Ziet het wonder hoog verheven…

Het is de dag voor kerst en op mijn kantoortje op Schokland werk ik de laatste mails weg, plan ik nog wat posts in en schrijf ik de laatste nieuwsbrief van het jaar.

Toen ik eerder op Schokland werkte, deelde ik al eens het Schokker kerstlied ‘Ziet het wonder hoog verheven’ op de socials van het museum. Dit lied werd op Schokland gezongen en overleefde de ontruiming van Schokland in 1859. Katholieke Schokkers bleven het zingen bij de mis in Vollenhove. Halverwege de vorige eeuw kwam het lied opnieuw in de belangstelling. En ik kwam vanmorgen tot de ontdekking dat mijn opa Albert daar een rol in had.

Uit: Fred Thomas, ‘Het laatste kerstlied van Schokland’, De Tijd, 24 december 1958.

Veel immaterieel erfgoed van de eilandperiode bleef niet bewaard. Het dialect verdween decennia na de ontruiming en ook de Schokker streekdracht verdween. Maar dit kerstlied bleef wél bewaard!

Fred Thomas schreef erover in ‘Wijkend water’. Ook stond het centraal in een artikel in ‘De Tijd’, van 24 december 1958 – honderd jaar ná de laatste Kerstnachtmis op Schokland. Ik publiceerde dat artikel eerder op de website van Museum Schokland.

Maar vandaag werd ik ontroerd door een artikel van de hand van mijn grootvader Albert van Urk, die in de kerstbijlage van Het Urkerland van 1980 óók over dit lied schreef.

Het lied fascineerde ook hem. Hij ging naar Kampen, waar de tekst van het lied in het Stadsarchief bewaard werd. En nam het mee naar Urk. Het lied werd uitgevoerd en opgenomen door de Urker zangers, wat een impuls gaf aan de bekendheid van het lied.

En die mooie zinnen van hem: ‘Ik probeerde mij voor te stellen hoe het in vroeger eeuwen opgeklonken zal hebben in de Kerstnacht in het kerkje van Emmeloord. Hoe niet zelden de slepende klanken zich vermengd zullen hebben met het gebulder van de branding, het ruisen van de immer opdringende zee of hoe de ruwe, ongeschoolde vissersstemmen in de stille nacht, wanneer de zee roerloos zich onder de sterrenhemel spiegelde, langzaam verwaaiden over het water van de Zuiderzee.’

Een paar decennia nadat mijn grootvader mij meenam naar Schokland, waarmee mijn liefde voor het gebied begon, mag ik mij ook zo verliezen in die bijzondere verhalen als hij deed.

Met opa (‘beabe’) in Museum Schokland, een paar decennia terug.

Hier volgt het betreffende artikel, met dank overgenomen van de site van de Schokkervereniging. Die overigens in 1985 werd opgericht en waarbij hij betrokken is geweest.

Het kerstlied van Schokland

De geschiedenis van Schokland is er één van zorg en strijd. Zorg om het bestaan, strijd tegen zijn aartsvijand: het water. De kronieken van het eiland getuigen van aanhoudende rampspoed, hongersnood, overstroming en brand. De Schokkers waren arm, armer en weerlozer nog dan hun buren, de Urkers, die op hun hoge keileembult niet direkt bedreigd werden door het water. In het midden van de vorige eeuw is de toestand op het eiland zó uitzichtloos, dat door de regering besloten wordt tot ontruiming.
In het najaar van 1858 aanvaardt de Tweede Kamer der Staten-Generaal een regeringsvoorstel tot ontvolking van Schokland en afkoop van het particulier grondbezit. Op 10 juli van het volgende jaar wordt de laatste burgemeester van het eiland, Gillot, eervol van zijn post ontheven en Schokland bij de gemeente Kampen gevoegd. Vóór 1 juli van dat jaar heeft de bevolking al het eiland verlaten. Zo zij daarover al niet bedroefd waren, aanvaardden de arme eilanders hun treurig lot in doffe berusting.

Het kerkje van Emmeloord
De oude katholieke kerk van Emmeloord brandde in 1728 af. De nieuwe kerk, als protestants bedehuis gebouwd, werd bij de zware brand, die Emmeloord in 1749 teisterde, eveneens verwoest. Enige jaren later bouwden de katholieken weer een kerk en deze werd bij de beruchte stormvloed van 1825 zwaar gehavend. Van Rijkswege werd in 1842 een nieuwe kerk gebouwd, welke tot de ontruiming in gebruik bleef. De afbraak werd in 1859 benut voor de bouw van een katholieke kerk te Ommen, welke bijna 80 jaar in gebruik bleef. In de kerk van Ommen bevindt zich nog altijd het zandstenen doopvont van Emmeloord, dat in een grijs verleden tussen Urk en Schokland werd opgevist. Ook zijn daar een aantal kandelabers en misbekers terug te vinden, die eeuwenlang dienst hebben gedaan op het eiland. Ooit bewonderde ik in deze Vechtstad de “schatten van Schokland”.

Een lied in een vreemd land
Op het eiland Schokland waren drie woonkernen: Emmeloord op de Noordpunt, Ens op de Middelbuurt, en de Zuidert. De laatste werd al vóór 1859 ontruimd. Ens was voornamelijk protestant, Emmeloord katholiek. Beide bevolkingsgroepen verdroegen elkaar goed; de Schokkers waren in godsdienstig opzicht vrij tolerant.
Een grote groep Emmeloorders kwam in Vollenhove terecht. De andere “ballingen” verspreidden zich over diverse Zuiderzeegemeenten, o.a. Kampen, Volendam en Urk. Tot op de dag van vandaag leven er nazaten van Schokkers onder ons. Over de groep die naar Vollenhove trok gaat dit artikel.
In zekere mate wisten zij zich daar als groep te handhaven. Dit blijkt uit het feit dat zij naast hun schamele bezittingen iets geheel unieks meenamen: het Kerstlied van Schokland. De woorden van het lied “Ziet het wonder hoog verheven” zijn bij overlevering opgetekend. Het wordt in meer dan één bron genoemd. Het zou in Vollenhove nog wel gezongen worden tijdens de Kerstnachtmis, aldus Fred Thomas in “Wijkend Water” (1940/1941). Maar zou dat nu nog zo zijn? Later vernam ik, dat dit inderdaad het geval was. Ik probeerde mij voor te stellen hoe het in vroeger eeuwen opgeklonken zal hebben in de Kerstnacht in het kerkje van Emmeloord. Hoe niet zelden de slepende klanken zich vermengd zullen hebben met het gebulder van de branding, het ruisen van de immer opdringende zee of hoe de ruwe, ongeschoolde vissersstemmen in de stille nacht, wanneer de zee roerloos zich onder de sterrenhemel spiegelde, langzaam verwaaiden over het water van de Zuiderzee.

Een raadsel opgelost
De inhoud van het lied bleef lange tijd, voor mij althans een mysterie, naar de onthulling waarvan ik naarstig bleef zoeken. Niet zonder resultaat overigens. Uiteindelijk – om het verhaal niet te lang te maken – belandde ik een aantal jaren terug in het stadsarchief te Kampen, toen nog gevestigd in het middeleeuwse raadhuis van die stad. Hier kwam het raadsel tot een oplossing. Een behulpzame archivaris had slechts een half uur nodig om mij uit de droom te helpen. Het kerstlied van Schokland lag zwart op wit vóór mij. Teruggekeerd op Urk bracht ik de gevonden tekst en muziek naar dirigent Meindert Kramer. Deze schreef een arrangement voor een mannenkoor. Dit werd, in 1977, opgenomen in een werkstuk van J.N. Haanstra en C. Verdoold, dat zij in verband met hun studie schreven over het kerkelijk wel en wee op Schokland. Ook zij hadden, zij het wat later, de tekst van het lied gevonden en het is waarschijnlijk déze tekst die door Kramer werd gebruikt: de oorspronkelijke. Of de bewerking van Kramer ooit is uitgevoerd, is mij niet bekend.
Weer gingen de jaren voorbij. Dan, in december 1980, komt er een Kerstplaat uit van de “Urker Zangers”, met daarop: het Kerstlied van Schokland in een bewerking van Jef Penders. Ook hier is gebruik gemaakt van de oorspronkelijke tekst.

Toch nog vragen
Over het ontstaan zijn geen gegevens bekend. Als eerder opgemerkt: de tekst werd opgetekend uit de mond van Schokker nazaten in Vollenhove. In hoeverre die in de loop der tijden “verminkt” is kunnen we niet (of nog niet) nagaan. Het is een lied met een voorzang (vgl. Psalm 18). Op de plaat is deze voor rekening van Joh. Schrijver. De inhoud getuigt van een eenvoudig, katholiek geloofsleven, zoals dat op het eiland gevonden werd. De melodie is ietwat slepend (“valt op door de geringe toonafstand, doet klagend aan”, schrijft Haanstra). Op de plaat worden de twee laatste coupletten niet gezongen. Men kan dit betreuren, maar het zal zijn reden hebben. In ieder geval is het lied nu bewaard voor het nageslacht.
En tenslotte: deze “gestroomlijnde” bewerking van het lied zal wel ver af staan van de uitvoering van het lied, zoals het gezongen werd met het raspende stemgeluid van doodarme vissers. Maar wie zal dat de Zangers euvel duiden?
Voor liefhebbers hier nog de titel van de plaat: “Herders, ik boodschap…”, en het nummer: Dureco 88031.

Albert van Urk, Urk.

Hoe ze van Nieuwleusen naar Urk kwamen om te maaien

Ieder jaar kwamen maaiers ‘van de walle’ naar Urk om te maaien. Meestal zo rond de langste dag van het jaar. Daar werden ze onthaald door de Urker kinderen. Die maaiers kwamen generatieslang uit Nieuwleusen. Een bijzondere en weinig bekende geschiedenis.

Maaiers uit Nieuwleusen op Urk. Uit de beeldbank van Historische Vereniging Ni’jlussen van Vrogger.

Er kwam altijd een vast aantal, van zestien man (andere bronnen spreken van achttien). Volgens sommige bronnen waren er ook wel maaiers uit Oudleusen bij. Het ‘maairecht’ werd onder de maaiers van generatie op generatie overgedragen.

De Urker ‘landers’

Voor we verder naar het interview gaan, moet eerst het volgende worden gezegd. Urk was in een ver verleden een boerengemeenschap, die ook verdiende aan handel. Net als bijvoorbeeld Schokland. Urk was in een ver verleden veel groter en er was dus meer land.

Toen het eiland kleiner werd ten gunste van de groter wordende Zuiderzee, ontstonden ook meer regels om het weinige hooi- en grasland eerlijk te verdelen. Het land was gemeenschappelijk bezit, het kwam toe aan de gezamenlijke burgerij. Maar het ‘hooirecht’ was behouden aan de ‘landers’. Zij mochten het land eens per jaar laten maaien en de opbrengsten kwamen hun toe.

Vanaf mogelijk de zeventiende eeuw werd het hooirecht van het land verdeeld over 28 stammen. Het lijkt logisch om te denken dat dit gaat om 28 families die op Urk woonden. Maar zeker is dit niet vast te stellen. Wel werd het hooirecht van generatie op generatie overgedragen. Het kon ook verkocht worden. Of tijdelijk verleend.

Het weinige land was ingedeeld in tien delen. Die tien delen werden dan weer verdeeld over de 28 stammen, zodat het hooirecht min of meer eerlijk verdeeld was. Die stukjes grond rouleerden dan weer.

Voor de markering van de 280 perceeltjes gebruikte men paaltjes, waarvan enkelen bewaard zijn gebleven in het West-Fries Museum. Ik zou ze graag een keer willen bewonderen. De paaltjes hadden merktekens, iedere ‘stam’ had een eigen rune-achtig teken.

De paaltjes met runen. Uit: K. de Vries & T. de Vries, ‘Veranderd land’. Urk, 1985: Urker Uitgaven, p. 120.

Het voert nu te ver om hier uitgebreid op in te gaan, misschien is dat wel aardig voor een volgende post. Maar het is dus goed om te weten dat dit bijzondere systeem bestond tot de jaren 1930, toen het land, volgens sommigen onterecht, werd verkaveld en de boeren eigenaar werden van het land.

De landers waren dus geen eigenaar van de grond. Ze hadden alleen recht op het hooi. Een vergadering werd ‘landerskerk’ genoemd, omdat de vergaderingen plaatsvonden in de kerk. Of er bij onenigheid weleens de eerste regel van Psalm 25 vers 4 werd gemompeld, weet ik niet.

De maaiers

En dat land moest dus gemaaid worden, voordat geoogst (gehooid) kon worden. Freek Pereboom interviewde in 18 februari 1983 de dan 80-jarige Hendrik Brouwer en 74-jarige Jan-Willem Schuurman. De mannen begonnen in de jaren 1920 met maaien op Urk.

Dit interview is afkomstig van een cassettebandje uit het archief van Albert van Urk. Hij hield zich bezig met de geschiedenis van de boeren op Urk.

Als het tijd werd om te maaien, werd een brief geschreven naar een voorman in Nieuwleusen. Daardoor wisten de Nieuwleusenaren dat het tijd was om naar het eiland Urk te vertrekken.

Het maaien duurde altijd een week. De maaiers gingen ’s maandags vroeg, om zes uur, op de fiets, bepakt met zeis, van Nieuwleusen naar Kampen. Daar lieten ze de fiets staan om op de boot te stappen. Tegen de middag kwamen ze aan op Urk.

De kinderen van het eiland wachtten hen zingend op: ‘maaiers, maaiers, koppesnijers’.

Als ze eenmaal op Urk waren, werden de maaiers eerst getrakteerd op een maaltijd. Ze werden gekoppeld aan een boer, waar ze die week overnachtten, of ze gingen bij iemand ‘in de kost’. Na de maaltijd, waarbij soms een borrel werd genuttigd, gingen de maaiers direct naar het land. Daar kregen de maaiers gekoppeld aan een stukje grond.

Bij het maaien werden lijnen gespannen tussen de hierboven beschreven merkpaaltjes, zodat het voor de maaiers duidelijk was waar het ene perceel ophield en het andere begon.

De Urker landers stonden er met de hark bij. Soms harkten ze stiekem wat hooi weg wat eigenlijk op een ander stuk land lag. Maaien konden de Urkers zelf niet, dat ‘hadden ze niet geleerd’.

Eerst werden de tien delen gemaaid, dat ging in ploegen. Vaak waren ze op vrijdag klaar. Daarna werd gezamenlijk nog het ‘gemeenteland’ gemaaid.

Als er veel compost, vuilnis, op het land lag, werden de zeisen bot.

De maaiers werkten hard. Iedere dag totdat het donker werd. Bij het laatste licht werden de zeisen nog gauw geslepen voor de volgende dag. Voordat de maaiers gingen slapen, gingen ze soms een praatje maken bij de schippers, aan boord in de haven. Eigenlijk was daar geen tijd voor, want bij het eerste licht op de volgende dag, rond vier uur, stonden de maaiers weer op om aan het werk te gaan.

Er werd geslapen op zolders of in ledikanten bij de burgers of boeren thuis. De maaiers sliepen in hun ondergoed, zodat de bovenkleren wat konden luchten.

De kwaliteit van het gras was beter op Urk dan in Nieuwleusen. Omdat het op Urk op de klei groeide en in Nieuwleusen op zandgrond.

De geïnterviewde maaiers kregen voor een week maaien 30 gulden. Een flink bedrag voor die tijd. Dat was een vast bedrag. Hoe eerder je klaar was, hoe sneller je het verdiend had. Het geld voor de reis, de overtocht met de boot, werd betaald door de Urker boeren.

Er was solidariteit onder elkaar. Als een van de maaiers ziek was, dan werkten de andere maaiers wat harder. De zieke kreeg evengoed het bedrag van 30 gulden.

Op Urk wordt wel gezegd dat het een feestelijke periode voor het dorp was. Kinderen maakten, rondom het hooien, flesjes skommeldrok: water met drop. De geïnterviewde maaiers herinnerden zich dit niet echt. Het was wel een gezellige tijd, aldus Brouwer en Schuurman. Gezellig, maar hard werken.

Als het regende, werkten de maaiers gewoon door. Het moest immers in een week klaar zijn. Een keer stormde het zo erg, dat het mogelijk was dat het land zou onderlopen. Toen maaiden ze een ochtend niet, zo herinnerde Schuurman zich. Dan ‘slingerenden ze een beetje rond’ in het hogergelegen dorp.

Soms bleef een enkele maaier langer om in de daaropvolgende week te helpen met het hooien. De hooiweek vond plaats na de maaiweek. Ook schippers hielpen weleens mee in die week.

Het maaien leidde niet tot vrijerij op Urk. Daarvoor was waarschijnlijk geen tijd. De maaiers kregen geen verkering met de Urkers.

Als de maaiers een weekend overbleven, gingen ze mee naar de kerk. Maar meestal waren ze ‘voor de zondag’ weer thuis.

Aan feestelijkheden, zoals beschreven in literatuur, hadden de geïnterviewde maaiers (helaas) geen herinneringen. Misschien was daar in de jaren 1920 geen sprake meer van.

Het ingewikkelde ‘landers’-systeem, met die merktekens op de paaltjes, begrepen de maaiers niet – ze hoefden er ook niet over na te denken. Wel herinnerden ze zich de ‘vreemde krusies’ op de paaltjes.

‘De Nieuwleusenaren hebben een goede naam achtergelaten op Urk’, besloot Peereboom het gesprek. ‘Het was altijd gezellig’, merkten beide mannen meerdere keren op. Maar het was hard werken, ze hadden er ‘een boel zweet achtergelaten’.

Hoe de herinnering verdween

Tot zover het interview. Waarom dit zo’n bijzonder mooi gesprek is: het is het enig bekende interview met maaiers. Na afsluiting van de Zuiderzee en de inpoldering verdween de eeuwenlange (?) relatie tussen de Urkers en de mannen uit Nieuwleusen.

Het interview is natuurlijk een momentopname geweest. Wellicht was de situatie in de 19e of de 18e eeuw anders. Maar het bevat toch veel informatie over het verdwenen ambacht.

In 1935 kwam er een einde aan het ingewikkelde systeem voor het hooirecht, de grond werd verkaveld. Waarschijnlijk alvast vooruitlopend op de komende inpoldering. Daarmee kwam ook een einde aan het maaien door het volk uit Nieuwleusen.

Het maaien en hooien had eeuwenlang een bijzondere plaats binnen het leven op Urk. Het was feestelijk. Er was gezang en kindervreugd.

Wanneer de band met Nieuwleusen ontstond is niet met zekerheid te stellen. Wel is bekend dat dit dus generatieslang bestond, en dat Nieuwleuser zonen dus bij Urker zonen maaiden.

Een traditie, ooit levend erfgoed, die door de verdwijnende Zuiderzee tenslotte ook verdween.

De Zuiderzee en het veranderende landschap

In het kader van de Maand van de Geschiedenis gaven schrijver en socioloog Ronald Nijboer en maritiem archeoloog Yftinus van Popta afgelopen weekend een lezing rondom het thema ‘De Zuiderzee en het veranderende landschap’ in de Enserkerk op Schokland.

Ronald Nijboer, eigen foto.

In zijn boek ‘Wereldzee in de polder‘ onderzocht Nijboer hoe het Zuiderzeegebied in 150 jaar veranderde. Hij maakte dezelfde reis als Henry Havard, die in 1873 het gebied ‘ontdekte’ en beschreef. Wat trof Havard aan tijdens zijn reis? En hoe gaan we om met het IJsselmeer, Markermeer en IJmeer en welke lessen kunnen we trekken uit het verleden? Nijboer haalde het begrip ‘Natuuramnesie‘ aan. De beleving en de kennis van de natuur, zoals die was in de tijd van onze (groot)ouders, verdwijnen uit ons collectieve bewustzijn, aldus Nijboer. Naast wetenschappelijke gegevens kunnen we ons ook een voorstelling maken van het landschap van onze voorouders aan de hand van bijvoorbeeld reisverslagen, zoals die van Havard of Fred Thomas.

Yftinus van Popta, eigen foto.

Van Popta deed onderzoek naar het gebied wat we nu kennen als de Noordoostpolder. In zijn proefschrift ‘When the Shore becomes the Sea‘, waarop hij in 2020 promoveerde, toonde hij aan hoe het gebied van 1100 tot 1400 veranderde: van veengebieden met meren tot open zee. Voor zijn onderzoek combineerde hij verschillende datasets. Zo kon in kaart worden gebracht waar middeleeuwse nederzettingen, zoals bijvoorbeeld Nagele, gesitueerd waren en hoe het ontstaan van de Zuiderzee het leven binnen de gemeenschappen en hun leefomgeving voorgoed veranderden. Hoe een multidisciplinair onderzoek in zijn werk gaat, illustreerde Van Popta aan de hand van zijn onderzoek naar de Dinkla-ramp.

Aftereut, Klaos!

‘Aftereut, Klaos!’, zou mijn (Urker) overgrootmoeder geroepen hebben naar mijn (Urker) overgrootvader, toen ze met hun schip een gevaarlijke manoeuvre maakten.

Dat zal een jaar of tachtig geleden zijn geweest. Welke Urker zegt tegenwoordig nog ‘after’ voor ‘achter’? Ik denk niet dat het er veel meer zijn.

In 1934 werd een dialectvragenlijst ingediend bij het Meertens Instituut over het dialect van Ens, een van de twee gemeenschappen van Schokland. Bij een van de vragen gaf een respondent het woord ‘affer’ voor ‘achter’.

Decennia later kreeg dat woordje de aandacht van dialectoloog Harrie Scholtmeijer. Hij schreef er in 2023 een interessant artikel over.

Schokland was in 1934 al 75 jaar ontruimd, maar de Schokker dialecten (er waren volgens de literatuur verschillen tussen het dialect van Emmeloord en dat van Ens) werden nog gesproken in bepaalde gemeenschappen. Waarschijnlijk sterk beïnvloed door de plekken waar de Schokkers terechtkwamen.

Zelf heeft Scholtmeijer het dialect – of wat er nog van over was – in 1981 nog gehoord, en daar ben ik best jaloers op. Inmiddels wordt het Schokkers niet meer gesproken.

Het woord ‘affer’ of ‘after’ sluit aan bij oudere Germaanse vormen zoals ‘after’ (Oudengels) en ‘efter’ (Oudfries). In de meeste Nederlandse dialecten is de f(t)- echter veranderd in cht, waardoor ‘achter’ ontstond. Alleen in enkele gebieden bleef de oude -f(t)- lange tijd behouden, waaronder het gebied rondom de Zuiderzee.

De Enser vorm ‘affer’ laat dus zien hoe het Schokker dialect verbonden was met de bredere ‘Zuiderzeecultuur’. Oh, en ook op Emmeloord kwam deze vorm voor. En dus op Urk als ‘after’.

Tegen de jaren ’80 was het gebruik van -f(t)- echter in de meeste dialecten verdwenen. Volgens een collega van Scholtmeijer werd het destijds op Urk nog wel gebruikt.

Maar we kunnen nu wel stellen dat het inmiddels ook in het Urkers zo goed als verdwenen is. Terwijl dat toch voor een best vitaal dialect doorgaat.

Toch meen ik dat ik het in mijn jeugd (jaren ’90 – jaren ’00) nog wel op Urk heb gehoord, los van die ene familie-anekdote. ‘After de paolen!’

En ik hoop het nog eens te horen. Want het brengt me terug naar een andere tijd, van voor de inpoldering, van de Zuiderzee, van de wereld van onze voorouders.

(Al heeft inmiddels wel een andere ‘after’ een plekje gekregen in het Nederlands – en ook in het Urkers, namelijk het Engelse ‘after’, uitgesproken als ‘aafter’. Van ‘afterparty’: het na (achter) een feestje een nabetrachting doen bij iemand thuis.)

Het Ens-Schokker ‘affer’, in 1934 opgetekend, is ‘een prachtig specimen van het Zuiderzeedialect’, zo besluit Scholtmeijer. Daar sluit ik me bij aan.

Bron: Artikel ‘Schokker affer ‘achter”, door Harrie Scholtmeijer. Hier online te bekijken in de collectie van het Zuiderzeemuseum.

Beeldje ‘Ontruiming van Schokland 1859’, door Piet Brouwer, 1994. Buitenterrein Museum Schokland, eigen foto.

Ons dorp gaat langzaam achteruit

Niet alle ingangen in het archief van Beeld en Geluid zijn publiek toegankelijk. Ik werd afgelopen maand getipt op een audiofragment van Mariap van Urk-Koffeman, waarvan ik zelf het bestaan niet wist. Wat is dat toch steeds een sensatie, als je bewegend beeld of audio ontdekt van bijna honderd jaar geleden.

In de betreffende reportage van de AVRO, op 5 november 1936, draagt ze haar gedicht ‘Waarde-Vermindering’ voor.

Een cadeautje, want er is maar weinig audiomateriaal of bewegend beeld van Mariap van Urk bekend. Een fragment uit 1940, voor de VARA, kende ik al wel. Nu dus een fragment van nog een kleine vier jaar eerder. Toch bijzonder dat ze, als trouwe aanhangster van Colijn, meewerkte aan programma’s voor resp. de liberale en socialistische omroepen.

Bij haar handschrift lezen we over de inhoud van het gedicht: ‘Na de drooglegging van de Zuiderzee werd een commissie benoemd die de netten en het vischtuig herwaardeerde en de visschers kregen waarde-vermindering van hun netten, door deze Regeerings Commissie, vergoed. Wat nooit vergoed werd, leest u in dit versje.’

Het gedicht verscheen, in een ietwat gewijzigde vorm, in 1949 in haar eerste bundel ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’.

Waarde-Vermindering

Aan d’oever van het IJsselmeer
Een jonge visscher zat,
Hij staart, al droevig, in den plas,
Hij, die geen toekomst had.

Drie vischjes wierp hij, moedeloos,
Mistroostig, in de zee…
En sprak: ,,Die botjes, half vergaan,
Wat moet ik daar nu mee?

Mijn gansche vischwant in de war,
De hoekers vol van wier…
Het visschen in dien dooden plas
Is dat tot mijn pleizier?

Het water in het IJsselmeer
Zoo zoetjes aan verzoet…
Ach, dat mijn visch die zoete dood
Voorzeker sterven moet.

Ons dorp gaat langzaam achteruit
Door ’t leggen van een dijk:
Wij hadden altijd werk en brood,
Al waren wij niet rijk.

Wat vischte in de Zuiderzee
Op haring, bot en schol
Hij vocht voor ’t rijke avontuur
Van zilvernetten vol.

Helaas, de zee is uitgemoord!
Van schulden wordt men ziek;
En, wat er dààdlijks onder lijdt…
De Urksche… romantiek.

Wat mij opvalt: in haar handschrift schrijft ze ‘Ons dorp gaat vliegend achteruit‘, wat in de latere versie werd vervangen door ‘Ons dorp gaat langzaam achteruit‘. Alsof ze wilde benadrukken dat de gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee langer doorwerken dan aanvankelijk gedacht. En misschien had ze daar wel gelijk in.

Dijkstra & Evenblij ter Plekke zonden 17 augustus jl. uit vanaf Urk en in een gesprek met Eva Vriend was bovenstaand fragment te horen.

En hier dan nog even vier seconden bewegend beeld van een proclamerende Mariap.

Met dank aan Els Knaapen, die mij op het audiofragment uit 1936 wees.

De stranding van de UK 53 bij Scheveningen

Soms heb ik ergens een gaatje in mijn agenda en zoek ik online door oude video’s van Schokland, Urk, Kampen, noem maar op. Door digitalisering worden steeds meer oude filmbeelden, die intussen onder het publiek domein vallen of een CC-licentie krijgen, ontsloten.

En dat is een feestje. Zo kwam ik al meerdere beelden van verschillende overgrootouders tegen, bewegende beelden van de Urker kunstenaar ‘Jan de Knipper’ – maar soms is het een simpel fragment, van een seconde of tien, dat je plots aan andere bronnen kunt koppelen.

Zo kwam ik onderstaand fragment tegen van de gestrande UK 53, bezuiden het Ververschingskanaal (Afwateringskanaal) bij Scheveningen, gepubliceerd op 19 februari 1931.

De kranten van die tijd deden uitgebreid verslag van de stranding.

Het verhaal van een stranding bij Scheveningen

Op 18 februari 1931 wilde de UK 53, bijgenaamd “De jonge Hendricus”, onder barre weersomstandigheden de haven van Scheveningen binnenlopen. Maar dat ging helemaal mis.

Terugkerend van de visserij met aan boord schipper K.L. Kramer en de bemanningsleden K. Kramer en L.G. Post, werd het schip rond 13.00 uur tijdens een zware sneeuwstorm gegrepen door wind en stroming.

Slechts veertig meter van de zuidelijke pier verwijderd sloeg het schip lek. Het roer ging verloren en het schip werd stuurloos. De schokker (in het Visserijregister ingeschreven als ‘motorbotter’) strandde uiteindelijk een kilometer bezuiden het verversingskanaal, dus in de richting van Kijkduin.

Terwijl het water snel opkwam en het schip begon te zinken, klom de bemanning in het want van de mast, waar ze, vanaf het strand gezien, boven de zee hingen, terwijl de golven over hen heen sloegen. De Scheveningse reddingsboot “Zeemanshoop” voer direct uit en bereikte al snel de plek des onheils.

Toch lukte het door de verraderlijke branding pas na meerdere pogingen om de mannen één voor één aan boord te krijgen. Eén van hen, een vijftigjarige Urker, was zo verkleumd dat hij niet meer zelfstandig kon overstappen en letterlijk van het schip getrokken moest worden.

De schipbreukelingen werden opgevangen in het huis van monteur Andries Kamp, kregen daar warme dekens en koffie, en werden daarna met spoed naar een ziekenhuis in Den Haag gebracht. Dankzij de snelle actie van de reddingsboot kwamen alle drie de opvarenden met de schrik vrij.

In september 1931 werden de moedige redders van de “Zeemanshoop” in Den Haag gehuldigd voor hun menslievende optreden.

De UK 53 werd als verloren beschouwd.

De UK 53

Ik vond in de collectie van het Centraal Visserijregister / Zuiderzeecollectie de inschrijving van de UK 53 (zie hieronder). Daarop lezen we: “18-2-31 doorgehaald, bij Scheveningen gestrand en wrak.” Voor iedere verandering (nieuw schip, nieuwe cijfers, nieuwe eigenaar etc.) werd zo’n kaart gemaakt. Bij “Dagteekening van inschrijving” lezen we “Januari 1931”.

De trieste conclusie die we uit deze (doorgehaalde, want niet meer in de vaart) kaart kunnen trekken is dat de UK 53, of het nou een botter of schokker was, maar een kleine twee maanden in de vaart moet zijn geweest.

Collectie Centraal Visserijregister / Zuiderzeecollectie. CC BY-SA 4.0.

En het verhaal van de stranding van het schip van mijn eigen overgrootvader, Klaas van Urk, in 1932 indachtig, vrees ik dat deze Klaas Kramer ook niet verzekerd was.

De Zeemanshoop

De Zeemanshoop. Maker onbekend. Wikipedia, via: http://www.scheveningen-haven.nl/info/overschepen/zeemanshoop.htm, CC BY-SA 3.0 nl, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=18565744

Nog even over de reddingsboot. De motorreddingsboot “Zeemanshoop” werd in 1925 te Scheveningen in dienst gesteld. Ze kreeg al snel de reputatie van een zeer zeewaardig schip en volbracht meerdere reddingsacties succesvol. Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelde de reddingsboot van de N.Z.H.R.M. nog een zekere rol van betekenis (op Wikipedia lezen we hier meer over).

En dan een wending, die het verhaal van de stranding van de UK 53 mooi rond maakt: eind jaren 1960 werd de boot gestationeerd op Urk:

“In 1960 zien wij haar te Lemmer en Harlingen, daarna vier jaar te Nijkerk. Toen dit station in 1965 werd opgeheven, ging de Zeemanshoop haar drukste jaren als reddingboot tegemoet. In de ruim vijf jaar, dat de boot te Urk was gestationeerd (11 december 1971 werd zij aldaar vervangen door de motorreddingvlet Hessel Snoek), kwam dit station 99 maal in actie en werden 189 mensen door de Zeemanshoop uit gevaar bevrijd. Een waardig besluit van 46 jaren actieve dienst.”

– KNRM, ‘Het avontuurlijke leven van de reddingboot Zeemanshoop’, datum onbekend. https://www.knrm.nl/blog/historie/zeemanshoop-avonturen, geraadpleegd 5 augustus 2025.

Bronnen

Hieronder volgen een passage uit het boekje ‘Vissers van Urk’, van Stichting Urker Uitgaven, en een krantenknipsel, die samen nog wat meer context geven. Overigens vonden meer strandingen plaats voor de Noordzeekust in de jaren 1930. En in de crisistijd kon zo’n stranding een flinke economische impact hebben op een gezin…

UK 53, 18 februari 1931. ,,De jonge Hendricus”

Terugkerende van de visserij trachtte de schokker met aan boord K.L. Kramer, K. Kramer en L.G. Post onder moeilijke weersomstandigheden de haven binnen te lopen: sneeuw, wind en hoge zee. Om circa 13.00 uur gebeurde het ongeluk. Nog ca. 40 meter verwijderd van de kop van de zuidelijke pier, raakte het schip onklaar en sloeg met kracht daar tegenaan. Met wind en stroom mee dreef het lekgeslagen vaartuig zuidwaarts en strandde tenslotte ten zuiden van het verversingskanaal. De bemanning klom in de mast. Snel voer de reddingsboot ,,Zeemanshoop” uit. Deze was na ongeveer een kwartier al ter plaatse, maar door de stroom en de zware branding lukte het niet de botter zelf te bereiken. Maar na enige vergeefse pogingen konden toch de bemanningsleden een voor een gered worden. Ze werden in het ziekenhuis ,,Zuidwal” opgenomen, en konden na een goede verzorging weer naar huis vertrekken. Ook de reddingboot had schade opgelopen. In september werden de moedige redders in Den Haag gehuldigd. Ze kregen een medaille met getuigschrift voor hun betoon van menslievendheid.

– T. de Vries et al., Vissers van Urk (Urk: Stichting Urker Uitgaven, 1983). p. 140

De Avondpost, 18 februari 1931

In veel kranten werd verslag gedaan van de stranding, middels een kort bericht. Maar in De Avondpost stond – nog diezelfde avond – een uitgebreid en spectaculair verslag, dat ik hier overgenomen heb.

Scheepsramp te Scheveningen

Een schokker is vanmiddag tusschen Afvoerkanaal en Kijkduin gestrand en gezonken
Tegen havenhoofd lek geslagen
Verkleumde bemanning gered

Hedenmiddag tegen half twee is de Urker schokker no. 53, ongeveer 1 K.M. ten Zuiden van het Afvoer- of Ververschingskanaal, dus in de richting Kijkduin, gestrand. 
Aan boord bevonden zich 3 man. Vermoed werd, dat de schokker eerst tegen één der havenhoofden is lekgeslagen. Door den zwaren sneeuwstorm was het zicht zeer slecht. De Scheveningsche reddingsboot „Zeemanshoop” is aanstonds uitgevaren tot het verleenen, zoo noodig, van assistentie. 

DE BEMANNING GERED! 

Schokker gezonken. 
Bij een onderzoek, door onzen verlaggever ter plaatse ingesteld, bleek, dat de schokker –de U.K. 53 – dusdanig lek geslagen was, dat hij in zinkenden toestand op het strandwas gezet. 

Doordat terzelfder tijd de vloed kwam opzetten en het zwaar bleef sneeuwen was er weldra van het schip niets meer te zien, dan de mast en het want. 

Zwevend boven zee 
De bemanning zat in het want. Door de vrij felle branding lag de boot scheef, zoodat, vanaf het strand bezien, de 3 menschen als ’t ware inde sneeuw boven de zee zweefden. 

De Zeemanshoop 
is direct naar de plek van het onheil gestevend en voer pal op de zinkende schokker aan. De drie in nood verkeerende mannen waren in staat de uit de reddingboot hangende touwen te grijpen, waarna zij spoedig uit hun netelige positie waren bevrijd. Full speed keerde toen de Zeemanshoop naar de haven terug. De kranige bemanning had een met dit weer niet ongevaarlijke redding, volbracht! 

Totaal verkleumd werden de schipbreukelingen door dep G. G. D. naar den Centralen Post gebracht en vervolgens naar het Ziekenhuis aan den Zuidwal. 

DE OORZAAK VAN DE RAMP 
Naar de schipper van het gestrande scheepje, tijdens zijn overbrenging naar de haven, aan den schipper van de reddingboot mededeelde, is de schokker tegen de Zuiderpier van de haven gehotst, en daarbij dusdanig lek geslagen, dat het scheepje weldra begon te zinken. 
Van pompen was geen sprake meer, zoodat hij besloot zijn vaartuig op het strand te zetten. 
Daarbij stootte de schokker echter op den kop vaneen golfbreker, waardoor het roer verspeeld werd, waardoor de opvarenden aan. het spel van wind en golven waren overgeleverd. 
Na eenige uiterst benauwde oogenblikken sloeg het zinkende scheepje opnieuw op den kop van den breker en bleef daar vastzitten, waarbij het tot aan de verschansing onder’ water kwam te leggen. Door den Noordwester en door de branding kwam de vloed snel opzetten, zoodat men weldra tot het middel in ’t water stond. Toen door den zwarer. golfslag het scheepje bovendien naar stuurboord kantelde, werd de toestand kritiek en was de bemanning genoodzaakt in het want te klimmen. 

Net op tijd.
De reddingsboot, aldus schipper Kramer van de U. K. 52, kwam nog net op tijd, want wij hadden gedrieën het geen kwartier meer kunnen volhouden. Zoo verkleumd waren we van de kou. 
De golven sloegen reeds over de visschers heen en vooral één van de twee knechts kreeg daarbij veel water binnen. Het vaartuig waar alleen de mast nog van te zien is, moet als verloren worden beschouwd. 

Aan den wal gebracht 
In het huisje van den monteur der reddingsboot Andries Kamp, werden de doorweekte schipbreukelingen aanstonds opgenomen, in dekens gewikkeld en vaneen heete kop koffie voorzien. 

Snelle redding. 
De reddingboot „De Zeemanshoop” is 7 minuten nadat het bericht van de stranding binnen was gekomen, reeds uitgevaren, en was bemand met den tweeden schipper Harteveld, den havenbediende Mos, den vletterman Otto Klaassen en den reeds genoemden monteur Andries Kamp. 
Laatstgenoemde vertelde ons nog, dat de boot door de zware branding genoodzaakt was eerst een goed eind zee in te varen, eer men op het in nood verkeerende schip kon afstevenen. 
Toen men echter door de kijkers waarnam, dat de bemanning reeds in het want hing, en dus iedere minuut, ja zelfs elke seconde, kostbaar was, heeft men het gevaar van de branding getrotseerd en is de schipper recht op de UK. 53 afgevaren. 
Tweemaal stootte de reddingboot eveneens op den golfbreker. Een derde maal raakte de schroef even een tros van het in nood verkeerende schip. Men heeft toen een anker uitgeworpen en zich naar het scheepje laten afzakken. De eerste maal kon eender in nood verkeerende menschen een uithangend touw grijpen en binnen boord worden gehaald. De tweede maal botste de boot met groote kracht tegen het gestrande vaartuig, waarbij schipper Kramer eveneens kans zag een gedeelte van de tuigage te grijpen en op de reddingboot te klimmen. De derde opvarende echter was. zoo verkleumd van de koude, dat hij geen kans zag zelf over te springen. Mos en Otto Klaassen zijn toen met gevaar voor eigen leven buiten boord gaan hangen, waarop men de „Zeemanshoop” zóó dicht dc U.K. 53 liet naderen, dat men den verkleumden man, die circa 50 jaar oud is, kon grijpen en van ’t vaartuig aftrekken. 

Met hoera begroet.
Toen is de „Zeemanshoop” in volle snelheid naar de haven teruggekeerd, waar redders en geredden met een hoera-geroep werden begroet. 
Terwijl Kamp ons dit zat te vertellen, kwam de vletterman Klaassen nog doornat binnen met de mededeeling, dat hij de reddingsboot weer op haar- plaats had gelegd. „De verf is nogal wat beschadigd”, voegde hij er laconiek bij. 
Bij het ter perse gaan van dit nummer waren de medici en zusters druk doende de 3 mannen, die eenige uren tevoren een kwaad avontuur hadden doorstaan op te knappen. Voor noodlottige gevolgen werd niet gevreesd.

– De Avondpost, 18 februari 1931

Tot slot

Ik blijf achter met een paar kleine vragen.

De UK 53 lijkt me, gezien de rondingen, eerder een botter dan een schokker. Maar in alle artikelen wordt gesproken van een schokker – vandaar dat ik dit hier ook heb aangehouden. Wie verlost mij van mijn twijfel?

En bestaat er een foto van de UK 53?

En in dezelfde beeldbank vond ik videomateriaal van een ander gestrand schip, ergens in maart 1931. Maar ik heb dat schip nog niet kunnen identificeren. Wie helpt me mee?

Op de golven van de tijd

‘Schokland, op de golven van de tijd…’ heet het boekje (link) uit 1998, geschreven door mijn grootvader Albert van Urk (link). Een boekje vol foto’s, afbeeldingen, herinneringen aan een verdwenen eiland.

Op het schutblad staat een quote van de door hem (en mij) geliefde J.C. Bloem: ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’.

Het citaat is een regel uit Bloems gedicht ‘Herinnering’, gepubliceerd in 1931 in de bundel ‘Media vita’.

Een paar strofen uit dat gedicht (link):

Maar het vergankelijke kent geen keer
Dan in de opstanding der herinneringen;
Gistren is even ver als deze dingen:
In het verleden is de tijd niet meer.

[…]

En zullen we, in de wervling van den tijd
En de vervoeringen, die niet beklijven,
Indachtig aan onze oude dagen blijven
Met onvergankelijke aanhanklijkheid.

Tot aan het zwichten en het laatst getij,
Wanneer de wereld één wordt met het duistren,
En wij de niet te hooren woorden fluistren:
Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij.

In de werveling van den tijd… Toepasselijk voor Schokland.

In 1859 werd het eiland ontruimd en met het vertrek van de Schokkers verdwenen ook de bijzonderheden van hun eigen cultuur, zoals hun streekdracht, hun gewoonten, hun gerechten, hun tradities, hun bijgeloof, hun kennis van het eiland, hun kennis van de Zuiderzee.

Ze vertrokken naar Kampen, Vollenhove, Volendam, Urk en andere plaatsen.

In de decennia die daarop volgden was het eiland niet geheel verlaten. Er bleven nog een paar ambtenaren (vuurtorenwachters die al dan niet tegelijkertijd havenmeester, postbeambte, baas van de visafslag waren) met hun gezinnen op het dan stille eiland wonen.

Schokland werd voor de tweede maal ontruimd toen in 1942 de polder droogviel. Na het verdwijnen van de Zuiderzee – en dus ‘het laatst getij’, eb en vloed – in 1932 werd Schokland nu een eiland op het droge.

Een paar zaken overleefden de werveling van de tijd. Zoals de Schokker moppen, een koekje van het eiland. Of een paar Schokker liederen. Of wat huisraad. Maar toch vooral bleef de herinnering aan een eiland.

De Schokkervereniging, waarin mensen van Schokker afkomst zich verenigen, werd in 1985 opgericht. Het is opvallend hoeveel nazaten zich nog identificeren als Schokker. En hoe dus die herinnering aan vroeger levend wordt gehouden, al is het eiland Schokland ‘voorgoed voorbij’.

In het voorwoord van het boekje schrijft mijn opa: ‘In dit boekje willen we beelden verzamelen en vasthouden van een eiland dat in feite niet meer bestaat. Schokland is een eiland op het droge geworden. Mét de drie andere eilanden in de Zuiderzee, Wieringen, Urk en Marken, werd Schokland ooit in één adem genoemd, lang geleden, vóór de komst van de Afsluitdijk en de drooglegging van de polders. Ze zijn verdwenen, die eilanden met hun eigen geschiedenis, folklore en dialect. […] Naar iedere nieuwe vestigingsplaats brachten de Schokkers hun verhalen mee, verhalen van ontberingen en armoede vooral. Het verhaal van Schokland is vooral de kroniek van een nederlaag.’

Beelden verzamelen en vasthouden van een eiland dat in feite niet meer bestaat.

Het waren, naast bijvoorbeeld de heren Klappe, ook Urkers die in de jaren ’80 en ’90 een kleine maar opmerkelijke rol hadden in het levend houden van de geschiedenis van Schokland. Voor de bovengenoemde oprichting van de Schokkervereniging vormde een ‘Schokkerdag’ in 1985, georganiseerd door Stichting Urker Uitgaven, de aanleiding.

In een zaaltje van de Hervormde Kerk werd een herdruk van ‘Het verlaten eiland’ van Bouman gepresenteerd. Op deze dag kwamen driehonderd Schokker nazaten af, veel meer dan de stichting had verwacht. ‘We zijn overdonderd’, aldus mevrouw Cense van de stichting (De Noordoostpolder, 16 september 1985). Voorzitter ‘meester’ De Vries: ‘Wij willen proberen de geschiedenis van Urk en de rest van de Zuiderzee niet verloren te laten gaan. Over Urk hadden we al het een en ander gepubliceerd, dus wat lag er meer voor de hand dan nu eens iets met onze naaste buren, de Schokkers, te doen?’ (De Noordoostpolder, 16 september 1985). Opa Albert van Urk droeg een gedicht voor.

Na de presentatie van het boekje, en het nuttigen van een gebakken visje met rijstepap, trok het bonte gezelschap naar Schokland. Daar werd het museum en de Gesteentetuin bezocht.

De Urkers wisten natuurlijk hoe het was om je eiland te zien verdwijnen. Ook na 1985 werden door Urkers bijdragen aan Museum Schokland gedaan. Zo werd een replica van het doopvont uit de katholieke kerk gemaakt (link) en maakte Pieter Brouwer een beeld voor de vaste buitententoonstelling.

Schokland was, naast de Urker boeren, Urk en de Eerste Wereldoorlog (link), het klokkenschip, één van de fascinaties van mijn grootvader. Niet vreemd dat het dus in 1998 kwam tot nog een publicatie van de stichting.

De ontbrekende aandacht voor de cultuurhistorie in Museum Schokland – een punt van kritiek tijdens de Schokkerdag – zou een aanleiding kunnen zijn geweest om ook dit boekje te laten drukken. Het werd aan de Schokkervereniging gepresenteerd tijdens de Schokkerdag van 1999.

En er werd rijkelijk gedrukt. De oplage was zo groot, dat in 2025 nog stapels van dit boekje onverkocht zijn.

Afgelopen week kreeg ik een vriendelijk appje van het Urker museum. Of ik nog twee dozen met het boekje wou ophalen, anders zouden ze naar de kringloop moeten gaan.

Ook het Urker museum, ‘Museum het Oude Raadhuis’, is veranderd sinds ik daar als klein jongetje met opa rondliep.

Niet alleen de manier waarop je verhalen vertelt, binnen de muren van een museum, veranderen in de tijd. Ook het werk van erfgoedhoeders in het verleden verstomt.

Meester De Vries, mevrouw Cense, Albert van Urk (om er een paar te noemen), ze zijn er niet meer.

‘Zullen we, in de werv’ling van den tijd, en de vervoeringen, die niet beklijven, indachtig aan onze oude dagen blijven, met onvergankelijke aanhanklijkheid, tot aan het zwichten en het laatst getij?’

En nu ligt dat boekje van mijn opa dus in de achterbak van mijn auto. Ergens ontroert het me een beetje. ‘Voorbij, voorbij…’

Ik denk dat we er een mooie bestemming voor gaan vinden in Museum Schokland.

100 dagen op Schokland: het schriftje van Ingvar Kristensen

Voor de Tweede Wereldoorlog begint de aanleg van de Noordoostpolder, de eerste polder van Flevoland. Schokland, een verlaten eiland in de voormalige Zuiderzee, ligt in het midden van die beoogde polder. De bezetter ziet de aanleg van de polder wel zitten: het zal zorgen voor voedselvoorziening. De inpoldering gaat tijdens de oorlog dus gewoon door.

Bovendien krijgen arbeiders in de Noordoostpolder vrijstelling van de verplichte ‘arbeitseinsatz’ in Duitsland. Het werk is zwaar: veel van de sloten en greppels werden met de hand gegraven. De leefomstandigheden zijn slecht. Ook duiken veel Nederlanders in de polder onder. Er vinden razzia’s plaats. De polder krijgt na de oorlog de bijnaam ‘Nederlands Onderduikers Paradijs’.

Eerste pagina van het schrift van Ingvar Kristensen. Afbeelding: collectie Museum Schokland.

Ingvar Kristensen

Ingvar Kristensen (1918-1996) is geboren in Leiden. Al op jonge leeftijd blijkt zijn liefde voor de natuur, want zijn hele kamer staat volgebouwd met aquaria. Een studie biologie ligt dus voor de hand. In het kader van zijn studie besluit de jonge Kristensen in 1941 de natuurontwikkeling in de nieuwe, slecht bereikbare, Noordoostpolder te gaan onderzoeken. Dat brengt hem nog datzelfde jaar naar de polder. Hij bezoekt enkele malen Schokland. Het eiland is dan nog niet eens drooggevallen.

100 dagen op Schokland

Hij vestigt zich in 1942 bij de oude haven van Schokland. ‘Het verblijf van 100 dagen op Schokland’ schrijft hij in zijn dagboek. Kristensen wil langere tijd op Schokland verblijven. Hij voert daarvoor als reden aan:

‘Schokland bleek zowat het centrum van flora en fauna van den N.O.P. te zijn. Het ligt echter bijna 15 KM. van Kampen vandaan; de weg Kampen-Ramspol was dikwijls één geglibber door de modder, dan weer een gezeul met je fiets door het mulle zand voor den nieuwen weg. Dan moest men tweemaal overgezet, en dán kwam nog het ergste, het gebagger door de klei. Het zou teveel tijd kosten om dit althans eenige malen per week te doen, terwijl men bij een verblijf op Schokland vrijwel elke dag of elk gewenscht uur aan het onderzoek kan besteden.’

In eerste instantie vestigt hij zich in de schapenschuur van havenmeester Spit. Hij maakt uitgebreide beschrijvingen van hoe hij de schuur inricht, welke lichamelijke oefeningen hij verricht, hoe hij aan schoon drinkwater komt en hoe hij aan eten komt (onder het kopje ‘Het Fourageeren’).

Met Pinksteren verlaat hij Schokland voor een paar dagen, waarschijnlijk om familie te bezoeken. Als hij naar Schokland terugkeert, is er ingebroken in zijn provisorische woning. Kristensen geeft de moed niet op en neemt nu intrek in het huis van de havenmeester: de lichtwachterswoning.

Het tweede onderkomen dat Kristensen betrok was de lichtwachterswoning, nu Rijksmonument de Lichtwachter. Deze foto is ingeplakt in het schriftje. Afbeelding: collectie Museum Schokland.

Moerasandijvie

Hij tekent zijn belevenissen op in een schrift. En dat zijn er heel wat. Op scherpzinnige wijze en soms met een kwinkslag doet hij verslag van de gemakken en ongemakken die hij ondervindt. Hij ontmoet onbekende en bekende mensen, zoals de heer Modderman. Deze jonge archeoloog maakt naam door zijn opgravingen en onderzoek van scheepswrakken in de polder.

In de aantekeningen van Kristensen is vanzelfsprekend ook veel aandacht voor de ontluikende natuur:

‘Heel opvallend was de moerasandijvie die er zich geweldig ontwikkelde. De zeeaster bloeide in alle variaties rondom Schokland. Op het eiland zelf waren de velden zilverschoor en Cochlearia [lepelblad, red.] soms schitterend. […] Als plantaardige bijzonderheid had Schokland een spichtige vorm van waterpest (Elodea canadensis angustifolia), die in de lagunen bloeide en groeide, dat het een lust was. Ik was de eerste, die deze vorm in Nederland vond.’

Tekeningen van de landafslag van Schokland in het betreffende schrift van Ingvar Kristensen, door hemzelf getekend aan de hand van eerdere bronnen. Afbeelding: collectie Museum Schokland.

Onderzoek in de oorlog

Zijn dagboekaantekeningen geven een uniek beeld van de eerste jaren van de bezetting, maar ook van de vroege vegetatie op de voormalige zeebodem, de nieuwe diersoorten en hoe de Zuiderzeewerken verlopen.

Kristensen kan in relatieve vrijheid, tussen de werkkampen en het toezicht van de bezetter, zijn onderzoek doen. Toch blijkt uit zijn aantekeningen dat hij kritisch staat tegenover de bezetting.

‘De oude burgemeester van Kampen was afgezet omdat hij weigerde om koninklijke namen van straten te veranderen. Opvolger werd Jonkheer van Sandbergen, die zich als N.S.B.-leeraar op de koloniale Landbouwschool te Deventer geheel onmogelijk gemaakt had. In Kampen bemoeide hij zich met alles. Eens stond hij op de IJselbrug en zag, hoe een schip zonder vaart te verminderen de brug passeerde. Hij riep den schipper toe, maar die hield zich doof. De burgemeester wond zich hierover op en riep tenslotte: “Weet je wel, wien je voor je hebt? Ik ben de burgemeester van Kampen!” De schipper keek even op en riep: “Ha, ha! Hoe lang nog?” Kort daarop werd de burgemeester door een “goeden” controleur betrapt op het binnensmokkelen van zwart vleesch. Hiermee werd zijn positie onhoudbaar en kon hij niets anders doen dan maar naar het Oostfront te vertrekken.’

Kristensen beschrijft zijn ontmoetingen op Schokland maar ook in andere plaatsen, zoals Kampen, Kuinre en Urk. Op Urk overnacht hij in Hotel Havenzicht, getuige het bonnetje dat ingeplakt zit in zijn schriftje.

Nota van Hotel Havenzicht (Weduwe A. Brouwer – Urk [WABU]) uit 1942, ingeplakt in het schrift. Voorburg is in die tijd een geliefd sinaasappelbittertje. Afbeelding: collectie Museum Schokland.

Uniek document

Het moedige en avontuurlijke onderzoek van Kristensen raakt in de vergetelheid, tot Museum Schokland in 2022 een schenking krijgt van de nazaten van de bioloog: zijn schriftje. Een uniek document dat zowel een beeld geeft van het leven tijdens de oorlog als van de flora en fauna in de prille polder.

Het geeft meer inzicht op de unieke waarden van Werelderfgoed Schokland en omgeving. Want mede door de inpoldering en het Wederopbouwgebied rondom het voormalige eiland, verkrijgt Schokland, als eerste plaats in het Koninkrijk, in 1995 een plek op de Werelderfgoedlijst.

In september 2022, tachtig jaar nadat de Noordoostpolder droogvalt, zendt Omroep Flevoland een documentaire uit over het prille begin van de polder. Het is dan de laatste week dat ik bij Museum Schokland als communicatiemedewerker in dienst ben. Een mooie afronding van deze functie.

Afscheid van Schokland

In september beginnen de dagen korter te worden. Het wordt voor Kristensen tijd het eiland te verlaten. Precies in die maand valt de polder officieel droog. Kristensen is hier dus getuige van. Het langdurige verblijf eindigt met een paar ontroerende zinnen:

‘Het afscheid van Schokland was allerminst droevig. Ik had er van gehad, wat ik er van hebben wilde, en dat gaf groote voldoening. De zomer was voorbij, en het was misschien wel de mooiste zomer geweest, die ik ooit gehad heb, want mooier wijze om de schepping te leeren kennen, is haast niet denkbaar.’

In oktober keert hij nog eens terug. In het voorjaar van 1943 probeert Kristensen zich opnieuw voor een langere periode op Schokland te vestigen, maar: ‘[…] juist, toen ik mijn intrek daar zou nemen, veroorzaakten de Duitsche maatregelen mijn spoedig vertrek uit den polder, zoodat ik mijn werk aan anderen moest overlaten.’

Ingvar Kristensen (midden) op een foto in het schrift. Afbeelding: collectie Museum Schokland.

Bij zijn vertrek van Schokland wordt de trein, waarin hij zit, beschoten door een geallieerd vliegtuig. Kristensen overleeft de beschieting, maar de wagon waarin zijn bagage (met zijn onderzoeksresultaten) zit, wordt volledig vernietigd. ‘Het verlies van alles waarvoor hij zo lang en met zoveel ontbering had gewerkt was een grote slag’, schrijft C. Swennen in een in memoriam in 1996 (BASTERIA, 60: 195-200, 1996). ‘Zijn korte artikel in Het Aquarium van 1944 [De vestiging van enkele waterplanten en dieren in de N.O.-polder. – Het Aquarium 14 (10): 85-86, 91.] is het enige wat er van dit onderzoek is vastgelegd.’

Maar dan is er natuurlijk nog dit schriftje, nu veilig in de collectie van Museum Schokland. Ook online te raadplegen via de website van Museum Schokland.

Hoe de Urker ijsvlet bewaard bleef

In de tijd dat Urk nog een eiland in de Zuiderzee was, vormde de winter een bijzondere uitdaging. Wanneer de zee dichtvroor, werd het eiland geïsoleerd van de buitenwereld. In deze barre omstandigheden kwam de ‘ijsvlet’ in actie: een speciaal ontworpen boot uitgerust met glij-ijzers, die zowel over ijs als door open water kon worden voortbewogen. Deze vletten waren essentieel voor het transport van voedsel, post en het verlenen van medische hulp tijdens de strenge winters.

De Urker vereniging ‘Hulp en Steun’

In 1897 werd op Urk de vereniging ‘Hulp en Steun’ opgericht. Deze organisatie beheerde meerdere ijsvletten en coördineerde reddingsacties voor schepen die vastzaten in het ijs. De bemanning van de ijsvlet, de ‘ijslopers’ genoemd, trotseerde vaak levensgevaarlijke omstandigheden om hulp te bieden en verbindingen met het vasteland te onderhouden. Deze tochten stonden bekend als ‘bloedreizen’ vanwege hun gevaarlijke en uitputtende karakter.

In het Urker dialect wordt met ‘bloedreis’ nog steeds een ‘hachelijke tocht’ bedoeld.

De laatste tocht

Met de aanleg van de dijk naar de Lemmer in 1939 en later de opening van de weg naar Emmeloord in 1948, verloor de ijsvlet zijn functie.

Toen dreigde de laatste overgebleven houten ijsvlet, gebouwd vóór 1870, te worden afgedankt en als brandhout te eindigen.

Dankzij het initiatief van oud-voorzitter van Hulp en Steun, Lubbertje (Lub) Kramer, werd de vlet echter in 1949 geschonken (tegen een onkostenvergoeding van 75 gulden) aan het Zuiderzeemuseum in oprichting in Enkhuizen, waar hij tot op de dag van vandaag wordt bewaard.

De laatste tocht van de ijsvlet voerde naar Enkhuizen. Niet over het ijs, maar over de weg: vastgebonden op een transportwagen.

De bloedreis nagespeeld

In datzelfde jaar werd in Enkhuizen een ‘Urkerdag’ georganiseerd. Het nieuwe museum zou al geopend moeten zijn, maar die opening werd een jaar uitgesteld. In plaats daarvan werd in de Drommedaris van de ‘Geuzenstad’ een ‘Zuiderzee Tentoonstelling’ georganiseerd. Naast de ‘Urkerdag’ werden ook een ‘Spakenburgerdag’ en een ‘Markerdag’ georganiseerd. Vol deelnemers in klederdracht, met muziek, toespraken, dans en voordrachten. In een ander, kort, fragment is de Urker dorpsdichteres Mariap van Urk te zien, die een toespraak houdt.

Misschien is de vlet op die dag wel feestelijk aan het Zuiderzeemuseum overhandigd, dat zou ik eens na moeten zoeken.

In het fragment zien we in ieder geval hoe de ijsvlet werd gebruikt. De ‘sterke mannen’ bonden ijzers onder hun voeten om grip te krijgen op het ijs. De ijsvlet werd vooruit geduwd of getrokken. Zeilen hielpen de ijsvlet wat meer ‘goffie’ te geven.

De Urker dichteres Mariap schreef in één van haar bundels: ‘De leden van de bemanning hadden het niet gemakkelijk, hoor! ’s Morgens vroeg kregen zij, voor hun uitvaart, eerst een bord erwten of bonen voor “vastigheid” in de maag. Daarna werd gebeden voor een goede overtocht. […] De tocht ging via Schokland, over de Ramspol naar Kampen. […] Was de vlet in zicht op Urk, na ’n moeizame tocht, dan liepen de jongelui van ons eiland de bemanning tegemoet, de zelen of spantouwen werden dan overgenomen, en de ijsvletters liepen achter de jongkerels aan. Dat was een triomftocht. […] Wat niet verdwenen is, dat is de rheumatiek, niet te verwarren met romantiek, van alle vissers die tot de bemanning van deze schuit hebben behoord. En in een hoekje van de kast staat nog wel het flesje “pérecheulie” (pijlrogolie) dat moeder de vrouw maar vast klaarzette, als onfeilbaar middel, om de oververmoeide gewrichten op gang te helpen, na een “bloedreis”.’ (Mariap van Urk, Urker ambachten en bedrijven. Enkhuizen: Vereniging van Vrienden van het Zuiderzeemuseum, 1955, p. 39.)

Deze toelichting hoort bij het gedicht ‘De ijsvlet’, dat in dezelfde bundel verscheen. Misschien droeg ze (een eerdere versie van) het gedicht wel voor tijdens de Urkerdag in Enkhuizen? Als handeling van overhandiging?

In De Waterkampioen (1951, no. 883 (feb), p. 69) schrijft drs. A. Schaper: ‘Ontroerend is de “Ode aan de oude Urker ijsvlet” gedicht door Mariap van Urk ter gelegenheid van deze overdracht, waarin zij de prestaties van de ijsvlet en de ontberingen van zijn dappere bemanning bezingt.’

De ijsvlet.

Oude, trouwe Urker ijsvlet!
Bitter stevig vastgesnoerd,
Werd jij, boven op een auto
Naar de Geuzenstad gevoerd.

Over Zwolle, Utrecht, Mokum
Ging je! Voor je laatste reis!
Zal het wéér een “bloedreis” worden,
Net als vroeger, over ’t ijs?

Menig barre Noordpool-winter
Heb je goede dienst gedaan:
En je voerde post en kranten,
Ja óók levensmidd’len aan.

Op je allerláátste “ijsreis”
Zat een stoomboot in de knel
Tussen huizenhoge schotsen
In ’t Zuid-West, zeg, weet je wel?

Hier van Urk af nauw’lijks zichtbaar
Seinde men, uit bitt’re nood,
Vrouwen en zelfs kind’ren waren
In gevaar op deze boot.

Dapp’re mannen waagden ’t leven,
Grepen spaak en roer en touw,
Gingen onverschrokken vóórwaarts,
Ondanks vorst en felle kou.

Piepend’ knarsten j’oude ijzers
Krakend’ ging ’t gebinte mee…
Wieg’lend, schuivend, zeilend, glijdend,
Zeulde de bemanning mee.

God beloonde ’t ernstig streven:
Vrouw en kind werd rijk gered:
En in menig Urker woning
Steeg een vurig dankgebed.

In het Zuiderzeemuseum,
Treft men vele dingen aan…
Doch ik smeek U, laat de ijsvlet
Op een éreplaatsje staan!

De ijsvlet van Schokland

Niet alleen op Urk, maar ook in andere Zuiderzeeplaatsen zoals Schokland, Spakenburg, Wieringen en Marken werden ijsvletten gebruikt. Deze boten waren cruciaal voor het onderhouden van verbindingen tijdens strenge winters. Zo onderhielden de bewoners van Schokland contact met Kampen.

Op Schokland, de Middelbuurt, is nog de schuur te vinden van de Schokker ijsvlet. De ‘IJsloperschuur’ is tegenwoordig een Rijksmonument. Het ligt wat verscholen achter de niet-authentieke museumgebouwen in ‘Zuiderzeestijl’. De ijsloperschuur is wel authentiek, al is in de loop van de jaren natuurlijk veel houtwerk vervangen.

De IJsloperschuur op Schokland. Rijksmonument. Foto: Pa3ems, via Wikimedia Commons. CC BY-SA 3.0.

En de ijsvlet zelf? Die heeft de tijd helaas niet overleefd. Het zou nog eens een mooi kunstproject zijn om een ijsvlet na te bouwen…

‘Voor wat een bloedreis werd geheten’

Tegenwoordig herinnert een kunstwerk bij de ingang van het ‘oude dorp’ op Urk, gemaakt door kunstenaar Piet Brouwer, aan de moedige tochten van de ijsvletbemanningen. Bij het monument zijn de namen van de deelnemers aan de laatste tocht te vinden, namelijk: Albert van Veen, Reijer Post, Tiemen Weerstand, Cornelis Bakker, Hessel van Urk, Jaap van Veen, Jan Bakker, Jan Wakker, Teunis Pasterkamp en Johannes van Veen.

Het is mij onduidelijk of deze mannen ook in het bovenstaande filmfragment te zien zijn, of dat dit om andere Urkers gaat.

De ijsvlet door Piet Brouwer, 1992. Foto: Pa3ems, via Wikimedia Commons. CC BY-SA 3.0.

Bij deze ijsvlet – op schaal – schreef ‘meester’ Tromp de Vries een prachtig gedicht.

Een raadselachtig fenomeen:
tien mannen die welhaast verloren
in dichte nevels om zich heen,
hun hakken in de schotsen boren.

Ze zijn nu gans en al alleen,
er is geen mistsein meer te horen,
en ’t licht dat van de vuren scheen
ging in de grauwe nacht verloren.

Ze stonden met z’n allen klaar
voor wat een bloedreis wordt geheten,
en hebben huis en haard vergeten
om in een tocht zo bang en zwaar,
en menigmaal in doodsgevaar,
zich met hun element te meten

Door de prominente plek van het monument wordt de herinnering aan de ijsvlet levend gehouden.

Begin 2018 gooide de Urker afdeling van de ChristenUnie nog een balletje op om de ijsvlet uit het Zuiderzeemuseum terug naar Urk te houden. Zo’n object hoort toch op Urk thuis? Een mooie campagnestunt misschien, maar ze vergaten voor het gemak van hoeveel belang de juiste conservering van zo’n minstens 150 jaar oud schip is.

Een ereplaats

De Urker ijsvlet werd in 1949 gered van de stook.

En er gebeurde waar dichteres Mariap op hoopte: al decennia heeft de Urker ijsvlet een ereplek in de vaste tentoonstelling van het Zuiderzeemuseum, onder collectienummer ZZM 000589.

De Urker ijsvlet in de schepenzaal in het binnenmuseum van Zuiderzeemuseum Enkhuizen. Datering foto onbekend. Bron: Zuiderzeecollectie / Zuiderzeemuseum Enkhuizen. CC BY-SA 4.0.

Voor deze post heb ik dankbaar gebruik gemaakt van: het artikel ‘IJsvlet gered van de sloop’, geschreven door Lub van den Berg, verschenen in het ‘Urker Volksleven’, mei 2020; de objecten van het Zuiderzeemuseum in de Zuiderzeecollectie (zie verwijzingen hierboven); de pagina op de website Flevolands Erfgoed over de ijsvlet door Piet Brouwer.

Proefgeloven en Jonah Falke

Op de middelbare school noemden we ze ‘oo-gees’: de groep scholieren die we iedere schooldag tegenkwamen op het fietspad van Urk naar Emmeloord. Wij onderweg van Urk naar de polderstad, zij vanuit de polder naar de uitloper van de biblebelt. En ’s middags in omgekeerde richting. Ze behoorden tot een andere wereld, met de rokken van de meisjes en de lange broeken van de jongens in de zomer.

Hoewel ik ben geboren en deels opgegroeid op Urk, behoorde ik niet tot de refo’s. Dat was een andere subcultuur. Want onze eigen bubbel, daar hoorden eigenlijk alleen de ‘gewone’ hervormden en gereformeerden toe. Misschien ook wel de christelijk gereformeerden en Nederlands gereformeerden, misschien zelfs ook de vrijgemaakten, maar alles ‘rechts’ daarvan – daar hadden we eigenlijk niet zoveel contact mee.

‘Oo-gee’ was voor ons een scheldwoord en het kwam wel eens tot puberaal duwen en trekken op de fiets. Oo-gee (OG) staat voor Oud-Gereformeerd, de meest orthodoxe stroming (op misschien de ’thuislezers’ na, dan). We gooiden alle orthodox-gereformeerden voor het gemak op één hoop. En zij ons, als heidenen, misschien ook wel.

In zijn recent verschenen boek, ‘De Bible Belt’, neemt schrijver en kunstenaar Jonah Falke de lezer mee op een diepgaande en persoonlijke ontdekkingsreis door de orthodox-gereformeerde gemeenschappen van Nederland.

Als agnost van buiten de biblebelt besloot Falke zich anderhalf jaar lang onder te dompelen in een voor hem onbekende wereld, gedreven door zijn nieuwsgierigheid en een verlangen om voorbij de clichés en vooroordelen te kijken die vaak aan dit strookje land kleven. Je zou het proefgeloven kunnen noemen: al was Falke daar niet bewust mee bezig.

Voorbij het vooroordeel

Falkes interesse voor de Biblebelt werd gewekt na een ontmoeting met journalist (en oud-Urker) Riekelt Pasterkamp op een cruiseschip richting New York. Deze ontmoeting deed hem beseffen hoe beperkt zijn kennis was over deze gemeenschap. Falke wist meer over de Amerikaanse metropool dan over de biblebelt, schrijft hij. Waarom was dat eigenlijk zo?

Vastberaden een genuanceerder beeld te krijgen, bezocht Falke diverse kerkdiensten, logeerde hij bij een domineesgezin en sprak hij met een breed scala aan mensen binnen de gemeenschap(pen), van dominees tot jongeren en politici. Deze benadering stelde hem in staat om diep door te dringen in een gemeenschap die vaak als gesloten wordt beschouwd.

Een van de meest opvallende ontdekkingen voor Falke was de gastvrijheid en toegankelijkheid van de mensen binnen de Biblebelt. ‘Ik heb ontdekt dat mensen in de Biblebelt niet wereldvreemd zijn, maar toegankelijk en slim – er wordt veel gelezen. Ik zag ook veel humor: er wordt veel gelachen.’, zegt hij in een interview in het Reformatorisch Dagblad

Deze ervaringen stonden in schril contrast met de vooroordelen die hij eerder had. Falke realiseerde zich dat de gemeenschap veel diverser en opener is dan vaak wordt aangenomen.

Mijn eigen vooroordelen begonnen ook te verbleken ook toen ik als vakkenvuller in de Boni, de grootgrutter van het oostelijke deel van de biblebelt, opeens reformatorische collega’s had. We verschilden wel, maar over heel veel zaken waren we het toch wel hartgrondig eens. En de gesprekken met leeftijdsgenoten over thema’s als de positie van vrouwen en abortus zijn mij bijgebleven. Ze waren ook benieuwd wat ik ervan vond.

Diepgaande ontmoetingen

Een bijzondere ervaring was zijn verblijf bij het gezin van ds. A. den Hartog in Tholen. Falke verbleef een weekend in de pastorie van de Hersteld Hervormde Kerk. ‘De verschillen met de wereldse wereld vond ik niet zo groot. Ik had een gezin verwacht waar het stil was, maar de kinderen renden door de tuin en het huis, waren zelfs aan het voetballen. Er werden frikandellen en poffertjes gegeten.’, vertelt hij in hetzelfde interview. 

Ondanks religieuze overtuigingen vertoont de dagelijkse realiteit van refo’s veel overeenkomsten met die van niet-gelovigen. Niet zo gek ook.

Dagelijkse realiteit. Toen ik op een zondagmiddag van Urk naar mijn toenmalige lief in de Randstad wilde rijden, viel mijn Peugootje na een paar honderd meter plots uit. Het was op een weg die ’s zondags geldt als een aanlooproute naar een aantal strengere kerken. Om me heen liep het donkergeklede kerkvolk.

Ik schaamde me: ‘we’ waren gewend om ‘ze’ te respecteren en andersom. Nu kreeg ik het autootje niet aan de praat en mijn poging het te starten maakte veel herrie op deze rustdag. Ik zag de kerkgangers opkijken.

Toen kwamen een paar jongemannen in het zwart naar me toe. Ik weet nog dat ik schrok. Wilden ze verhaal halen omdat ik hun kerkgang verstoorde?

Maar de motorkap werd opengedaan, er werd wat met draadjes gefrutseld of aan buisjes gevoeld. En plots startte de auto weer. Er werden niet veel woorden gewisseld. Ze zagen wel mijn dankbaarheid in mijn gezicht.

Enkele ogenblikken later reed ik, nog steeds als heiden, met een paar vooroordelen minder de A6 op.

Vrijheid voor andersdenkenden

Misschien wel de meest verrassende wending in Falkes reis was zijn ontmoeting met dominee Kort, een predikant die bekendstaat om zijn strikte opvattingen. Aanvankelijk verwachtte Falke weinig openheid, maar tot zijn verbazing werd hij – uiteindelijk – hartelijk ontvangen.

Net als Falke heb ik en half Nederland een vooroordeel klaar over deze ‘haatdominee’. Dat komt door die aflevering van BOOS, van Tim Hofman.

In een mooi maar soms wat warrig gesprek tussen Falke en Van der Laan in Nooit meer slapen, vraagt Van der Laan in verschillende bewoordingen aan Falke waarom hij de intolerantie van de biblebeltbewoners niet meer aandacht heeft gegeven. Dat zou toch zijn plicht moeten zijn? Ik meen te horen in Falkes stem dat deze vragen wat irritatie bij hem oproepen. Hij verdedigt zijn werkwijze: hij is een schrijver en geeft een minderheid een stem.

Ook de intolerantie van de refo’s is grondwettelijk verankerd. Dat is waar Hofman problemen mee heeft. Maar waar Falke juist door wordt aangespoord.

Hij schroomt niet om in zijn boek vooraf en nadien Rosa Luxemburg aan te halen (grappig dat zij in een boek over orthodox gereformeerden wordt geciteerd): ‘Vrijheid betekent immer: vrijheid voor andersdenkenden’.

Complexiteit

‘De Bible Belt’ is dus geen journalistiek verslag maar een introspectieve reis waarin Falke zijn eigen aannames en perspectieven voortdurend bevraagt. Zijn ervaringen nodigen de lezer uit om na te denken over de complexiteit van geloof, gemeenschap en identiteit in het moderne Nederland.

Ik heb vaak hardop gelachen, omdat Falke, hoewel niet vertrouwd met de protestantse wereld en de refowereld in het bijzonder, vaak de zo unieke humor weergeeft. Want ondanks alle zwaarmoedigheid is er toch ook veel lichtzinnigheid.

Ook complex: al die stromingen, al die verschillende gebruiken, al dat protestantse jargon. Soms gaat Falke de mist in bij een detail.

Maar mijn hart ging sneller kloppen van die psalmen in oude berijming en de bijbelteksten in de Statenvertaling. Hij heeft echt zijn best gedaan om alles getrouw weer te geven.

En dat valt niet mee. In het begin van het boek staat de ons bekende stamboom met alle doleanties. Alleen begrijpelijk voor insiders.

Ik zit in een groepsapp die de naam draagt van de gemeenschappen waartoe de vrienden in kwestie behoren of behoorden: CGK, GKV, NGK, NHK. En mijn oude studievrienden in Amsterdam vinden het verschil tussen katholiek en protestants al ingewikkeld.

Proefgeloven

Als puber heb ik mij zo hevig verzet tegen die intolerantie van de ‘mannenbroeders’. Toen we met een punkbandje optraden kregen we brieven van dominees in de lokale krant. Koren op onze molen, natuurlijk.

Maar later ben ik ook de schoonheid van onze vrijheden en pluriformiteit gaan inzien. Juist die vrijheid van godsdienst, meningsuiting, onderwijs, maakt dat we over het algemeen goed met elkaar kunnen samenleven.

Mijn eigen, wat onwennige, proefgeloven is begonnen toen ik in 2018 de Bethelkerk in Den Haag bezocht, waar een estafettedienst aan de gang was om te voorkomen dat een Armeens gezin uitgezet zou worden. Dit kerkasiel maakte diepe indruk op mij. Niet alleen vanwege de maatschappelijke relevantie van de kerk, maar ook vanwege de bijzonderheid van de uitzonderingspositie van religie in ons land. Want binnen de kerk kan de buitenwereld je niets maken. Ook dat is de erfenis van een half millennium godsdiensttwisten. Ook dat is tolerantie, de wet, de vrijheid.

Nu dat proefgeloven alweer een zeven jaar aan de gang is, en ik ben teruggekeerd naar de kerk van mijn voorouders, heb ik nog steeds moeite met de intolerantie in mijn eigen gemeenschap of doleantie.

Maar: als je bewust buiten de gemeenschap gaat staan, kun je ook geen verandering tewerkstellen. In een wat meer vrijzinnige kerk hoorde ik een oproep: praat met elkaar als je verandering wil. Want alleen dan zul je iemand overtuigen.

Waar ik mee achterblijf, na het lezen van dit boek, zijn dus mijn eigen vragen bij het mechanisme van tolerantie en intolerantie. En dat is onbevredigend. En daardoor goed. Falke heeft het ergens over de mooie overeenkomst tussen de agnost en een oud-gereformeerde: de twijfel. Het niet-stellig weten. Of misschien beter nog: het stellig niet-weten. En daar sluit ik mij graag bij aan.

In zekere zin is het boek van Falke een oproep tegen bubbels en polarisatie en voor wederzijds begrip. En een oproep om minderheden gelijk te behandelen.

En een andere conclusie: er zit toch ook iets werelds, iets universeels in dat lokale, in dat kleine strookje Nederland dat we biblebelt noemen.

‘Urker’ oorlogsverhalen en de Eerebegraafplaats Bloemendaal

In de duinen bij Overveen ligt de Eerebegraafplaats Bloemendaal. Langs de Zeeweg, richting de kust, vind je de ingang. De begraafplaats wordt geflankeerd door een groot ruwhouten kruis.

Eerebegraafplaats Bloemendaal. Eigen foto, 2018.

Na de bevrijding keerden veel verzetsleden niet terug naar hun families. In de zomer van 1945 werd in 45 grafkuilen in de duinen, verdeeld over zes verschillende plaatsen, de stoffelijke overschotten gevonden van 422 mensen.

De herbegrafenis moet een helse klus zijn geweest. De gefusilleerden waren nog nauwelijks te herkennen.

‘Oud, jong, bankier, los werkman, rechtbankpresident, drogist, familievader, trotse homo, communist, gereformeerde, beeldhouwer, boerenknecht. Een typische dwarsdoorsnede, kortom, van het verzet in westelijk Nederland’, aldus Geert Mak op 5 mei 2006 in NRC Handelsblad.

Op de sobere begraafplaats, die zo prachtig aansluit bij de natuur, zijn bekende namen terug te vinden, zoals Hannie Schaft (overigens de enige vrouw op de begraafplaats) en Gerrit van der Veen. De Eerebegraafplaats werd zo ingedeeld, dat zij die op dezelfde plaats gevonden werden, ook bij elkaar herbegraven werden.

Opvallend veel van de verzetsmensen waren afkomstig uit de Zaan, de Zaanstreek. En ontzettend veel gefusilleerden waren communist, of hervormd of gereformeerd.

Gedenkplaten met tekst van Van Randwijk. Eigen foto, 2018.

In 1953 wilde men een gedenkteken op de begraafplaats laten verrijzen. H.M. van Randwijk leverde twee opties aan, een stuk proza en een gedicht. De keuze viel op het proza en de krachtige tekst werd op vier platen op de begraafplaats aangebracht.

‘Tegen het geweld des vijands stelden zij overtuiging en geloof, tegenover het Germaanse heidendom het getuigenis van Christendom en Humanisme, tegenover de georganiseerde millioenen de onvervangbare waarde van den mens. […] Bedenk, dat hetgeen gisteren bedreigd werd, heden en morgen opnieuw in gevaar kan verkeren. Bescherm het en wees waakzaam.’

Het gedicht, dat een plek op de begraafplaats niet haalde, zou overigens later nog bekender worden. De slotregels daarvan luiden: ‘een volk dat voor tirannen zwicht, / zal meer dan lijf en goed verliezen, / dan dooft het licht.’

Willem Arondéus

Het was in de lente van 2018, toen ik, in de IHLIA-sectie in de Openbare Bibliotheek in Amsterdam, met mijn neus in de biografie (door Rudi van Dantzig) over Willem Arondéus zat. Deze verzetsstrijder en openlijk homoseksueel had voor de oorlog twee jaar op Urk gewoond.

Arondéus was dikwijls ongelukkig en geplaagd door psychische problemen. Maar zijn psychische en financiële zorgen maakten niet dat hij zijn kunstenaarschap opgaf. Op Urk kon hij zich rond 1920 in afzondering op zijn werk storten. Tot grote doorbraken in de kunst leidde dit echter niet.

Wel was hij ook op Urk openlijk over zijn geaardheid, iets dat in die jaren een groot taboe was in het hele land. Geïnspireerd door de poëzie van P.C. Boutens schreef hij op het eiland, waar hij ondanks zijn depressies ook dikwijls gelukkig was, een bundel met twintig gedichten, waarin hij gewag maakte van zijn verhoudingen met twee Urker mannen.

Twintig jaar na zijn periode op Urk brak de oorlog aan. Arondéus verzette zich moedig tegen de bezetter. Hij schreef al in 1942 de ‘Brandarisbrief’, een pamflet waarin hij kunstenaars opriep zich te verzetten tegen de bezetter.

Het daaropvolgende jaar blies hij, met leden van de verzetsgroep Gerrit van der Veen, het bevolkingsregister aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam op.

Arondéus werd opgepakt en gefusilleerd. Vlak voor zijn dood wendde hij zich tot zijn advocate en vroeg haar: ‘Zeg de mensen dat homoseksuelen niet per definitie zwakkelingen zijn’.

Gedenksteen Willem Arondéus. Eigen foto, 2018.

Hoewel Arondéus leider van de actie was, zou vooral Gerrit van der Veen na de oorlog herinnerd worden. Waarschijnlijk paste Arondéus als homoseksueel niet in het na-oorlogse herdenkingsnarratief. Ook Frieda Belinfante, homoseksueel en dochter van een joodse vader, die de oorlog overleefde, kreeg weinig erkenning.

De aanslag op het bevolkingsregister was één van de grootste verzetsdaden in ons land. Tijdens de aanslag werd overigens, opzettelijk, geen enkele Duitser omgebracht. In 1946 werd op de gevel van het bevolkingsregister een gedenkplaat aangebracht.

Ik kwam erachter dat Arondéus begraven ligt op de Eerebegraafplaats. Als jongen ‘uit het oosten’ had ik nog nooit van deze begraafplaats gehoord en ik kwam erachter dat het op slechts een kwartier fietsen van mijn toenmalige appartement in Zandvoort lag.

Roelof Tiede Oost

Op die lentedag in 2018, op zoek naar Arondéus, viel mijn oog op een mij bekende naam: Roelof Tiede Oost. Niet dat ik wist om wie dit ging. Nee, mijn overgrootvader droeg dezelfde naam. Familie?

Roelof Tiede Oost was een gewone man met een buitengewone moed. Samen met zijn gezin woonde hij in Medemblik, waar hij werkte als portier en later als klerk in het Provinciaal Ziekenhuis. Daarnaast vervulde hij een administratieve rol bij het ziekenfonds. Maar in de loop van de Tweede Wereldoorlog werd hij veel meer dan dat: een uitgesproken tegenstander van de NSB en de Duitse bezetter.

Vanaf 1942 raakte Oost actief betrokken bij het verzet. Hij hielp onderduikers door hen onderdak te bieden en zorgde ervoor dat zij veilig konden blijven. Daarnaast verspreidde hij verboden kranten, waaronder het verzetsblad Vrij Nederland.

In de laatste maanden van de oorlog gebruikte hij een verborgen radiotoestel in het ziekenhuis om naar de Engelse zender te luisteren. Hij noteerde belangrijke berichten, typte ze uit en verspreidde ze onder vertrouwde collega’s en bekenden. Het was gevaarlijk werk, en begin 1945 werd de dreiging te groot: hij moest onderduiken.

Op 14 februari 1945 dacht Oost dat het weer veilig was om zich buitenshuis te begeven. Hij had het mis. In zijn eigen woning werd hij gearresteerd en opgesloten in Alkmaar. Later werd hij overgebracht naar het Huis van Bewaring in Amsterdam, waar hij op de lijst van Todeskandidaten werd geplaatst – mensen die geëxecuteerd zouden worden als vergelding voor verzetsdaden.

Op 12 maart 1945 werd het vonnis voltrokken. Samen met 29 anderen werd Roelof Oost gefusilleerd bij het Eerste Weteringplantsoen in Amsterdam, als represaille voor de moord op een Duitse officier, Ernst Wehner.

Gedenksteen Roelof Tiede Oost. Eigen foto, 2018.

Roelof Tiede Oost was geboren op Urk, Nederlands Hervormd… en was inderdaad een volle neef van mijn overgrootvader.

Harm Hendrik Gerssen

Terwijl ik over de begraafplaats liep, zo sereen en tegelijkertijd zo indrukwekkend, viel mijn oog op nog een gedenksteen. Harm Hendrik Gerssen. Een Urker naam, dacht ik direct.

Net als veel andere Urkers kwam de gereformeerde Gerssen in de Zaanstreek terecht. Daar was voldoende werk te vinden. De Urkers vormden er in sommige plaatsen zelfs een gemeenschap binnen een gemeenschap. Tot begin 1942 werkte Harm Gerssen als fabrieksarbeider bij Stijfselfabriek De Bijenkorf in Koog aan de Zaan. Daarna koos hij voor een zelfstandig bestaan als vishandelaar.

Gerssen sloot zich tijdens de oorlog aan bij de verzetsgroep Koog-Bloemwijk, een moedige groep strijders die overvallen pleegde om persoonsbewijzen en bonkaarten te bemachtigen voor onderduikers. Een van de meest gedurfde acties vond plaats op 9 november 1943. Samen met zijn kameraden overviel hij het politiebureau, distributiekantoor en raadhuis van Oegstgeest.

De buit was: 14.000 bonkaarten, honderden blanco persoonsbewijzen, duizenden zegels en een geldbedrag van bijna 1.500 gulden. Een deel van de bonkaarten werd op Urk afgestempeld en verspreid onder degenen die ze het hardst nodig hadden.

Maar daar stopte het niet. Op 11 januari 1944 nam Gerssen deel aan een overval op het postkantoor in Purmerend, waarbij distributiebescheiden en maar liefst 22.000 gulden werden buitgemaakt.

Gedenksteen Harm Hendrik Gerssen. Eigen foto, 2018.

Ook sabotage was een belangrijk onderdeel van zijn verzet. In januari 1944 hielp hij bij een poging een vrachtschip in aanbouw – bedoeld voor de Duitse Wehrmacht – in brand te steken op scheepswerf Czaar Peter in Zaandam. Daarnaast zette hij zich in voor geallieerde vliegers die in Nederland waren neergekomen. Hij bood hen tijdelijk onderdak en hielp hen de grens over naar veiliger gebieden.

Op 22 januari 1944 sloeg het noodlot toe. Door verraad van een V-mann – een infiltrant die verzetsgroepen uitleverde aan de bezetter – werd Gerssen in zijn eigen huis gearresteerd door de Sicherheitspolizei. Zijn strijd eindigde een maand later. Op 23 februari 1944 werd hij, samen met zes andere verzetsleden, geëxecuteerd in de duinen bij Overveen.

Jacobus Jozef Heijdra

Tijdens het schrijven van dit artikel, zeven jaar na het bezoek aan de begraafplaats, ontdekte ik dat op de Eerebegraafplaats nog iemand met ‘Urker banden’ begraven ligt: Jacobus Jozef Heijdra.

De rooms-katholieke Heijdra was in dienst van de marechaussee en het Amsterdamse politiekorps. In die functie kreeg hij in 1942 de opdracht om Joden op te pakken. Maar Heijdra weigerde dit en dook onder in de Zaanstreek. In de onderduik sloot hij zich aan bij bovengenoemde verzetsgroep Koog-Bloemwijk.

Hij hielp Joodse landgenoten met het vervoer naar hun onderduikadres. In de buurt van Urk hielp hij met het opsporen van neergestorte geallieerde vliegers. Misschien wel samen met Gerssen?

In 1943 hiel Heijdra twee gewonde verzetsmensen uit het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam te ontsnappen. Ook was hij betrokken bij de bevrijding van een medewerker van verzetskrant Trouw. Helaas mislukte die actie.

Ook nam Heijdra deel aan de eerdergenoemde overval in Oegstgeest. Hij werd net als Gerssen verraden en ook gefusilleerd op 23 februari 1944.

Vergeten verhalen

Deze verhalen vertellen iets over hoe we de oorlog herinneren en herdenken. Op Urk kennen we onze ‘eigen’ oorlogshelden. Zoals de Engelandvaarder Pieter Hakvoort. De broer van mijn overgrootvader, Jan Ras, kwam niet uit de concentratiekampen terug. Ook zijn naam is op het Urker ‘monument voor gevallen Urkers’ terug te vinden.

In 1995, vijftig jaar na de oorlog, werden de drie namen toegevoegd van Joodse bewoners van Urk: de familie Kropveld. Ook dit zegt iets over welke verhalen we herinneren, op welk moment in de tijd.

Geboren Urkers of oud-inwoners Oost, Gerssen en Arondéus staan niet op het Urker oorlogsmonument genoemd, omdat ze tijdens de oorlog niet op Urk woonden. Misschien dat daarom hun aandeel in de oorlog op Urk niet gemeenschapsbreed bekend is.

Misschien moeten we daarom de komende 4 mei ook eens in gedachten stilstaan bij de ‘Urkers’ op de Eerebegraafplaats in Bloemendaal.

Over Oost en Gerssen valt voor mij nog genoeg uit te zoeken. Ik zou bijvoorbeeld graag meer willen weten over de contacten tussen Gerssen en Urk. Op 4 mei 2024 verscheen in ‘Het Urkerland’ trouwens een mooi portret van Roelof Tiede Oost.

Veel van de biografische gegevens uit bovenstaand artikel zijn terug te vinden op de website van de ‘Stichting de Eerebegraafplaats te Bloemendaal’. Over Willem Arondéus schreef ik eerder op mijn blog. De ‘Stichting Urk in Oorlogstijd’ beheerde een informatieve website over de Tweede Wereldoorlog en Urk, helaas zijn veel van de verhalen van hun website verdwenen.

Urk werd hun Elba

Toen de Eerste Wereldoorlog in 1914 uitbrak, koos Nederland voor neutraliteit. Toch bleef de oorlog niet zonder gevolgen voor ons land. Veel mensen, voornamelijk Belgen, zochten hier een veilig heenkomen, op de vlucht voor het oorlogsgeweld. Daarnaast kwamen ook militairen Nederland binnen, soms per ongeluk, soms bewust.

Degenen die hun erewoord (‘parole d’honneur’) gaven dat ze niet zouden ontsnappen, kregen een relatief vrij bestaan. Wie dat weigerde, werd geïnterneerd en verbleef in speciale kampen.

Urk was een ideale locatie voor zo’n interneringskamp: klein en overzichtelijk, omringd door de Zuiderzee en met een bevolking die gewend was aan gezag.

Het interneringskamp op Urk. Foto: collectie A. van Urk

Schrijfster en journaliste Mandy van Dijk vernoemde haar boek, uitgegeven door Atlas Contact in 2021, naar de bijnaam die de officieren Urk gaven: Île du Diable, oftewel: Duivelseiland.

In 2021 keuvelden Linda van der Pol en ik in een podcast over het leven van de buitenlandse officieren in het interneringskamp op Urk. Wie waren zij en waar kwamen ze vandaan? Hebben ze echt een tunnel gegraven? En waarom is het onderzoek van Van Dijk zo waardevol?

Ik vond dat ik dit gesprek ook een plekje op mijn blog moest geven.

In de aflevering laten we een fragment van een interview horen met Albert van Urk (wiki). Zijn korte publicatie over dit onderwerp draagt de titel ‘Elba in de Zuiderzee’. (Verschenen in: Enne Koops en Henk van der Linden (red.): De kogel door de kerk? Het Nederlandse christendom en de Eerste Wereldoorlog. (Soesterberg: Uitgeverij Aspekt, 2014.))

De datum van het interview is mij onbekend, maar het zal waarschijnlijk in 1996 hebben plaatsgevonden. Ik heb het van een cassettebandje overgenomen en geüpload naar YouTube.

Het boek van Mandy van Dijk is een aanrader voor iedereen die een fascinatie heeft voor ‘kleine’ geschiedenissen. Het is fijn geschreven en het zit vol spanning en wetenswaardigheden. Ook begrijp je door het lezen van dit boek beter welke impact de Eerste Wereldoorlog had voor de gemeenschappen in Nederland.

Mandy van Dijk, Duivelseiland: Een interneringskamp, het eiland Urk en de Eerste Wereldoorlog. (Amsterdam: Atlas Contact, 2021).

Vriend Jan van den Berg interviewde Mandy van Dijk in 2021 voor SCAB (hieronder). Ook in Het spoor terug, een rubriek van OVT, werd aandacht besteed aan Duivelseiland, in een mooie documentaire van René Oomen.