Onderstaande tekst is een bewerking van de lezing ‘Vuurtorens in de Noordoostpolder en op Urk’, uitgesproken bij de opening van de Maand van de Geschiedenis op 3 oktober 2026 in de Museumkerk op Schokland.
Boudewijn Büch sprak over ‘het vuurtorengevoel’. Hij voelde zich sterk aangetrokken tot eilanden, afgelegen plekken en alles wat met eenzaamheid te maken had. Voor Büch was een vuurtoren daarom meer dan een technisch bouwwerk. Het was bijna een symbool voor zijn eigen fascinaties: alleen staan aan de rand van de wereld, maar toch met een licht contact houden met anderen. Juist die combinatie van afzondering, melancholie en verlangen maakt de vuurtoren zo bijzonder.
De vuurtorens van de Noordoostpolder en Urk

Wie naar de Zuidpunt van Schokland gaat, komt daar op een merkwaardige plek terecht. Er staat geen vuurtoren meer. Schepen varen er niet langer meer voorbij. En toch lag daar, op de zuidelijkste punt van het eiland, eeuwenlang een van de belangrijkste lichtpunten van deze omgeving.
Wanneer je nu vanaf de Zuidpunt om je heen kijkt, zie je akkers, de strakke percelen van de Noordoostpolder. In de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw keek je vanaf precies diezelfde plek uit over de Zuiderzee. In het donker kon je misschien het licht van dat andere eiland, Urk, waarnemen. Op het water zag je de lantaarns van schepen. Stuurboord- en bakboordlichten, hek- en ankerlichten. En achter je brandde het vuur dat ervoor moest zorgen dat die schepen langs Schokland en Urk konden navigeren.
In dit artikel iets over die lichten. Over de vuurtorens van Schokland, Urk, Oud-Kraggenburg, Blokzijl en later de Noordoostpolder. Maar eigenlijk wil ik het vooral hebben over de mensen die het licht brandende hielden. Want een vuurtoren was eeuwenlang helemaal niet automatisch. Iemand moest kolen aanslepen. Een vuur onderhouden. Schoonmaken. Mechanismen opwinden. Naar de einder staren. Een mistklok bedienen. Een peilschaal aflezen. Maar vooral: wakker blijven wanneer anderen sliepen.
Daarmee past het beroep van lichtwachter bijzonder goed bij het thema van deze Maand van de Geschiedenis (oktober 2026): Lichaam en Geest. Want de lichtwachter werkte met zijn hele lichaam. Maar misschien nog meer met zijn hoofd, want hij had de taak om te waken.
Het licht van Ens

Laten we beginnen op Werelderfgoed Schokland, op de Zuidpunt, op het voormalige Ens. Het zuidelijke deel van Schokland heette Ens en het noordelijke deel Emmeloord. Al voordat er op de Zuidpunt een echte vuurtoren stond, was de plek een oriëntatiepunt voor de scheepvaart. De oude kerk op de Zuidpunt was vanaf het water zichtbaar. Daarnaast werd er door de eilanders een zogenaamd ‘vissersvuur’ gestookt. Maar dit open vuur was niet betrouwbaar.
In 1618 besloten de Staten van Overijssel samen met Holland een vuurbaak te laten plaatsen. Daarmee behoorde Schokland tot de vroegste plaatsen rond de Zuiderzee met een georganiseerd kustlicht. Er kwam een stenen vuurboet met een open kolenvuur. Voor onderhoud aan de vuurbaak werd tot 1801 tol geven. Dit werd het ‘Ensser geld’ genoemd. Ook onderhoud aan het palenscherm, het salaris van de predikant, de schoolmeester en de vroedvrouw werden van dit geld betaald.
De vuurstoker moest voldoende brandstof hebben en moest in de donkere maanden nachtenlang voor het vuur zorgen. Alleen wanneer de Zuiderzee volledig door ijs was afgesloten en er geen scheepvaart mogelijk was, hoefde het vuur niet te worden gestookt. Het was dus zwaar lichamelijk werk: er werd gesleept met kolen, en je was in strijd met de elementen.
Maar er was nog iets. Naast de vuurbaak op de Zuidpunt stond vanaf 1821 een mistklok. Die sloeg 36 keer per minuut. Het uurwerk moest om de twee uur opnieuw worden opgewonden. Om de twee uur. Ook ’s nachts. Bedenk maar eens wat dat met het ritme van een mens deed. De lichtwachter leefde niet volgens kantooruren. Zijn werk werd bepaald door zonsondergang, duisternis, mist, ijs en storm.
In februari 1825 werd Schokland getroffen door een enorme stormvloed. Een gebeurtenis die we vorig jaar hebben herdacht in de Enserkerk, de Museumkerk. Twaalf of dertien Schokkers kwamen om het leven. Huizen werden weggespoeld. Een schokker schuit werd bij Dalfsen, ver van Schokland, teruggevonden. Ook de bestaande vuurbaak werd vernield. Nog datzelfde jaar verrees op de Zuidpunt een nieuwe ronde stenen vuurtoren.

Van die toren is tegenwoordig alleen het ronde fundament zichtbaar. In een inventaris uit 1835 door burgemeester Gillot krijgen we een bijna huiselijk inkijkje in het leven daar. Er was een stenen woning voor de vuurstoker met drie vertrekken, een klokkentoren, een loopbrug naar de vuurtoren, roosters voor het vuur, een vuurschop, een koperen vuuremmer en een weegschaal voor de brandstof. Dat vind ik mooi, omdat het verhaal daardoor wat meer gaat leven. De vuurtoren was een werkplek.
In 1845 verdween het open kolenvuur en kwam er een lamp met prismatisch geslepen glas. Er kwam eindelijk een eind aan het naar boven slepen van steenkool. Het licht van Schokland werd een vast licht. Dat was belangrijk, want op Urk brandde een draailicht. Een schipper die ’s nachts twee lichten zag, kon dus aan het lichtkarakter herkennen welk eiland hij voor zich had.
De ontruiming van Schokland in 1859
In 1859 werd Schokland ontruimd. Dat is u wellicht bekend. Het onderhoud aan het eiland werd te duur en de opgezetenen waren in een neerwaartse spiraal van armoede terechtgekomen. De bewoners vertrokken en kwamen terecht in plaatsen als Kampen, Vollenhove, Volendam en Urk. Schokland werd verlaten, maar werd geen onbewoond eiland.

Voor de scheepvaart, en dus voor Rijkswaterstaat, bleef het eiland belangrijk. Een Nationaal Binnenvaart Monument, bij de haven van oud-Emmeloord, herinnert nog aan de lobby van de binnenvaart, door Schuttevaer, opgericht in 1858, voor het behoud van Schokland. Er bleven ambtenaren, havenmeesters, kantonniers en lichtwachters nodig. Deze verschillende functies werden belegd bij een paar personen, die met hun gezinnen op het eiland kwamen wonen.

En daarmee ontstond een heel bijzondere situatie: een eiland waar bijna geen mensen meer woonden, maar waar een handjevol mensen achterbleef om voor het water, de haven en het licht te zorgen. Op de Zuidpunt werd de lichtwachter Wiegert van Eerde, een derde generatie lichtwachter, na de ontruiming verantwoordelijk voor de lichtopstand en de mistbel. Daarna volgden Jelle Loosman, Teunis van Eerde en later opnieuw leden van de familie Van Eerde. De familie van Eerde zou uiteindelijk vijf generaties lang lichtwachter zijn op Schokland. En hoewel dit Urkers waren, kunt u aan de naam horen dat zij van Schokker afkomst waren.
En nu komen we bij het moeilijkste deel van dit verhaal. Geschiedschrijving vermeldt dat twee broers van Eerde, Jacob en een jongere broer, in 1911 van Schokland vertrokken nadat zij, in ieder geval Jacob, geestelijk ziek waren geworden. In latere verhalen wordt de eenzaamheid van de Zuidpunt daarvoor als oorzaak genoemd.
Nou, daar moeten we wat voorzichtig mee zijn. Wij kunnen meer dan een eeuw later geen diagnose stellen. We weten niet preciés wat er met deze mannen aan de hand was en we kunnen niet bewijzen dat hun verblijf op Schokland de oorzaak was. Maar hun verhaal vertelt wel iets over de manier waarop tijdgenoten en latere generaties naar deze plek keken. Als een plek van afzondering.
Wind, water en duisternis. Een huis met daarachter de oude begraafplaats. Bij hoogwater konden resten uit de begraafplaats bloot komen te liggen. En pas kilometers verderop woonden de andere mensen op het eiland. De romantiek van de eenzame vuurtorenwachter krijgt hier een veel donkerder kant.
De geschiedschrijving is over de broers van Eerde niet eenduidig. Dan zijn er ook nog nakomelingen, die het verhaal uit de familie kennen. Ik sta te springen om dit verhaal eens goed uit te diepen en te onderzoeken.
In zijn boek ‘De stervende Zuiderzee’ beschrijft schilder Jos Lussenburg het voorval als volgt. Ongetwijfeld geromantiseerd, maar ik wil het u niet onthouden.
Die nacht van 5 op 6 oktober, toen het aankolkende water over de kisting denderde en de graven rond de fundering van de oude kerk omwoelde, had hij [Jacob van Eerde] uren in angstige spanning naar de bulderende storm geluisterd. Grote stukken water ranselden de muren van zijn huisje en rukten er de pannen af. Brandde het licht nog wel op de toren? Als het vuur gedoofd was, zou men het hem aanrekenen als er schepen op de wal vergingen. De spanningen in deze besloten ruimte, waar je niets anders kon doen dan met de angst in je lijf afwachten, vrat aan zijn laatste restje weerstand. Telkens meende hij de roep van een mens in nood te horen. Het rukken van de deur in de sponning, het geroffel van neervallende pannen, de angst voor het gedoofde vuur en de gevolgen daarvan, deden hem in wanhoop besluiten de sprong naar buiten, naar de toren te wagen. Daarbuiten regeerden de almachtige krachten, maar hierbinnen was niet was niets dan angst, de spoken van zijn opgejaagde verbeelding. De oliejas met een end touw om het lijf gesjord, de zuidwester op de verwilderde kop gebonden, met een stormlantaarn in de bevende hand, deed hij de grendels van de deur. De deur sloeg met een verschrikkelijke slag tegen de kamerwand, de lamp vloog uit. De vuurwachter stortte zich in wanhoop naar buiten in de baaierd van geweld.
Het basalt van het pad naar de toren was door het water weggerukt. De zee had grote gaten in de terp geslagen en de oude graven omgewoeld. Oude planken, doodshoofden en beenderen dreven in een schuimende brij van modder en schuim over de terp. Buiten adem worstelde hij zich aan de ijzeren trapspijlen naar boven. totaal uitgeput viel hij neer op de overloop van de op zijn voetstuk trillende lichtopstand. Een flauw schijnsel viel vanuit het lichthuis over de witgekuifde golven. Als een wezenloze, totaal ontredderde ziel staarde de vuurwachter naar het paalwerk rond de terp. aar dook met de deining telkens het lichaam van een mens omhoog, verward in een om de palen van de zeewering vastgelopen lijn. Twee dagen en nachten hield de storm aan en bleef de vuurwachter op de omloop met een wezenloze blik over de aanstormende zee staren.
Toen de lijken van de schipper, vrouw en knecht van de op het zuid van Schokland vergane tjalk naar Kampen werden gebracht, bracht men ook de laatste vuurwachter op het zuid naar de vaste walk. Het laatste slachtoffer der vereenzaming op de verlaten zuidpunt van Schokland.
Dat Jacob van Eerde de laatste lichtwachter op de Zuidpunt was, klopt trouwens niet, net zoals meer van dit verhaal niet zal kloppen. Hij werd nog opgevolgd door Klaas van Loo en Pieter Verschoor. Laatstgenoemde zou de werkelijk laatste lichtwachter van Schokland worden.
Nou, we hebben het hier over vuurtorens en eenzaamheid. Maar we moeten dit ook een beetje nuanceren. Een vuurtorenwachter was namelijk lang niet altijd alleen. Op Schokland woonden gezinnen in de lichtwachterswoningen. Dat gold eveneens voor Oud-Kraggenburg en Urk. Eenzaamheid betekent is niet noodzakelijk: er is niemand anders. Het kan ook betekenen: je bent met een klein aantal mensen op een plaats waarvan je moeilijk weg kunt.
Oud-Kraggenburg

Dat verschil wordt zichtbaar bij Oud-Kraggenburg. Halverwege de negentiende eeuw wilde Zwolle een betere vaarroute naar de Zuiderzee. Er werden kilometerslange leidammen door het Zwolse Diep aangelegd. Helemaal aan het uiteinde van de zuidelijke dam kwam een kunstmatig eiland met een vluchthaven en een woning voor een lichtwachter. In december 1848 trok Hendrik Willem Winkel daar met zijn vrouw en kinderen in. Sta nou eens een stil bij die locatie. Een huis omgeven door water, aan het einde van een dam van zo’n zes kilometer.
De lichtwachter moest hier niet alleen de lichten verzorgen. Hij inde havengeld en tol, hield toezicht op materialen, beheerde een klein winkeltje voor passerende schippers en moest opletten dat er niets werd gestolen of vernield.
En dan kwam de winter. In de winter van 1854-1855 werd de situatie tijdens een storm zo ernstig dat Winkel maatregelen moest nemen om zijn gezin te beschermen. Kort daarna vroeg hij ontslag.
Ook de daaropvolgende lichtwachtersfamilies moesten menigmaal de vlag hijzen, wanneer ze in nood gezeten waren. Gelukkig konden Vollenhoofse vissers ze keer op keer in veiligheid brengen.
Pieter Verschoor en de stormvloed van 1916

Op Schokland krijgen we van zo’n storm nog een voorbeeld. In 1915 kwam Pieter Verschoor, met zijn vrouw en hun drie kinderen, op de Zuidpunt wonen. Verschoor was oud-marineman. Een paar maanden later, in de nacht van 13 op 14 januari 1916, kwam de stormvloed. Juist, de stormvloed van 1916, die Cornelis Lely het laatste duwtje gaf om zijn Zuiderzeewet door de kamer ter krijgen, het startsein van de aanleg van Flevoland.
Het water steeg alras en bereikte de hoger gelegen woning van de familie Verschoor. Het gezin bracht matrassen naar hoger gelegen plaatsen. In huis klommen zij op tafels en het aanrecht. Verschoor was, als oud-marineman, waarschijnlijk niet snel onder de indruk van wat golven. Maar midden in de nacht belde Verschoor naar Harm Smit, zijn collega in Emmeloord. Hij zou wanhopig geroepen hebben: “Moeten we allemaal omkomen?” Waarop Harm Smit hem moed insprak.
De familie op de Zuidpunt kwam de nacht gelukkig door, want op een gegeven moment stopte het water met stijgen.
Hoogwatermerken op het museumterrein, zoals aan de buitenzijde van de Museumkerk, geven nu nog een beeld van de situatie in 1916 en de eerder genoemde stormramp van 1825.
De Noordpunt: lichtwachter én havenmeester

Aan de andere kant van Schokland ontwikkelde zich ondertussen een andere lichtpost. Op Emmeloord, het noorden, lag de haven. De woning die we nu nog kennen als Rijksmonument De Lichtwachter werd in 1901 gebouwd. De havenmeester was tegelijkertijd verantwoordelijk voor de lichten. Lammert Smit en zijn gezin waren de eerste bewoners van de nieuwe woning.
Eerst werd ’s avonds een olielamp in een houten driepoot gehesen. In 1914 kwam er een ongeveer tien meter hoge stalen lichtopstand. Het licht brandde op carbid. De toren die je tegenwoordig bij de haven ziet is overigens geen origineel: het is een reconstructie uit 2007.
En hier vinden we een prachtig detail over de laatste havenmeester van Emmeloord, Jan Spit, een ingetogen man. In ‘Zwerven langs het IJsselmeer’ lezen we dat Spit al ruim voor zonsondergang naar zijn schuur ging om de petroleumlantaarns voor de haven gereed te maken. Groen voor het ene havenhoofd, rood voor het andere. Hij poetste ze, stelde de vlam af en bracht ze naar buiten. En dan keek hij later op de avond nóg eens. Hij nam zijn beroep uiterst serieus, was nooit helemaal gerust. Want misschien was een lamp toch gaan walmen. Misschien zou uitgerekend die ene nacht een schip op dat licht vertrouwen.
Mist

En dan was er mist. Een vuurtoren werkt alleen wanneer je hem kunt zien. Dus kreeg de lichtwachter ook geluid tot zijn beschikking. Op de Noordpunt van Schokland kwam in 1921 een misthoorninstallatie. Het sein was heel precies: twee stoten per veertig seconden. De broers Hendrik en Harm Smit moesten de installatie onderhouden en iedere week proef laten draaien. De misthoorn verdween, maar het gebouw bleef bestaan. Nu is het een Rijksmonument, net als de Lichtwachterswoning.
Ook op Urk bestonden achtereenvolgens een mistklok, misthoorn en nautofoon. Ik heb het geluid in mijn jeugd op Urk nog regelmatig gehoord. Het waarschuwde ook, wanneer schepen te dicht onder de kust kwamen.
Urk: een vuurtoren sinds de zeventiende eeuw

Urk heeft de langste ononderbroken lichttraditie van de streek. Al in 1617 werd er een vuurbaak gebouwd. De huidige witte vuurtoren dateert uit 1844-1845. Ze werkt nog en de lichtwachterswoning wordt thans bewoond door het echtpaar Bakker. In 1901 werd de toren ongeveer vijf meter verhoogd, vanwege de bouw van een nieuwe kerk op Urk: de Bethelkerk. De vuurtoren moest daar overheen kunnen schijnen.
In 1876 kreeg de toren een nieuw draailicht. Dat werd aangedreven door een valgewicht. En dat gewicht moest de lichtwachter ongeveer iedere twee uur weer omhoog hijsen. Later werd de techniek moderner. Maar het menselijke oog bleef belangrijk.
Over dat menselijke oog. Het kon ook zijn dat een vuurtorenwachter een oogje dichtkneep. Dit brengt ons op het oorlogsverhaal van het Klokkenschip, een schip vol met monumentale klokken, uit het hele land geroofd, onderweg naar Duitsland, klaar om daar omgesmolten te worden voor de oorlogsindustrie. Het schip zou langs Urk varen en de vuurtorenwachter, Jacob Schraal, was op de hoogte. Hij trok de stekker van de noodverlichting eruit en het schip liep vast op de ondiepte de Vormt. De klokken wachtten op de bodem van de Zuiderzee tot het einde van de oorlog. Ze waren gered, mede door de kleine verzetsdaad van de vuurtorenwachter.
Een saillant detail: Onder deze klokken bevond zich een klok die oorspronkelijk van Schokland kwam, die door de watergeuzen werd geroofd en daarna in een kerkje in Noord-Holland hing. Die keerde dus bijna weer terug naar Schokland, in die oorlogsjaren.
Een ander opmerkelijk feit van de Urker vuurtoren is de enige vuurtoren in Nederland die linksom draait. Alle andere vuurtorens draaien rechtsom. Of dit ook iets zegt over de aard van de Urker bevolking, laat ik aan u over.
Het havenlicht van Blokzijl

Een licht dat tegenwoordig merkwaardig genoeg in de Noordoostpolder staat, hoorde oorspronkelijk helemaal niet bij de polder. Het was het havenlicht van Blokzijl.
Blokzijl was eeuwenlang een havenstad aan de Zuiderzee. Maar de haven had een probleem dat we op meer plaatsen rondom die zee tegenkomen: verzanding. Om schepen veilig naar binnen te kunnen leiden, werd de vaargeul steeds verder de Zuiderzee in uitgebouwd. Al in de zeventiende eeuw werden daar lange strekdammen aangelegd. Aan het uiteinde van de noordelijke dam kwam een lichtopstand.
In 1907 werd de strekdam nog eens met ongeveer vijfhonderd meter verlengd. Helemaal aan het uiteinde kwam een nieuwe stalen lichtopstand. Op 1 januari 1908 werd het nieuwe witte havenlicht officieel ontstoken.
De laatste vuurtorenwachter van Blokzijl was Kees Klinkert. En Klinkert maakte iets mee wat maar weinig vuurtorenwachters zullen hebben meegemaakt. Niet zijn vuurtoren verdween als eerste, maar de zee verdween. In 1942 viel de Noordoostpolder droog. Waar Klinkert enkele jaren eerder vanaf zijn lichtopstand over de Zuiderzee en later het IJsselmeer had uitgekeken, lag ineens land.
De oude lichtopstand werd vervolgens opgeblazen. De strekdam werd afgegraven. De basaltblokken kregen elders een nieuwe bestemming bij de aanleg van dijken en het puin van de dam werd gebruikt als ondergrond voor de Steenwijkerweg. De vuurtoren verdween dus bijna letterlijk in de nieuwe polder. Maar het verhaal kreeg nog een bijzonder vervolg.
In 2008 werd op de oorspronkelijke locatie een replica van het havenlicht gebouwd. De vuurtoren staat ongeveer 2,3 kilometer van het huidige Blokzijl, op dezelfde plek waar vroeger het einde van de strekdam lag.
En bij de opening in 2008 was één man aanwezig die de oude situatie nog werkelijk had gekend. Kees Klinkert. De laatste vuurtorenwachter van Blokzijl was inmiddels 94 jaar oud. Zesenzestig jaar nadat hij het oorspronkelijke licht had gedoofd, mocht hij het herbouwde havenlicht openen.
Dat vind ik een van de mooiste verhalen uit deze hele geschiedenis. Een jonge man doet in 1942 het licht uit omdat de zee verdwijnt. Een oude man keert in 2008 terug naar precies dezelfde plek om het licht weer aan te steken.
De Rotterdamse Hoek

We keren even terug naar de oorlogsjaren. Bij de Rotterdamse Hoek, waar de Westermeerdijk overgaat in de Noordermeerdijk, staat een vierkante bakstenen lichtopstand. De plek draagt haar naam vanwege het puin van het in mei 1940 gebombardeerde Rotterdam dat bij de aanleg en afwerking van de dijk werd gebruikt. Vandaar ook de naam: Rotterdamse Hoek. Bedacht door de polderwerkers, om nooit de herinnering aan een gitzwarte bladzijde uit onze geschiedenis te vergeten.
Het licht daar was geen bemande vuurtoren zoals op Urk of het oude Schokland. Maar er zat toch weer een mens achter. De vuurtorenwachter van Urk was verantwoordelijk voor controle en onderhoud van het licht en de misthoorn op de Rotterdamse Hoek. De gasvoorraad moest aanvankelijk zelfs per schip worden aangevoerd; omdat het schip niet bij de dijk kon komen, werden gasflessen in een vlet overgeladen en over het basalt omhoog gedragen. Zelfs een geautomatiseerd licht vroeg dus nog om aandacht en mankracht.
Het einde van een beroep

Op de Zuidpunt van Schokland werd het licht vanaf 1922 automatisch ontstoken. Ook op Kraggenburg werden de lichten geautomatiseerd. Lichtwachter Barend Kroese vertrok in 1920 met zijn gezin. Daarna kwam bakenmeester Kasper Kombrink nog wekelijks vanuit Genemuiden langs voor inspectie en de peilschaal.
Op Urk bleef de menselijke lichtwachter veel langer bestaan. Uiteindelijk maakte ook daar de automatisering de traditionele functie overbodig. Het licht bleef schijnen, maar de mens verdween. En misschien is dat wel de meest fundamentele verandering in de geschiedenis van de vuurtoren. Eeuwenlang was veiligheid afhankelijk van iemand die wakker bleef. Iemand die twijfelde of de lamp wel goed brandde en daarom tóch nog één keer naar buiten liep.
Tot slot
Wanneer wij tegenwoordig naar een vuurtoren kijken, zien we meestal iets romantisch. Eenzaam maar mooi. Een toren aan de horizon, een licht in de duisternis. Maar achter dat beeld zat een beroep. En achter dat beroep zat een mens. Iemand die de kou voelde. Iemand die moe kon worden en bang kon zijn. Iemand die verantwoordelijkheid droeg voor mensen die hij vaak niet eens kende.
Daarom gaat het verhaal van de vuurtorens van Urk en de Noordoostpolder volgens mij uiteindelijk niet alleen over techniek of scheepvaart. Maar het gaat over waken. Over wat er van lichaam en geest wordt gevraagd wanneer anderen op jou vertrouwen.
Als je nu nog eens op de Zuidpunt van Schokland komt, probeer dan eens over het vlakke polderland te duren, je inbeeldend dat de Zuiderzee hier nog heer en meester is. Dat rondom de terp alleen maar water is. Dat ergens in de verte een schip voorbij vaart. En dat je wakker moet blijven, omdat het licht niet uit mag gaan.
In de gratis audiotour De Laatste Lichtwachter wandel je vanaf Museum Schokland naar de Zuidpunt van het voormalige eiland. Onderweg vertelt de lichtwachter zijn verhaal en komen het landschap, de geschiedenis van Schokland en het eenzame bestaan bij het licht tot leven. De audiotour werd gemaakt door Prins te Paard locatietheater, met Martin-Jan van Santen als Jacob en Radio de Zwarte Kat, audiomontage door Egbert Hermsen, beeld van Martijn van der Riet en productie door Liset Moerdijk. De productie werd mede mogelijk gemaakt door de Provincie Flevoland. In oktober 2026 is deze audiotour opnieuw onder de aandacht gebracht in het kader van de Maand van de Geschiedenis. Meer informatie op de website van Museum Schokland.
Voor dit artikel maakte ik dankbaar gebruik van o.a. Vuurtorens op Urk en in de Noordoostpolder van Peter Kouwenhoven, uitgegeven door de vuurtoren van Urk. Ook van onschatbare waarde is het boek ‘Pastoors, predikanten en vuurstokers van het eiland Schokland’, geschreven door Bruno Klappe en in 1993 uitgegeven door Stichting Urker Uitgaven.