De waterzoon en offervaardigheid

Eva Vriend is essayist van de Maand van de Geschiedenis. Ieder jaar krijgt een andere historicus de eer om het essay te schrijven, naar aanleiding van een jaarlijks wisselend thema.

Eva schreef over de polder in ‘Het nieuwe land’, over de Zuiderzeewerken in ‘Eens ging de zee hier tekeer’ en over Schokland en de Schokker nazaten in ‘Het eiland van Anna’.

Eva Vriend over ‘De waterzoon’.

27 september jl. vond op Schokland de landelijke aftrap van de Maand van de Geschiedenis plaats. De Maand stelde Schokland als locatie voor. En plots stond de Museumkerk vol radio-apparatuur. Het werd een bijzondere ochtend, met twee Schokker nazaten, Eva Vriend en een mooie column van Nelleke Noordervliet. Gaaf hoe alles samenkomt en dat we Werelderfgoed Schokland weer landelijk onder de aandacht kunnen brengen.

Het essay van Eva heet ‘De waterzoon. Jac. P. Thijsse, zijn zoon en onze verhouding tot de natuur’. Iedereen kent Jac. P. van de Verkade-albums.

Minder bekend dan Jac. P. is diens zoon Jo, de ‘rekenmachine’ achter onder andere de Zuiderzeewerken.

Eva schetst de familiegeschiedenis van de Thijsses. Ze zoekt naar de relatie tussen vader en zoon en brengt ook moeder en schoondochter in beeld. Het essay is ook persoonlijk: het begint op de boerderij waar Eva opgroeide. Haar vader had een melkveehouderij.

‘Zelf liet ik het gemaakte land in 1992 achter me. Ik verruilde de boerderij van mijn familie voor de universiteit. De IJsselmeerpolders verdwenen hiermee niet uit mijn leven. De geschiedenis van het Zuiderzeeproject keert telkens terug in mijn werk en ik denk dat ik intussen begrijp waarom. De vragen die ik mezelf erover stel, hebben een universele reikwijdte; ze gaan over veel meer dan die rechte, strakke grond van mijn jeugd.

Een van de kwesties die me niet loslaat, gaat over de ingenieurs die aan de basis stonden van de IJsselmeerpolders. Wat dreef deze mannen die ervan uitgingen dat ze de wereld naar hun hand konden zetten? Kenden deze maakbaarheidsstrevers ook hun bedenkingen? En in het verlengde daarvan: hoe keken ze terug op hun idealen?’

Zo begint het essay. In 1905 gaf Jac. P. aanzet tot de oprichting van Natuurmonumenten. Een jaar later verscheen het eerste Verkade-album, ‘Lente’. Zijn zoon Jo maakte een paar decennia later carrière als ingenieur. Het contrast kan niet sterker zijn, zo lijkt het althans.

Er zit inderdaad een spanning tussen het natuurbeheer van Jac P. en het naar de hand zetten van het landschap door zijn zoon Jo. Je voelt die spanning op veel plekken in het land. Aan de ene kant willen we de natuur beschermen, aan de andere kant moeten dijken zorgen voor onze veiligheid en polders de groeiende bevolking woonruimte bieden. 

Een spanning die we ook op Schokland voelen. Waar we ook met verschillende lagen, en verschillende organisaties, te maken hebben: natuur, archeologie, bezoekers, bewoners, cultuurhistorie.

Tijdens de lezing door Ronald Nijboer en Yftinus van Popta, eerder deze maand, werd dieper ingegaan op de herinnering aan het landschap van vroeger. En wat die herinnering voor ons vandaag de dag betekent. Veel ging verloren door de inpoldering, maar ook ontstonden nieuwe plekken als Werelderfgoed Schokland, de Marker Wadden, het Waterloopbos. Op die laatste plek liggen wetenschap, natuur en erfgoed zo haast vanzelfsprekend dicht bij elkaar. Het is ook een plek die terugkomt in De waterzoon.

Jo solliciteerde bij de grote Lorentz, destijds een rockster. Hij was Nobelprijswinnaar. Van 1918 tot 1926 was hij voorzitter van de Zuiderzeecommissie. Jo werkte voor Lorentz en voelde zich al snel thuis in dit werkveld.

Zowel Lorentz als Thijsse verdwenen in zekere zin uit ons collectief geheugen. Ze staan een beetje in de schaduw van Cornelis Lely. Toch waren de wetenschappers niet minder belangrijk. In 1928 werd Lorentz begraven. Honderden mensen stonden langs de stoet. In Haarlem, waar hij werd begraven, werden gordijnen gesloten en straatlantaarns gedimd. Albert Einstein en Marie Curie waren bij de begrafenis aanwezig.

Ook Jo Thijsse steeg snel in populariteit. Na de watersnoodramp in 1953 keerde hij, na een kort verblijf in Amerika, halsoverkop terug naar Nederland.

‘‘Een ramp heeft het land getroffen,’ schreef de Volkskrant. En er was maar één man die redding kon brengen. ‘Men heeft hem nodig. Een man die als geen ander de waterloopkundige problemen van zijn land beheerst.’

De rijzige man die daar de vliegtuigtrap afdaalde, was professor ingenieur Johannes Theodoor Thijsse. Hij moest het land verlossen.’

De ingenieur als verlosser. De natuur kon naar de hand van de mens gezet worden, zo was lang de gedachte. Maar door invloed van vader Thijsse werd steeds meer gestreefd naar een ‘holistische’ aanpak bij aanpassingen in het landschap: ook de natuur en de mens moesten een plek krijgen in de visies.

Hoe groot de tegenstellingen tussen vader en zoon ook waren, ze wilden elkaar steeds begrijpen. Vriend: ‘De offervaardigheid werkt twee kanten op, meenden vader en zoon eensgezind. Ja, menigmaal betaalt de natuur een prijs voor de vooruitgang. Maar de mens mag niet doorschieten en moet, indien nodig, bereid zijn met minder genoegen te nemen, opdat het ecologische evenwicht niet onomkeerbaar verstoord raakt. Knappe ingenieurs mogen denken dat ze alles kunnen, maar de maakbaarheid kent grenzen. Het is een kwestie van geven en nemen, stelden de Thijsses. In goed overleg.’

Lezing Eva Vriend in de Museumkerk op 25 oktober. Eigen foto.

Welke offers zijn we bereid te brengen? Dat was de afsluitende vraag tijdens de lezing die Eva Vriend afgelopen zaterdag gaf in de Museumkerk. De historische context van Schokland: de afsluiting van de Zuiderzee, de inpoldering, de Werelderfgoedstatus, gaf de lezing een mooie dimensie. ‘Alles is belangrijk’, zo besluit het essay.

De waterzoon geeft energie om de rol van de mens ten opzichte van de natuur kritisch te beschouwen, vanuit verschillende invalshoeken. Hoe zien de polder en Werelderfgoed Schokland er over een jaar of vijftig uit? Laten we er hardop over na blijven denken.

Het boek De waterzoon. Jac. P. Thijsse, zijn zoon en onze verhouding tot de natuur is verschenen bij Atlas Contact.

Maaien met de zeis op Schokland

Gisteren plaatste ik een artikel over de maaiers uit Nieuwleusen, die generatieslang het hooi- en weiland van het eiland Urk maaiden.

https://basvisscher.com/2025/10/20/hoe-ze-van-nieuwleusen-naar-urk-kwamen-om-te-maaien/

Maar hoe ging dat op Schokland? Daarover is niet veel bekend. Ook de conservator kon mij niet verder helpen.

Jozef Israëls, Maaiers, 1834-1911. Rijksmuseum Amsterdam.

Wel is het zo dat na de ontruiming maaiers van ‘buiten’ kwamen en overnachtten in de Enserkerk, sinds de ontruiming van Schokland niet meer in gebruik als Godshuis, of in een schuurtje. Misschien in opdracht van de gemeente Kampen, waar Schokland na de ontruiming direct onder viel. Of van Rijkswaterstaat misschien?

We kunnen met enige zekerheid stellen dat er in de negentiende eeuw geen boeren meer woonden op Schokland. Ook is er bijna geen hooiland meer. Er graast nog wel wat vee.

Of de laatste Schokkers zelf maaiden? Of er ooit net zo’n ingewikkeld systeem voor hooirecht was als op Urk?

Ooit was Schokland een agrarische gemeenschap. Ik ben benieuwd hoeveel hooiland er op Schokland was toen het eiland nog een omvang van enige betekenis had.

Al met al nodigt het uit tot verder onderzoek. Ik hoop dat ik hier binnenkort nog eens op terug kan komen.

Maaien met de zeis. Foto: Landschapsbeheer Flevoland.

Wat wel mooi is: de organisatie Landschapsbeheer Flevoland organiseert jaarlijks een cursus ‘Maaien met de zeis’ op Schokland. Oud ambacht herleeft!

Dus wie een idee wil krijgen hoe die mannen uit Nieuwleusen generatieslang op Urk maaiden, moet in juni een kijkje nemen op Werelderfgoed Schokland.

De Zuiderzee en het veranderende landschap

In het kader van de Maand van de Geschiedenis gaven schrijver en socioloog Ronald Nijboer en maritiem archeoloog Yftinus van Popta afgelopen weekend een lezing rondom het thema ‘De Zuiderzee en het veranderende landschap’ in de Enserkerk op Schokland.

Ronald Nijboer, eigen foto.

In zijn boek ‘Wereldzee in de polder‘ onderzocht Nijboer hoe het Zuiderzeegebied in 150 jaar veranderde. Hij maakte dezelfde reis als Henry Havard, die in 1873 het gebied ‘ontdekte’ en beschreef. Wat trof Havard aan tijdens zijn reis? En hoe gaan we om met het IJsselmeer, Markermeer en IJmeer en welke lessen kunnen we trekken uit het verleden? Nijboer haalde het begrip ‘Natuuramnesie‘ aan. De beleving en de kennis van de natuur, zoals die was in de tijd van onze (groot)ouders, verdwijnen uit ons collectieve bewustzijn, aldus Nijboer. Naast wetenschappelijke gegevens kunnen we ons ook een voorstelling maken van het landschap van onze voorouders aan de hand van bijvoorbeeld reisverslagen, zoals die van Havard of Fred Thomas.

Yftinus van Popta, eigen foto.

Van Popta deed onderzoek naar het gebied wat we nu kennen als de Noordoostpolder. In zijn proefschrift ‘When the Shore becomes the Sea‘, waarop hij in 2020 promoveerde, toonde hij aan hoe het gebied van 1100 tot 1400 veranderde: van veengebieden met meren tot open zee. Voor zijn onderzoek combineerde hij verschillende datasets. Zo kon in kaart worden gebracht waar middeleeuwse nederzettingen, zoals bijvoorbeeld Nagele, gesitueerd waren en hoe het ontstaan van de Zuiderzee het leven binnen de gemeenschappen en hun leefomgeving voorgoed veranderden. Hoe een multidisciplinair onderzoek in zijn werk gaat, illustreerde Van Popta aan de hand van zijn onderzoek naar de Dinkla-ramp.

OVT live op Werelderfgoed Schokland

Afgelopen zondag vond de kick-off plaats van de Maand van de Geschiedenis, met een live-uitzending van OVT. Vanuit de Museumkerk op Schokland!

OVT Live vanuit de Museumkerk. Eigen foto

Zo’n tachtig gasten uit het hele land trotseerden de dichte mist op de vroege ochtend. Schokland lag er weer bij als een eiland, het stak uit boven de laaghangende mist op de weilanden van de polder.

In de uitzending natuurlijk aandacht voor de essayist van de Maand van de Geschiedenis: Eva Vriend. Zij schreef ‘De waterzoon. Jac. P. Thijsse, zijn zoon en onze verhouding tot de natuur’. De Schokker nazaten Theo Grootjen en Jan Kwakman schoven aan om te vertellen over hun relatie met Schokland, wat leidde tot een geamuseerd gesprek met presentatoren Laura Stek en Christianne Alvarado.

Luister hier terug (via OVT):

Het programma opende met de actualiteit. Over de relatie tussen extreem-rechts en geweld tijdens de rellen in Den Haag. Historicus Robin te Slaa onderzocht extreemrechts geweld rondom de opkomst van fascisme in Nederland. In de ‘Politieke Tijdmachine’ was historicus Dennis Bos aan het woord over Mina Koster. Ze was anarchiste en kwam uit voor de Rapaille Partij.

Suriname en de Tweede Wereldoorlog: het in Suriname gewonnen bauxiet was onmisbaar voor aluminiumproductie. Theatermaker Emma Lesuis vertelt in de voorstelling ‘Meer dan bauxiet’ over de minder bekende oorlogsverhalen uit Suriname.

Fresco Sam-Sin recenseerde twee boeken en een tentoonstelling. Het programma werd afgesloten met hoogleraar Koreastudies Remco Breuker. Hij schreef het boek ‘De wereld volgens Noord-Korea’.

En tussendoor kon ik iets vertellen aan Christianne Alvarado over Schokland, dat er deze ochtend zo prachtig bij lag.

De hele maand oktober staat dus in het teken van de Maand van de Geschiedenis. Op de website van Museum Schokland vind je alle activiteiten.

Op de golven van de tijd

‘Schokland, op de golven van de tijd…’ heet het boekje (link) uit 1998, geschreven door mijn grootvader Albert van Urk (link). Een boekje vol foto’s, afbeeldingen, herinneringen aan een verdwenen eiland.

Op het schutblad staat een quote van de door hem (en mij) geliefde J.C. Bloem: ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’.

Het citaat is een regel uit Bloems gedicht ‘Herinnering’, gepubliceerd in 1931 in de bundel ‘Media vita’.

Een paar strofen uit dat gedicht (link):

Maar het vergankelijke kent geen keer
Dan in de opstanding der herinneringen;
Gistren is even ver als deze dingen:
In het verleden is de tijd niet meer.

[…]

En zullen we, in de wervling van den tijd
En de vervoeringen, die niet beklijven,
Indachtig aan onze oude dagen blijven
Met onvergankelijke aanhanklijkheid.

Tot aan het zwichten en het laatst getij,
Wanneer de wereld één wordt met het duistren,
En wij de niet te hooren woorden fluistren:
Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij.

In de werveling van den tijd… Toepasselijk voor Schokland.

In 1859 werd het eiland ontruimd en met het vertrek van de Schokkers verdwenen ook de bijzonderheden van hun eigen cultuur, zoals hun streekdracht, hun gewoonten, hun gerechten, hun tradities, hun bijgeloof, hun kennis van het eiland, hun kennis van de Zuiderzee.

Ze vertrokken naar Kampen, Vollenhove, Volendam, Urk en andere plaatsen.

In de decennia die daarop volgden was het eiland niet geheel verlaten. Er bleven nog een paar ambtenaren (vuurtorenwachters die al dan niet tegelijkertijd havenmeester, postbeambte, baas van de visafslag waren) met hun gezinnen op het dan stille eiland wonen.

Schokland werd voor de tweede maal ontruimd toen in 1942 de polder droogviel. Na het verdwijnen van de Zuiderzee – en dus ‘het laatst getij’, eb en vloed – in 1932 werd Schokland nu een eiland op het droge.

Een paar zaken overleefden de werveling van de tijd. Zoals de Schokker moppen, een koekje van het eiland. Of een paar Schokker liederen. Of wat huisraad. Maar toch vooral bleef de herinnering aan een eiland.

De Schokkervereniging, waarin mensen van Schokker afkomst zich verenigen, werd in 1985 opgericht. Het is opvallend hoeveel nazaten zich nog identificeren als Schokker. En hoe dus die herinnering aan vroeger levend wordt gehouden, al is het eiland Schokland ‘voorgoed voorbij’.

In het voorwoord van het boekje schrijft mijn opa: ‘In dit boekje willen we beelden verzamelen en vasthouden van een eiland dat in feite niet meer bestaat. Schokland is een eiland op het droge geworden. Mét de drie andere eilanden in de Zuiderzee, Wieringen, Urk en Marken, werd Schokland ooit in één adem genoemd, lang geleden, vóór de komst van de Afsluitdijk en de drooglegging van de polders. Ze zijn verdwenen, die eilanden met hun eigen geschiedenis, folklore en dialect. […] Naar iedere nieuwe vestigingsplaats brachten de Schokkers hun verhalen mee, verhalen van ontberingen en armoede vooral. Het verhaal van Schokland is vooral de kroniek van een nederlaag.’

Beelden verzamelen en vasthouden van een eiland dat in feite niet meer bestaat.

Het waren, naast bijvoorbeeld de heren Klappe, ook Urkers die in de jaren ’80 en ’90 een kleine maar opmerkelijke rol hadden in het levend houden van de geschiedenis van Schokland. Voor de bovengenoemde oprichting van de Schokkervereniging vormde een ‘Schokkerdag’ in 1985, georganiseerd door Stichting Urker Uitgaven, de aanleiding.

In een zaaltje van de Hervormde Kerk werd een herdruk van ‘Het verlaten eiland’ van Bouman gepresenteerd. Op deze dag kwamen driehonderd Schokker nazaten af, veel meer dan de stichting had verwacht. ‘We zijn overdonderd’, aldus mevrouw Cense van de stichting (De Noordoostpolder, 16 september 1985). Voorzitter ‘meester’ De Vries: ‘Wij willen proberen de geschiedenis van Urk en de rest van de Zuiderzee niet verloren te laten gaan. Over Urk hadden we al het een en ander gepubliceerd, dus wat lag er meer voor de hand dan nu eens iets met onze naaste buren, de Schokkers, te doen?’ (De Noordoostpolder, 16 september 1985). Opa Albert van Urk droeg een gedicht voor.

Na de presentatie van het boekje, en het nuttigen van een gebakken visje met rijstepap, trok het bonte gezelschap naar Schokland. Daar werd het museum en de Gesteentetuin bezocht.

De Urkers wisten natuurlijk hoe het was om je eiland te zien verdwijnen. Ook na 1985 werden door Urkers bijdragen aan Museum Schokland gedaan. Zo werd een replica van het doopvont uit de katholieke kerk gemaakt (link) en maakte Pieter Brouwer een beeld voor de vaste buitententoonstelling.

Schokland was, naast de Urker boeren, Urk en de Eerste Wereldoorlog (link), het klokkenschip, één van de fascinaties van mijn grootvader. Niet vreemd dat het dus in 1998 kwam tot nog een publicatie van de stichting.

De ontbrekende aandacht voor de cultuurhistorie in Museum Schokland – een punt van kritiek tijdens de Schokkerdag – zou een aanleiding kunnen zijn geweest om ook dit boekje te laten drukken. Het werd aan de Schokkervereniging gepresenteerd tijdens de Schokkerdag van 1999.

En er werd rijkelijk gedrukt. De oplage was zo groot, dat in 2025 nog stapels van dit boekje onverkocht zijn.

Afgelopen week kreeg ik een vriendelijk appje van het Urker museum. Of ik nog twee dozen met het boekje wou ophalen, anders zouden ze naar de kringloop moeten gaan.

Ook het Urker museum, ‘Museum het Oude Raadhuis’, is veranderd sinds ik daar als klein jongetje met opa rondliep.

Niet alleen de manier waarop je verhalen vertelt, binnen de muren van een museum, veranderen in de tijd. Ook het werk van erfgoedhoeders in het verleden verstomt.

Meester De Vries, mevrouw Cense, Albert van Urk (om er een paar te noemen), ze zijn er niet meer.

‘Zullen we, in de werv’ling van den tijd, en de vervoeringen, die niet beklijven, indachtig aan onze oude dagen blijven, met onvergankelijke aanhanklijkheid, tot aan het zwichten en het laatst getij?’

En nu ligt dat boekje van mijn opa dus in de achterbak van mijn auto. Ergens ontroert het me een beetje. ‘Voorbij, voorbij…’

Ik denk dat we er een mooie bestemming voor gaan vinden in Museum Schokland.

100 dagen op Schokland: het schriftje van Ingvar Kristensen

Voor de Tweede Wereldoorlog begint de aanleg van de Noordoostpolder, de eerste polder van Flevoland. Schokland, een verlaten eiland in de voormalige Zuiderzee, ligt in het midden van die beoogde polder. De bezetter ziet de aanleg van de polder wel zitten: het zal zorgen voor voedselvoorziening. De inpoldering gaat tijdens de oorlog dus gewoon door.

Bovendien krijgen arbeiders in de Noordoostpolder vrijstelling van de verplichte ‘arbeitseinsatz’ in Duitsland. Het werk is zwaar: veel van de sloten en greppels werden met de hand gegraven. De leefomstandigheden zijn slecht. Ook duiken veel Nederlanders in de polder onder. Er vinden razzia’s plaats. De polder krijgt na de oorlog de bijnaam ‘Nederlands Onderduikers Paradijs’.

Eerste pagina van het schrift van Ingvar Kristensen. Afbeelding: collectie Museum Schokland.

Ingvar Kristensen

Ingvar Kristensen (1918-1996) is geboren in Leiden. Al op jonge leeftijd blijkt zijn liefde voor de natuur, want zijn hele kamer staat volgebouwd met aquaria. Een studie biologie ligt dus voor de hand. In het kader van zijn studie besluit de jonge Kristensen in 1941 de natuurontwikkeling in de nieuwe, slecht bereikbare, Noordoostpolder te gaan onderzoeken. Dat brengt hem nog datzelfde jaar naar de polder. Hij bezoekt enkele malen Schokland. Het eiland is dan nog niet eens drooggevallen.

100 dagen op Schokland

Hij vestigt zich in 1942 bij de oude haven van Schokland. ‘Het verblijf van 100 dagen op Schokland’ schrijft hij in zijn dagboek. Kristensen wil langere tijd op Schokland verblijven. Hij voert daarvoor als reden aan:

‘Schokland bleek zowat het centrum van flora en fauna van den N.O.P. te zijn. Het ligt echter bijna 15 KM. van Kampen vandaan; de weg Kampen-Ramspol was dikwijls één geglibber door de modder, dan weer een gezeul met je fiets door het mulle zand voor den nieuwen weg. Dan moest men tweemaal overgezet, en dán kwam nog het ergste, het gebagger door de klei. Het zou teveel tijd kosten om dit althans eenige malen per week te doen, terwijl men bij een verblijf op Schokland vrijwel elke dag of elk gewenscht uur aan het onderzoek kan besteden.’

In eerste instantie vestigt hij zich in de schapenschuur van havenmeester Spit. Hij maakt uitgebreide beschrijvingen van hoe hij de schuur inricht, welke lichamelijke oefeningen hij verricht, hoe hij aan schoon drinkwater komt en hoe hij aan eten komt (onder het kopje ‘Het Fourageeren’).

Met Pinksteren verlaat hij Schokland voor een paar dagen, waarschijnlijk om familie te bezoeken. Als hij naar Schokland terugkeert, is er ingebroken in zijn provisorische woning. Kristensen geeft de moed niet op en neemt nu intrek in het huis van de havenmeester: de lichtwachterswoning.

Het tweede onderkomen dat Kristensen betrok was de lichtwachterswoning, nu Rijksmonument de Lichtwachter. Deze foto is ingeplakt in het schriftje. Afbeelding: collectie Museum Schokland.

Moerasandijvie

Hij tekent zijn belevenissen op in een schrift. En dat zijn er heel wat. Op scherpzinnige wijze en soms met een kwinkslag doet hij verslag van de gemakken en ongemakken die hij ondervindt. Hij ontmoet onbekende en bekende mensen, zoals de heer Modderman. Deze jonge archeoloog maakt naam door zijn opgravingen en onderzoek van scheepswrakken in de polder.

In de aantekeningen van Kristensen is vanzelfsprekend ook veel aandacht voor de ontluikende natuur:

‘Heel opvallend was de moerasandijvie die er zich geweldig ontwikkelde. De zeeaster bloeide in alle variaties rondom Schokland. Op het eiland zelf waren de velden zilverschoor en Cochlearia [lepelblad, red.] soms schitterend. […] Als plantaardige bijzonderheid had Schokland een spichtige vorm van waterpest (Elodea canadensis angustifolia), die in de lagunen bloeide en groeide, dat het een lust was. Ik was de eerste, die deze vorm in Nederland vond.’

Tekeningen van de landafslag van Schokland in het betreffende schrift van Ingvar Kristensen, door hemzelf getekend aan de hand van eerdere bronnen. Afbeelding: collectie Museum Schokland.

Onderzoek in de oorlog

Zijn dagboekaantekeningen geven een uniek beeld van de eerste jaren van de bezetting, maar ook van de vroege vegetatie op de voormalige zeebodem, de nieuwe diersoorten en hoe de Zuiderzeewerken verlopen.

Kristensen kan in relatieve vrijheid, tussen de werkkampen en het toezicht van de bezetter, zijn onderzoek doen. Toch blijkt uit zijn aantekeningen dat hij kritisch staat tegenover de bezetting.

‘De oude burgemeester van Kampen was afgezet omdat hij weigerde om koninklijke namen van straten te veranderen. Opvolger werd Jonkheer van Sandbergen, die zich als N.S.B.-leeraar op de koloniale Landbouwschool te Deventer geheel onmogelijk gemaakt had. In Kampen bemoeide hij zich met alles. Eens stond hij op de IJselbrug en zag, hoe een schip zonder vaart te verminderen de brug passeerde. Hij riep den schipper toe, maar die hield zich doof. De burgemeester wond zich hierover op en riep tenslotte: “Weet je wel, wien je voor je hebt? Ik ben de burgemeester van Kampen!” De schipper keek even op en riep: “Ha, ha! Hoe lang nog?” Kort daarop werd de burgemeester door een “goeden” controleur betrapt op het binnensmokkelen van zwart vleesch. Hiermee werd zijn positie onhoudbaar en kon hij niets anders doen dan maar naar het Oostfront te vertrekken.’

Kristensen beschrijft zijn ontmoetingen op Schokland maar ook in andere plaatsen, zoals Kampen, Kuinre en Urk. Op Urk overnacht hij in Hotel Havenzicht, getuige het bonnetje dat ingeplakt zit in zijn schriftje.

Nota van Hotel Havenzicht (Weduwe A. Brouwer – Urk [WABU]) uit 1942, ingeplakt in het schrift. Voorburg is in die tijd een geliefd sinaasappelbittertje. Afbeelding: collectie Museum Schokland.

Uniek document

Het moedige en avontuurlijke onderzoek van Kristensen raakt in de vergetelheid, tot Museum Schokland in 2022 een schenking krijgt van de nazaten van de bioloog: zijn schriftje. Een uniek document dat zowel een beeld geeft van het leven tijdens de oorlog als van de flora en fauna in de prille polder.

Het geeft meer inzicht op de unieke waarden van Werelderfgoed Schokland en omgeving. Want mede door de inpoldering en het Wederopbouwgebied rondom het voormalige eiland, verkrijgt Schokland, als eerste plaats in het Koninkrijk, in 1995 een plek op de Werelderfgoedlijst.

In september 2022, tachtig jaar nadat de Noordoostpolder droogvalt, zendt Omroep Flevoland een documentaire uit over het prille begin van de polder. Het is dan de laatste week dat ik bij Museum Schokland als communicatiemedewerker in dienst ben. Een mooie afronding van deze functie.

Afscheid van Schokland

In september beginnen de dagen korter te worden. Het wordt voor Kristensen tijd het eiland te verlaten. Precies in die maand valt de polder officieel droog. Kristensen is hier dus getuige van. Het langdurige verblijf eindigt met een paar ontroerende zinnen:

‘Het afscheid van Schokland was allerminst droevig. Ik had er van gehad, wat ik er van hebben wilde, en dat gaf groote voldoening. De zomer was voorbij, en het was misschien wel de mooiste zomer geweest, die ik ooit gehad heb, want mooier wijze om de schepping te leeren kennen, is haast niet denkbaar.’

In oktober keert hij nog eens terug. In het voorjaar van 1943 probeert Kristensen zich opnieuw voor een langere periode op Schokland te vestigen, maar: ‘[…] juist, toen ik mijn intrek daar zou nemen, veroorzaakten de Duitsche maatregelen mijn spoedig vertrek uit den polder, zoodat ik mijn werk aan anderen moest overlaten.’

Ingvar Kristensen (midden) op een foto in het schrift. Afbeelding: collectie Museum Schokland.

Bij zijn vertrek van Schokland wordt de trein, waarin hij zit, beschoten door een geallieerd vliegtuig. Kristensen overleeft de beschieting, maar de wagon waarin zijn bagage (met zijn onderzoeksresultaten) zit, wordt volledig vernietigd. ‘Het verlies van alles waarvoor hij zo lang en met zoveel ontbering had gewerkt was een grote slag’, schrijft C. Swennen in een in memoriam in 1996 (BASTERIA, 60: 195-200, 1996). ‘Zijn korte artikel in Het Aquarium van 1944 [De vestiging van enkele waterplanten en dieren in de N.O.-polder. – Het Aquarium 14 (10): 85-86, 91.] is het enige wat er van dit onderzoek is vastgelegd.’

Maar dan is er natuurlijk nog dit schriftje, nu veilig in de collectie van Museum Schokland. Ook online te raadplegen via de website van Museum Schokland.

Daar werd een dijk gelegd

Op 3 oktober 1939 om 14.44 uur wordt het laatste gat in de dijk tussen de Lemmer en Urk gedicht. Urk is vanaf dat moment geen eiland meer, maar een schiereiland. Het zal onderdeel worden van de latere Noordoostpolder, welke in 1942 droogvalt.

In 1936 begint de aanleg van de, in totaal, 55 kilometer lange ringdijk rond de toekomstige Noordoostpolder, onderbroken door het eiland Urk. In het IJsselmeer worden meetpunten voor het dijktracé uitgezet en bij de Lemmer en Urk worden werkhavens aangelegd.

Er is veel belangstelling voor het werk. Tijdens een excursie in 1938 kan hoofdingenieur De Blocq van Kuffeler de verzamelde pers melden dat al 14 kilometer dijk is voltooid tussen de Lemmer en Urk.

Leve de oude Polygoonjournaals! Natuurlijk moet dit grootse verhaal, namelijk de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, goed gedocumenteerd worden. Het geeft Nederland in die jaren, de woelige crisisjaren (met oorlogsdreiging), een gevoel van trots.

In 1937 is de Zuiderzee al vijf jaar verleden tijd. Gestaag gaan de werkzaamheden verder. Na de Wieringermeer en de Afsluitdijk is het nu tijd voor de ‘Noord-Oostelijke Polder’. De beelden van de grijpers en het geweld van het water zijn indrukwekkend.

Twee jaar later, in 1939, is het al zover: de dijk is bijna gereed. Het ‘laatste schepje’ is een mooi nieuwshaakje, zo moeten de journalisten hebben gedacht. Bij de Afsluitdijk hebben ze immers hetzelfde gedaan.

Op 3 oktober 1939 is Urk geen eiland meer. Een mooie titel.

We zien de baggermolens en grijpers die de keileem ten behoeve van de dijk aanleveren. De kijker krijgt een beeld van het proces van de aanleg van de dijk, hoe de zinkstukken worden geplaatst en hoe puin en steen ter versteviging worden toegevoegd.

In een shot vaart een klein bootje door een van de laatste sluitgaten, waarin de sterke stroming te zien is. De sluiting van het laatste gat komt in zicht, schepen zijn feestelijk gedecoreerd met vlaggetjes.

Een vrouw in Urker klederdracht houdt een grote Nederlandse vlag vast. We zien een schip van Zanen & Verstoep, met zwaaiende arbeiders. De burgemeesters van Urk en de Lemmer drukken elkaar de hand op een smalle plank.

Daarna een shot van een Urker man, op zijn rug gefilmd, kijkend naar de nieuwe dijk, waarmee zijn eiland ophoudt te bestaan. Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij!

Tenslotte een Urker vrouw (waarvan ik vrij zeker ben dat het mijn overgrootmoeder Mariap van Urk-Koffeman is) die de was uithangt, met de dijk op de achtergrond.

In ieder geval staat vast dat dorpsdichteres en erfgoedhoedster Marretje van Urk-Koffeman (wiki) (blog) bij de feestelijke gebeurtenis aanwezig is. Ze staat zelfs prominent op het schilderij ‘Het laatste schepje’ van Van Mastenbroek, gemaakt in 1939-40. Van Mastenbroek deed beeldend verslag van het grote nationale wonder.

‘Het laatste schepje’, Van Mastenbroek, 1939-40. Enkhuizen: Zuiderzeemuseum / Zuiderzeecollectie.

Op het schilderij zien we deftige mannen in het zwart en werkvolk met lichtere kleren aan. En Mariap van Urk in Urker klederdracht. Het is geen gekke gedachte dat het Mariap is aan het einde van de film, natuurlijk zou ze ja zeggen op de vraag of ze voor of na 3 oktober 1939 voor de camera haar was wilde ophangen.

De gebeurtenis zette Mariap aan tot het schrijven van haar meest bekende gedicht ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’, verschenen in haar gelijknamige dichtbundel in 1949.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven,
Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’,
Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven
Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; gedenken wij de doden,
Die eenzaam rusten in je stille schoot,
De vissers, die voor dagelijkse noden,
Zich waagden op je wiegelende vloot.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de wielen der gemalen,
Zij went’len dreunend aanstonds, dag en nacht
En rusten niet, aleer gij drooggemalen,
Al bloeiend in cultuur zult zijn gebracht.

Vaarwel mijn Zuiderzee; wij zullen niet versagen,
Uw stervenswee een nieuwe toekomst baart,
Waaraan wij bouwen: en waarop wij vragen
Gods zegen! Die aan arbeid is gepaard.

Als de socialistische VARA op 11 juli 1940 een bezoek brengt bij de gereformeerde dichteres, laat zij haar kinderen liedjes zingen en spreken de journalisten met Mariap op onderhoudende toon. In hetzelfde interview draagt Mariap haar gedicht voor, in een nog wat andere vorm dan hoe het uiteindelijk gepubliceerd zou worden.

We zitten dan al in de Tweede Wereldoorlog, de VARA zou niet veel later worden overgenomen door de gelijkgeschakelde Rijksradio-omroep. Het werk in de polder ging gewoon door: de bezetter zag zo’n mogelijke graanschuur ook wel zitten.

De dijk tussen Urk en Kadoelen (de ‘Kaamperdik’) komt 13 december 1940 om 13.52 uur klaar. Ook hier is Mariap getuige van. De stemming is dan wel iets anders dan bij de sluiting van de eerste dijk: nu geen vlagvertoon, maar een sobere viering.

Op rijm, uiteraard, doet ze verslag van de sluiting. ‘Een dag gelijk aan alle and’re dagen’. Wat opvalt is haar ontzag voor de ingenieurs en arbeiders, die de plannen uitvoeren waar Mariap eerst zo hevig tegen protesteerde. En dan haar patriottisme! ‘O, Hollands ras! Zoo taai en onbewogen’. Toch geen ongevaarlijke passage ten tijde van schrijven…

‘Het laatste sluitgat’, Marretje van Urk-Koffeman, 1940. Urk: privéarchief.

Onder redactie van de zoon van Mariap van Urk, dorpshistoricus Albert van Urk (wiki), verschijnt in 1989 het boek ‘Daar werd een dijk gelegd…’ (download) bij Stichting Urker Uitgaven. De titel is ontleend aan een zin uit bovenstaand gedicht.

In het boek zijn interviews met ooggetuigen van de aanleg van de dijken opgenomen, alsmede gastbijdragen over de visserij, de oorlogssituatie, het hergebruikte puin van het platgebombardeerde Rotterdam, de archeologische vondsten in het jonge polderland, Urkers die boer wilden worden, kunstenaars ten tijde van de inpoldering, de sociaal-economische situatie op Urk en natuurlijk… Mariap van Urk, de dichteres van de drooglegging.

Op 3 oktober 1989, precies 50 jaar na de gereedkomen van de eerste dijk, zendt de AVRO een reportage uit, met daarin een interview met Albert van Urk.

Maar Urk is pas echt eiland-af in 1948, als Urk een wegverbinding krijgt met de rest van de polder. Pas zes jaar na de drooglegging van de polder in 1942. Tot 1948 gaan de Urkers nog naar Kampen, naar het ziekenhuis bijvoorbeeld, met een bootverbinding. Of wandelend over de dijk.

Op goed water, betrouwbare elektriciteit en aardgas moeten de Urkers dan nog wat jaren wachten.

Mariap, de vrouw die zich aanvankelijk zo verzette tegen de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee, omarmt uiteindelijk de toekomst. Wel blijft ze zich telkenmaal kritisch uitspreken en zet ze zich onvermoeibaar in voor het behoud van het Urker cultureel erfgoed.

Ook staat haar deur voor iedereen open: van journalisten, tot nonnen, tot dijkwerkers. ‘Een vrouw met een groot hart. Dat ondervonden de polderjongens die, ver van huis, bij haar een thuis vonden.’, zo besluit haar zoon Albert het hoofdstuk in ‘Daar werd een dijk gelegd’ over zijn moeder.

Eerder verscheen de tekst van een korte een lezing uit 2018 over Mariap van Urk elders op mijn blog. De grootvader van Mariap komt aan bod in mijn artikel over het Dialecticon.