De waterzoon en offervaardigheid

Eva Vriend is essayist van de Maand van de Geschiedenis. Ieder jaar krijgt een andere historicus de eer om het essay te schrijven, naar aanleiding van een jaarlijks wisselend thema.

Eva schreef over de polder in ‘Het nieuwe land’, over de Zuiderzeewerken in ‘Eens ging de zee hier tekeer’ en over Schokland en de Schokker nazaten in ‘Het eiland van Anna’.

Eva Vriend over ‘De waterzoon’.

27 september jl. vond op Schokland de landelijke aftrap van de Maand van de Geschiedenis plaats. De Maand stelde Schokland als locatie voor. En plots stond de Museumkerk vol radio-apparatuur. Het werd een bijzondere ochtend, met twee Schokker nazaten, Eva Vriend en een mooie column van Nelleke Noordervliet. Gaaf hoe alles samenkomt en dat we Werelderfgoed Schokland weer landelijk onder de aandacht kunnen brengen.

Het essay van Eva heet ‘De waterzoon. Jac. P. Thijsse, zijn zoon en onze verhouding tot de natuur’. Iedereen kent Jac. P. van de Verkade-albums.

Minder bekend dan Jac. P. is diens zoon Jo, de ‘rekenmachine’ achter onder andere de Zuiderzeewerken.

Eva schetst de familiegeschiedenis van de Thijsses. Ze zoekt naar de relatie tussen vader en zoon en brengt ook moeder en schoondochter in beeld. Het essay is ook persoonlijk: het begint op de boerderij waar Eva opgroeide. Haar vader had een melkveehouderij.

‘Zelf liet ik het gemaakte land in 1992 achter me. Ik verruilde de boerderij van mijn familie voor de universiteit. De IJsselmeerpolders verdwenen hiermee niet uit mijn leven. De geschiedenis van het Zuiderzeeproject keert telkens terug in mijn werk en ik denk dat ik intussen begrijp waarom. De vragen die ik mezelf erover stel, hebben een universele reikwijdte; ze gaan over veel meer dan die rechte, strakke grond van mijn jeugd.

Een van de kwesties die me niet loslaat, gaat over de ingenieurs die aan de basis stonden van de IJsselmeerpolders. Wat dreef deze mannen die ervan uitgingen dat ze de wereld naar hun hand konden zetten? Kenden deze maakbaarheidsstrevers ook hun bedenkingen? En in het verlengde daarvan: hoe keken ze terug op hun idealen?’

Zo begint het essay. In 1905 gaf Jac. P. aanzet tot de oprichting van Natuurmonumenten. Een jaar later verscheen het eerste Verkade-album, ‘Lente’. Zijn zoon Jo maakte een paar decennia later carrière als ingenieur. Het contrast kan niet sterker zijn, zo lijkt het althans.

Er zit inderdaad een spanning tussen het natuurbeheer van Jac P. en het naar de hand zetten van het landschap door zijn zoon Jo. Je voelt die spanning op veel plekken in het land. Aan de ene kant willen we de natuur beschermen, aan de andere kant moeten dijken zorgen voor onze veiligheid en polders de groeiende bevolking woonruimte bieden. 

Een spanning die we ook op Schokland voelen. Waar we ook met verschillende lagen, en verschillende organisaties, te maken hebben: natuur, archeologie, bezoekers, bewoners, cultuurhistorie.

Tijdens de lezing door Ronald Nijboer en Yftinus van Popta, eerder deze maand, werd dieper ingegaan op de herinnering aan het landschap van vroeger. En wat die herinnering voor ons vandaag de dag betekent. Veel ging verloren door de inpoldering, maar ook ontstonden nieuwe plekken als Werelderfgoed Schokland, de Marker Wadden, het Waterloopbos. Op die laatste plek liggen wetenschap, natuur en erfgoed zo haast vanzelfsprekend dicht bij elkaar. Het is ook een plek die terugkomt in De waterzoon.

Jo solliciteerde bij de grote Lorentz, destijds een rockster. Hij was Nobelprijswinnaar. Van 1918 tot 1926 was hij voorzitter van de Zuiderzeecommissie. Jo werkte voor Lorentz en voelde zich al snel thuis in dit werkveld.

Zowel Lorentz als Thijsse verdwenen in zekere zin uit ons collectief geheugen. Ze staan een beetje in de schaduw van Cornelis Lely. Toch waren de wetenschappers niet minder belangrijk. In 1928 werd Lorentz begraven. Honderden mensen stonden langs de stoet. In Haarlem, waar hij werd begraven, werden gordijnen gesloten en straatlantaarns gedimd. Albert Einstein en Marie Curie waren bij de begrafenis aanwezig.

Ook Jo Thijsse steeg snel in populariteit. Na de watersnoodramp in 1953 keerde hij, na een kort verblijf in Amerika, halsoverkop terug naar Nederland.

‘‘Een ramp heeft het land getroffen,’ schreef de Volkskrant. En er was maar één man die redding kon brengen. ‘Men heeft hem nodig. Een man die als geen ander de waterloopkundige problemen van zijn land beheerst.’

De rijzige man die daar de vliegtuigtrap afdaalde, was professor ingenieur Johannes Theodoor Thijsse. Hij moest het land verlossen.’

De ingenieur als verlosser. De natuur kon naar de hand van de mens gezet worden, zo was lang de gedachte. Maar door invloed van vader Thijsse werd steeds meer gestreefd naar een ‘holistische’ aanpak bij aanpassingen in het landschap: ook de natuur en de mens moesten een plek krijgen in de visies.

Hoe groot de tegenstellingen tussen vader en zoon ook waren, ze wilden elkaar steeds begrijpen. Vriend: ‘De offervaardigheid werkt twee kanten op, meenden vader en zoon eensgezind. Ja, menigmaal betaalt de natuur een prijs voor de vooruitgang. Maar de mens mag niet doorschieten en moet, indien nodig, bereid zijn met minder genoegen te nemen, opdat het ecologische evenwicht niet onomkeerbaar verstoord raakt. Knappe ingenieurs mogen denken dat ze alles kunnen, maar de maakbaarheid kent grenzen. Het is een kwestie van geven en nemen, stelden de Thijsses. In goed overleg.’

Lezing Eva Vriend in de Museumkerk op 25 oktober. Eigen foto.

Welke offers zijn we bereid te brengen? Dat was de afsluitende vraag tijdens de lezing die Eva Vriend afgelopen zaterdag gaf in de Museumkerk. De historische context van Schokland: de afsluiting van de Zuiderzee, de inpoldering, de Werelderfgoedstatus, gaf de lezing een mooie dimensie. ‘Alles is belangrijk’, zo besluit het essay.

De waterzoon geeft energie om de rol van de mens ten opzichte van de natuur kritisch te beschouwen, vanuit verschillende invalshoeken. Hoe zien de polder en Werelderfgoed Schokland er over een jaar of vijftig uit? Laten we er hardop over na blijven denken.

Het boek De waterzoon. Jac. P. Thijsse, zijn zoon en onze verhouding tot de natuur is verschenen bij Atlas Contact.

Ons dorp gaat langzaam achteruit

Niet alle ingangen in het archief van Beeld en Geluid zijn publiek toegankelijk. Ik werd afgelopen maand getipt op een audiofragment van Mariap van Urk-Koffeman, waarvan ik zelf het bestaan niet wist. Wat is dat toch steeds een sensatie, als je bewegend beeld of audio ontdekt van bijna honderd jaar geleden.

In de betreffende reportage van de AVRO, op 5 november 1936, draagt ze haar gedicht ‘Waarde-Vermindering’ voor.

Een cadeautje, want er is maar weinig audiomateriaal of bewegend beeld van Mariap van Urk bekend. Een fragment uit 1940, voor de VARA, kende ik al wel. Nu dus een fragment van nog een kleine vier jaar eerder. Toch bijzonder dat ze, als trouwe aanhangster van Colijn, meewerkte aan programma’s voor resp. de liberale en socialistische omroepen.

Bij haar handschrift lezen we over de inhoud van het gedicht: ‘Na de drooglegging van de Zuiderzee werd een commissie benoemd die de netten en het vischtuig herwaardeerde en de visschers kregen waarde-vermindering van hun netten, door deze Regeerings Commissie, vergoed. Wat nooit vergoed werd, leest u in dit versje.’

Het gedicht verscheen, in een ietwat gewijzigde vorm, in 1949 in haar eerste bundel ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’.

Waarde-Vermindering

Aan d’oever van het IJsselmeer
Een jonge visscher zat,
Hij staart, al droevig, in den plas,
Hij, die geen toekomst had.

Drie vischjes wierp hij, moedeloos,
Mistroostig, in de zee…
En sprak: ,,Die botjes, half vergaan,
Wat moet ik daar nu mee?

Mijn gansche vischwant in de war,
De hoekers vol van wier…
Het visschen in dien dooden plas
Is dat tot mijn pleizier?

Het water in het IJsselmeer
Zoo zoetjes aan verzoet…
Ach, dat mijn visch die zoete dood
Voorzeker sterven moet.

Ons dorp gaat langzaam achteruit
Door ’t leggen van een dijk:
Wij hadden altijd werk en brood,
Al waren wij niet rijk.

Wat vischte in de Zuiderzee
Op haring, bot en schol
Hij vocht voor ’t rijke avontuur
Van zilvernetten vol.

Helaas, de zee is uitgemoord!
Van schulden wordt men ziek;
En, wat er dààdlijks onder lijdt…
De Urksche… romantiek.

Wat mij opvalt: in haar handschrift schrijft ze ‘Ons dorp gaat vliegend achteruit‘, wat in de latere versie werd vervangen door ‘Ons dorp gaat langzaam achteruit‘. Alsof ze wilde benadrukken dat de gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee langer doorwerken dan aanvankelijk gedacht. En misschien had ze daar wel gelijk in.

Dijkstra & Evenblij ter Plekke zonden 17 augustus jl. uit vanaf Urk en in een gesprek met Eva Vriend was bovenstaand fragment te horen.

En hier dan nog even vier seconden bewegend beeld van een proclamerende Mariap.

Met dank aan Els Knaapen, die mij op het audiofragment uit 1936 wees.