkoop van het particulier grondbezit. Op 10 juli van het volgende jaar wordt de laatste burgemeester van het eiland, Gillot, eervol van zijn post ontheven en Schokland bij de gemeente Kampen gevoegd. Vóór 1 juli van dat jaar heeft de bevolking al het eiland verlaten. Zo zij daarover al niet bedroefd waren, aanvaardden de arme eilanders hun treurig lot in doffe berusting.
Het kerkje van Emmeloord De oude katholieke kerk van Emmeloord brandde in 1728 af. De nieuwe kerk, als protestants bedehuis gebouwd, werd bij de zware brand, die Emmeloord in 1749 teisterde, eveneens verwoest. Enige jaren later bouwden de katholieken weer een kerk en deze werd bij de beruchte stormvloed van 1825 zwaar gehavend. Van Rijkswege werd in 1842 een nieuwe kerk gebouwd, welke tot de ontruiming in gebruik bleef. De afbraak werd in 1859 benut voor de bouw van een katholieke kerk te Ommen, welke bijna 80 jaar in gebruik bleef. In de kerk van Ommen bevindt zich nog altijd het zandstenen doopvont van Emmeloord, dat in een grijs verleden tussen Urk en Schokland werd opgevist. Ook zijn daar een aantal kandelabers en misbekers terug te vinden, die eeuwenlang dienst hebben gedaan op het eiland. Ooit bewonderde ik in deze Vechtstad de “schatten van Schokland”.
Een lied in een vreemd land Op het eiland Schokland waren drie woonkernen: Emmeloord op de Noordpunt, Ens op de Middelbuurt, en de Zuidert. De laatste werd al vóór 1859 ontruimd. Ens was voornamelijk protestant, Emmeloord katholiek. Beide bevolkingsgroepen verdroegen elkaar goed; de Schokkers waren in godsdienstig opzicht vrij tolerant. Een grote groep Emmeloorders kwam in Vollenhove terecht. De andere “ballingen” verspreidden zich over diverse Zuiderzeegemeenten, o.a. Kampen, Volendam en Urk. Tot op de dag van vandaag leven er nazaten van Schokkers onder ons. Over de groep die naar Vollenhove trok gaat dit artikel. In zekere mate wisten zij zich daar als groep te handhaven. Dit blijkt uit het feit dat zij naast hun schamele bezittingen iets geheel unieks meenamen: het Kerstlied van Schokland. De woorden van het lied “Ziet het wonder hoog verheven” zijn bij overlevering opgetekend. Het wordt in meer dan één bron genoemd. Het zou in Vollenhove nog wel gezongen worden tijdens de Kerstnachtmis, aldus Fred Thomas in “Wijkend Water” (1940/1941). Maar zou dat nu nog zo zijn? Later vernam ik, dat dit inderdaad het geval was. Ik probeerde mij voor te stellen hoe het in vroeger eeuwen opgeklonken zal hebben in de Kerstnacht in het kerkje van Emmeloord. Hoe niet zelden de slepende klanken zich vermengd zullen hebben met het gebulder van de branding, het ruisen van de immer opdringende zee of hoe de ruwe, ongeschoolde vissersstemmen in de stille nacht, wanneer de zee roerloos zich onder de sterrenhemel spiegelde, langzaam verwaaiden over het water van de Zuiderzee.
Een raadsel opgelost De inhoud van het lied bleef lange tijd, voor mij althans een mysterie, naar de onthulling waarvan ik naarstig bleef zoeken. Niet zonder resultaat overigens. Uiteindelijk – om het verhaal niet te lang te maken – belandde ik een aantal jaren terug in het stadsarchief te Kampen, toen nog gevestigd in het middeleeuwse raadhuis van die stad. Hier kwam het raadsel tot een oplossing. Een behulpzame archivaris had slechts een half uur nodig om mij uit de droom te helpen. Het kerstlied van Schokland lag zwart op wit vóór mij. Teruggekeerd op Urk bracht ik de gevonden tekst en muziek naar dirigent Meindert Kramer. Deze schreef een arrangement voor een mannenkoor. Dit werd, in 1977, opgenomen in een werkstuk van J.N. Haanstra en C. Verdoold, dat zij in verband met hun studie schreven over het kerkelijk wel en wee op Schokland. Ook zij hadden, zij het wat later, de tekst van het lied gevonden en het is waarschijnlijk déze tekst die door Kramer werd gebruikt: de oorspronkelijke. Of de bewerking van Kramer ooit is uitgevoerd, is mij niet bekend. Weer gingen de jaren voorbij. Dan, in december 1980, komt er een Kerstplaat uit van de “Urker Zangers”, met daarop: het Kerstlied van Schokland in een bewerking van Jef Penders. Ook hier is gebruik gemaakt van de oorspronkelijke tekst.
Toch nog vragen Over het ontstaan zijn geen gegevens bekend. Als eerder opgemerkt: de tekst werd opgetekend uit de mond van Schokker nazaten in Vollenhove. In hoeverre die in de loop der tijden “verminkt” is kunnen we niet (of nog niet) nagaan. Het is een lied met een voorzang (vgl. Psalm 18). Op de plaat is deze voor rekening van Joh. Schrijver. De inhoud getuigt van een eenvoudig, katholiek geloofsleven, zoals dat op het eiland gevonden werd. De melodie is ietwat slepend (“valt op door de geringe toonafstand, doet klagend aan”, schrijft Haanstra). Op de plaat worden de twee laatste coupletten niet gezongen. Men kan dit betreuren, maar het zal zijn reden hebben. In ieder geval is het lied nu bewaard voor het nageslacht. En tenslotte: deze “gestroomlijnde” bewerking van het lied zal wel ver af staan van de uitvoering van het lied, zoals het gezongen werd met het raspende stemgeluid van doodarme vissers. Maar wie zal dat de Zangers euvel duiden? Voor liefhebbers hier nog de titel van de plaat: “Herders, ik boodschap…”, en het nummer: Dureco 88031.
We leven in een tijd waarin alles wat technisch kan, ook meteen wordt gedaan. Dus ja: we kunnen inmiddels impressies van straatbeelden van vroeger namaken in foto’s en video’s, overleden personen laten praten, lachen, knikken en zinnen uitspreken die ze nooit hebben gezegd. In high def. Met oogcontact. Met een warme stem.
En iedere keer als zo’n AI-gegenereerde video of foto verschijnt, wordt het ons, de consument, aangesmeerd als eerbetoon, historische sensatie of een manier om een herinnering levend te houden.
Maar laten we eerlijk zijn: het is geen eerbetoon. Het is een opgestoken middelvinger naar de doden. Deze leuke plaatjes en videootjes, waarmee onze feeds inmiddels vollopen, zijn immers getraind met beelden van mensen die daar nooit toestemming voor hebben gegeven.
Een echte foto uit het publieke domein.
De dode kan niet meer weigeren
Dat is één van de fundamentele problemen: toestemming. Een overleden persoon kan geen ‘nee’ meer zeggen. Geen bezwaar maken. Geen context toevoegen. Geen correctie geven. Geen grap maken over hoe raar of ongemakkelijk dit is.
Dat maakt AI-video’s van overledenen geen vorm van herdenking, maar van toe-eigening. Je gebruikt iemands gezicht (‘portret’), stem en lichaamstaal als bron- en trainingsmateriaal. Niet omdat zij dat wilden, maar omdat jij je zo lekker kan verkneukelen achter je schermpje, omdat je dat kleine shotje dopamine zo lekker vindt.
(Ik weet dat dit een achterhoedegevecht is, maar wie dit bezwaar niet onderkent, verwart vooruitgang met vrijbrief.)
Van herinnering naar exploitatie
Herinneren is per definitie onvolmaakt. Foto’s verbleken. Opnames kraken. Verhalen veranderen. En nee, het verleden was geen zwart-witfilm, geen gravure of olieverfschilderij. Maar dit waren wel de middelen om iets vast te leggen. Het materiaal zegt iets over het object zelf: het geeft waardevolle informatie, context.
AI haalt die context weg. Het polijst het verleden – en de dood! – tot iets consumeerbaars. Vaak precies wat de maker wil vertellen. Bijvoorbeeld een geromantiseerd beeld van vroeger (hallo PVV!). Of andere propaganda. Of wat goed werkt op LinkedIn, of in een marketingcampagne.
Ik zie zelfs musea en historische verenigingen AI-gegenereerde content gebruiken om een verhaal te vertellen. Content waarvan de modellen getraind worden met archiefbeelden van overleden mensen.
Er bestaat al zoiets als archiefmateriaal. Brieven. Interviews. Dagboeken. Foto’s. Stilte zelfs. Maar dat is blijkbaar niet genoeg. Het is te traag. Te weerbarstig. Te weinig engagement. AI-video’s en -afbeeldingen zijn dan blijkbaar een oplossing om beter je publiek te bereiken, maar je betaalt daar wel een prijs voor: je verliest je geloofwaardigheid, je autoriteit.
AI-video’s kunnen niet dienen als interpretatie van het verleden, het is buikspreken met een dode pop. Jij, de maker, bepaalt wat je de bezoeker, kijker, consument wil laten zien. Niet de geofferde mensen uit het verleden.
Respect vraagt om beperking, niet om meer pixels
Echte eerbied zit niet in technologische hoogstandjes, maar in terughoudendheid. In accepteren dat ook de doden recht hebben op hun rust. Dat hun stem stopt waar de opnames stoppen. Dat hun blik niet opnieuw kan worden gegenereerd zonder iets fundamenteels te schenden.
Of ze nu begraven zijn met de verwachting op wederopstanding of met een andere religieuze gedachte: de rust moet eerbiedigd worden. We hebben tal van regels op het gebied van onze omgang met de dood. Maar we zijn te langzaam, of gewoonweg te lui, om voor onszelf een antwoord te formuleren op de huidige ethische kwesties.
En het gaat het niet alleen om het letterlijk ‘laten bewegen’ van een foto van een overleden persoon of om het genereren van een heel nieuw beeld: ook voor inkleuren en upscaling van foto en film worden modellen getraind met archiefmateriaal van overledenen.
‘Maar het is goed bedoeld’
Dat is misschien wel het zwakste argument. Goede bedoelingen zijn geen ethische vrijstelling. Ze zijn vaak juist het excuus waarmee grenzen worden overschreden.
Niet alles hoeft immersief, realistisch of tot leven worden gewekt. Sommige dingen verdienen stilte of eerbied.
Laat de doden met rust! In Godsnaam! Zij hebben immers niets te winnen bij jouw innovatie. Alle winst, zij het cultureel, symbolisch, of financieel, ligt bij de levenden. Dus misschien is de juiste vraag niet: kan het? Maar: waarom durven we niet te stoppen?
Want elke AI-video of -foto waarin het verleden op een ‘realistische wijze’ wordt opgediend, zegt vooral dit over ons: dat we het verleden, en de dood, niet kunnen verdragen zonder eerst te manipuleren.
En dat is, hoe je het wendt of keert, een opgestoken middelvinger.
Lees ook:
UNESCO, ‘New UNESCO report warns that Generative AI threatens Holocaust memory’, 18 juni 2024. (link)
Ik schreef al eerder iets over AI-gegenereerde afbeeldingen. Over het andere probleem van generatief upscaling en inkleuren, namelijk het verstoren van de informatiedrager, moeten we het een andere keer maar eens hebben.
En dan zijn er nog tal van goede ontwikkelingen, ook in de cultuursector, waarin handig gebruik van kunstmatige intelligentie wordt gemaakt. Bijvoorbeeld bij archivering, ontcijferen van handschriften, etc. Ook voor later?
Eva Vriend is essayist van de Maand van de Geschiedenis. Ieder jaar krijgt een andere historicus de eer om het essay te schrijven, naar aanleiding van een jaarlijks wisselend thema.
Eva schreef over de polder in ‘Het nieuwe land’, over de Zuiderzeewerken in ‘Eens ging de zee hier tekeer’ en over Schokland en de Schokker nazaten in ‘Het eiland van Anna’.
Eva Vriend over ‘De waterzoon’.
27 september jl. vond op Schokland de landelijke aftrap van de Maand van de Geschiedenis plaats. De Maand stelde Schokland als locatie voor. En plots stond de Museumkerk vol radio-apparatuur. Het werd een bijzondere ochtend, met twee Schokker nazaten, Eva Vriend en een mooie column van Nelleke Noordervliet. Gaaf hoe alles samenkomt en dat we Werelderfgoed Schokland weer landelijk onder de aandacht kunnen brengen.
Het essay van Eva heet ‘De waterzoon. Jac. P. Thijsse, zijn zoon en onze verhouding tot de natuur’. Iedereen kent Jac. P. van de Verkade-albums.
Minder bekend dan Jac. P. is diens zoon Jo, de ‘rekenmachine’ achter onder andere de Zuiderzeewerken.
Eva schetst de familiegeschiedenis van de Thijsses. Ze zoekt naar de relatie tussen vader en zoon en brengt ook moeder en schoondochter in beeld. Het essay is ook persoonlijk: het begint op de boerderij waar Eva opgroeide. Haar vader had een melkveehouderij.
‘Zelf liet ik het gemaakte land in 1992 achter me. Ik verruilde de boerderij van mijn familie voor de universiteit. De IJsselmeerpolders verdwenen hiermee niet uit mijn leven. De geschiedenis van het Zuiderzeeproject keert telkens terug in mijn werk en ik denk dat ik intussen begrijp waarom. De vragen die ik mezelf erover stel, hebben een universele reikwijdte; ze gaan over veel meer dan die rechte, strakke grond van mijn jeugd.
Een van de kwesties die me niet loslaat, gaat over de ingenieurs die aan de basis stonden van de IJsselmeerpolders. Wat dreef deze mannen die ervan uitgingen dat ze de wereld naar hun hand konden zetten? Kenden deze maakbaarheidsstrevers ook hun bedenkingen? En in het verlengde daarvan: hoe keken ze terug op hun idealen?’
Zo begint het essay. In 1905 gaf Jac. P. aanzet tot de oprichting van Natuurmonumenten. Een jaar later verscheen het eerste Verkade-album, ‘Lente’. Zijn zoon Jo maakte een paar decennia later carrière als ingenieur. Het contrast kan niet sterker zijn, zo lijkt het althans.
Er zit inderdaad een spanning tussen het natuurbeheer van Jac P. en het naar de hand zetten van het landschap door zijn zoon Jo. Je voelt die spanning op veel plekken in het land. Aan de ene kant willen we de natuur beschermen, aan de andere kant moeten dijken zorgen voor onze veiligheid en polders de groeiende bevolking woonruimte bieden.
Een spanning die we ook op Schokland voelen. Waar we ook met verschillende lagen, en verschillende organisaties, te maken hebben: natuur, archeologie, bezoekers, bewoners, cultuurhistorie.
Tijdens de lezing door Ronald Nijboer en Yftinus van Popta, eerder deze maand, werd dieper ingegaan op de herinnering aan het landschap van vroeger. En wat die herinnering voor ons vandaag de dag betekent. Veel ging verloren door de inpoldering, maar ook ontstonden nieuwe plekken als Werelderfgoed Schokland, de Marker Wadden, het Waterloopbos. Op die laatste plek liggen wetenschap, natuur en erfgoed zo haast vanzelfsprekend dicht bij elkaar. Het is ook een plek die terugkomt in De waterzoon.
Jo solliciteerde bij de grote Lorentz, destijds een rockster. Hij was Nobelprijswinnaar. Van 1918 tot 1926 was hij voorzitter van de Zuiderzeecommissie. Jo werkte voor Lorentz en voelde zich al snel thuis in dit werkveld.
Zowel Lorentz als Thijsse verdwenen in zekere zin uit ons collectief geheugen. Ze staan een beetje in de schaduw van Cornelis Lely. Toch waren de wetenschappers niet minder belangrijk. In 1928 werd Lorentz begraven. Honderden mensen stonden langs de stoet. In Haarlem, waar hij werd begraven, werden gordijnen gesloten en straatlantaarns gedimd. Albert Einstein en Marie Curie waren bij de begrafenis aanwezig.
Ook Jo Thijsse steeg snel in populariteit. Na de watersnoodramp in 1953 keerde hij, na een kort verblijf in Amerika, halsoverkop terug naar Nederland.
‘‘Een ramp heeft het land getroffen,’ schreef de Volkskrant. En er was maar één man die redding kon brengen. ‘Men heeft hem nodig. Een man die als geen ander de waterloopkundige problemen van zijn land beheerst.’
De rijzige man die daar de vliegtuigtrap afdaalde, was professor ingenieur Johannes Theodoor Thijsse. Hij moest het land verlossen.’
De ingenieur als verlosser. De natuur kon naar de hand van de mens gezet worden, zo was lang de gedachte. Maar door invloed van vader Thijsse werd steeds meer gestreefd naar een ‘holistische’ aanpak bij aanpassingen in het landschap: ook de natuur en de mens moesten een plek krijgen in de visies.
Hoe groot de tegenstellingen tussen vader en zoon ook waren, ze wilden elkaar steeds begrijpen. Vriend: ‘De offervaardigheid werkt twee kanten op, meenden vader en zoon eensgezind. Ja, menigmaal betaalt de natuur een prijs voor de vooruitgang. Maar de mens mag niet doorschieten en moet, indien nodig, bereid zijn met minder genoegen te nemen, opdat het ecologische evenwicht niet onomkeerbaar verstoord raakt. Knappe ingenieurs mogen denken dat ze alles kunnen, maar de maakbaarheid kent grenzen. Het is een kwestie van geven en nemen, stelden de Thijsses. In goed overleg.’
Lezing Eva Vriend in de Museumkerk op 25 oktober. Eigen foto.
Welke offers zijn we bereid te brengen? Dat was de afsluitende vraag tijdens de lezing die Eva Vriend afgelopen zaterdag gaf in de Museumkerk. De historische context van Schokland: de afsluiting van de Zuiderzee, de inpoldering, de Werelderfgoedstatus, gaf de lezing een mooie dimensie. ‘Alles is belangrijk’, zo besluit het essay.
De waterzoon geeft energie om de rol van de mens ten opzichte van de natuur kritisch te beschouwen, vanuit verschillende invalshoeken. Hoe zien de polder en Werelderfgoed Schokland er over een jaar of vijftig uit? Laten we er hardop over na blijven denken.
Het boek De waterzoon. Jac. P. Thijsse, zijn zoon en onze verhouding tot de natuur is verschenen bij Atlas Contact.
Maar hoe ging dat op Schokland? Daarover is niet veel bekend. Ook de conservator kon mij niet verder helpen.
Jozef Israëls, Maaiers, 1834-1911. Rijksmuseum Amsterdam.
Wel is het zo dat na de ontruiming maaiers van ‘buiten’ kwamen en overnachtten in de Enserkerk, sinds de ontruiming van Schokland niet meer in gebruik als Godshuis, of in een schuurtje. Misschien in opdracht van de gemeente Kampen, waar Schokland na de ontruiming direct onder viel. Of van Rijkswaterstaat misschien?
We kunnen met enige zekerheid stellen dat er in de negentiende eeuw geen boeren meer woonden op Schokland. Ook is er bijna geen hooiland meer. Er graast nog wel wat vee.
Of de laatste Schokkers zelf maaiden? Of er ooit net zo’n ingewikkeld systeem voor hooirecht was als op Urk?
Ooit was Schokland een agrarische gemeenschap. Ik ben benieuwd hoeveel hooiland er op Schokland was toen het eiland nog een omvang van enige betekenis had.
Al met al nodigt het uit tot verder onderzoek. Ik hoop dat ik hier binnenkort nog eens op terug kan komen.
Maaien met de zeis. Foto: Landschapsbeheer Flevoland.
Ieder jaar kwamen maaiers ‘van de walle’ naar Urk om te maaien. Meestal zo rond de langste dag van het jaar. Daar werden ze onthaald door de Urker kinderen. Die maaiers kwamen generatieslang uit Nieuwleusen. Een bijzondere en weinig bekende geschiedenis.
Maaiers uit Nieuwleusen op Urk. Uit de beeldbank van Historische Vereniging Ni’jlussen van Vrogger.
Er kwam altijd een vast aantal, van zestien man (andere bronnen spreken van achttien). Volgens sommige bronnen waren er ook wel maaiers uit Oudleusen bij. Het ‘maairecht’ werd onder de maaiers van generatie op generatie overgedragen.
De Urker ‘landers’
Voor we verder naar het interview gaan, moet eerst het volgende worden gezegd. Urk was in een ver verleden een boerengemeenschap, die ook verdiende aan handel. Net als bijvoorbeeld Schokland. Urk was in een ver verleden veel groter en er was dus meer land.
Toen het eiland kleiner werd ten gunste van de groter wordende Zuiderzee, ontstonden ook meer regels om het weinige hooi- en grasland eerlijk te verdelen. Het land was gemeenschappelijk bezit, het kwam toe aan de gezamenlijke burgerij. Maar het ‘hooirecht’ was behouden aan de ‘landers’. Zij mochten het land eens per jaar laten maaien en de opbrengsten kwamen hun toe.
Vanaf mogelijk de zeventiende eeuw werd het hooirecht van het land verdeeld over 28 stammen. Het lijkt logisch om te denken dat dit gaat om 28 families die op Urk woonden. Maar zeker is dit niet vast te stellen. Wel werd het hooirecht van generatie op generatie overgedragen. Het kon ook verkocht worden. Of tijdelijk verleend.
Het weinige land was ingedeeld in tien delen. Die tien delen werden dan weer verdeeld over de 28 stammen, zodat het hooirecht min of meer eerlijk verdeeld was. Die stukjes grond rouleerden dan weer.
Voor de markering van de 280 perceeltjes gebruikte men paaltjes, waarvan enkelen bewaard zijn gebleven in het West-Fries Museum. Ik zou ze graag een keer willen bewonderen. De paaltjes hadden merktekens, iedere ‘stam’ had een eigen rune-achtig teken.
De paaltjes met runen. Uit: K. de Vries & T. de Vries, ‘Veranderd land’. Urk, 1985: Urker Uitgaven, p. 120.
Het voert nu te ver om hier uitgebreid op in te gaan, misschien is dat wel aardig voor een volgende post. Maar het is dus goed om te weten dat dit bijzondere systeem bestond tot de jaren 1930, toen het land, volgens sommigen onterecht, werd verkaveld en de boeren eigenaar werden van het land.
De landers waren dus geen eigenaar van de grond. Ze hadden alleen recht op het hooi. Een vergadering werd ‘landerskerk’ genoemd, omdat de vergaderingen plaatsvonden in de kerk. Of er bij onenigheid weleens de eerste regel van Psalm 25 vers 4 werd gemompeld, weet ik niet.
De maaiers
En dat land moest dus gemaaid worden, voordat geoogst (gehooid) kon worden. Freek Pereboom interviewde in 18 februari 1983 de dan 80-jarige Hendrik Brouwer en 74-jarige Jan-Willem Schuurman. De mannen begonnen in de jaren 1920 met maaien op Urk.
Dit interview is afkomstig van een cassettebandje uit het archief van Albert van Urk. Hij hield zich bezig met de geschiedenis van de boeren op Urk.
Als het tijd werd om te maaien, werd een brief geschreven naar een voorman in Nieuwleusen. Daardoor wisten de Nieuwleusenaren dat het tijd was om naar het eiland Urk te vertrekken.
Het maaien duurde altijd een week. De maaiers gingen ’s maandags vroeg, om zes uur, op de fiets, bepakt met zeis, van Nieuwleusen naar Kampen. Daar lieten ze de fiets staan om op de boot te stappen. Tegen de middag kwamen ze aan op Urk.
De kinderen van het eiland wachtten hen zingend op: ‘maaiers, maaiers, koppesnijers’.
Als ze eenmaal op Urk waren, werden de maaiers eerst getrakteerd op een maaltijd. Ze werden gekoppeld aan een boer, waar ze die week overnachtten, of ze gingen bij iemand ‘in de kost’. Na de maaltijd, waarbij soms een borrel werd genuttigd, gingen de maaiers direct naar het land. Daar kregen de maaiers gekoppeld aan een stukje grond.
Bij het maaien werden lijnen gespannen tussen de hierboven beschreven merkpaaltjes, zodat het voor de maaiers duidelijk was waar het ene perceel ophield en het andere begon.
De Urker landers stonden er met de hark bij. Soms harkten ze stiekem wat hooi weg wat eigenlijk op een ander stuk land lag. Maaien konden de Urkers zelf niet, dat ‘hadden ze niet geleerd’.
Eerst werden de tien delen gemaaid, dat ging in ploegen. Vaak waren ze op vrijdag klaar. Daarna werd gezamenlijk nog het ‘gemeenteland’ gemaaid.
Als er veel compost, vuilnis, op het land lag, werden de zeisen bot.
De maaiers werkten hard. Iedere dag totdat het donker werd. Bij het laatste licht werden de zeisen nog gauw geslepen voor de volgende dag. Voordat de maaiers gingen slapen, gingen ze soms een praatje maken bij de schippers, aan boord in de haven. Eigenlijk was daar geen tijd voor, want bij het eerste licht op de volgende dag, rond vier uur, stonden de maaiers weer op om aan het werk te gaan.
Er werd geslapen op zolders of in ledikanten bij de burgers of boeren thuis. De maaiers sliepen in hun ondergoed, zodat de bovenkleren wat konden luchten.
De kwaliteit van het gras was beter op Urk dan in Nieuwleusen. Omdat het op Urk op de klei groeide en in Nieuwleusen op zandgrond.
De geïnterviewde maaiers kregen voor een week maaien 30 gulden. Een flink bedrag voor die tijd. Dat was een vast bedrag. Hoe eerder je klaar was, hoe sneller je het verdiend had. Het geld voor de reis, de overtocht met de boot, werd betaald door de Urker boeren.
Er was solidariteit onder elkaar. Als een van de maaiers ziek was, dan werkten de andere maaiers wat harder. De zieke kreeg evengoed het bedrag van 30 gulden.
Op Urk wordt wel gezegd dat het een feestelijke periode voor het dorp was. Kinderen maakten, rondom het hooien, flesjes skommeldrok: water met drop. De geïnterviewde maaiers herinnerden zich dit niet echt. Het was wel een gezellige tijd, aldus Brouwer en Schuurman. Gezellig, maar hard werken.
Als het regende, werkten de maaiers gewoon door. Het moest immers in een week klaar zijn. Een keer stormde het zo erg, dat het mogelijk was dat het land zou onderlopen. Toen maaiden ze een ochtend niet, zo herinnerde Schuurman zich. Dan ‘slingerenden ze een beetje rond’ in het hogergelegen dorp.
Soms bleef een enkele maaier langer om in de daaropvolgende week te helpen met het hooien. De hooiweek vond plaats na de maaiweek. Ook schippers hielpen weleens mee in die week.
Het maaien leidde niet tot vrijerij op Urk. Daarvoor was waarschijnlijk geen tijd. De maaiers kregen geen verkering met de Urkers.
Als de maaiers een weekend overbleven, gingen ze mee naar de kerk. Maar meestal waren ze ‘voor de zondag’ weer thuis.
Aan feestelijkheden, zoals beschreven in literatuur, hadden de geïnterviewde maaiers (helaas) geen herinneringen. Misschien was daar in de jaren 1920 geen sprake meer van.
Het ingewikkelde ‘landers’-systeem, met die merktekens op de paaltjes, begrepen de maaiers niet – ze hoefden er ook niet over na te denken. Wel herinnerden ze zich de ‘vreemde krusies’ op de paaltjes.
‘De Nieuwleusenaren hebben een goede naam achtergelaten op Urk’, besloot Peereboom het gesprek. ‘Het was altijd gezellig’, merkten beide mannen meerdere keren op. Maar het was hard werken, ze hadden er ‘een boel zweet achtergelaten’.
Hoe de herinnering verdween
Tot zover het interview. Waarom dit zo’n bijzonder mooi gesprek is: het is het enig bekende interview met maaiers. Na afsluiting van de Zuiderzee en de inpoldering verdween de eeuwenlange (?) relatie tussen de Urkers en de mannen uit Nieuwleusen.
Het interview is natuurlijk een momentopname geweest. Wellicht was de situatie in de 19e of de 18e eeuw anders. Maar het bevat toch veel informatie over het verdwenen ambacht.
In 1935 kwam er een einde aan het ingewikkelde systeem voor het hooirecht, de grond werd verkaveld. Waarschijnlijk alvast vooruitlopend op de komende inpoldering. Daarmee kwam ook een einde aan het maaien door het volk uit Nieuwleusen.
Het maaien en hooien had eeuwenlang een bijzondere plaats binnen het leven op Urk. Het was feestelijk. Er was gezang en kindervreugd.
Wanneer de band met Nieuwleusen ontstond is niet met zekerheid te stellen. Wel is bekend dat dit dus generatieslang bestond, en dat Nieuwleuser zonen dus bij Urker zonen maaiden.
Een traditie, ooit levend erfgoed, die door de verdwijnende Zuiderzee tenslotte ook verdween.
In het kader van de Maand van de Geschiedenis gaven schrijver en socioloog Ronald Nijboer en maritiem archeoloog Yftinus van Popta afgelopen weekend een lezing rondom het thema ‘De Zuiderzee en het veranderende landschap’ in de Enserkerk op Schokland.
Ronald Nijboer, eigen foto.
In zijn boek ‘Wereldzee in de polder‘ onderzocht Nijboer hoe het Zuiderzeegebied in 150 jaar veranderde. Hij maakte dezelfde reis als Henry Havard, die in 1873 het gebied ‘ontdekte’ en beschreef. Wat trof Havard aan tijdens zijn reis? En hoe gaan we om met het IJsselmeer, Markermeer en IJmeer en welke lessen kunnen we trekken uit het verleden? Nijboer haalde het begrip ‘Natuuramnesie‘ aan. De beleving en de kennis van de natuur, zoals die was in de tijd van onze (groot)ouders, verdwijnen uit ons collectieve bewustzijn, aldus Nijboer. Naast wetenschappelijke gegevens kunnen we ons ook een voorstelling maken van het landschap van onze voorouders aan de hand van bijvoorbeeld reisverslagen, zoals die van Havard of Fred Thomas.
Yftinus van Popta, eigen foto.
Van Popta deed onderzoek naar het gebied wat we nu kennen als de Noordoostpolder. In zijn proefschrift ‘When the Shore becomes the Sea‘, waarop hij in 2020 promoveerde, toonde hij aan hoe het gebied van 1100 tot 1400 veranderde: van veengebieden met meren tot open zee. Voor zijn onderzoek combineerde hij verschillende datasets. Zo kon in kaart worden gebracht waar middeleeuwse nederzettingen, zoals bijvoorbeeld Nagele, gesitueerd waren en hoe het ontstaan van de Zuiderzee het leven binnen de gemeenschappen en hun leefomgeving voorgoed veranderden. Hoe een multidisciplinair onderzoek in zijn werk gaat, illustreerde Van Popta aan de hand van zijn onderzoek naar de Dinkla-ramp.
‘Aftereut, Klaos!’, zou mijn (Urker) overgrootmoeder geroepen hebben naar mijn (Urker) overgrootvader, toen ze met hun schip een gevaarlijke manoeuvre maakten.
Dat zal een jaar of tachtig geleden zijn geweest. Welke Urker zegt tegenwoordig nog ‘after’ voor ‘achter’? Ik denk niet dat het er veel meer zijn.
In 1934 werd een dialectvragenlijst ingediend bij het Meertens Instituut over het dialect van Ens, een van de twee gemeenschappen van Schokland. Bij een van de vragen gaf een respondent het woord ‘affer’ voor ‘achter’.
Decennia later kreeg dat woordje de aandacht van dialectoloog Harrie Scholtmeijer. Hij schreef er in 2023 een interessant artikel over.
Schokland was in 1934 al 75 jaar ontruimd, maar de Schokker dialecten (er waren volgens de literatuur verschillen tussen het dialect van Emmeloord en dat van Ens) werden nog gesproken in bepaalde gemeenschappen. Waarschijnlijk sterk beïnvloed door de plekken waar de Schokkers terechtkwamen.
Zelf heeft Scholtmeijer het dialect – of wat er nog van over was – in 1981 nog gehoord, en daar ben ik best jaloers op. Inmiddels wordt het Schokkers niet meer gesproken.
Het woord ‘affer’ of ‘after’ sluit aan bij oudere Germaanse vormen zoals ‘after’ (Oudengels) en ‘efter’ (Oudfries). In de meeste Nederlandse dialecten is de –f(t)- echter veranderd in –cht–, waardoor ‘achter’ ontstond. Alleen in enkele gebieden bleef de oude -f(t)- lange tijd behouden, waaronder het gebied rondom de Zuiderzee.
De Enser vorm ‘affer’ laat dus zien hoe het Schokker dialect verbonden was met de bredere ‘Zuiderzeecultuur’. Oh, en ook op Emmeloord kwam deze vorm voor. En dus op Urk als ‘after’.
Tegen de jaren ’80 was het gebruik van -f(t)- echter in de meeste dialecten verdwenen. Volgens een collega van Scholtmeijer werd het destijds op Urk nog wel gebruikt.
Maar we kunnen nu wel stellen dat het inmiddels ook in het Urkers zo goed als verdwenen is. Terwijl dat toch voor een best vitaal dialect doorgaat.
Toch meen ik dat ik het in mijn jeugd (jaren ’90 – jaren ’00) nog wel op Urk heb gehoord, los van die ene familie-anekdote. ‘After de paolen!’
En ik hoop het nog eens te horen. Want het brengt me terug naar een andere tijd, van voor de inpoldering, van de Zuiderzee, van de wereld van onze voorouders.
(Al heeft inmiddels wel een andere ‘after’ een plekje gekregen in het Nederlands – en ook in het Urkers, namelijk het Engelse ‘after’, uitgesproken als ‘aafter’. Van ‘afterparty’: het na (achter) een feestje een nabetrachting doen bij iemand thuis.)
Het Ens-Schokker ‘affer’, in 1934 opgetekend, is ‘een prachtig specimen van het Zuiderzeedialect’, zo besluit Scholtmeijer. Daar sluit ik me bij aan.
Bron: Artikel ‘Schokker affer ‘achter”, door Harrie Scholtmeijer. Hier online te bekijken in de collectie van het Zuiderzeemuseum.
Beeldje ‘Ontruiming van Schokland 1859’, door Piet Brouwer, 1994. Buitenterrein Museum Schokland, eigen foto.