Hoe we de herinnering aan de Zuiderzee levend kunnen houden

‘Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven, / Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’, / Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven / Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.’

Zo begint het bekendste gedicht van de Urker dorpsdichteres Mariap (Marretje) van Urk-Koffeman (wiki). Een emotioneel afscheid van een geliefde en gevreesde zee.

‘In de weer’ voor Mariap, woensdag 22 januari jl.

Afgelopen woensdag gaf ik, op uitnodiging van Herderewich, in Harderwijk een lezing over mijn overgrootmoeder Mariap.

Ik moest even nazoeken wanneer ik zoiets voor het laatst deed. Dat was alweer zes jaar geleden! Ik publiceerde daarna een bewerking van mijn lezing elders op deze website.

Er is een aardige stapel boeken verschenen over de Zuiderzee. Zo verschenen bijvoorbeeld ‘Eens ging de zee hier tekeer‘ en ‘Het eiland van Anna‘ van Eva Vriend. De bewoners van de kusten van de Zuiderzee, en hun nazaten, kregen dankzij deze boeken, het grondige onderzoek van Vriend, weer een stem.

Ronald Nijboer schreef ‘Wereldzee in de polder‘: een ontdekkingsreis langs de IJsselmeerregio, in het voetspoor van Henry Havard. Honderdvijftig jaar na het bezoek van Havard aan de Zuiderzeeplaatsen onderzoekt Nijboer hoe we zijn omgegaan met ons landschap en onze cultuur, mede aan de hand van gesprekken met bewoners.

Ook verscheen ‘Duivelseiland‘, van Mandy van Dijk. Ze deed uitgebreid en waardevol onderzoek naar op Urk geïnterneerde officieren tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Deze boeken dragen bij aan de aandacht voor de geschiedenis van de Zuiderzee. Hoe herinneren we ons de in 1932 verdwenen binnenzee eigenlijk? En was er tijdens de afsluiting en inpoldering van ‘ons zeetje’ eigenlijk aandacht voor die bewoners van de Zuiderzeeplaatsjes, de ecologische gevolgen, het verdwijnen van cultureel erfgoed?

Ze dragen ook bij aan mijn eigen onderzoek naar Mariap van Urk. Ze brengen nieuwe inzichten en maken dat ik gebeurtenissen beter kan plaatsen en met steeds meer zekerheid met elkaar in verband kan brengen.

Ook het onderzoek van Babs Boter naar Mary Pos, en de ontvangen mailtjes over Mariap en Mary, deden mij in de afgelopen jaren beter begrijpen met wie Mariap contacten onderhield.

Mary Pos was, net als Mariap, een mediapersoonlijkheid. Toch verstomden in de loop van de tijd hun stemmen. (Afgelopen woensdag was er in de zaal toch één persoon die de naam Mary Pos iets zei.)

De kracht van je stem, daar kon ik de lezing mooi mee openen. Lucia de Vries, die zo bijzonder veel onderzoek doet naar de Urker geschiedenis, ontsloot op haar website het verhaal van Lammertje Kramer. Iedereen in de zaal herkende Aletta Jacobs. Maar de naam van haar dienstmeisje Lammertje? De kracht van je stem wordt niet alleen bepaald door of je bijvoorbeeld man of vrouw bent, maar ook bijvoorbeeld door je sociale klasse, familiebanden, religie, huidskleur.

Een dankbaar bruggetje naar Mariap. De jonge Mariap gaat begin vorige eeuw ook ‘dienen’. Zwaar en ondankbaar werk, waarbij de ongelijke verhouding tussen werkgever en dienstbode altijd aanwezig is. (De podcast ‘Mina en mevrouw’ van Maartje Duin maakt dit onderwerp prachtig invoelbaar.)

In aanloop naar mijn afstuderen aan de Reinwardt Academie hoefde ik niet lang over een onderwerp na te denken. Wat betekent het fysisch antropologisch onderzoek, de roof van menselijke resten door wetenschappers, en de teruggaaf van de schedels, voor de inwoners van Urk?

Door de eerste coronalockdowns had ik niet de ruimte om het onderzoek breed uit te voeren. Het onderzoek bleef beperkt tot interviews met betrokkenen en bureauonderzoek. (Zo zou ik bijvoorbeeld de betrokken erfgoedinstellingen nog graag in het onderzoek willen meenemen. Misschien kan ik er daarna nog eens over publiceren.)

Ik kan dankzij dit onderzoek nu bijvoorbeeld inzichtelijk maken hoe de bewoners van de voormalige Zuiderzeeplaatsen werden uitgesloten van een plek in het ‘nieuwe land’, mede aan de hand van de bevindingen van de wetenschappers. Dat sprak ook de Harderwijker toehoorders aan. Dergelijk onderzoek werd in 1956 nog gedaan in Elburg.

Waar ik de laatste maanden meer over ben gaan nadenken: de ecologische gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee. Hoe had Mariap het gevonden dat de Waddenzee bijvoorbeeld nu UNESCO Werelderfgoed is? Hoe kunnen we met terugwerkende kracht de uitzonderlijke waarden van de Zuiderzee benaderen? Op het strand van Urk lagen zeehonden, er was eb en vloed, een rijk ecosysteem. De Zuiderzee als levend onderdeel van onze delta.

In de presentatie liet ik het volgende citaat zien: ‘De aanleg van de Afsluitdijk in 1932 is een huzarenstuk in onze strijd tegen het water. Tegelijk is het één van de grootste ecologische rampen die ons land ooit trof. Want hoe indrukwekkend dit iconische en meer dan dertig kilometer lange bouwwerk ook is, het betekende het einde van de Zuiderzee. En daarmee van een unieke binnenzee met bijzondere planten en dieren. De geleidelijke overgang tussen rivier en zee werd teruggedrongen tot één lijn.’ (Rijkswaterstaat, ‘Project Afsluitdijk. Aandacht voor de natuur’. December 2021.).

Ik kon in een volgende slide verwijzen naar de uitkomsten van het recente onderzoek ‘Afsluitdijk decimeerde biodiversiteit Zuiderzee en IJsselmeer’, door Jan-Eike Rossius, Maarten Kleinhans en Katja Philippart, waarover ze in maart 2023 publiceerden in het tijdschrift De Levende Natuur.

Toevallig las ik vandaag in NRC een artikel van eerdergenoemde Ronald Nijboer, dat afgelopen vrijdag verscheen. In ‘Hoe mijn oma haar horizon verloor‘ gaat Nijboer in op de beleving van natuur en landschap en de ecologische gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee. Zo’n goed geschreven essay, waarin verschillende invalshoeken worden uitgelicht, maakt dat ik beter begrijp hoe ik de stellingname in de twintigste eeuw tegen de Zuiderzeewerken op waarde kan schatten.

Terug naar de lezing. Richting het einde vroeg ik het publiek: ‘had Mariap van Urk misschien toch een klein beetje gelijk dat die Afsluitdijk er niet had moeten komen?’

Het voorkomen van de Afsluitdijk, en voorkomen dat die zee ingepolderd zou worden, kon ze in ieder geval niet. In een gedicht beschrijft Mariap een baggermolen van de Zuiderzeewerken: ‘Men vroeg mij vele malen / om in een dicht of lied / de molen uit te malen, / helaas, ik kan het niet!’.

Maar haar verslaglegging van de inpoldering en het eilandleven in proza en poëzie, haar verzet tegen de inpoldering, haar inzet voor het behoud van het immateriële en materiële erfgoed van Urk en de Zuiderzee, haar veelkleurige mediapersoonlijkheid, haar gigantische netwerk, maken Mariap tot een belangrijke stem in de geschiedenis van de Zuiderzee.

Maar neem het maar eens op tegen een Cornelis Lely en consorten. En het narratief van ‘Waar wij steden doen verrijzen‘.

Wat bijzonder om met een groep mensen, zoals afgelopen woensdag in Harderwijk, over zulke onderwerpen na te kunnen denken. En goed om af en toe eens stil te staan bij het belang van onderzoek door historici, schrijvers, journalisten, wetenschappers – zolang het maar geen schedelmeters zijn.

Mariap moest eens weten: de Zuiderzeegeschiedenis is hot.

‘Onze wateren, van het IJsselmeer en de Waddenzee tot aan de Noordzee, worden almaar verder volgebouwd. Nederland kent een geschiedenis van ingrijpende veranderingen in het landschap. Iedere halve eeuw ziet de landkaart er weer anders uit dan daarvoor. Dat zal over vijftig jaar niet anders zijn. We kijken daarbij vooral vooruit, zonder stil te staan en om te kijken wat er allemaal verloren gaat. Zonder te begrijpen in wat voor land onze ouders en grootouders leefden. Bij het vormgeven van onze toekomst kan het geen kwaad om af en toe eens door de ogen van onze grootouders te kijken.’

Zo besluit Ronald Nijboer zijn essay. Met een prachtige slotzin.

Laten we inderdaad eens wat meer door de ogen van onze (over)grootouders kijken. En houden we niet alleen de herinnering aan de Zuiderzee levend, maar ook aan al die mensen die, soms tegen de keer, zich ingezet hebben voor al het erfgoed, de verhalen en de gemeenschappen rondom dat zeetje.

Eerder verscheen de tekst van een korte een ingekorte lezing uit 2019 over Mariap van Urk elders op mijn blog. De grootvader van Mariap komt aan bod in mijn artikel over het Dialecticon. Een artikel over Mariap en de dijken van de Noordoostpolder verscheen eerder deze week.

Daar werd een dijk gelegd

Op 3 oktober 1939 om 14.44 uur wordt het laatste gat in de dijk tussen de Lemmer en Urk gedicht. Urk is vanaf dat moment geen eiland meer, maar een schiereiland. Het zal onderdeel worden van de latere Noordoostpolder, welke in 1942 droogvalt.

In 1936 begint de aanleg van de, in totaal, 55 kilometer lange ringdijk rond de toekomstige Noordoostpolder, onderbroken door het eiland Urk. In het IJsselmeer worden meetpunten voor het dijktracé uitgezet en bij de Lemmer en Urk worden werkhavens aangelegd.

Er is veel belangstelling voor het werk. Tijdens een excursie in 1938 kan hoofdingenieur De Blocq van Kuffeler de verzamelde pers melden dat al 14 kilometer dijk is voltooid tussen de Lemmer en Urk.

Leve de oude Polygoonjournaals! Natuurlijk moet dit grootse verhaal, namelijk de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, goed gedocumenteerd worden. Het geeft Nederland in die jaren, de woelige crisisjaren (met oorlogsdreiging), een gevoel van trots.

In 1937 is de Zuiderzee al vijf jaar verleden tijd. Gestaag gaan de werkzaamheden verder. Na de Wieringermeer en de Afsluitdijk is het nu tijd voor de ‘Noord-Oostelijke Polder’. De beelden van de grijpers en het geweld van het water zijn indrukwekkend.

Twee jaar later, in 1939, is het al zover: de dijk is bijna gereed. Het ‘laatste schepje’ is een mooi nieuwshaakje, zo moeten de journalisten hebben gedacht. Bij de Afsluitdijk hebben ze immers hetzelfde gedaan.

Op 3 oktober 1939 is Urk geen eiland meer. Een mooie titel.

We zien de baggermolens en grijpers die de keileem ten behoeve van de dijk aanleveren. De kijker krijgt een beeld van het proces van de aanleg van de dijk, hoe de zinkstukken worden geplaatst en hoe puin en steen ter versteviging worden toegevoegd.

In een shot vaart een klein bootje door een van de laatste sluitgaten, waarin de sterke stroming te zien is. De sluiting van het laatste gat komt in zicht, schepen zijn feestelijk gedecoreerd met vlaggetjes.

Een vrouw in Urker klederdracht houdt een grote Nederlandse vlag vast. We zien een schip van Zanen & Verstoep, met zwaaiende arbeiders. De burgemeesters van Urk en de Lemmer drukken elkaar de hand op een smalle plank.

Daarna een shot van een Urker man, op zijn rug gefilmd, kijkend naar de nieuwe dijk, waarmee zijn eiland ophoudt te bestaan. Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij!

Tenslotte een Urker vrouw (waarvan ik vrij zeker ben dat het mijn overgrootmoeder Mariap van Urk-Koffeman is) die de was uithangt, met de dijk op de achtergrond.

In ieder geval staat vast dat dorpsdichteres en erfgoedhoedster Marretje van Urk-Koffeman (wiki) (blog) bij de feestelijke gebeurtenis aanwezig is. Ze staat zelfs prominent op het schilderij ‘Het laatste schepje’ van Van Mastenbroek, gemaakt in 1939-40. Van Mastenbroek deed beeldend verslag van het grote nationale wonder.

‘Het laatste schepje’, Van Mastenbroek, 1939-40. Enkhuizen: Zuiderzeemuseum / Zuiderzeecollectie.

Op het schilderij zien we deftige mannen in het zwart en werkvolk met lichtere kleren aan. En Mariap van Urk in Urker klederdracht. Het is geen gekke gedachte dat het Mariap is aan het einde van de film, natuurlijk zou ze ja zeggen op de vraag of ze voor of na 3 oktober 1939 voor de camera haar was wilde ophangen.

De gebeurtenis zette Mariap aan tot het schrijven van haar meest bekende gedicht ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’, verschenen in haar gelijknamige dichtbundel in 1949.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven,
Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’,
Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven
Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; gedenken wij de doden,
Die eenzaam rusten in je stille schoot,
De vissers, die voor dagelijkse noden,
Zich waagden op je wiegelende vloot.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de wielen der gemalen,
Zij went’len dreunend aanstonds, dag en nacht
En rusten niet, aleer gij drooggemalen,
Al bloeiend in cultuur zult zijn gebracht.

Vaarwel mijn Zuiderzee; wij zullen niet versagen,
Uw stervenswee een nieuwe toekomst baart,
Waaraan wij bouwen: en waarop wij vragen
Gods zegen! Die aan arbeid is gepaard.

Als de socialistische VARA op 11 juli 1940 een bezoek brengt bij de gereformeerde dichteres, laat zij haar kinderen liedjes zingen en spreken de journalisten met Mariap op onderhoudende toon. In hetzelfde interview draagt Mariap haar gedicht voor, in een nog wat andere vorm dan hoe het uiteindelijk gepubliceerd zou worden.

We zitten dan al in de Tweede Wereldoorlog, de VARA zou niet veel later worden overgenomen door de gelijkgeschakelde Rijksradio-omroep. Het werk in de polder ging gewoon door: de bezetter zag zo’n mogelijke graanschuur ook wel zitten.

De dijk tussen Urk en Kadoelen (de ‘Kaamperdik’) komt 13 december 1940 om 13.52 uur klaar. Ook hier is Mariap getuige van. De stemming is dan wel iets anders dan bij de sluiting van de eerste dijk: nu geen vlagvertoon, maar een sobere viering.

Op rijm, uiteraard, doet ze verslag van de sluiting. ‘Een dag gelijk aan alle and’re dagen’. Wat opvalt is haar ontzag voor de ingenieurs en arbeiders, die de plannen uitvoeren waar Mariap eerst zo hevig tegen protesteerde. En dan haar patriottisme! ‘O, Hollands ras! Zoo taai en onbewogen’. Toch geen ongevaarlijke passage ten tijde van schrijven…

‘Het laatste sluitgat’, Marretje van Urk-Koffeman, 1940. Urk: privéarchief.

Onder redactie van de zoon van Mariap van Urk, dorpshistoricus Albert van Urk (wiki), verschijnt in 1989 het boek ‘Daar werd een dijk gelegd…’ (download) bij Stichting Urker Uitgaven. De titel is ontleend aan een zin uit bovenstaand gedicht.

In het boek zijn interviews met ooggetuigen van de aanleg van de dijken opgenomen, alsmede gastbijdragen over de visserij, de oorlogssituatie, het hergebruikte puin van het platgebombardeerde Rotterdam, de archeologische vondsten in het jonge polderland, Urkers die boer wilden worden, kunstenaars ten tijde van de inpoldering, de sociaal-economische situatie op Urk en natuurlijk… Mariap van Urk, de dichteres van de drooglegging.

Op 3 oktober 1989, precies 50 jaar na de gereedkomen van de eerste dijk, zendt de AVRO een reportage uit, met daarin een interview met Albert van Urk.

Maar Urk is pas echt eiland-af in 1948, als Urk een wegverbinding krijgt met de rest van de polder. Pas zes jaar na de drooglegging van de polder in 1942. Tot 1948 gaan de Urkers nog naar Kampen, naar het ziekenhuis bijvoorbeeld, met een bootverbinding. Of wandelend over de dijk.

Op goed water, betrouwbare elektriciteit en aardgas moeten de Urkers dan nog wat jaren wachten.

Mariap, de vrouw die zich aanvankelijk zo verzette tegen de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee, omarmt uiteindelijk de toekomst. Wel blijft ze zich telkenmaal kritisch uitspreken en zet ze zich onvermoeibaar in voor het behoud van het Urker cultureel erfgoed.

Ook staat haar deur voor iedereen open: van journalisten, tot nonnen, tot dijkwerkers. ‘Een vrouw met een groot hart. Dat ondervonden de polderjongens die, ver van huis, bij haar een thuis vonden.’, zo besluit haar zoon Albert het hoofdstuk in ‘Daar werd een dijk gelegd’ over zijn moeder.

Eerder verscheen de tekst van een korte een lezing uit 2018 over Mariap van Urk elders op mijn blog. De grootvader van Mariap komt aan bod in mijn artikel over het Dialecticon.