Ziet het wonder hoog verheven…

Het is de dag voor kerst en op mijn kantoortje op Schokland werk ik de laatste mails weg, plan ik nog wat posts in en schrijf ik de laatste nieuwsbrief van het jaar.

Toen ik eerder op Schokland werkte, deelde ik al eens het Schokker kerstlied ‘Ziet het wonder hoog verheven’ op de socials van het museum. Dit lied werd op Schokland gezongen en overleefde de ontruiming van Schokland in 1859. Katholieke Schokkers bleven het zingen bij de mis in Vollenhove. Halverwege de vorige eeuw kwam het lied opnieuw in de belangstelling. En ik kwam vanmorgen tot de ontdekking dat mijn opa Albert daar een rol in had.

Uit: Fred Thomas, ‘Het laatste kerstlied van Schokland’, De Tijd, 24 december 1958.

Veel immaterieel erfgoed van de eilandperiode bleef niet bewaard. Het dialect verdween decennia na de ontruiming en ook de Schokker streekdracht verdween. Maar dit kerstlied bleef wél bewaard!

Fred Thomas schreef erover in ‘Wijkend water’. Ook stond het centraal in een artikel in ‘De Tijd’, van 24 december 1958 – honderd jaar ná de laatste Kerstnachtmis op Schokland. Ik publiceerde dat artikel eerder op de website van Museum Schokland.

Maar vandaag werd ik ontroerd door een artikel van de hand van mijn grootvader Albert van Urk, die in de kerstbijlage van Het Urkerland van 1980 óók over dit lied schreef.

Het lied fascineerde ook hem. Hij ging naar Kampen, waar de tekst van het lied in het Stadsarchief bewaard werd. En nam het mee naar Urk. Het lied werd uitgevoerd en opgenomen door de Urker zangers, wat een impuls gaf aan de bekendheid van het lied.

En die mooie zinnen van hem: ‘Ik probeerde mij voor te stellen hoe het in vroeger eeuwen opgeklonken zal hebben in de Kerstnacht in het kerkje van Emmeloord. Hoe niet zelden de slepende klanken zich vermengd zullen hebben met het gebulder van de branding, het ruisen van de immer opdringende zee of hoe de ruwe, ongeschoolde vissersstemmen in de stille nacht, wanneer de zee roerloos zich onder de sterrenhemel spiegelde, langzaam verwaaiden over het water van de Zuiderzee.’

Een paar decennia nadat mijn grootvader mij meenam naar Schokland, waarmee mijn liefde voor het gebied begon, mag ik mij ook zo verliezen in die bijzondere verhalen als hij deed.

Met opa (‘beabe’) in Museum Schokland, een paar decennia terug.

Hier volgt het betreffende artikel, met dank overgenomen van de site van de Schokkervereniging. Die overigens in 1985 werd opgericht en waarbij hij betrokken is geweest.

Het kerstlied van Schokland

De geschiedenis van Schokland is er één van zorg en strijd. Zorg om het bestaan, strijd tegen zijn aartsvijand: het water. De kronieken van het eiland getuigen van aanhoudende rampspoed, hongersnood, overstroming en brand. De Schokkers waren arm, armer en weerlozer nog dan hun buren, de Urkers, die op hun hoge keileembult niet direkt bedreigd werden door het water. In het midden van de vorige eeuw is de toestand op het eiland zó uitzichtloos, dat door de regering besloten wordt tot ontruiming.
In het najaar van 1858 aanvaardt de Tweede Kamer der Staten-Generaal een regeringsvoorstel tot ontvolking van Schokland en afkoop van het particulier grondbezit. Op 10 juli van het volgende jaar wordt de laatste burgemeester van het eiland, Gillot, eervol van zijn post ontheven en Schokland bij de gemeente Kampen gevoegd. Vóór 1 juli van dat jaar heeft de bevolking al het eiland verlaten. Zo zij daarover al niet bedroefd waren, aanvaardden de arme eilanders hun treurig lot in doffe berusting.

Het kerkje van Emmeloord
De oude katholieke kerk van Emmeloord brandde in 1728 af. De nieuwe kerk, als protestants bedehuis gebouwd, werd bij de zware brand, die Emmeloord in 1749 teisterde, eveneens verwoest. Enige jaren later bouwden de katholieken weer een kerk en deze werd bij de beruchte stormvloed van 1825 zwaar gehavend. Van Rijkswege werd in 1842 een nieuwe kerk gebouwd, welke tot de ontruiming in gebruik bleef. De afbraak werd in 1859 benut voor de bouw van een katholieke kerk te Ommen, welke bijna 80 jaar in gebruik bleef. In de kerk van Ommen bevindt zich nog altijd het zandstenen doopvont van Emmeloord, dat in een grijs verleden tussen Urk en Schokland werd opgevist. Ook zijn daar een aantal kandelabers en misbekers terug te vinden, die eeuwenlang dienst hebben gedaan op het eiland. Ooit bewonderde ik in deze Vechtstad de “schatten van Schokland”.

Een lied in een vreemd land
Op het eiland Schokland waren drie woonkernen: Emmeloord op de Noordpunt, Ens op de Middelbuurt, en de Zuidert. De laatste werd al vóór 1859 ontruimd. Ens was voornamelijk protestant, Emmeloord katholiek. Beide bevolkingsgroepen verdroegen elkaar goed; de Schokkers waren in godsdienstig opzicht vrij tolerant.
Een grote groep Emmeloorders kwam in Vollenhove terecht. De andere “ballingen” verspreidden zich over diverse Zuiderzeegemeenten, o.a. Kampen, Volendam en Urk. Tot op de dag van vandaag leven er nazaten van Schokkers onder ons. Over de groep die naar Vollenhove trok gaat dit artikel.
In zekere mate wisten zij zich daar als groep te handhaven. Dit blijkt uit het feit dat zij naast hun schamele bezittingen iets geheel unieks meenamen: het Kerstlied van Schokland. De woorden van het lied “Ziet het wonder hoog verheven” zijn bij overlevering opgetekend. Het wordt in meer dan één bron genoemd. Het zou in Vollenhove nog wel gezongen worden tijdens de Kerstnachtmis, aldus Fred Thomas in “Wijkend Water” (1940/1941). Maar zou dat nu nog zo zijn? Later vernam ik, dat dit inderdaad het geval was. Ik probeerde mij voor te stellen hoe het in vroeger eeuwen opgeklonken zal hebben in de Kerstnacht in het kerkje van Emmeloord. Hoe niet zelden de slepende klanken zich vermengd zullen hebben met het gebulder van de branding, het ruisen van de immer opdringende zee of hoe de ruwe, ongeschoolde vissersstemmen in de stille nacht, wanneer de zee roerloos zich onder de sterrenhemel spiegelde, langzaam verwaaiden over het water van de Zuiderzee.

Een raadsel opgelost
De inhoud van het lied bleef lange tijd, voor mij althans een mysterie, naar de onthulling waarvan ik naarstig bleef zoeken. Niet zonder resultaat overigens. Uiteindelijk – om het verhaal niet te lang te maken – belandde ik een aantal jaren terug in het stadsarchief te Kampen, toen nog gevestigd in het middeleeuwse raadhuis van die stad. Hier kwam het raadsel tot een oplossing. Een behulpzame archivaris had slechts een half uur nodig om mij uit de droom te helpen. Het kerstlied van Schokland lag zwart op wit vóór mij. Teruggekeerd op Urk bracht ik de gevonden tekst en muziek naar dirigent Meindert Kramer. Deze schreef een arrangement voor een mannenkoor. Dit werd, in 1977, opgenomen in een werkstuk van J.N. Haanstra en C. Verdoold, dat zij in verband met hun studie schreven over het kerkelijk wel en wee op Schokland. Ook zij hadden, zij het wat later, de tekst van het lied gevonden en het is waarschijnlijk déze tekst die door Kramer werd gebruikt: de oorspronkelijke. Of de bewerking van Kramer ooit is uitgevoerd, is mij niet bekend.
Weer gingen de jaren voorbij. Dan, in december 1980, komt er een Kerstplaat uit van de “Urker Zangers”, met daarop: het Kerstlied van Schokland in een bewerking van Jef Penders. Ook hier is gebruik gemaakt van de oorspronkelijke tekst.

Toch nog vragen
Over het ontstaan zijn geen gegevens bekend. Als eerder opgemerkt: de tekst werd opgetekend uit de mond van Schokker nazaten in Vollenhove. In hoeverre die in de loop der tijden “verminkt” is kunnen we niet (of nog niet) nagaan. Het is een lied met een voorzang (vgl. Psalm 18). Op de plaat is deze voor rekening van Joh. Schrijver. De inhoud getuigt van een eenvoudig, katholiek geloofsleven, zoals dat op het eiland gevonden werd. De melodie is ietwat slepend (“valt op door de geringe toonafstand, doet klagend aan”, schrijft Haanstra). Op de plaat worden de twee laatste coupletten niet gezongen. Men kan dit betreuren, maar het zal zijn reden hebben. In ieder geval is het lied nu bewaard voor het nageslacht.
En tenslotte: deze “gestroomlijnde” bewerking van het lied zal wel ver af staan van de uitvoering van het lied, zoals het gezongen werd met het raspende stemgeluid van doodarme vissers. Maar wie zal dat de Zangers euvel duiden?
Voor liefhebbers hier nog de titel van de plaat: “Herders, ik boodschap…”, en het nummer: Dureco 88031.

Albert van Urk, Urk.

Op de golven van de tijd

‘Schokland, op de golven van de tijd…’ heet het boekje (link) uit 1998, geschreven door mijn grootvader Albert van Urk (link). Een boekje vol foto’s, afbeeldingen, herinneringen aan een verdwenen eiland.

Op het schutblad staat een quote van de door hem (en mij) geliefde J.C. Bloem: ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’.

Het citaat is een regel uit Bloems gedicht ‘Herinnering’, gepubliceerd in 1931 in de bundel ‘Media vita’.

Een paar strofen uit dat gedicht (link):

Maar het vergankelijke kent geen keer
Dan in de opstanding der herinneringen;
Gistren is even ver als deze dingen:
In het verleden is de tijd niet meer.

[…]

En zullen we, in de wervling van den tijd
En de vervoeringen, die niet beklijven,
Indachtig aan onze oude dagen blijven
Met onvergankelijke aanhanklijkheid.

Tot aan het zwichten en het laatst getij,
Wanneer de wereld één wordt met het duistren,
En wij de niet te hooren woorden fluistren:
Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij.

In de werveling van den tijd… Toepasselijk voor Schokland.

In 1859 werd het eiland ontruimd en met het vertrek van de Schokkers verdwenen ook de bijzonderheden van hun eigen cultuur, zoals hun streekdracht, hun gewoonten, hun gerechten, hun tradities, hun bijgeloof, hun kennis van het eiland, hun kennis van de Zuiderzee.

Ze vertrokken naar Kampen, Vollenhove, Volendam, Urk en andere plaatsen.

In de decennia die daarop volgden was het eiland niet geheel verlaten. Er bleven nog een paar ambtenaren (vuurtorenwachters die al dan niet tegelijkertijd havenmeester, postbeambte, baas van de visafslag waren) met hun gezinnen op het dan stille eiland wonen.

Schokland werd voor de tweede maal ontruimd toen in 1942 de polder droogviel. Na het verdwijnen van de Zuiderzee – en dus ‘het laatst getij’, eb en vloed – in 1932 werd Schokland nu een eiland op het droge.

Een paar zaken overleefden de werveling van de tijd. Zoals de Schokker moppen, een koekje van het eiland. Of een paar Schokker liederen. Of wat huisraad. Maar toch vooral bleef de herinnering aan een eiland.

De Schokkervereniging, waarin mensen van Schokker afkomst zich verenigen, werd in 1985 opgericht. Het is opvallend hoeveel nazaten zich nog identificeren als Schokker. En hoe dus die herinnering aan vroeger levend wordt gehouden, al is het eiland Schokland ‘voorgoed voorbij’.

In het voorwoord van het boekje schrijft mijn opa: ‘In dit boekje willen we beelden verzamelen en vasthouden van een eiland dat in feite niet meer bestaat. Schokland is een eiland op het droge geworden. Mét de drie andere eilanden in de Zuiderzee, Wieringen, Urk en Marken, werd Schokland ooit in één adem genoemd, lang geleden, vóór de komst van de Afsluitdijk en de drooglegging van de polders. Ze zijn verdwenen, die eilanden met hun eigen geschiedenis, folklore en dialect. […] Naar iedere nieuwe vestigingsplaats brachten de Schokkers hun verhalen mee, verhalen van ontberingen en armoede vooral. Het verhaal van Schokland is vooral de kroniek van een nederlaag.’

Beelden verzamelen en vasthouden van een eiland dat in feite niet meer bestaat.

Het waren, naast bijvoorbeeld de heren Klappe, ook Urkers die in de jaren ’80 en ’90 een kleine maar opmerkelijke rol hadden in het levend houden van de geschiedenis van Schokland. Voor de bovengenoemde oprichting van de Schokkervereniging vormde een ‘Schokkerdag’ in 1985, georganiseerd door Stichting Urker Uitgaven, de aanleiding.

In een zaaltje van de Hervormde Kerk werd een herdruk van ‘Het verlaten eiland’ van Bouman gepresenteerd. Op deze dag kwamen driehonderd Schokker nazaten af, veel meer dan de stichting had verwacht. ‘We zijn overdonderd’, aldus mevrouw Cense van de stichting (De Noordoostpolder, 16 september 1985). Voorzitter ‘meester’ De Vries: ‘Wij willen proberen de geschiedenis van Urk en de rest van de Zuiderzee niet verloren te laten gaan. Over Urk hadden we al het een en ander gepubliceerd, dus wat lag er meer voor de hand dan nu eens iets met onze naaste buren, de Schokkers, te doen?’ (De Noordoostpolder, 16 september 1985). Opa Albert van Urk droeg een gedicht voor.

Na de presentatie van het boekje, en het nuttigen van een gebakken visje met rijstepap, trok het bonte gezelschap naar Schokland. Daar werd het museum en de Gesteentetuin bezocht.

De Urkers wisten natuurlijk hoe het was om je eiland te zien verdwijnen. Ook na 1985 werden door Urkers bijdragen aan Museum Schokland gedaan. Zo werd een replica van het doopvont uit de katholieke kerk gemaakt (link) en maakte Pieter Brouwer een beeld voor de vaste buitententoonstelling.

Schokland was, naast de Urker boeren, Urk en de Eerste Wereldoorlog (link), het klokkenschip, één van de fascinaties van mijn grootvader. Niet vreemd dat het dus in 1998 kwam tot nog een publicatie van de stichting.

De ontbrekende aandacht voor de cultuurhistorie in Museum Schokland – een punt van kritiek tijdens de Schokkerdag – zou een aanleiding kunnen zijn geweest om ook dit boekje te laten drukken. Het werd aan de Schokkervereniging gepresenteerd tijdens de Schokkerdag van 1999.

En er werd rijkelijk gedrukt. De oplage was zo groot, dat in 2025 nog stapels van dit boekje onverkocht zijn.

Afgelopen week kreeg ik een vriendelijk appje van het Urker museum. Of ik nog twee dozen met het boekje wou ophalen, anders zouden ze naar de kringloop moeten gaan.

Ook het Urker museum, ‘Museum het Oude Raadhuis’, is veranderd sinds ik daar als klein jongetje met opa rondliep.

Niet alleen de manier waarop je verhalen vertelt, binnen de muren van een museum, veranderen in de tijd. Ook het werk van erfgoedhoeders in het verleden verstomt.

Meester De Vries, mevrouw Cense, Albert van Urk (om er een paar te noemen), ze zijn er niet meer.

‘Zullen we, in de werv’ling van den tijd, en de vervoeringen, die niet beklijven, indachtig aan onze oude dagen blijven, met onvergankelijke aanhanklijkheid, tot aan het zwichten en het laatst getij?’

En nu ligt dat boekje van mijn opa dus in de achterbak van mijn auto. Ergens ontroert het me een beetje. ‘Voorbij, voorbij…’

Ik denk dat we er een mooie bestemming voor gaan vinden in Museum Schokland.

Urk werd hun Elba

Toen de Eerste Wereldoorlog in 1914 uitbrak, koos Nederland voor neutraliteit. Toch bleef de oorlog niet zonder gevolgen voor ons land. Veel mensen, voornamelijk Belgen, zochten hier een veilig heenkomen, op de vlucht voor het oorlogsgeweld. Daarnaast kwamen ook militairen Nederland binnen, soms per ongeluk, soms bewust.

Degenen die hun erewoord (‘parole d’honneur’) gaven dat ze niet zouden ontsnappen, kregen een relatief vrij bestaan. Wie dat weigerde, werd geïnterneerd en verbleef in speciale kampen.

Urk was een ideale locatie voor zo’n interneringskamp: klein en overzichtelijk, omringd door de Zuiderzee en met een bevolking die gewend was aan gezag.

Het interneringskamp op Urk. Foto: collectie A. van Urk

Schrijfster en journaliste Mandy van Dijk vernoemde haar boek, uitgegeven door Atlas Contact in 2021, naar de bijnaam die de officieren Urk gaven: Île du Diable, oftewel: Duivelseiland.

In 2021 keuvelden Linda van der Pol en ik in een podcast over het leven van de buitenlandse officieren in het interneringskamp op Urk. Wie waren zij en waar kwamen ze vandaan? Hebben ze echt een tunnel gegraven? En waarom is het onderzoek van Van Dijk zo waardevol?

Ik vond dat ik dit gesprek ook een plekje op mijn blog moest geven.

In de aflevering laten we een fragment van een interview horen met Albert van Urk (wiki). Zijn korte publicatie over dit onderwerp draagt de titel ‘Elba in de Zuiderzee’. (Verschenen in: Enne Koops en Henk van der Linden (red.): De kogel door de kerk? Het Nederlandse christendom en de Eerste Wereldoorlog. (Soesterberg: Uitgeverij Aspekt, 2014.))

De datum van het interview is mij onbekend, maar het zal waarschijnlijk in 1996 hebben plaatsgevonden. Ik heb het van een cassettebandje overgenomen en geüpload naar YouTube.

Het boek van Mandy van Dijk is een aanrader voor iedereen die een fascinatie heeft voor ‘kleine’ geschiedenissen. Het is fijn geschreven en het zit vol spanning en wetenswaardigheden. Ook begrijp je door het lezen van dit boek beter welke impact de Eerste Wereldoorlog had voor de gemeenschappen in Nederland.

Mandy van Dijk, Duivelseiland: Een interneringskamp, het eiland Urk en de Eerste Wereldoorlog. (Amsterdam: Atlas Contact, 2021).

Vriend Jan van den Berg interviewde Mandy van Dijk in 2021 voor SCAB (hieronder). Ook in Het spoor terug, een rubriek van OVT, werd aandacht besteed aan Duivelseiland, in een mooie documentaire van René Oomen.

Daar werd een dijk gelegd

Op 3 oktober 1939 om 14.44 uur wordt het laatste gat in de dijk tussen de Lemmer en Urk gedicht. Urk is vanaf dat moment geen eiland meer, maar een schiereiland. Het zal onderdeel worden van de latere Noordoostpolder, welke in 1942 droogvalt.

In 1936 begint de aanleg van de, in totaal, 55 kilometer lange ringdijk rond de toekomstige Noordoostpolder, onderbroken door het eiland Urk. In het IJsselmeer worden meetpunten voor het dijktracé uitgezet en bij de Lemmer en Urk worden werkhavens aangelegd.

Er is veel belangstelling voor het werk. Tijdens een excursie in 1938 kan hoofdingenieur De Blocq van Kuffeler de verzamelde pers melden dat al 14 kilometer dijk is voltooid tussen de Lemmer en Urk.

Leve de oude Polygoonjournaals! Natuurlijk moet dit grootse verhaal, namelijk de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, goed gedocumenteerd worden. Het geeft Nederland in die jaren, de woelige crisisjaren (met oorlogsdreiging), een gevoel van trots.

In 1937 is de Zuiderzee al vijf jaar verleden tijd. Gestaag gaan de werkzaamheden verder. Na de Wieringermeer en de Afsluitdijk is het nu tijd voor de ‘Noord-Oostelijke Polder’. De beelden van de grijpers en het geweld van het water zijn indrukwekkend.

Twee jaar later, in 1939, is het al zover: de dijk is bijna gereed. Het ‘laatste schepje’ is een mooi nieuwshaakje, zo moeten de journalisten hebben gedacht. Bij de Afsluitdijk hebben ze immers hetzelfde gedaan.

Op 3 oktober 1939 is Urk geen eiland meer. Een mooie titel.

We zien de baggermolens en grijpers die de keileem ten behoeve van de dijk aanleveren. De kijker krijgt een beeld van het proces van de aanleg van de dijk, hoe de zinkstukken worden geplaatst en hoe puin en steen ter versteviging worden toegevoegd.

In een shot vaart een klein bootje door een van de laatste sluitgaten, waarin de sterke stroming te zien is. De sluiting van het laatste gat komt in zicht, schepen zijn feestelijk gedecoreerd met vlaggetjes.

Een vrouw in Urker klederdracht houdt een grote Nederlandse vlag vast. We zien een schip van Zanen & Verstoep, met zwaaiende arbeiders. De burgemeesters van Urk en de Lemmer drukken elkaar de hand op een smalle plank.

Daarna een shot van een Urker man, op zijn rug gefilmd, kijkend naar de nieuwe dijk, waarmee zijn eiland ophoudt te bestaan. Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij!

Tenslotte een Urker vrouw (waarvan ik vrij zeker ben dat het mijn overgrootmoeder Mariap van Urk-Koffeman is) die de was uithangt, met de dijk op de achtergrond.

In ieder geval staat vast dat dorpsdichteres en erfgoedhoedster Marretje van Urk-Koffeman (wiki) (blog) bij de feestelijke gebeurtenis aanwezig is. Ze staat zelfs prominent op het schilderij ‘Het laatste schepje’ van Van Mastenbroek, gemaakt in 1939-40. Van Mastenbroek deed beeldend verslag van het grote nationale wonder.

‘Het laatste schepje’, Van Mastenbroek, 1939-40. Enkhuizen: Zuiderzeemuseum / Zuiderzeecollectie.

Op het schilderij zien we deftige mannen in het zwart en werkvolk met lichtere kleren aan. En Mariap van Urk in Urker klederdracht. Het is geen gekke gedachte dat het Mariap is aan het einde van de film, natuurlijk zou ze ja zeggen op de vraag of ze voor of na 3 oktober 1939 voor de camera haar was wilde ophangen.

De gebeurtenis zette Mariap aan tot het schrijven van haar meest bekende gedicht ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’, verschenen in haar gelijknamige dichtbundel in 1949.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven,
Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’,
Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven
Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; gedenken wij de doden,
Die eenzaam rusten in je stille schoot,
De vissers, die voor dagelijkse noden,
Zich waagden op je wiegelende vloot.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de wielen der gemalen,
Zij went’len dreunend aanstonds, dag en nacht
En rusten niet, aleer gij drooggemalen,
Al bloeiend in cultuur zult zijn gebracht.

Vaarwel mijn Zuiderzee; wij zullen niet versagen,
Uw stervenswee een nieuwe toekomst baart,
Waaraan wij bouwen: en waarop wij vragen
Gods zegen! Die aan arbeid is gepaard.

Als de socialistische VARA op 11 juli 1940 een bezoek brengt bij de gereformeerde dichteres, laat zij haar kinderen liedjes zingen en spreken de journalisten met Mariap op onderhoudende toon. In hetzelfde interview draagt Mariap haar gedicht voor, in een nog wat andere vorm dan hoe het uiteindelijk gepubliceerd zou worden.

We zitten dan al in de Tweede Wereldoorlog, de VARA zou niet veel later worden overgenomen door de gelijkgeschakelde Rijksradio-omroep. Het werk in de polder ging gewoon door: de bezetter zag zo’n mogelijke graanschuur ook wel zitten.

De dijk tussen Urk en Kadoelen (de ‘Kaamperdik’) komt 13 december 1940 om 13.52 uur klaar. Ook hier is Mariap getuige van. De stemming is dan wel iets anders dan bij de sluiting van de eerste dijk: nu geen vlagvertoon, maar een sobere viering.

Op rijm, uiteraard, doet ze verslag van de sluiting. ‘Een dag gelijk aan alle and’re dagen’. Wat opvalt is haar ontzag voor de ingenieurs en arbeiders, die de plannen uitvoeren waar Mariap eerst zo hevig tegen protesteerde. En dan haar patriottisme! ‘O, Hollands ras! Zoo taai en onbewogen’. Toch geen ongevaarlijke passage ten tijde van schrijven…

‘Het laatste sluitgat’, Marretje van Urk-Koffeman, 1940. Urk: privéarchief.

Onder redactie van de zoon van Mariap van Urk, dorpshistoricus Albert van Urk (wiki), verschijnt in 1989 het boek ‘Daar werd een dijk gelegd…’ (download) bij Stichting Urker Uitgaven. De titel is ontleend aan een zin uit bovenstaand gedicht.

In het boek zijn interviews met ooggetuigen van de aanleg van de dijken opgenomen, alsmede gastbijdragen over de visserij, de oorlogssituatie, het hergebruikte puin van het platgebombardeerde Rotterdam, de archeologische vondsten in het jonge polderland, Urkers die boer wilden worden, kunstenaars ten tijde van de inpoldering, de sociaal-economische situatie op Urk en natuurlijk… Mariap van Urk, de dichteres van de drooglegging.

Op 3 oktober 1989, precies 50 jaar na de gereedkomen van de eerste dijk, zendt de AVRO een reportage uit, met daarin een interview met Albert van Urk.

Maar Urk is pas echt eiland-af in 1948, als Urk een wegverbinding krijgt met de rest van de polder. Pas zes jaar na de drooglegging van de polder in 1942. Tot 1948 gaan de Urkers nog naar Kampen, naar het ziekenhuis bijvoorbeeld, met een bootverbinding. Of wandelend over de dijk.

Op goed water, betrouwbare elektriciteit en aardgas moeten de Urkers dan nog wat jaren wachten.

Mariap, de vrouw die zich aanvankelijk zo verzette tegen de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee, omarmt uiteindelijk de toekomst. Wel blijft ze zich telkenmaal kritisch uitspreken en zet ze zich onvermoeibaar in voor het behoud van het Urker cultureel erfgoed.

Ook staat haar deur voor iedereen open: van journalisten, tot nonnen, tot dijkwerkers. ‘Een vrouw met een groot hart. Dat ondervonden de polderjongens die, ver van huis, bij haar een thuis vonden.’, zo besluit haar zoon Albert het hoofdstuk in ‘Daar werd een dijk gelegd’ over zijn moeder.

Eerder verscheen de tekst van een korte een lezing uit 2018 over Mariap van Urk elders op mijn blog. De grootvader van Mariap komt aan bod in mijn artikel over het Dialecticon.