Een Urker voorouder op Schokland

Tijdens het samenstellen van een diapresentatie voor ons zoveel-jaarlijkse familieweekend met de voltallige familie Visscher, kwamen mijn ome B. en ik op onderstaande foto. De foto is gemaakt op Emmeloord, Schokland, na de ontruiming van 1859, maar voor de inpoldering.

Foto: SmitSchokland.nl, geplaatst met toestemming van de beheerder van deze website Jan Albert Smit.

Op deze foto zien we een rij mensen met een wat stuurse uitstraling. Uiterst links zien we Harm Smit. De man die later de geschiedenis in zou gaan als de ‘grand old man’ van de Zuiderzee. Helemaal rechts zien we Hendrik Smit. De tweede van links is Lammert Smit senior. Rechts naast hem zijn vrouw Jantje Smit-ten Napel. Rechts van haar poseert haar dochter met dezelfde naam: Jantje Smit.1

En de derde vrouw… Jentje Gerssen! Mijn betovergrootmoeder! Het is de vrouw naar wie mijn opoe Jent Visscher-Oost naar is vernoemd.

Wat deed zij op Schokland? Nou, Jantje Smit-ten Napel was een zus van haar moeder. Jantje was dus de tante van mijn betovergrootmoeder Jentje Gerssen. Werkte Jent op Schokland als hulp in de huishouding? Niet ongebruikelijk in die tijd. Ik zou het eens na moeten zoeken.

Ik vind het vooral fantastisch om wéér een beeld van familie op Schokland te vinden, nadat ik eerder mijn overgrootvader (van moederskant) Ras tegenkwam in een video. Bij diezelfde haven van Emmeloord. Die heeft ongetwijfeld de familie Smit daar ontmoet.

Over Jentje Gerssen kunnen we een en ander vertellen. Zij was de dochter van Lambertus Gerssen, op Urk ‘de Kleine Koster’ genoemd. Dit was in zijn geval een vrij verklarende bijnaam: hij was klein van stuk. De moeder van mijn opa, Mariap van Urk, schreef twee prachtige schetsen over deze vader van Jentje Gerssen.

Jentje Gerssen werd geboren op 24 december 1880 te Urk en overleed 10 mei in het ziekenhuis in Zwolle. Ze trouwde met Rinke Oost, zoon van Roelof Tiede Oost. Rinke werd geboren op 10 maart 1880 te Urk en overleed aldaar op 12 december 1967. Hij werd dus ruimschoots ouder dan zijn vrouw Jentje. Ze liggen beide begraven op de ‘oude begraafplaats’ van Urk, dichtbij hun (en mijn) geliefde Kerkje aan de zee.

Later meer over de familie Gerssen. Nu ga ik eerst vooral nog eens anders naar de haven van Oud-Emmeloord kijken, wanneer ik weer eens een vergadering heb in de lichtwachterswoning of simpelweg wanneer een rondje Schokland loop.

‘Measter’ Tromp de Vries dichtte al: ‘Want alles spreekt hier in het heden, nog boeiend over het verleden’.2 En zo is het.

De haven van Emmeloord, Schokland, in ongeveer dezelfde tijd als de vorige foto. Afbeelding: Zuiderzeecollectie / Zuiderzeemuseum Enkhuizen (licentie: CC BY-SA 4.0).

Met dank aan Jan Albert Smit, beheerder van de website SmitSchokland.nl, waar veel informatie over de bijzondere familie Smit te vinden is.

– Bas Visscher, oktober 2026

  1. Jan Albert Smit, “Jannetje Smit”, Smit Schokland, https://smitschokland.nl/2018/04/01/jannetje-smit-kombrink-1882-1963/, geraadpleegd 15 oktober 2026. ↩︎
  2. Albert van Urk, Schokland, op de golven van de tijd (Urk: Stichting Urker Uitgaven, 1998), 36. ↩︎

Een katholieke mis op Urk?

Wie aan Urk denkt, die denkt al gauw aan kerken. En wie iets van religie weet, begrijpt ook best dat dit geen rooms-katholieke kerken zijn. Het verhaal van Urk is een calvinistisch verhaal, een geschiedenis van de ware leer, van mentosrolletjes, van ouderlingen, kerkscheuringen en wat al niet meer. Maar toch is het voorgekomen dat vele jaren ná de Reformatie van het eiland de rooms-katholieke mis werd gevierd op Urk. En wel in de jaren 1940.

Hoe dat zit? Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de Noordoostpolder aangelegd. Uit het hele land bouwden arbeiders mee aan deze nieuwe polder. Een megaproject, dat tijdens de bezetting overigens gewoon doorging. Onder de polderwerkers bevonden zich ook een heel aantal katholieken.

En ze gingen niet iedere avond naar huis, nee, ze overnachtten in de polder en brachten er ook regelmatig hun vrije dagen door. Op paasmaandag 14 april 1941 kwam pater Sassen uit Zwolle naar Urk om er de mis op te dragen. Dit gebeurde in een keet van de Zuiderzeewerken, die aan de rand van het dorp stond. Er werd ook een katholiek jongetje gedoopt.1 Een katholieke dienst op Urk!

Later kregen de ‘roemse’ arbeiders een eigen pastoor, Th.W. van Dijk uit Kampen.2 3 De eerste Heilige Mis die hij opdroeg vond plaats in 31 augustus 1941 voor dertig mensen, wederom op Urk.4

Een katholieke mis op Urk door pastoor Koopmans van Emmeloord, in 1948. Foto: Spaarnestad Photo (publiek domein).

Hoe zat het ook alweer met de Reformatie op Urk? In 1628 werd dominee Petrus Salebien aangesteld, maar de opgezetenen van het eiland verzetten zich hevig tegen de ‘nije leere’. Het zou tot ongeveer 1725 zou duren voordat heel Urk werkelijk protestants was. Relatief laat, als we kijken naar andere plaatsen.5

Toch waren de katholieken sinds de Reformatie al eens eerder naar Urk teruggekeerd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog bevond zich op Urk een interneringskamp voor opgepakte officieren van de strijdende partijen, die hun erewoord niet wilden geven. In het kamp werd in 1915 de mis opgevoerd.6 Voor het eerst sinds een paar honderd jaar.

Arbeiderskamp Schokland op het voormalige eiland Schokland. Foto: collectie Museum Schokland.

En wie had gedacht dat het oude, katholieke geloof nog eens terug zou keren naar dat andere Zuiderzee-eiland, het verlaten Schokland? Vanaf 1942 was op het voormalige eiland een arbeiderskamp gevestigd. Op 18 oktober 1942, in het jaar dat de Noordoostpolder volledig droogvalt, werd daar voor het eerst sinds de ontruiming van Schokland in 1859 weer een mis gevierd.7 Dus ruim tachtig jaar nadat de katholieke Schokkers vertrokken waren naar andere plaatsen.

De eerder genoemde pastoor Van Dijk maakte plaats voor pastoor F. Koopmans. Hij werd de eerste pastoor van de nieuwe parochie in de Noordoostpolder, die op 29 september 1945 werd opgericht. Pastoor Koopmans is ook de man die we op de eerste foto van dit artikeltje zien, in 1948. De parochie werd genoemd naar aartsengel Michaël. En dat was niet toevallig, want Michaël was ook ooit de schutspatroon van de rooms-katholieke kerk op Emmeloord, Schokland.8

– Bas Visscher, oktober 2026

  1. Willem Bouwman, “Hier gebeurde het: En toen kwamen er katholieken naar Urk”, Nederlands Dagblad, 15 augustus 2021, https://www.nd.nl/nieuws/nederland/611590/hier-gebeurde-het-en-toen-kwamen-er-katholieken-naar-urk, geraadpleegd 12 oktober 2026. ↩︎
  2. Ibidem. ↩︎
  3. Berghapedia, “Dijk, Thomas Wilhelmus van”, https://www.berghapedia.nl/index.php?title=Dijk,_Thomas_Wilhelmus_van, geraadpleegd 12 oktober 2026. ↩︎
  4. Emmaus Parochie, “Historie”, https://www.emmausparochie.net/historie/, geraadpleegd 12 oktober 2026. ↩︎
  5. Urker Uitgaven, “De Nije Leere”, https://www.urkeruitgaven.nl/canon/de-nije-leere/, geraadpleegd 12 oktober 2026. ↩︎
  6. Willem Bouwman, “Hier gebeurde het: En toen kwamen er katholieken naar Urk”, Nederlands Dagblad, 15 augustus 2021, https://www.nd.nl/nieuws/nederland/611590/hier-gebeurde-het-en-toen-kwamen-er-katholieken-naar-urk, geraadpleegd 12 oktober 2026 ↩︎
  7. Emmaus Parochie, “Historie”, https://www.emmausparochie.net/historie/, geraadpleegd 12 oktober 2026. ↩︎
  8. Ibidem. ↩︎

De Schokker voormoeder van de ‘Brouwertjes’

Op Werelderfgoed Schokland ontkom je niet aan de rijke verhalen van de bewoners van het voormalige eiland, die in 1859 het eiland Schokland moesten verlaten. Ze kwamen terecht in plekken als Volendam, Vollenhove en Kampen. De nazaten van deze Schokkers voelen zich nog verbonden aan het eiland, zijn georganiseerd in de Schokkervereniging en zoeken elkaar op tijdens de jaarlijkse Schokkerdag.

Een kleiner deel van de Schokkers kwam terecht op Urk. Onlangs werd mij, door een telg van het geslacht Brouwer, gevraagd iets uit te zoeken over Geertje Ham, de vrouw die trouwde met Albert Brouwer, de grootvader van de grondlegger van Havenzicht op Urk, die ook Albert Brouwer heette en naar zijn grootvader vernoemd was. Vanuit het Havenzicht is uiteindelijk de Brouwer Groothandelsgroep ontstaan, een internationaal groothandelsconcern, dat nog steeds een familiebedrijf is.

In de archieven van de Schokkervereniging zag ik dat mijn oud-ome Jan Brouwer, de man van de Co (de zus van mijn oma), ook al eens geïnteresseerd was in zijn Schokker voormoeder:1

Afbeelding: screenshot Schokkervereniging.

De Brouwers werden een bekende en gerespecteerde familie op Urk. Albert Brouwer kwam oorspronkelijk uit Genemuiden en trouwde in 1856 op Urk met de Schokker Geertje Ham. Vanwege haar Schokker afkomst werd Geertje ook wel ‘Schokker Geertje’ genoemd.2

Albert Brouwer werd niet oud. Hij overleed in 1873 op 35-jarige leeftijd. Geertje huwde nogmaals, met Cornelis Kramer. Van hen is een foto bekend. Geertje paste zich snel aan op Urk. Op deze foto is ze in Urker dracht te zien. Dat aanpassingsvermogen hadden meer oud-Schokkers: ze ruilden al snel hun eigen dracht in voor de dracht van de plaats waar ze terechtkwamen.

Geertje Ham (1833-1911) met haar tweede man Cornelis Kramer (1842-1894). Afbeelding: Schokkervereniging.

Geertje Ham, Albert Brouwer en Cornelis Kramer liggen begraven op de ‘oude begraafplaats’ bij het ‘Kerkje aan de zee’ op Urk. Ze liggen samen begraven en delen dezelfde steen. ‘…onze geliefde zorgzame moeder’ staat op de steen gebeiteld. En Schokland wordt genoemd — een van de weinige stenen op de Urker begraafplaats met deze vermelding.

De grafsteen van Geertje Ham en haar beide mannen. Foto: Lucia de Vries. (Zij schreef een mooi artikel over de oude begraafplaats op Urk. Foto geplaatst met toestemming.)

Laten we de familiegeschiedenis van Geertje Ham induiken. Geertje werd in 1833 op Ens geboren. Het protestantse deel van het eiland Schokland. Ze was de dochter van Jan Theunis Ham, winkelier, schippersknecht, visser en kastelein van beroep, en van Annetje Pieters Tromp. Beide ouders vertrokken ook naar Urk. Mogelijk kwamen zij bij Geertje en Albert inwonen, iets wat in die tijd zeker niet ongebruikelijk was. Hoewel de ouders van Geertje op Urk overleden, vinden we hun namen vinden echter niet terug op de oude begraafplaats van Urk.

Hoe zag Schokland er rond 1833 uit? In de collectie van Museum Schokland zit een prachtige gouache van de Middelbuurt, die de situatie in het begin van de 19e eeuw redelijk getrouw weergeeft.

Gouache van de Middelbuurt vanuit het noorden gezien, Schokland, begin 19e eeuw. Afbeelding: collectie Museum Schokland.

De Middelbuurt (of Molenbuurt) was een van de woonterpen van het eiland. De protestanten woonden op de Middelbuurt (tot 1859) en de Zuidert (of Zuiderbuurt) (tot 1855). De katholieken woonden op Emmeloord (tot 1859). De terpen waren verbonden met loopplanken. Het lager gelegen land kon geregeld onderlopen. De Schokkers waren al sinds ruime tijd overgegaan op de visserij, omdat er nauwelijks nog geboerd kon worden.

Een opstapeling van rampspoed, gecombineerd met een aantal externe factoren, brachten de Schokkers in een neerwaartse spiraal. De overheid besloot dat het eiland ontruimd moest worden: in 1859 moesten alle opgezetenen het eiland verlaten.

De vader van Geertje was afkomstig van Schellinkhout, een plaatsje aan de Hollandse Zuiderzeekust. Ook zijn beide ouders waren van deze plaats afkomstig. Hoe de vader van Geertje op Schokland terechtkwam weten we niet zeker. Het zal vanwege de liefde zijn geweest, want hij trouwde in 1818 met Annetje Pieters Tromp. Een echte Schokker vrouw.

Deze Annetje Pieters(dochter) Tromp, de moeder van Geertje, werd in 1793 op Ens geboren. Haar ouders waren Pieter Derks (of Dir(c)ks) Tromp (1764-1843), geboren als Peter, en Jacobje Jans(en) Kok (1770-1825). Zij trouwden in 1791 op Schokland.

Van deze Pieter Dirks kunnen we wat meer informatie vinden.

Vermelding van Peter in het doopboek van de Hervormde kerk van Schokland. Afbeelding: Website Van papier naar digitaal, ‘dopen NG 1757-1773’.
Vermelding in het trouwboek van het huwelijk tussen Pieter Dirks en Jacobje Jans. Afbeelding: Website Van papier naar digitaal, ’trouwen NG 1771-1791′.

Pieter Dirks wordt betrapt op zijn onvoorzichtigheid met gloeiende as (van zijn haardvuur?). De huizen op Schokland waren van hout en daarnaast waren de paalwerken ook brandgevaarlijk. Er werd streng tegen roekeloosheid opgetreden:

November, 15,
is in boete geslagen:
Pieter Dirks, op de buurt Ens,
dewijl zijn huisgezin, of een derzelven, gloeiende asch voor deszelfs huis, digt aan de palen der werf heeft gelegt,
en wel volgens de tweede Afdeeling van voorgemelde Publicatie, in de boete van vijf Goudguldens.3

Volgens Bruno Klappe, van de Schokkervereniging, was dit een forse boete: ‘Vijf goudguldens was evenveel als zeven normale guldens, zo’n twee week­lonen in die tijd.’4

In het kadaster van 1832 vinden we twee gebouwen die gelinkt zouden kunnen worden aan Pieter Dirks Tromp: een ‘huis en schuur’ en een ‘schuur’. Ik durf niet met volledige zekerheid te zeggen of dit om dezelfde Pieter Dirks gaat, maar het is wel aannemelijk, omdat Pieter Dirks in 1843 overleed en ik verder geen naamgenoten kon vinden. Dit is dus mogelijk het huis waar ook Geertje opgroeide, want generaties Schokkers woonden vaak samen in hetzelfde huis.

Afbeelding: screenshot HisGis.

Het gaat om twee percelen op de noordelijke punt van de Middelbuurt, waar vandaag de dag de parkeerplaatsen van Museum Schokland zijn gesitueerd.

Nou is er een tekening bekend waarvan ik niet met zekerheid kan zeggen wanneer deze is gemaakt, maar het draagt als titel ‘Tekening van de Middelbuurt in 1845’.5 Deze afbeelding geeft een impressie van de Middelbuurt op Schokland omstreeks 1845, vanuit het noorden richting het zuiden. Als we deze tekening vergelijken met het kadaster uit 1832, ervan uitgaande dat dit een natuurgetrouwe tekening is, zouden we de conclusie kunnen trekken dat het huis op de voorgrond het huis is van Pieter Dirks, de grootvader van Geertje Ham. Wat een sensatie! Mogelijk heeft Geertje hier dus ook gewoond.

Tekening van de Middelbuurt in 1845. Afbeelding: Wikimedia Commons (publiek domein).

Gaan we nog een stapje terug op deze lijn, dan komen we in de eerste helft van de 18e eeuw uit. De vader van Pieter Dirks – de overgrootouders van Geertje – heette Dirk Peters(en) en werd in 1728 geboren. Hij kreeg de bijnaam ‘Dikke David’. Onduidelijk is waarom, al geeft de bijnaam ons een sterke hint. Meer Zuiderzeeplaatsen hadden of hebben de gewoonte om hun inwoners bijnamen te schenken, de aanleiding kon onduidelijk zijn.

De moeder van Pieter Dirks Tromp heette Lijsbeth Peters Tromp en werd in 1739 op Schokland geboren. Hier zien we iets opmerkelijks: de naam Tromp werd van moeder op zoon doorgegeven. Misschien had de familie van de moeder van Pieter Dirks meer aanzien dan die van Dikke David, was de moeder een sterke vrouw, of is er in het gezin iets voorgevallen. We kunnen het niet met zekerheid zeggen, maar merkwaardig is het wel.

De voorouders van onze ‘Schokker Geertje’ liggen dus voor een groot deel begraven in Schellinkwoude en op Schokland. Omdat Geertje veel Urker nakomelingen heeft, betreft dit ook een groot deel van de voorouders van de huidige Urkers.

Een van de begraafplaatsen op Schokland is die op de Zuidpunt, op de plaats waar nu de ruïne van de Ensenerkerk ligt. Het hele eiland begroef hier familieleden. Later vonden ook op Emmeloord begrafenissen plaats, maar de protestantse Schokkers bleven op de Zuidpunt begraven.

De kerkruïne op de Zuidpunt van Schokland, nu een grafmonument en Rijksmonument. Veel Schokkers liggen hier begraven. Foto: Freddy Schinkel.

We maken een grote stap vooruit in de tijd en komen uit in de jaren 1940. Onderzoeker Arie de Froe, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, deed in 1940 opgravingen op Schokland.6 De toen heersende gedachte was dat men aan de hand van uiterlijke kenmerken innerlijke kenmerken kon aantonen. Vanaf de 19e eeuw werden (naar huidige maatstaven discutabele) onderzoeken losgelaten op levende en dode bewoners van het Zuiderzeegebied, net zozeer als op de inwoners van de koloniën.

De eeuwige rust van de dode Schokkers werd verstoord ten gunste van de zoektocht naar de ‘oorspronkelijke Nederlander’. Uit het onderzoek van De Froe en zijn tijdgenoten kwamen geen noemenswaardige wetenschappelijke bevindingen. Wel bleven de stoffelijke resten van de Schokkers, die met hun geloof in het eeuwige leven ooit begraven werden, opgeslagen in een universiteitsdepot, als objecten.

De Schokkervereniging kwam dit verhaal op het spoor en diende een verzoek in om de menselijke resten terug te geven aan de Schokker gemeenschap. Dit verzoek werd ingewilligd. De resten werden in 2003 bijgezet in de ruïne van de Ensenerkerk op de Zuidpunt en wachten daar weer tot de dag van de wederkomst. Mogelijk dus ook de stoffelijke resten van de voorouders van onze Schokker Geertje, en dus van veel Urkers.7

Laten we nog even van de voorouders van Geertje teruggaan naar haar eigen huwelijk. De Genemuider Albert Brouwer en de Schokker Geertje Ham trouwden in 1856 op Urk. Volgens Bruno Klappe van de Schokkervereniging verhuisden ze kort nadien naar de juist ingepolderde Haarlemmermeer, waar Albert Brouwer meebouwde aan een kerk, samen met zijn vader Lucas. Het was niet ongebruikelijk dat men in die tijd meerdere beroepen tegelijk had (tegenwoordig zou je dit ‘freelancer’ noemen).8

(Schoon)vader Lucas Brouwer overleed 5 juli 1857 in de Haarlemmermeer. Het is mij onduidelijk waar Lucas Brouwer begraven werd. Rond 1858 verhuisden Albert en Geertje weer terug naar Urk, waar in 1861 Lukas (‘Luukesien’) geboren werd.9

In de jaren 1850 werden maar twee kerken gebouwd in de Haarlemmermeer. Een rooms-katholieke kerk en een hervormde kerk. Het lijkt me niet waarschijnlijk dat deze rechtgeaarde protestanten meewerkten aan de bouw van een katholieke kerk, dus aan de hand van de weinige gegevens waarover ik beschik, zou ik willen stellen dat het aannemelijk is dat dit de Hoofdvaartkerk in Hoofddorp is geweest, welke werd gebouwd in 1855-1858. (Verder onderzoek is nodig, ook omdat de persoon voor wie ik dit kleine onderzoekje pleegde Aartswoud aandroeg als mogelijke verblijfplaats in plaats van de Haarlemmermeer.)

De Hoofdvaartkerk in Hoofddorp, mogelijk de kerk waaraan Albert Brouwer en zijn vader Lucas aan hebben meegewerkt. Foto: Wikimedia Commons, Esther Westerveld (licentie: CC BY-SA 2.0).

Wie meer wil lezen over het voorgeslacht van de ‘Brouwertjes’, zou het jubileumboek ‘Van Wabu tot Brouwersgroep. 100 jaar geschiedenis van een familiebedrijf’ moeten lezen, dat in 2016 werd uitgegeven door Brouwer Groothandelsgroep, onder redactie van Jan Brouwer en Wilma van der Sloot-Brouwer.

– Bas Visscher, oktober 2026.

  1. Schokkervereniging, “Ham, Geertje (1833–1911)”, https://www.schokkervereniging.nl/mag-ik-wat-vragen/359-geertje-ham, geraadpleegd 11 oktober 2026. ↩︎
  2. Bruno Klappe, “Ham, Geertje (1833–1911)”, Schokkervereniging, https://schokkervereniging.nl/schokker-nazaten/1435-ham-geertje-1833-1911, geraadpleegd 11 oktober 2026. ↩︎
  3. Bruno Klappe, “Betrapt”, Schokkervereniging, https://www.schokkervereniging.nl/schokker-erf-cat/864-betrapt, geraadpleegd 11 oktober 2026. ↩︎
  4. Ibidem. ↩︎
  5. P. Dubourcq, “Tekening van de Middelbuurt in 1845” (1845), Wikimedia Commons, https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Tekening_van_de_Middelbuurt_in_1845.jpg, geraadpleegd 11 oktober 2026. ↩︎
  6. Schokkervereniging, “Herbegrafenis (2003)”, https://schokkervereniging.nl/2013-12-10-13-20-16/herbegrafenis-2003, geraadpleegd 11 oktober 2026. ↩︎
  7. Ibidem. ↩︎
  8. Bruno Klappe, “Ham, Geertje (1833–1911)”, Schokkervereniging, https://schokkervereniging.nl/schokker-nazaten/1435-ham-geertje-1833-1911, geraadpleegd 11 oktober 2026. ↩︎
  9. Ibidem. ↩︎

1924, een bloedreis naar Schokland

In de collectie van Spaarnestad Photo vond ik een prachtige scan van een foto uit 1924 van de Urker ijsvlet, die ik de lezer niet wilde onthouden. Het bijschrift bij de foto: ‘Na uren op het ijs rondgezworven te hebben, komt de verdwaalde postploeg eindelijk aan bij Schokland, een eiland in de Zuiderzee. (IJsselmeer), 1924.’1 Deze foto was mij al wel bekend (uit het archief van grootvader Albert van Urk), maar dan als minder duidelijke kopie van onderstaande.

De Urker ijsvlet in 1924 bij Schokland. Foto: Spaarnestad Photo (publiek domein).

Als de Zuiderzee dichtgevroren was, raakten eilanden als Urk en Schokland geïsoleerd. Een ijsvlet bood uitkomst. De ijsvlet of ijsloper was een bootje met ijzers aan de onderkant, die door een groep sterke mannen over het ijs werd getrokken. De reizen waren niet zonder gevaar en werden op Urk ook wel ‘bloedreizen’ genoemd. Deze bloedreizen moesten worden gemaakt om post naar en van de vaste wal te brengen, zieken te vervoeren of eten te halen.

De Urker mannen overnachtten dan op Schokland, omdat een reis naar Kampen lang duurde. Ook vanuit Kampen kwam een ijsvlet voor de post. Soms ontmoetten ze elkaar op Schokland, waar ze poststukken overdroegen.

Ik schreef eerder een artikel over de Urker ijsvlet op deze blog.

Het verhaal achter de foto

Prachtig dat het verhaal achter de foto bewaard is gebleven! Deze foto hoort bij een verslag dat in 1924 in het tijdschrift Het leven verscheen. Deze titel vind ik in Delpher niet terug, maar gelukkig verscheen het in 2003 in het Urker Volksleven.2 De fotograaf, tevens verslaggever, ging mee op de tocht met de ijsvlet vanaf Kampen naar Schokland, waar de mensen van Kampen de Urker ijsvlet zouden ontmoeten, die eenzelfde reis van Urk naar Schokland maakte. De foto’s zijn ook bewaard gebleven.

‘…van al m’n tochten, in al m’n jarenlange ondervinding als fotograaf-verslaggever, heb ik geen reis gemaakt zoo vol ontberingen, zoo troosteloos-beklemmend, zoo levensgevaarlijk, zoo avontuurlijk, als deze laatste tocht van Kampen uit over ’t ijs.’3

De reden voor de bloedreis van de verslaggever: die winter was de Urker postboot ‘Dir. Gen. Jhr. Von Geusau’ bij het Ketelvuur, voor Kampen, in het kruiende ijs vastgelopen. De post kon alleen nog gehaald en gebracht worden door middel van de ijsvletten.

Per fiets en slee wordt de post over het bevroren Ganzendiep bij Kampen naar de postvlet voor Urk gebracht. Foto: Spaarnestad (publiek domein).
Postzakken worden in de Kamper ijsvlet geladen. Foto: Spaarnestad (publiek domein).
Onder de schoenen worden ijzers gebonden. Foto: Spaarnestad (publiek domein).

Vanuit Kampen nam een wagen zestien postzakken mee, met als bestemming Urk. Eerst moest het Ganzendiep worden overgestoken naar Kampereiland. Dit gaf al problemen, omdat het veer er door het ijs uit lag. Vanaf Ramspol ging de reis verder met de Kamper ijsvlet, over de Zuiderzee naar Schokland: ‘de eentonige ijsvlakte lag totaal verlaten voor ons, tot den horizon toe, als één eindeloos veld van dreinerig grijs, tot waar ’t één werd met den grijzen, somberen, zwaarbewolkte hemel…’.4

Na een urenlange barre tocht over het ijs kwam het gezelschap uit Kampen aan bij Schokland, waar ze de Urker ploeg zouden ontmoeten. Schokland was nog bewoond: de vuurtorenwachters, kantonniers en havenmeesters woonden er met hun gezinnen. In totaal twaalf personen, die ook in totale isolatie gezeten waren.5

De postvlet wordt over de dichtgevroren Zuiderzee getrokken richting Schokland. Foto: Spaarnestad (publiek domein).
De postvlet wordt over de dichtgevroren Zuiderzee getrokken richting Schokland. Foto: Spaarnestad (publiek domein).

Nou was er wel telefonie. Zo kon ook het contact met Urk worden gelegd en afspraken over de ontmoeting van beide ijsvletten op Schokland worden gemaakt. De Urker vlet zou met tien man aankomen, met aan boord twee passagiers die naar de vaste wal toe moesten. Waarschijnlijk zieken.

De Urker ploeg was die ochtend ook vroeg vertrokken. De verslaggever en de Kamper ploeg wachtten en wachtten. ‘…’t werd middag, – ’t werd avond, – op heel die troostelooze ijsvlakte was, tot aan den horizon rondom, niemand te zien…’.6

De Kamper mannen maakten zich klaar om voor de nacht weer terug te zijn in Kampen, tot daar plotseling een groep mannen in de verte opdoemde. ‘[…] dat waren de Urkers die aankwamen. Ze waren verdwaald, en hadden een geweldig avontuurlijke reis gemaakt. […] Onophoudelijk was de boot door ’t ijs gezakt, ze hadden ergens open water gevonden, waren nu met den stroom afgedreven en zo kwamen ze uit het Noorden eindelijk naar Schokland…!’7 Het moment dat de verslaggever bovenstaande foto maakte.

De Urkers komen in zicht. Foto: Spaarnestad (publiek domein).

De poststukken werden overhandigd. De Urker ploeg, totaal uitgeput door de ontberingen, overnachtte op Schokland. In het artikel wordt niet duidelijk of de passagiers ook werden overgedragen, of toch mee terug moesten naar Urk.

De verslaggever en zijn reisgenoten kwamen doodop aan op Kampereiland: ‘Aan de eerste de beste boerderij die we ontwaarden – ’t was toch nog een half uur! – vielen we, dood-op neer en met echt-Hollandsche gastvrijheid werden we door den boer en z’n gezin ontvangen, verwarmd, gedroogd, van eten voorzien, en een uur later lagen we in het hooi te droomen over dezen vreselijken tocht, en de Urkers, die we op Schokland achterlieten en niet meer weg konden…’.8

Een prachtig verslag van een bloedreis, die zo’n honderd jaar geleden gemaakt werd, dus. Het verslag is een mooie aanvulling op de vele verhalen in het boek ‘Bloedreizen in barre winters’, dat in 1992 door de Stichting Urker Uitgaven werd uitgegeven en dat een goed beeld geeft van de vele ontberingen die deze heldhaftige ijsvletters beleefd hebben.9

Van de winter van 1924 vonden we nog een mooie, heldere foto in dezelfde collectie, van mogelijk dezelfde fotograaf.10 Op deze foto zien we de haven van Emmeloord, Schokland, met kruiend ijs.

De haven van Emmeloord in de winter van 1924. Foto: Spaarnestad Photo (publiek domein).

– Bas Visscher, oktober 2026

  1. Nationaal Archief, “Foto ijsvlet”, http://hdl.handle.net/10648/35429da7-5c26-a382-e063-6df0900a6686, geraadpleegd 11 oktober 2026. ↩︎
  2. Zuiderzeecollectie, “Met de Urker postvlet op ’t ijs der Zuiderzee: onze fotoverslaggever maakt den levensgevaarlijken tocht mee”, https://www.zuiderzeecollectie.nl/object/articles/Zuiderzee_museum-200013429, geraadpleegd 11 oktober 2026. ↩︎
  3. “Met de Urker postvlet op ’t ijs der Zuiderzee”, Urker Volksleven (december 2003), 24. ↩︎
  4. Ibidem, 25-26. ↩︎
  5. Ibidem, 26. ↩︎
  6. Ibidem, 26-27. ↩︎
  7. Ibidem, 27-28. ↩︎
  8. Ibidem, 30. ↩︎
  9. A. Weerstand, T. de Vries en A. van Urk, Bloedreizen in barre winters (Urk: Stichting Urker Uitgaven, 1992). ↩︎
  10. Nationaal Archief, “Foto Emmeloord”, http://hdl.handle.net/10648/35429da7-5c29-a382-e063-6df0900a6686, geraadpleegd 11 oktober 2026. ↩︎

Vuurtorens in de Noordoostpolder en op Urk

Onderstaande tekst is een bewerking van de lezing ‘Vuurtorens in de Noordoostpolder en op Urk’, uitgesproken bij de opening van de Maand van de Geschiedenis op 3 oktober 2026 in de Museumkerk op Schokland.

Boudewijn Büch sprak over ‘het vuurtorengevoel’.1 Hij voelde zich sterk aangetrokken tot eilanden, afgelegen plekken en alles wat met eenzaamheid te maken had (‘Als ik iets zoek, dan is het eenzaamheid’)2. Voor Büch was een vuurtoren daarom meer dan een technisch bouwwerk. Het was bijna een symbool voor zijn eigen fascinaties: alleen staan aan de rand van de wereld, maar toch met een licht contact houden met anderen. Juist die combinatie van afzondering, melancholie en verlangen maakt de vuurtoren zo bijzonder.

De vuurtorens van de Noordoostpolder en Urk

Luchtfoto Werelderfgoed Schokland, van Zuid naar Noord. Foto: Freddy Schinkel.

Wie naar de Zuidpunt van Schokland gaat, komt daar op een merkwaardige plek terecht. Er staat geen vuurtoren meer. Schepen varen er niet langer meer voorbij. En toch lag daar, op de zuidelijkste punt van het eiland, eeuwenlang een van de belangrijkste lichtpunten van deze omgeving.

Wanneer je nu vanaf de Zuidpunt om je heen kijkt, zie je akkers, de strakke percelen van de Noordoostpolder. In de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw keek je vanaf precies diezelfde plek uit over de Zuiderzee. In het donker kon je misschien het licht van dat andere eiland, Urk, waarnemen. Op het water zag je de lantaarns van schepen. Stuurboord- en bakboordlichten, hek- en ankerlichten. En achter je brandde het vuur dat ervoor moest zorgen dat die schepen langs Schokland en Urk konden navigeren.

In dit artikel iets over die lichten. Over de vuurtorens van Schokland, Urk, Oud-Kraggenburg, Blokzijl en later de Noordoostpolder. Maar eigenlijk wil ik het vooral hebben over de mensen die het licht brandende hielden. Want een vuurtoren was eeuwenlang helemaal niet automatisch. Iemand moest kolen aanslepen. Een vuur onderhouden. Schoonmaken. Mechanismen opwinden. Naar de einder staren. Een mistklok bedienen. Een peilschaal aflezen. Maar vooral: wakker blijven wanneer anderen sliepen.

Daarmee past het beroep van lichtwachter bijzonder goed bij het thema van deze Maand van de Geschiedenis (oktober 2026): Lichaam en Geest. Want de lichtwachter werkte met zijn hele lichaam. Maar misschien nog meer met zijn hoofd, want hij had de taak om te waken.

Het licht van Ens

De Zuidpunt op Ens, met de ruïne van de middeleeuwse kerk. Foto: Freddy Schinkel.

Laten we beginnen op Werelderfgoed Schokland, op de Zuidpunt, op het voormalige Ens. Het zuidelijke deel van Schokland heette Ens en het noordelijke deel Emmeloord. Al voordat er op de Zuidpunt een echte vuurtoren stond, was de plek een oriëntatiepunt voor de scheepvaart. De oude kerk op de Zuidpunt was vanaf het water zichtbaar. Daarnaast werd er door de eilanders een zogenaamd ‘vissersvuur’ gestookt. Maar dit open vuur was niet betrouwbaar.34

In 1618 besloten de Staten van Overijssel samen met Holland een vuurbaak te laten plaatsen. Daarmee behoorde Schokland tot de vroegste plaatsen rond de Zuiderzee met een georganiseerd kustlicht. Er kwam een stenen vuurboet met een open kolenvuur. Voor onderhoud aan de vuurbaak werd tot 1801 tol geven. Dit werd het ‘Ensser geld’ genoemd. Ook onderhoud aan het palenscherm, het salaris van de predikant, de schoolmeester en de vroedvrouw werden van dit geld betaald.5 6 7

De vuurstoker moest voldoende brandstof, voor tenminste drie maanden, hebben en moest in de donkere maanden nachtenlang voor het vuur zorgen. Alleen wanneer de Zuiderzee volledig door ijs was afgesloten en er geen scheepvaart mogelijk was, hoefde het vuur niet te worden gestookt. Als er niet werd gestookt, kreeg de vuurtorenwachter ook geen vergoeding…8

Maar er was nog iets. Naast de vuurbaak op de Zuidpunt stond vanaf 1821 een mistklok. Die sloeg 36 keer per minuut. Het uurwerk moest om de twee uur opnieuw worden opgewonden.9 Om de twee uur. Ook ’s nachts. Bedenk maar eens wat dat met het ritme van een mens deed. De lichtwachter leefde niet volgens kantooruren. Zijn werk werd bepaald door duisternis, mist en storm.

In februari 1825 werd Schokland getroffen door een enorme stormvloed.10 Een gebeurtenis die we vorig jaar hebben herdacht in de Enserkerk, de Museumkerk. Een aantal Schokkers kwam om het leven. Huizen werden weggespoeld. Een schokker schuit werd bij Zwolle, ver van Schokland, teruggevonden.11 Ook de bestaande vuurbaak werd vernield.12 Nog datzelfde jaar verrees op de Zuidpunt een nieuwe ronde stenen vuurtoren.13

Het fundament van de vuurtoren van 1825 op de Zuidpunt. Foto: Freddy Schinkel.

Van die toren is tegenwoordig alleen het ronde fundament zichtbaar. In een inventaris uit 1835 door burgemeester Gillot krijgen we een bijna huiselijk inkijkje in het leven daar. Er was een stenen woning voor de vuurstoker met drie vertrekken, een klokkentoren, een loopbrug naar de vuurtoren, roosters voor het vuur, een vuurschop, een koperen vuuremmer en een weegschaal voor de brandstof.14 Dat vind ik mooi, omdat het verhaal daardoor wat meer gaat leven. De vuurtoren was een werkplek.

In 1845 verdween het open kolenvuur en kwam er een lamp met prismatisch geslepen glas.15 Er kwam eindelijk een eind aan het naar boven slepen van steenkool. Het licht van Schokland werd een vast licht. Dat was belangrijk, want op Urk brandde een draailicht.16 Een schipper die ’s nachts twee lichten zag, kon dus aan het lichtkarakter herkennen welk eiland hij voor zich had.

De ontruiming van Schokland in 1859

In 1859 werd Schokland ontruimd. Dat is u wellicht bekend. Het onderhoud aan het eiland werd te duur en de opgezetenen waren in een neerwaartse spiraal van armoede terechtgekomen. De bewoners vertrokken en kwamen terecht in plaatsen als Kampen, Vollenhove, Volendam en Urk. Schokland werd verlaten, maar werd geen onbewoond eiland.

Het Nationaal Binnenvaart Monument. Foto: Stichting het Flevo-landschap.

Voor de scheepvaart, en dus voor Rijkswaterstaat, bleef het eiland belangrijk. Een Nationaal Binnenvaart Monument, bij de haven van Emmeloord, herinnert nog aan de succesvolle lobby van de binnenvaart, door Willem Jan Schuttevaer, voor het behoud van de vluchthaven van Emmeloord.17 Dit monument werd op 5 juni 2009 onthuld door Koningin Beatrix.18

Ook het belang van de vuurbaken voor de binnenvaart werd blijkbaar ingezien. Er bleven daarom ambtenaren, havenmeesters, kantonniers en lichtwachters nodig. Deze verschillende functies werden belegd bij een paar personen, die met hun gezinnen op het eiland kwamen wonen.

Luchtfoto van Schokland in 1933. Foto: Wikipedia / Aviodrome / KLM Aerophoto, publiek domein.

En daarmee ontstond een bijzondere situatie: een eiland waar bijna geen mensen meer woonden, maar waar een handjevol mensen achterbleef om voor de haven en het licht te zorgen. Op de Zuidpunt werd de lichtwachter Wiechert van Eerde, een derde generatie lichtwachter, na de ontruiming verantwoordelijk voor de lichtopstand en de mistbel.19 Daarna volgden Jelle Loosman, Hendrik Loosman, Theunis van Eerde en later opnieuw leden van de familie Van Eerde.20 De familie van Eerde zou uiteindelijk vijf generaties lang lichtwachter zijn op Schokland. En hoewel dit Urkers waren, kunt u aan de naam horen dat zij van Schokker afkomst waren.  

En nu komen we bij het moeilijkste deel van dit verhaal. Geschiedschrijving vermeldt dat twee broers van Eerde, Jacob en een jongere broer Theunis, in 1911 van Schokland vertrokken nadat zij, in ieder geval Jacob, geestesziek waren geworden.21 22 In sommige verhalen wordt de eenzaamheid van de Zuidpunt daarvoor als oorzaak genoemd.

Nou, we moeten hier een beetje voorzichtig zijn. Wij kunnen meer dan een eeuw later geen diagnose stellen. We weten niet preciés wat er met deze mannen aan de hand was en we kunnen niet bewijzen dat hun verblijf op Schokland de oorzaak was. Maar hun verhaal vertelt wel iets over de manier waarop tijdgenoten en latere generaties naar deze plek keken. Als een plek van afzondering.

Wind, water en duisternis. Een huis met daarachter de oude begraafplaats. Bij hoogwater konden menselijke resten uit de begraafplaats bloot komen te liggen.23 En pas kilometers verderop woonden de andere mensen op het eiland. De romantiek van de eenzame vuurtorenwachter krijgt hier een veel donkerder kant.

In zijn boek ‘De stervende Zuiderzee’ beschrijft schilder Jos Lussenburg het voorval als volgt. Ongetwijfeld geromantiseerd, maar ik wil het u niet onthouden.

Die nacht van 5 op 6 oktober, toen het aankolkende water over de kisting denderde en de graven rond de fundering van de oude kerk omwoelde, had hij [Jacob van Eerde] uren in angstige spanning naar de bulderende storm geluisterd. Grote stukken water ranselden de muren van zijn huisje en rukten er de pannen af. Brandde het licht nog wel op de toren? Als het vuur gedoofd was, zou men het hem aanrekenen als er schepen op de wal vergingen. De spanningen in deze besloten ruimte, waar je niets anders kon doen dan met de angst in je lijf afwachten, vrat aan zijn laatste restje weerstand. Telkens meende hij de roep van een mens in nood te horen. Het rukken van de deur in de sponning, het geroffel van neervallende pannen, de angst voor het gedoofde vuur en de gevolgen daarvan, deden hem in wanhoop besluiten de sprong naar buiten, naar de toren te wagen. Daarbuiten regeerden de almachtige krachten, maar hierbinnen was niet was niets dan angst, de spoken van zijn opgejaagde verbeelding. De oliejas met een end touw om het lijf gesjord, de zuidwester op de verwilderde kop gebonden, met een stormlantaarn in de bevende hand, deed hij de grendels van de deur. De deur sloeg met een verschrikkelijke slag tegen de kamerwand, de lamp vloog uit. De vuurwachter stortte zich in wanhoop naar buiten in de baaierd van geweld.

Het basalt van het pad naar de toren was door het water weggerukt. De zee had grote gaten in de terp geslagen en de oude graven omgewoeld. Oude planken, doodshoofden en beenderen dreven in een schuimende brij van modder en schuim over de terp. Buiten adem worstelde hij zich aan de ijzeren trapspijlen naar boven. totaal uitgeput viel hij neer op de overloop van de op zijn voetstuk trillende lichtopstand. Een flauw schijnsel viel vanuit het lichthuis over de witgekuifde golven. Als een wezenloze, totaal ontredderde ziel staarde de vuurwachter naar het paalwerk rond de terp. aar dook met de deining telkens het lichaam van een mens omhoog, verward in een om de palen van de zeewering vastgelopen lijn. Twee dagen en nachten hield de storm aan en bleef de vuurwachter op de omloop met een wezenloze blik over de aanstormende zee staren.

Toen de lijken van de schipper, vrouw en knecht van de op het zuid van Schokland vergane tjalk naar Kampen werden gebracht, bracht men ook de laatste vuurwachter op het zuid naar de vaste walk. Het laatste slachtoffer der vereenzaming op de verlaten zuidpunt van Schokland.24

Dat Jacob van Eerde de laatste lichtwachter op de Zuidpunt was, klopt trouwens niet, net zoals meer van dit verhaal niet zal kloppen. Hij werd nog opgevolgd door Klaas van Loo en Pieter Verschoor. Kantonniers Harm Prins en Jan Schuurman, woonachtig op de Middelbuurt van Schokland, waren vervolgens nog verantwoordelijk voor het licht op de Zuidpunt. Pieter Verschoor zou de werkelijk laatste lichtwachter van de Zuidpunt worden. Jacob van Eerdes naam leefde trouwens voort: de vuurtoren werd in de volksmond ‘Schokker Jaap’ genoemd.25 26

Nou, we hebben het hier over vuurtorens en eenzaamheid. Maar we moeten dit ook een beetje nuanceren. Een vuurtorenwachter was namelijk lang niet altijd alleen. Op Schokland woonden gezinnen in de lichtwachterswoningen. Dat gold eveneens voor Oud-Kraggenburg en Urk. Eenzaamheid betekent is niet noodzakelijk: er is niemand anders. Het kan ook betekenen: je bent met een klein aantal mensen op een plaats waarvan je moeilijk weg kunt.

Oud-Kraggenburg

Het Zwolsche Diep, rechts, ten noorden van Genemuiden. Links het eiland Schokland. Situatie eind 19e eeuw. Afbeelding: screenshot topotijdreis.nl.

Dat verschil wordt zichtbaar bij Oud-Kraggenburg. Halverwege de negentiende eeuw wilde Zwolle een betere vaarroute naar de Zuiderzee. Er werden kilometerslange leidammen door het Zwolse Diep aangelegd. Helemaal aan het uiteinde van de zuidelijke dam kwam een kunstmatig eiland met een vluchthaven en een woning voor een lichtwachter.27 In december 1848 trok Hendrik Willem Winkel daar met zijn vrouw en kinderen in.28 Sta nou eens een stil bij die locatie. Een huis omgeven door water, aan het einde van een dam van zo’n zes kilometer.

De lichtwachter moest hier niet alleen de lichten verzorgen. Hij inde havengeld en tol, hield toezicht op materialen, beheerde een klein winkeltje voor passerende schippers en moest opletten dat er niets werd gestolen of vernield.29

En dan kwam de winter. In de winter van 1854-1855 werd de situatie tijdens een storm zo ernstig dat Winkel maatregelen moest nemen om zijn gezin te beschermen. Kort daarna vroeg hij ontslag.30 31

Ook de daaropvolgende lichtwachtersfamilies moesten menigmaal de vlag hijzen, wanneer ze in nood gezeten waren. Gelukkig konden Vollenhoofse vissers ze keer op keer in veiligheid brengen.32

Pieter Verschoor en de stormvloed van 1916

Zuidpunt Schokland met vuurtoren. Bron: Zuiderzeecollectie / Collectie Zuiderzeemuseum Enkhuizen, CC BY-SA 4.0 (licentie).

Op Schokland krijgen we van zo’n storm nog een voorbeeld. In 1915 kwam Pieter Verschoor, met zijn vrouw en hun drie kinderen, op de Zuidpunt wonen. Verschoor was oud-marineman.33 Een paar maanden later, in de nacht van 13 op 14 januari 1916, kwam de stormvloed.34 Juist, de stormvloed van 1916, die Cornelis Lely het laatste duwtje gaf om zijn Zuiderzeewet door de kamer ter krijgen, het startsein van de aanleg van Flevoland.

Het water steeg alras en bereikte de hoger gelegen woning van de familie Verschoor. Het gezin bracht matrassen naar boven in de vuurtoren. In huis klommen zij op tafels en het aanrecht. Verschoor was, als oud-marineman, waarschijnlijk niet snel onder de indruk van wat golven. Maar midden in de nacht belde Verschoor naar Harm Smit, zijn collega in Emmeloord. Hij zou wanhopig geroepen hebben: “Moeten we allemaal omkomen?” Waarop Harm Smit hem moed insprak.35 36

De familie op de Zuidpunt kwam de nacht gelukkig door, want op een gegeven moment stopte het water met stijgen.

Hoogwatermerken op het museumterrein, zoals aan de buitenzijde van de Museumkerk, geven nu nog een beeld van de situatie in 1916 en de eerder genoemde stormramp van 1825.

Emmeloord: lichtwachter én havenmeester

Gezicht op Emmeloord. De lichtwachterswoning, de vuuropstand en helemaal rechts het misthoornhuisje zijn duidelijk te zien. Foto: Zuiderzeecollectie / Collectie Zuiderzeemuseum Enkhuizen, CC BY-SA 4.0 (licentie).

Aan de andere kant van Schokland ontwikkelde zich ondertussen een andere lichtpost. Op Emmeloord, het noorden, lag de haven. De woning die we nu nog kennen als Rijksmonument De Lichtwachter werd in 1901 gebouwd. De havenmeester was tegelijkertijd verantwoordelijk voor de lichten. Lammert Smit en zijn gezin waren de eerste bewoners van de nieuwe woning.37

Eerst werd ’s avonds een olielamp in een houten driepoot gehesen. In 1914 kwam er een ongeveer tien meter hoge stalen lichtopstand. Het licht brandde op carbid. De toren die je tegenwoordig bij de haven ziet is overigens geen origineel: het is een reconstructie uit 2007.38

Harm Smit, directeur van de visafslag op Schokland, telefoonbeambte, havenmeester en lichtwachter groeide uit tot een bekendheid en werd door Jos Lussenburg innemend de ‘grand old man’ van de Zuiderzee genoemd.39 Zijn grafsteen ligt in de tuin van de lichtwachterswoning op Schokland, de plaats waar hij zo verknocht aan was.

We vonden een prachtig detail over de laatste havenmeester van Emmeloord, Jan Spit, een ingetogen man. In ‘Zwervend langs het IJsselmeer’ lezen we dat Spit al ruim voor zonsondergang naar zijn schuur ging om de petroleumlantaarns voor de haven gereed te maken. Groen voor het ene havenhoofd, rood voor het andere. Hij poetste ze, stelde de vlam af en bracht ze naar buiten. En dan keek hij later op de avond nóg eens. Hij nam zijn beroep uiterst serieus, was nooit helemaal gerust. Want misschien was een lamp toch gaan loeven. Misschien zou uitgerekend die ene nacht een schip op dat licht vertrouwen.40

Mist

De lichtwachterswoning, de replica van de vuurtoren en het misthoorngebouw op Emmeloord, Schokland. Foto: Bertel Kolthof / Stichting Werelderfgoed Nederland.

En dan was er mist. Een vuurtoren werkt alleen wanneer je hem kunt zien. Dus kreeg de lichtwachter ook geluid tot zijn beschikking. Op de Noordpunt van Schokland kwam in 1921 een misthoorninstallatie. Het sein was heel precies: twee stoten per veertig seconden. De broers Hendrik en Harm Smit moesten de installatie onderhouden en iedere week proef laten draaien. De misthoorn verdween, maar het gebouw bleef bestaan. Nu is het een Rijksmonument, net als de Lichtwachterswoning.41

Ook op Urk bestonden achtereenvolgens een mistklok, misthoorn en nautofoon.42 Ik heb het geluid in mijn jeugd op Urk nog regelmatig gehoord. Het waarschuwde ook, wanneer schepen te dicht onder de kust kwamen.

Urk: een vuurtoren sinds de zeventiende eeuw

De vuurtoren van Urk voor de bouw van de Bethelkerk. Foto: Zuiderzeecollectie / Zuiderzeemuseum Enkhuizen, CC BY-SA 4.0 (licentie).

Urk heeft de langste ononderbroken lichttraditie van de streek. Al in 1617 werd er een vuurbaak gebouwd. De huidige witte vuurtoren dateert uit 1844-1845. Ze werkt nog en de lichtwachterswoning wordt thans bewoond door het echtpaar Bakker. In 1901 werd de toren ongeveer vijf meter verhoogd, vanwege de bouw van een nieuwe kerk op Urk: de Bethelkerk. De vuurtoren moest daar overheen kunnen schijnen.43

In 1876 kreeg de toren een nieuw draailicht. Dat werd aangedreven door een valgewicht.44 Later werd de techniek moderner. Maar het menselijke oog bleef belangrijk. De vuurtorenwachter moest de zee in de gaten blijven houden.

Over dat menselijke oog. Het kon ook zijn dat een vuurtorenwachter een oogje dichtkneep. Dit brengt ons op het oorlogsverhaal van het ‘klokkenschip’, een schip vol met monumentale klokken, uit het hele land geroofd, onderweg naar Duitsland, klaar om daar omgesmolten te worden voor de oorlogsindustrie. Het schip zou langs Urk varen en de vuurtorenwachter, Jacob Schraal, was op de hoogte. Hij trok de stekker van de noodverlichting eruit en het schip liep vast op de ondiepte de Vormt. De klokken wachtten op de bodem van de Zuiderzee tot het einde van de oorlog. Ze waren gered, mede door de kleine verzetsdaad van de vuurtorenwachter.45

Een saillant detail: Onder deze klokken bevond zich een klok die oorspronkelijk van Schokland kwam, die door de watergeuzen werd geroofd en daarna in een kerkje in Noord-Holland, namelijk Lambertschaag, hing. Die keerde dus bijna weer terug naar Schokland, in die oorlogsjaren.46 47

Een ander opmerkelijk feit van de Urker vuurtoren is de enige vuurtoren in Nederland die linksom draait. Alle andere vuurtorens draaien rechtsom.48 Of dit ook iets zegt over de aard van de Urker bevolking, laat ik aan de lezer over.

Het havenlicht van Blokzijl

Havenlicht van Blokzijl. Foto: Gemeentearchief Steenwijkerland.

Een licht dat tegenwoordig merkwaardig genoeg in de Noordoostpolder staat, hoorde oorspronkelijk helemaal niet bij de polder. Het was het havenlicht van Blokzijl.

Blokzijl was eeuwenlang een havenstad aan de Zuiderzee. Maar de haven had een probleem dat we op meer plaatsen rondom die zee tegenkomen: verzanding. Om schepen veilig naar binnen te kunnen leiden, werd de vaargeul steeds verder de Zuiderzee in uitgebouwd. Al in de zeventiende eeuw werden daar lange strekdammen aangelegd. Aan het uiteinde van de noordelijke dam kwam een lichtopstand.49

In 1907 werd de strekdam nog eens met ongeveer vijfhonderd meter verlengd. Helemaal aan het uiteinde kwam een nieuwe stalen lichtopstand. Op 1 januari 1908 werd het nieuwe witte havenlicht officieel ontstoken.50

De laatste vuurtorenwachter van Blokzijl was Cees Klinkert. En Klinkert maakte iets mee wat maar weinig vuurtorenwachters zullen hebben meegemaakt. Niet zijn vuurtoren verdween als eerste, maar de zee verdween. In 1942 viel de Noordoostpolder droog. Waar Klinkert enkele jaren eerder vanaf zijn lichtopstand over de Zuiderzee en later het IJsselmeer had uitgekeken, lag ineens land.

De oude lichtopstand werd vervolgens opgeblazen. De strekdam werd afgegraven. De basaltblokken kregen elders een nieuwe bestemming bij de aanleg van dijken en het puin van de dam werd gebruikt als ondergrond voor de Steenwijkerweg.51 De vuurtoren verdween dus bijna letterlijk in de nieuwe polder. Maar het verhaal kreeg nog een bijzonder vervolg.

In 2008 werd op de oorspronkelijke locatie een replica van het havenlicht gebouwd.52 De vuurtoren staat ongeveer 2,3 kilometer van het huidige Blokzijl, op dezelfde plek waar vroeger het einde van de strekdam lag.

En bij de opening in 2008 was één man aanwezig die de oude situatie nog werkelijk had gekend. Cees Klinkert. De laatste vuurtorenwachter van Blokzijl was inmiddels 94 jaar oud. Zesenzestig jaar nadat hij het oorspronkelijke licht had gedoofd, mocht hij het herbouwde havenlicht openen.53

Dat vind ik een van de mooiste verhalen uit deze hele geschiedenis. Een jonge man doet in 1942 het licht uit omdat de zee verdwijnt. Een oude man keert in 2008 terug naar precies dezelfde plek om het licht weer aan te steken.

De Rotterdamse Hoek

De Rotterdamse Hoek. Foto: Visit Flevoland.

We keren even terug naar de oorlogsjaren. Bij de Rotterdamse Hoek, waar de Westermeerdijk overgaat in de Noordermeerdijk, staat een vierkante bakstenen lichtopstand. De plek draagt haar naam vanwege het puin van het in mei 1940 gebombardeerde Rotterdam dat bij de aanleg en afwerking van de dijk werd gebruikt. Vandaar ook de naam: Rotterdamse Hoek. Bedacht door de polderwerkers, om nooit de herinnering aan een gitzwarte bladzijde uit onze geschiedenis te vergeten.54 55

Het licht daar was geen bemande vuurtoren zoals op Urk of het oude Schokland. Maar er zat toch weer een mens achter. De vuurtorenwachter van Urk was verantwoordelijk voor controle en onderhoud van het licht en de misthoorn op de Rotterdamse Hoek. De gasvoorraad moest aanvankelijk zelfs per schip worden aangevoerd; omdat het schip niet bij de dijk kon komen, werden gasflessen in een vlet overgeladen en over het basalt omhoog gedragen. Zelfs een geautomatiseerd licht vroeg dus nog om aandacht en mankracht.56 57

Het einde van een beroep

Vuurtoren van Kraggenburg. Foto: Wikipedia / Uberprutser / CC BY-SA 4.0 (licentie).

Op de Zuidpunt van Schokland werd het licht vanaf 1922 automatisch ontstoken.58 Ook op Kraggenburg werden de lichten geautomatiseerd. Lichtwachter Barend Kroese vertrok in 1920 met zijn gezin. Daarna kwam bakenmeester Kasper Kombrink nog wekelijks vanuit Genemuiden langs voor inspectie en de peilschaal.59

Op Urk bleef de menselijke lichtwachter veel langer bestaan.60 Uiteindelijk maakte ook daar de automatisering de traditionele functie overbodig. Het licht bleef schijnen, maar de mens verdween. En misschien is dat wel de meest fundamentele verandering in de geschiedenis van de vuurtoren. Eeuwenlang was veiligheid afhankelijk van iemand die wakker bleef. Iemand die twijfelde of de lamp wel goed brandde en daarom tóch nog één keer naar buiten liep.

Tot slot

Wanneer wij naar een vuurtoren kijken, krijgen we daar meestal een romantisch beeld bij. Iets eenzaams, maar mooi. Iets pastoraals, maar dan met een gebouw en de zee. Een toren aan de horizon, een herderlijk licht in de duisternis.

Achter dat beeld zat een beroep. En achter dat beroep zat een mens. Iemand die de kou voelde. Iemand die moe kon worden en bang kon zijn. Iemand die verantwoordelijkheid droeg voor mensen die hij vaak niet eens kende.

Daarom gaan de verhalen van de vuurtorens van Urk en de Noordoostpolder volgens mij uiteindelijk niet alleen over techniek of scheepvaart. Maar het gaat over waken. Over wat er van lichaam en geest wordt gevraagd wanneer anderen op jou vertrouwen.

Als je nu nog eens op de Zuidpunt van Schokland komt, probeer dan eens over het vlakke polderland te duren, je inbeeldend dat de Zuiderzee hier nog heer en meester is. Dat rondom de terp alleen maar water is. Dat ergens in de verte een schip voorbij vaart. En dat je wakker moet blijven, omdat het licht niet uit mag gaan.

In de gratis audiotour De Laatste Lichtwachter wandel je vanaf Museum Schokland naar de Zuidpunt van het voormalige eiland. Onderweg vertelt de lichtwachter zijn verhaal en komen het landschap, de geschiedenis van Schokland en het eenzame bestaan bij het licht tot leven. De audiotour werd gemaakt door Prins te Paard locatietheater, met Martin-Jan van Santen als Jacob en Radio de Zwarte Kat, audiomontage door Egbert Hermsen, beeld van Martijn van der Riet en productie door Liset Moerdijk. De productie werd mede mogelijk gemaakt door de Provincie Flevoland. In oktober 2026 is deze audiotour opnieuw onder de aandacht gebracht in het kader van de Maand van de Geschiedenis. Meer informatie op de website van Museum Schokland.

Voor dit artikel maakte ik dankbaar gebruik van o.a. Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder van Peter Kouwenhoven, uitgegeven door de vuurtoren van Urk. Ook van onschatbare waarde is het boek ‘Pastoors, predikanten en vuurstokers van het eiland Schokland’, geschreven door Bruno Klappe en in 1993 uitgegeven door Stichting Urker Uitgaven; de website Schokland door de eeuwen heen en de website van de Schokkervereniging.

– Bas Visscher, oktober 2026

  1. Boudewijn Büch, Eenzaam. (Amsterdam/Antwerpen: Atlas, 1992), 9. ↩︎
  2. Ibidem, 11. ↩︎
  3. Flevoland Erfgoed, “Vuurtoren”, https://www.flevolanderfgoed.nl/home/erfgoed/noordoostpolder-2/schokland-3/vuurtoren.html, geraadpleegd 1 oktober 2026. ↩︎
  4. Schokland door de eeuwen heen, “Zuidpunt met vuurtoren”, https://www.schoklanddoordeeeuwenheen.nl/zuidpunt-met-vuurtoren.htm?, geraadpleegd 30 september 2026. ↩︎
  5. Peter Kouwenhoven, Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder. (Urk: Vuurtoren Urk, 2021), 21. ↩︎
  6. Flevoland Erfgoed, “Vuurtoren”, https://www.flevolanderfgoed.nl/home/erfgoed/noordoostpolder-2/schokland-3/vuurtoren.html, geraadpleegd 1 oktober 2026 ↩︎
  7. Schokland door de eeuwen heen, “Zuidpunt met vuurtoren”, https://www.schoklanddoordeeeuwenheen.nl/zuidpunt-met-vuurtoren.htm?utm_source=chatgpt.com, geraadpleegd 30 september 2026. ↩︎
  8. Bruno Klappe, “De vuurtorens op de Zuidpunt (1618-)”, Schokkervereniging, https://www.schokkervereniging.nl/index.php/schokker-erf/artikelen-uit-het-schokker-erf/186-de-vuurtorens-op-de-zuidpunt-1618 geraadpleegd 30 september 2026. ↩︎
  9. Peter Kouwenhoven, Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder. (Urk: Vuurtoren Urk, 2021), 22. ↩︎
  10. Ibidem. ↩︎
  11. Schokland door de eeuwen heen, “Stormvloed over Schokland”, http://www.schoklanddoordeeeuwenheen.nl/stormramp-1825.htm, geraadpleegd 6 oktober 2026. ↩︎
  12. Schokland door de eeuwen heen, Zuidpunt met vuurtoren, https://www.schoklanddoordeeeuwenheen.nl/zuidpunt-met-vuurtoren.htm?utm_source=chatgpt.com, geraadpleegd 30 september 2026 ↩︎
  13. Bruno Klappe, “De vuurtorens op de Zuidpunt (1618-)”, Schokkervereniging, https://www.schokkervereniging.nl/index.php/schokker-erf/artikelen-uit-het-schokker-erf/186-de-vuurtorens-op-de-zuidpunt-1618, geraadpleegd 30 september 2026. ↩︎
  14. Ibidem. ↩︎
  15. Peter Kouwenhoven, Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder. (Urk: Vuurtoren Urk, 2021), 23. ↩︎
  16. Ibidem. ↩︎
  17. Flevoland Erfgoed, “Nationaal Binnenvaart Monument”, https://www.flevolanderfgoed.nl/home/herinneringsmonumenten/noordoostpolder-4/schokland-2/binnenvaart-monument.html, geraadpleegd 2 oktober 2026. ↩︎
  18. Koninklijk Huis, “Koningin onthult 5 juni 2009 Nationaal Binnenvaart Monument”, https://www.koninklijkhuis.nl/actueel/nieuws/2009/04/28/koningin-onthult-5-juni-2009-nationaal-binnenvaart-monument-op-schokland, geraadpleegd 6 oktober 2026. ↩︎
  19. Bruno Klappe, Pastoors, predikanten en vuurstokers van het eiland Schokland. (Urk, Stichting Urker Uitgaven, 1993), 141-142. ↩︎
  20. Ibidem, 142-143. ↩︎
  21. Ibidem, 143-145. ↩︎
  22. Schokland door de eeuwen heen, “Zuidpunt met vuurtoren”, https://www.schoklanddoordeeeuwenheen.nl/zuidpunt-met-vuurtoren.htm?utm_source=chatgpt.com, geraadpleegd 30 september 2026. ↩︎
  23. Ibidem. ↩︎
  24. Jos Lussenburg, De stervende Zuiderzee. (Apeldoorn: Semper Agendo, onbekend), 45-46. ↩︎
  25. Schokker vereniging, De vuurtorens op de Zuidpunt, https://www.schokkervereniging.nl/index.php/schokker-erf/artikelen-uit-het-schokker-erf/186-de-vuurtorens-op-de-zuidpunt-1618 geraadpleegd 30 september 2026. ↩︎
  26. Bruno Klappe, Pastoors, predikanten en vuurstokers van het eiland Schokland. (Urk, Stichting Urker Uitgaven, 1993), 145-146. ↩︎
  27. Peter Kouwenhoven, Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder. (Urk: Vuurtoren Urk, 2021), 28-29. ↩︎
  28. Flevoland Erfgoed, “Lichtwachterswoning Oud Kraggenburg”, https://www.flevolanderfgoed.nl/home/erfgoed/noordoostpolder-2/kraggenburg-2/lichtwachterswoning.html, geraadpleegd 1 oktober 2026. ↩︎
  29. Ibidem. ↩︎
  30. Schokland door de eeuwen heen, “Stormvloeden, terpen, dijken en landverlies in de kom van de Zuiderzee, ‘die vloeden van jare tot jare hogher‘ – deel 3: 1825 – 2017”, http://www.schoklanddoordeeeuwenheen.nl/stormen-3.htm. geraadpleegd 1 oktober 2026. ↩︎
  31. Zuiderkrib, “Historie”, https://zuiderkrib.nl/historie/, geraadpleegd 3 oktober 2026. ↩︎
  32. Peter Kouwenhoven, Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder. (Urk: Vuurtoren Urk, 2021), 30. ↩︎
  33. Bruno Klappe, Pastoors, predikanten en vuurstokers van het eiland Schokland. (Urk, Stichting Urker Uitgaven, 1993), 145 ↩︎
  34. Ibidem, 146 ↩︎
  35. Ibidem, 146 ↩︎
  36. Schokland door de eeuwen heen, “De Stormvloed van 1916 en haar gevolgen”, http://www.schoklanddoordeeeuwenheen.nl/stormvloed-1916.htm, geraadpleegd 1 oktober 2026. ↩︎
  37. Peter Kouwenhoven, Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder. (Urk: Vuurtoren Urk, 2021), 25 ↩︎
  38. Ibidem, 25-26 ↩︎
  39. Smit Schokland, “Harm Smit 1880-1950 ‘Grand old man’ van de Zuiderzee'”, https://smitschokland.nl/2018/11/01/harm-smit/, geraadpleegd 7 oktober 2026. ↩︎
  40. Wim Kuyper, Zwervend langs het IJsselmeer: heden en verleden van het hart van Nederland. (Bussum: De Boer Maritiem/Unieboek, 1978), 131-132. ↩︎
  41. Peter Kouwenhoven, Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder. (Urk: Vuurtoren Urk, 2021), 26-27 ↩︎
  42. Ibidem, 16-18 ↩︎
  43. Ibidem, 8-18 ↩︎
  44. Ibidem, 14 ↩︎
  45. Albert van Urk, “Het Klokkenschip”, Mijn Zuiderzee, https://www.mijnzuiderzee.nl/page/7386/het-klokkenschip, geraadpleegd 1 oktober 2026. ↩︎
  46. Schokland door de eeuwen heen, “De geuzen en de Schokker kerkklok van Lambertschaag”, http://www.schoklanddoordeeeuwenheen.nl/geuzen-lambertschaag-1581.htm, geraadpleegd 7 oktober 2026. ↩︎
  47. Privéarchief Albert van Urk, “Lijst geroofde klokken die zich bevonden op het klokkenschip ‘Hoop op zegen'”. ↩︎
  48. Peter Kouwenhoven, Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder. (Urk: Vuurtoren Urk, 2021), 15 ↩︎
  49. Ibidem, 36 ↩︎
  50. Ibidem. ↩︎
  51. Ibidem, 37 ↩︎
  52. Ibidem, 37-38. ↩︎
  53. Ibidem, 38 ↩︎
  54. Flevoland Erfgoed, “Rotterdamse Hoek”, https://www.flevolanderfgoed.nl/home/erfgoed/noordoostpolder-2/creil-3/rotterdamse-hoek-2.html, geraadpleegd 1 oktober 2026. ↩︎
  55. Peter Kouwenhoven, Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder. (Urk: Vuurtoren Urk, 2021), 42. ↩︎
  56. Flevoland Erfgoed, “Rotterdamse Hoek”, https://www.flevolanderfgoed.nl/home/erfgoed/noordoostpolder-2/creil-3/rotterdamse-hoek-2.html, Geraadpleegd 1 oktober 2026. ↩︎
  57. Peter Kouwenhoven, Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder. (Urk: Vuurtoren Urk, 2021), 42. ↩︎
  58. Bruno Klappe, “De vuurtorens op de zuidpunt (1618-)”, Schokkervereniging, https://www.schokkervereniging.nl/index.php/schokker-erf/artikelen-uit-het-schokker-erf/186-de-vuurtorens-op-de-zuidpunt-1618 geraadpleegd 30 september 2026. ↩︎
  59. Peter Kouwenhoven, Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder. (Urk: Vuurtoren Urk, 2021), 32. ↩︎
  60. Ibidem, 18. ↩︎

Opa op de radio

Sinds de openstelling van het archief van Beeld & Geluid, heb ik al veel plezier gehad met het terugkijken van items over Urk en Schokland. Natuurlijk zocht ik ook naar mijn opa (beabe) Albert van Urk in het archief. Ik vond een prachtig item met De meiden van Halal, waarin hij een ginkiestocht geeft aan het gezelschap.

Maar ook een radio-item met Marjoke Roorda, een VPRO-radiomaker met heerlijke Delftse tongval. In het programma De plek ging het over veiligheid, waterhuishouding en natuur rond het
IJsselmeer.

Geen bijster interessante aflevering, maar wel met een mooie afsluiter: (Roorda:) ‘Ik heb een toetje! Ik heb een toetje! (…) Ik was op Urk zo ongelooflijk gecharmeerd van de cultuurhistoricus, dat ik een extra klein mini-reportagetje heb gemaakt met Albert van Urk.’

Ik werd gegrepen door de dynamiek tussen Roorda en mijn grootvader.

Uit: De plek, Het natte hart van Nederland, VPRO: 19 december 2000.

Ik dacht, ik zoek Marjoke Roorda online op en vraag haar of ze herinneringen heeft aan het gesprek, maar zij overleed in 2024.

Mijn Schokker voorouder Jannegien

In mijn kwartierstaat vind ik voorouders uit Urk (natuurlijk) en heel veel uit Vollenhove. In mindere mate – voor zover mij bekend, natuurlijk – werden ze geboren in Zwartsluis, Hasselt, Kuinre, het verdronken dorp Beulake, Enkhuizen. Een enkeling op de lijst was Fries, Duitser of Amsterdammer. Maar de meesten kwamen dus uit ‘de kom’ van de Zuiderzee. Watermensen.

Zelf werd ik geboren op Urk. Mijn opa Hendrik Visscher kwam uit een familie uit Zwartsluis en Hasselt. Mijn andere grootouders werden geboren op Urk. Ik voel mij een Urker, maar ook een Tollebeker, want daar woonde ik ook. En nu ook een Zwollenaar. Maar of ik me ook een Vollenhovenaar of Hasselter voel? Voel ik de roep van verre voorouders als ik over de Beulakerwiede vaar? Ik weet het niet.

Ik vind het gebied wel mooi. Maar het kost wat moeite je een voorstelling te maken van hoe het ‘oude land’ vroeger was, toen het nog aan de Zuiderzee lag. Nu grenst het aan – of ligt het ín – de Noordoostpolder.

Kaart van de Zuiderzee door Willem van Baarsel uit 1886. Rechts in het midden de eilanden Urk en Schokland. Zuiderzeecollectie / Zuiderzeemuseum Enkhuizen. Licentie: BY-SA.

Nu ben ik de meeste dagen van de week op het prachtige voormalige eiland Schokland, want ik werk daar.

Of ik ook Schokker voorouders heb? Ja… in ieder geval is daar Jannegien.

Jannegien Bruins

In mijn stamboom vind ik, ruim tien generaties terug, Jannegien Bruins. Zij werd geboren op Ens, het zuidelijke deel van Schokland, in 1680. Dit deel van Schokland ging zo tegen het einde van de zeventiende eeuw over naar de nieuwe leer. Het noordelijke deel, Emmeloord, ging niet over tot de reformatie en bleef het oude geloof aanhangen.

Deze scheiding kan verklaard worden doordat het bestuur van Ens in die tijd toebehoorde aan Overijssel. Emmeloord (en Urk), was rond die tijd een ambachtsheerlijkheid en vanaf 1660 werd het bestuurd door de stad Amsterdam. Op Urk en in Emmeloord ging de reformatie moeizamer dan op Ens, het zou nog tot ongeveer 1725 duren voordat het hele eiland Urk écht gerifformaard was1, op Emmeloord kreeg de reformatie geen vaste voet aan de grond, ondanks meerdere pogingen.

Jannegien Bruins werd dus geboren in een bijzonder tijdsgewricht: dat van de onrusten rondom de nije lare.

Schokland is nooit een geïsoleerd eiland geweest. Door handel en landbouw, en later door de visserij, was er veel contact met andere plaatsen rondom de Zuiderzee. Schokland lag op scheepvaartroutes richting het oosten, via de IJssel en de Overijsselse Vecht.

Niet gek dat ze een Urker aan de haak sloeg: Jacob Jansz. Romkes. Jacob Janszoon trouwde op 14 mei 1702 op Urk met Jannegien, beiden waren toen begin twintig. Ze werden ingeschreven in het trouwboek van de gereformeerde kerk van Ens, op bladzijde 121 (verso)2.

Een vroeg gereformeerd stel, dus.

Gespikkeld huwelijk?

In mijn kwartierstaat zie ik staan dat Jannegien een tweede maal huwde, op Schokland, met Albert Stevensen. Opmerkelijk, want zij zouden getrouwd zijn in Emmeloord, als rooms-katholieken dus. En inderdaad, in het trouwboek van de rooms-katholieke kerk zie ik Albert Stevensen en Jannetjen Bruins staan.

Daarom heb ik dus een tijd gedacht dat mijn voorouder Jannegien, als gereformeerde vrouw, een tweede keer trouwde, dit keer met een katholiek. Een gespikkeld huwelijk, werd zoiets op Schokland genoemd. Want twee geloven op één kussen… (Dat woord ‘gespikkeld’ is hoogstwaarschijnlijk afkomstig uit Genesis 30.)

Maar dan zie ik bij de vermelding in het trouwboek ‘Obiit 14 7bris 1726’3 onder de naam van Jannetjen staan (‘overleden op 14 september 1726’). Én dat klopt niet met het grafregister. Jannegien overleed in 1773 en ligt begraven ín het Kerkje aan de Zee, met kerkgrafnummer 38.4 Het zijn dus niet dezelfde vrouwen.

Jannegien was de nieuwe leer dus trouw gebleven en trad niet voor de tweede keer in het huwelijk. Het is niet gek dat personen verward worden, het is altijd een goed idee om de bronnen er op na te slaan. En wat fijn dat er zoveel gedigitaliseerd is.

Het Kerkje aan de Zee, Urk. eigen foto

Moeder van de schout

Een zoon van de Schokker vrouw zou de Urker geschiedenis ingaan als schout. Cornelis Jacobszoon Romkes werd in 1748 benoemd tot nieuwe schout, op voordracht van dominee Weerman.5 Dit nadat er veel te doen was over Romkes’ voorganger Anthony van Dompzelaer. Een niet-Urker, die op Urk niet geliefd was.

Een schout zorgde ten tijde van de Republiek voor het lokale bestuur, de handhaving van de openbare orde en de rechtspraak. Een belangrijke functie, dus.

Deze Van Dompzelaer was een driftig mens. Cornelis de Vries, een belangrijke geschiedschrijver van Urk, beschrijft dat hij zijn tong uitstak naar een diaken6 en dominee De Bruyn een stomp in de borst gaf7 (‘een manier van doen, die hij in dergelijke gevallen meer volgde’). Ik kan me geen groter kwaad voorstellen dan iemand die op Urk een dominee aanvalt.

‘De gegevens voor dit hoofdstuk (…) zouden te verwerken zijn tot een spannenden historischen roman met b.v. als titel: Dominee en Schout, en als ondertitel: Een afmattende strijd tegen politieke aanmatiging.‘, schrijft De Vries veelzeggend8. Van Dompzelaer werd in 1718 tot schout aangesteld, werd later ook nog ouderling9, en pas na ingrijpen van de stad Amsterdam in 1747 uit zijn ambt ontheven. ‘Hij werd dus, plat gezegd, van Urk weggejaagd’, aldus De Vries10. Wie verder over deze soapserie lezen wil, zal blz. 231 tot 260 van Geschiedenis van het eiland Urk erop moeten naslaan.

‘In zijn plaats werd aangesteld Cornelis Jacobs Romkes, een man van ongeveer 50 jaar oud uit een der beste familiën van Urk.’, aldus De Vries.11

Bedenk hier ook de landelijke onrust bij, die ook het eiland Urk niet onberoerd liet. In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden kwam het Tweede Stadhouderloze Tijdperk ten einde, in 1747 kwam stadhouder Willem IV aan de macht. Waarschijnlijk hadden bestuurlijke crises daaromtrent ook hun doorwerking op Urk12, waar ze wel toe waren aan wat rust. Die rust vonden ze, na decennia gehannes met de vorige schout, in Cornelis Romkes, zoon van Schokker Jannegien.

Cornelis was schout van Urk van 1748 tot zijn dood in 1779 en werd begraven bij zijn Schokker moeder in het kerkje aan de zee, grafnummer 38.13 Dat er in het boek van De Vries niet veel over schout Cornelis te vinden is, zegt veel over zijn functioneren. Ik stel mij een rechtgeaard oranjegetrouw mens voor. Zou hij nog vaak hebben gedacht aan het Schokland van zijn moeder?

De kleinzoon van Jannegien

Na de dood van Cornelis brak er nog een machtsstrijd los over zijn opvolging waarbij zijn zoon – de kleinzoon van Jannegien – betrokken was. In 1787 kwam de strijd tussen de patriotten en de orangisten landelijk tot een hoogtepunt en op Urk ondertekenden 83 tegenstanders (een meerderheid van de Urker mannen) van schout Barends een brief. Bij nummer 14 staat de naam van Jacob Cornelisz. Romkes.14 Jannegiens kleinzoon!

Dit alles heeft grootmoeder Jannegien gelukkig niet hoeven meemaken. Ze overleed in 1773. 92 of 93 jaren oud werd zij, een hele leeftijd, helemaal voor die tijd: de bijbel uit, zeggen we op Urk, ouder dan de leeftijd der zeer sterken (Psalm 90).

Vooraan in de kerk

Historica Lucia de Vries stuurde mij een foto van het grafregister, waaruit blijkt dat Jannegien (en Cornelis) vooraan in de kerk begraven ligt. Dat zegt iets over de status van mensen en zou kunnen wijzen op een rooms idee: zo dicht mogelijk bij het altaar. Dat hadden de Urkers waarschijnlijk nog niet helemaal losgelaten.

Tot de verre nakomelingen van Jannegien behoren – als ik het wel heb – onder anderen Klaos ‘de Measter’ Koffeman, dichteres Mariap van Urk-Koffeman en historicus Albert van Urk. En opa (beabe) Albert leverde inspanningen voor de geschiedenis van Schokland. Was hij zich bewust van zijn Schokker voormoeder? Ik kan het hem helaas niet meer navragen.

Cornelis de Vries had dus gelijk, toen hij schreef over ‘een der beste familiën van Urk’.

– Bas Visscher

Met dank aan Bruno Klappe, die transcripties maakte van de trouwboeken van zowel de rooms-katholieke als de gereformeerde kerk van Schokland. En met dank aan Lucia de Vries, voor de informatie in het artikel over de reformatie op Urk. De Vries publiceerde onlangs ook een mooi en persoonlijk artikel over haar voorouders en de graven in en rondom het Kerkje aan de Zee, waarin ze ook een afbeelding van het grafregister heeft opgenomen. Urker vriend Jan van den Berg schreef vorig jaar ook een mooie blogpost over de graven van zijn voorouders.

  1. L. de Vries, Stichting Urker Uitgaven, “Een katholieke vrijstaat”, versie onbekend, geraadpleegd 30 mei 2026, https://www.urkeruitgaven.nl/kort-historisch/een-katholieke-vrijstaat/. ↩︎
  2. B. Klappe, Het Nederduits-Gereformeerde trouwboek van Ens op het eiland Schokland, 1688-1791. (Eindhoven, 2012), 13. ↩︎
  3. B. Klappe, ‘Het Rooms-Katholieke trouwboek van Emmeloord op het eiland Schokland, 1714-1812’. (Eindhoven, 2012), 7. ↩︎
  4. Online Begraafplaatsen, “Urk”, versie onbekend, geraadpleegd 30 mei 2026, https://www.online-begraafplaatsen.nl/zerken.asp?command=showzerken&bgp=218. ↩︎
  5. K. de Vries & T. de Vries, Veranderd land. (Urk: Urker Uitgaven, 1985), 57 ↩︎
  6. C. de Vries, Geschiedenis van het eiland Urk. (Kampen: Zalsman, 1962), 240 ↩︎
  7. Ibidem, 241 ↩︎
  8. Ibidem, 230 ↩︎
  9. Ibidem, 235 ↩︎
  10. Ibidem, 260 ↩︎
  11. Ibidem, 260 ↩︎
  12. K. de Vries & T. de Vries, Veranderd land. (Urk: Urker Uitgaven, 1985), 57 ↩︎
  13. Online Begraafplaatsen, “Urk”, versie onbekend, geraadpleegd 30 mei 2026, https://www.online-begraafplaatsen.nl/zerken.asp?command=showzerken&bgp=218. ↩︎
  14. K. de Vries & T. de Vries, Veranderd land. (Urk: Urker Uitgaven, 1985), 58-61 ↩︎

Wie met Gods klokken schiet…

Op de website van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed kwam deze week een blogartikel voorbij over de klokkenroof tijdens de Tweede Wereldoorlog. Nederlandse kerkklokken werden door de bezetter gevorderd voor de oorlogsindustrie in Duitsland.

Zo gingen zowel ‘gewone’ als monumentale klokken en carillons verloren. Maar meer dan tweehonderd klokken werden echter gespaard: zij wachtten op de bodem van het IJsselmeer, tot het einde van de oorlog.

Mijn opa Albert van Urk deed veel onderzoek naar het zinken zogenaamde ‘klokkenschip’, waarover vele verhalen de ronde doen. Hij toonde aan waarom het schip zonk: het was een daad van klein verzet was (de vuurtorenwachter doofde het licht en een sleper saboteerde het schip).

Boven één van zijn publicaties over het klokkenschip stond ‘Wie met Gods klokken schiet, die wint de oorlog niet’, een uitspraak die in de oorlogsjaren veel werd gedaan.

Mooi dat zijn onderzoek voortleeft, al wordt hij niet bij naam genoemd in het betreffende artikel – dat is dan weer jammer. Aan de andere kant had het wel bij zijn bescheidenheid gepast.

Oorlogsherinneringen van ome Rinke Oost

In het Urkerland van 27 april 2006 verscheen een artikel van de hand van Jaap Bakker, met daarin de herinneringen van mijn oud-oom Rinke Oost.

Die (geliefde) ome Rinke overleed in 2018, zijn (geliefde) vrouw Bep Cazant in 2022. Ze woonden in Arnhem. Rinke was de oudste van het Urker gezin van Roelof Tiede Oost (‘Roelof van Rinke’) en Elisabeth Koffeman. Roelof was timmerman en nam het bedrijf over van zijn opa. Ook zijn nakomelingen werden timmerman (Gebroeders Oost).

Er werd door mijn familie Oost (mijn opoe Jent was de zus van Rinke) wel zo nu en dan over de oorlog gepraat. Het waren anekdotes over klein verzet. Maar toch ook van heldenmoed, zoals ik er nu, op wat latere leeftijd, aan denk.

Ik moest gisteren en vandaag weer aan dat inmiddels alweer twintig jaar oude artikel denken, dat hier te lezen is (en hier als pdf).

Het artikel wordt als volgt door de opsteller afgesloten: “Opdat wij niet vergeten hoe boze machten ons de vrijheid kunnen ontnemen en hoe duur de vrijheid herverkregen is. Moge het een levensles zijn om ons niet in haat te laten meeslepen in vooroordelen en voorkomen dat mensen elkaar het recht op vrijheid en vrije meningsuiting ontnemen.”

Over andere Urker oorlogsverhalen schreef ik eerder dit artikel.

Overwinteren op Schokland, een verslag

Het hele land ligt onder een laagje sneeuw. Dat leverde ook op Werelderfgoed Schokland weer mooie beelden op:

Over winters gesproken. Die waren vroeger net een tikkeltje intenser. En als je dan ook nog ingevroren raakt bij het haast onbewoonde eiland Schokland… Een zeventienjarige schippersdochter maakte het mee.

Het verslag van deze overwintering hieronder integraal overgenomen.

Een overwintering op het eiland Schokland

Belevenissen van een 17-jarige schippersdochter in de winter van 1927-1928

Wij waren met ons lege schip – een zeilklipper van 154 ton genaamd de Annigje – onderweg van Meppel naar Amsterdam. Mijn vader wilde graag met de Kerst in Amsterdam liggen. Het begon al stevig te vriezen. Tegen de avond waren wij bij het eiland Schokland, dat lag nog in de toenmalige Zuiderzee. Mijn vader besloot die nacht voor anker te gaan achter het eiland (in het zogenaamde gat van Ens) om de andere morgen vroeg te gaan varen. Zodoende om te proberen de ijsgang voor te zijn.

Het vroor die nacht hard en ’s morgens was de Zuiderzee bedekt met grondijs. En daar is met een zeilschip niet door te komen. Dus besloot mijn vader om de haven van Schokland binnen te komen, wat met veel moeite is gelukt. Niet vermoedend dat wij de Kerst en Nieuwjaar zouden vieren. Wij waren het enige schip in de haven, dus ligplaats genoeg. Maar gelukkig woonden er nog twee gezinnen op Schokland, de Rijks havenmeester en de lichtwachter, allebei genaamd Smit; het waren broers. De lichtwachter verzorgde de verlichting op het eiland. De verlichting was toen al elektrisch. In het huisje van de misthoorn stond de Kromhoutmotor voor de stroomopwekking. Dit kromhoutje staat nu (1985) nog in de Marker vuurtoren. De havenmeester had een dienstvaartuig tot zijn beschikking: een spierwitte stalen zeilbotter (bijgenaamd het varken).

Gelukkig waren er onder die gezinnen ook jongelui van onze leeftijd en hadden mijn jongere broer ik al gauw contact. Mijn ouders waren goed bevriend met de ouderen en gingen bij deze mensen buurten.

Omdat het bleef vriezen, gingen wij al gauw schaatsenrijden op de Zuiderzee. Wij schaatsten van de haven aan de Noordpunt naar de Middelbuurt waar nu het Museum is in de kerk. In mijn tijd werd de kerk gebruikt als onderkomen voor seizoenarbeiders, maar zo langzamerhand raakte het eten op. En het liep tegen Kerst. Bij de familie Smit, de havenmeester, was een onderwijzeres in huis. De kinderen op het eiland kregen daar op rijkskosten onderwijs thuis. De onderwijzeres wilde graag naar huis met de Kerst. Ze woonde in Groningen en omdat er toch eten gehaald moest worden in Kampen, ging ze met de mannen mee naar Kampen.

Op het eiland was een grote slee en die werd klaargemaakt, ’s morgens bij het aanbreken van de dag waren ze klaar voor vertrek. De onderwijzeres werd in dekens gewikkeld op de slee gezet. Mijn broer mocht ook mee om te helpen. De mannen trokken en duwden de slee zelf op de schaatsen over de Zuiderzee naar hert Kampereiland. De tocht was niet zonder gevaar, wegens de wakken en scheuren in het ijs. Vanaf het Kampereiland werd er gelopen naar Kampen. Een pittige wandeling van ongeveer 15 km. Om niet te verdwalen bij mist of sneeuw op het ijs, hadden ze een kompas meegenomen. Voor de achterblijvers was het ook een spannende dag, want het ijs kon zo gaan scheuren.

Een foto van het betreffende schip. Bron: Museum Schokland.

Maar gelukkig, in de namiddag kwamen de mannen er weer aan, met de slee vol proviand, melk, spek, meel, enz. Nadien is deze reis nog tweemaal herhaald, met aldoor een goede afloop.

Mijn ouders gingen ’s avonds buurten bij de familie Smit. De jongelui kwamen dan bij ons aan boord in de roef en dan werden er spelletjes gedaan. Op een avond tussen Kerst en Nieuwjaar waren wij weer met de hele club bij ons aan boord in de roef en zijn wij kaarten gaan schrijven voor familie en kennissen, maar er waren alleen kaarten met de afbeelding van Schokland er op.

Er kon wel post worden verstuurd en er werd ook post gebracht. Er was een geul gebroken in het ijs van de Zuidpunt van het eiland naar Kampen. Als het mogelijk was, bracht de botter de post. En als de botter op de Zuidpunt was gearriveerd, moesten de mannen over een glad dammetje naar de Zuidpunt lopen om de post op te halen. Het was levensgevaarlijk en zo’n ander halfuur lopen. Ze deden dan sokken over de klompen om niet uit te glijden. Wij hebben ook nog een kaart naar Koningin Wilhelmina gestuurd met de namen van alle eilandbewoners er op. Later hoorden wij dat de Koningin een brief terug had gestuurd.

Omdat er weer meel genoeg was, gingen wij oliebollen en wafels bakken. Je moest toch wat doen. Radio en TV was er nog niet.

Na Nieuwjaar waren de mannen begonnen met grote ijszagen ons schip los te zagen, maar dat ging erg langzaam en was bar zwaar werk. Dit werd gedaan omdat het ondertussen was gaan dooien.

Op een avond zaten wij weer bij elkaar in de roef. Een van ons tuurde door de ramen van de roef naar buiten naar de haveningang en zag ineens boordlichten naar de haveningang komen. Het was de beurtmotor, die wilde in de haven overnachten. De andere dag heeft de beurtmotor het ijs om ons schip heen losgebroken en ons naar buiten gesleept. Vandaar zijn wij onder zeil richting Amsterdam gevaren. Het viel niet mee om op de zeilen door dat losse ijs te varen, maar het is gelukt en zijn wij veilig in Amsterdam aangekomen. Al met al hebben wij vijf weken ingevroren gezeten in de haven van Schokland. Wij hebben ons daar best vermaakt, maar waren toch ook weer blij dat we weer in de vaart waren.

Dit verhaal is waar gebeurd en verteld door Mevr. A. Jetses-van Veen (1908 – 1989) aan haar oudste zoon dhr. A. Jetses wonend te Zaandam.

Bovenstaand artikel werd een paar jaar geleden toegestuurd aan Museum Schokland. Het verscheen eerder ook op de website van de Schokkervereniging en in Het Schokker Erf nr. 28, p. 36-38. Ook verscheen het in De Vriendenkring (Vrienden van Schokland), jaargang 47, nr. 4 (winter 2007), p. 30-32.

Ziet het wonder hoog verheven…

Het is de dag voor kerst en op mijn kantoortje op Schokland werk ik de laatste mails weg, plan ik nog wat posts in en schrijf ik de laatste nieuwsbrief van het jaar.

Toen ik eerder op Schokland werkte, deelde ik al eens het Schokker kerstlied ‘Ziet het wonder hoog verheven’ op de socials van het museum. Dit lied werd op Schokland gezongen en overleefde de ontruiming van Schokland in 1859. Katholieke Schokkers bleven het zingen bij de mis in Vollenhove. Halverwege de vorige eeuw kwam het lied opnieuw in de belangstelling. En ik kwam vanmorgen tot de ontdekking dat mijn opa Albert daar een rol in had.

Uit: Fred Thomas, ‘Het laatste kerstlied van Schokland’, De Tijd, 24 december 1958.

Veel immaterieel erfgoed van de eilandperiode bleef niet bewaard. Het dialect verdween decennia na de ontruiming en ook de Schokker streekdracht verdween. Maar dit kerstlied bleef wél bewaard!

Fred Thomas schreef erover in ‘Wijkend water’. Ook stond het centraal in een artikel in ‘De Tijd’, van 24 december 1958 – honderd jaar ná de laatste Kerstnachtmis op Schokland. Ik publiceerde dat artikel eerder op de website van Museum Schokland.

Maar vandaag werd ik ontroerd door een artikel van de hand van mijn grootvader Albert van Urk, die in de kerstbijlage van Het Urkerland van 1980 óók over dit lied schreef.

Het lied fascineerde ook hem. Hij ging naar Kampen, waar de tekst van het lied in het Stadsarchief bewaard werd. En nam het mee naar Urk. Het lied werd uitgevoerd en opgenomen door de Urker zangers, wat een impuls gaf aan de bekendheid van het lied.

En die mooie zinnen van hem: ‘Ik probeerde mij voor te stellen hoe het in vroeger eeuwen opgeklonken zal hebben in de Kerstnacht in het kerkje van Emmeloord. Hoe niet zelden de slepende klanken zich vermengd zullen hebben met het gebulder van de branding, het ruisen van de immer opdringende zee of hoe de ruwe, ongeschoolde vissersstemmen in de stille nacht, wanneer de zee roerloos zich onder de sterrenhemel spiegelde, langzaam verwaaiden over het water van de Zuiderzee.’

Een paar decennia nadat mijn grootvader mij meenam naar Schokland, waarmee mijn liefde voor het gebied begon, mag ik mij ook zo verliezen in die bijzondere verhalen als hij deed.

Met opa (‘beabe’) in Museum Schokland, een paar decennia terug.

Hier volgt het betreffende artikel, met dank overgenomen van de site van de Schokkervereniging. Die overigens in 1985 werd opgericht en waarbij hij betrokken is geweest.

Het kerstlied van Schokland

De geschiedenis van Schokland is er één van zorg en strijd. Zorg om het bestaan, strijd tegen zijn aartsvijand: het water. De kronieken van het eiland getuigen van aanhoudende rampspoed, hongersnood, overstroming en brand. De Schokkers waren arm, armer en weerlozer nog dan hun buren, de Urkers, die op hun hoge keileembult niet direkt bedreigd werden door het water. In het midden van de vorige eeuw is de toestand op het eiland zó uitzichtloos, dat door de regering besloten wordt tot ontruiming.
In het najaar van 1858 aanvaardt de Tweede Kamer der Staten-Generaal een regeringsvoorstel tot ontvolking van Schokland en afkoop van het particulier grondbezit. Op 10 juli van het volgende jaar wordt de laatste burgemeester van het eiland, Gillot, eervol van zijn post ontheven en Schokland bij de gemeente Kampen gevoegd. Vóór 1 juli van dat jaar heeft de bevolking al het eiland verlaten. Zo zij daarover al niet bedroefd waren, aanvaardden de arme eilanders hun treurig lot in doffe berusting.

Het kerkje van Emmeloord
De oude katholieke kerk van Emmeloord brandde in 1728 af. De nieuwe kerk, als protestants bedehuis gebouwd, werd bij de zware brand, die Emmeloord in 1749 teisterde, eveneens verwoest. Enige jaren later bouwden de katholieken weer een kerk en deze werd bij de beruchte stormvloed van 1825 zwaar gehavend. Van Rijkswege werd in 1842 een nieuwe kerk gebouwd, welke tot de ontruiming in gebruik bleef. De afbraak werd in 1859 benut voor de bouw van een katholieke kerk te Ommen, welke bijna 80 jaar in gebruik bleef. In de kerk van Ommen bevindt zich nog altijd het zandstenen doopvont van Emmeloord, dat in een grijs verleden tussen Urk en Schokland werd opgevist. Ook zijn daar een aantal kandelabers en misbekers terug te vinden, die eeuwenlang dienst hebben gedaan op het eiland. Ooit bewonderde ik in deze Vechtstad de “schatten van Schokland”.

Een lied in een vreemd land
Op het eiland Schokland waren drie woonkernen: Emmeloord op de Noordpunt, Ens op de Middelbuurt, en de Zuidert. De laatste werd al vóór 1859 ontruimd. Ens was voornamelijk protestant, Emmeloord katholiek. Beide bevolkingsgroepen verdroegen elkaar goed; de Schokkers waren in godsdienstig opzicht vrij tolerant.
Een grote groep Emmeloorders kwam in Vollenhove terecht. De andere “ballingen” verspreidden zich over diverse Zuiderzeegemeenten, o.a. Kampen, Volendam en Urk. Tot op de dag van vandaag leven er nazaten van Schokkers onder ons. Over de groep die naar Vollenhove trok gaat dit artikel.
In zekere mate wisten zij zich daar als groep te handhaven. Dit blijkt uit het feit dat zij naast hun schamele bezittingen iets geheel unieks meenamen: het Kerstlied van Schokland. De woorden van het lied “Ziet het wonder hoog verheven” zijn bij overlevering opgetekend. Het wordt in meer dan één bron genoemd. Het zou in Vollenhove nog wel gezongen worden tijdens de Kerstnachtmis, aldus Fred Thomas in “Wijkend Water” (1940/1941). Maar zou dat nu nog zo zijn? Later vernam ik, dat dit inderdaad het geval was. Ik probeerde mij voor te stellen hoe het in vroeger eeuwen opgeklonken zal hebben in de Kerstnacht in het kerkje van Emmeloord. Hoe niet zelden de slepende klanken zich vermengd zullen hebben met het gebulder van de branding, het ruisen van de immer opdringende zee of hoe de ruwe, ongeschoolde vissersstemmen in de stille nacht, wanneer de zee roerloos zich onder de sterrenhemel spiegelde, langzaam verwaaiden over het water van de Zuiderzee.

Een raadsel opgelost
De inhoud van het lied bleef lange tijd, voor mij althans een mysterie, naar de onthulling waarvan ik naarstig bleef zoeken. Niet zonder resultaat overigens. Uiteindelijk – om het verhaal niet te lang te maken – belandde ik een aantal jaren terug in het stadsarchief te Kampen, toen nog gevestigd in het middeleeuwse raadhuis van die stad. Hier kwam het raadsel tot een oplossing. Een behulpzame archivaris had slechts een half uur nodig om mij uit de droom te helpen. Het kerstlied van Schokland lag zwart op wit vóór mij. Teruggekeerd op Urk bracht ik de gevonden tekst en muziek naar dirigent Meindert Kramer. Deze schreef een arrangement voor een mannenkoor. Dit werd, in 1977, opgenomen in een werkstuk van J.N. Haanstra en C. Verdoold, dat zij in verband met hun studie schreven over het kerkelijk wel en wee op Schokland. Ook zij hadden, zij het wat later, de tekst van het lied gevonden en het is waarschijnlijk déze tekst die door Kramer werd gebruikt: de oorspronkelijke. Of de bewerking van Kramer ooit is uitgevoerd, is mij niet bekend.
Weer gingen de jaren voorbij. Dan, in december 1980, komt er een Kerstplaat uit van de “Urker Zangers”, met daarop: het Kerstlied van Schokland in een bewerking van Jef Penders. Ook hier is gebruik gemaakt van de oorspronkelijke tekst.

Toch nog vragen
Over het ontstaan zijn geen gegevens bekend. Als eerder opgemerkt: de tekst werd opgetekend uit de mond van Schokker nazaten in Vollenhove. In hoeverre die in de loop der tijden “verminkt” is kunnen we niet (of nog niet) nagaan. Het is een lied met een voorzang (vgl. Psalm 18). Op de plaat is deze voor rekening van Joh. Schrijver. De inhoud getuigt van een eenvoudig, katholiek geloofsleven, zoals dat op het eiland gevonden werd. De melodie is ietwat slepend (“valt op door de geringe toonafstand, doet klagend aan”, schrijft Haanstra). Op de plaat worden de twee laatste coupletten niet gezongen. Men kan dit betreuren, maar het zal zijn reden hebben. In ieder geval is het lied nu bewaard voor het nageslacht.
En tenslotte: deze “gestroomlijnde” bewerking van het lied zal wel ver af staan van de uitvoering van het lied, zoals het gezongen werd met het raspende stemgeluid van doodarme vissers. Maar wie zal dat de Zangers euvel duiden?
Voor liefhebbers hier nog de titel van de plaat: “Herders, ik boodschap…”, en het nummer: Dureco 88031.

Albert van Urk, Urk.