blog

#8 – Schokland van India tot Texas

Verhalen van Schokland
Verhalen van Schokland
#8 - Schokland van India tot Texas
Aan het laden
/

Jorge legt uit hoe de composities tot stand zijn gekomen.

#7 – Schokland is een interessante casus

Verhalen van Schokland
Verhalen van Schokland
#7 - Schokland is een interessante casus
Aan het laden
/

Over de nazaten van de vertrokken Schokkers, intergenerationeel trauma, de omgang met Schokland in de Noordoostpolder en de nieuwe bewoners.

#6 – Het botst hier letterlijk

Verhalen van Schokland
Verhalen van Schokland
#6 - Het botst hier letterlijk
Aan het laden
/

Over Eva’s band met Schokland en hoe het landschap hier een verhaal vertelt.

#4 – Niet onverschillig doorheen banjeren

Verhalen van Schokland
Verhalen van Schokland
#4 - Niet onverschillig doorheen banjeren
Aan het laden
/

Jorge en Eva vertellen over het geven en het nemen binnen de provincie Flevoland.

#3 – Een kind van de polder

Verhalen van Schokland
Verhalen van Schokland
#3 - Een kind van de polder
Aan het laden
/

Eva Vriend vertelt over haar relatie met de Noordoostpolder en haar inspiratie.

#2 – Een heel mooi huwelijk

Verhalen van Schokland
Verhalen van Schokland
#2 - Een heel mooi huwelijk
Aan het laden
/

Jorge Isaac vertelt over de samenwerking tussen Black Pencil en Museum Schokland.

#1 – Start

Verhalen van Schokland
Verhalen van Schokland
#1 - Start
Aan het laden
/

Leuk dat je je wandelschoenen hebt aangetrokken en de weg naar Schokland hebt gevonden!

Mijn naam is Bas Visscher, en ik neem je in de komende kleine 7 kilometer mee langs de randen van het voormalige eiland Schokland.

Ik zal me eerst even voorstellen. In het dagelijks leven ben ik museummedewerker en creatief ondernemer. Ik ben zelf afkomstig uit dit gebied – ik kom namelijk van dat andere eiland: het nabijgelegen Urk. Ik groeide op in de Noordoostpolder en heb zelf enkele jaren op Schokland gewerkt. Hoe leuk is het om – in opdracht van Museum Schokland, je vandaag mee te nemen door dit prachtige gebied.

Precies deze wandeling deed ik eerder met Jorge Isaac van Black Pencil en schrijver en historicus Eva Vriend, die haar intrek heeft genomen in de lichtwachterswoning op Schokland om te werken aan een nieuw boek: over Schokland. Tijdens de wandeling hoor je delen van onze gesprekken.

Art-based learning in de praktijk

Een (te) korte reflectie op de methode ‘Art-based learning’, een waardevol hulpmiddel voor museumeducatie.

Marijke van Warmerdam, Lichte Stelle, 2000, videoinstallatie, Museum de Fundatie

Bij het volgen van mijn opleiding – Cultureel Erfgoed aan de Reinwardt Academie – mag ik veel naar kunst kijken. Talloos zijn dan ook de museumbezoeken die ik de afgelopen jaren heb afgelegd. Eerlijk gezegd ben ik inmiddels eigenlijk ‘verpest’ door mijn opleiding, dat wil zeggen: door over alle kennis over objecten, het beheer en behoud ervan, de presentatie ervan, de inrichting van musea, de manieren van tentoonstellen, etc. te leren, kan ik nog nauwelijks onbevangen naar kunst kijken. Voortdurend word ik afgeleid door de mensen in de ruimte, de camera’s, de hygiëne, het lichtgebruik…

Ik heb in 2019 het genoegen gehad de minor Liberal Arts, aan de kunstacademie ArtEZ in Zwolle, te volgen. Eerste excursie: Museum de Fundatie, tentoonstelling “Vrijheid”. Alwéér een museumbezoek. Maar deze keer, tot mijn grote opluchting, om daadwerkelijk naar kunst te kijken. Dat aan de hand van een methode: Art-based Learning, ontwikkeld door Jeroen Lutters. Ik wil niet zeggen dat ik een geoefend kunstkijker ben, nee, verre van dat – maar aanvankelijk stond ik nog wat wantrouwig tegenover deze, voor mij onbekende, methode.

Deze ontmoeting met bovenstaand kunstwerk beschrijf ik aan de hand van de aantekeningen die ik tijdens deze excursie heb gemaakt.

Tijdens de eerste stap werd ons als opdracht meegegeven enkele vragen aan jezelf te stellen en daar vervolgens één vraag uit te kiezen. Uit de vragen “Hoe kan kunst mij helpen in het dagelijks leven”, “Welke waarden in de kunst kunnen mij persoonlijk helpen”, “Wat in de kunst kan mij maatschappelijk en creatief prikkelen en daarnaast sturing bieden” en “Hoe kan kunst mij troost bieden”, koos ik de laatste. Vervolgens draalde ik een half uur door de tentoonstelling Vrijheid – welke vijftig toonaangevende kunstwerken van Nederlandse kunstenaars behelst – tot ik bij een werk kwam dat mij raakte. Moeilijk was dit niet, ik kwam terecht bij Van Warmerdams video-installatie. Waarom? Uit mijn notities een paar kernwoorden: “zee”, “stilte”, “herkenbaar beeld”, “rust” en “vragen”.

Bij de tweede stap (“Close reading”) keek ik tien minuten naar het object, in mijn geval de video, zelf. Wat zag ik? Een film in een loop van ongeveer twee minuten (gedigitaliseerde film), een landschap (een meertje, bomen, jongen, eend), kabbelend water in het meertje en water dat uit de broek van de zwembroek van de jongen druppelt. Ik legde de link met Friedrichs “Monnik aan Zee”, al was in vergelijking met dat bombastische schilderij dit een veel realistischer, onschuldiger beeld. Maar de associaties moest ik nog even voor mij houden.

In de volgende stap (“Into the possible world”) verhield ik mij tot het werk. Ik noteerde wat ik ervaren had: “Ik hoor geruis van bomen, maar vooral eigenlijk helemaal niets. Ik ruik zoet water en het is niet heel koud. Misschien is het rond het begin van de zomer. Er zwemt een eend voorbij. Dat jongetje, dat ben ik. Dit zijn mijn kinderjaren. Onzeker, veel gedachten, overweldigd door de natuur. Ik ruik nog meer: de geur van zonnebrand. Ik voel me rustig, ik proef de stilte. Dadelijk stap ik op de fiets en ga ik naar huis. Ik neem de langste weg terug, door de bossen, omdat ik van die geuren houd. Mijn lichaam is moe en ‘s avonds val ik snel in een diepe slaap. VRIJHEID. STILTE. RUST.”

Reflecteren op deze methode van kunst-kijken deed ik met een cursusgenoot. We concludeerden dat je op deze manier heel anders naar een werk gaat kijken. Wij zijn allebei een gesprek aangegaan met het kunstwerk. Ik had het gevoel dat dit bij iedereen in de klas het geval was, ook bij diegenen die nauwelijks in een museum komen. Dit spreekt in het voordeel van de methode: de drempel is laag, maar het effect is groot.

Terugkijkend op deze ontmoeting met het kunstwerk had ik niet gedacht dat ik zo in dit werk getrokken zou worden. Ik heb het gevoel gehad dat ik daar zelf aanwezig was, in dat beeld. Sterker nog: ik voelde mij zelf dat jongetje. Hoe langer ik naar het werk keek, hoe meer mijn zintuigen geprikkeld werden. Ik kon bijna de geuren van het bos ruiken, de warmte van de zon en de kou van het water voelen. Een heel zacht briesje over mijn vochtige huid.

Deze gevoelens heb ik eerder gehad, bij abstract werk. De grote werken van Rothko en Newman bijvoorbeeld. Hoe je door het lange kijken naar de werken een geweldige ervaring kan krijgen.

Bij figuratieve kunst heb ik dit minder. Zelfs bij lang kijken vind ik het moeilijk om zo geprikkeld te worden. Bij “Portret van Albert Verwey”, Jan Veth, 1885 (https://nl.wikipedia.org/wiki/Portret_van_Albert_Verwey) heb ik dat wel gehad. Ik vond het waanzinnig om een soortgelijk gevoel weer opnieuw te beleven in Museum de Fundatie.

Art-based learning is een uitnodiging om een dialoog met een kunstwerk aan te gaan. Het verrijkt een museumbezoek, maar verandert ook de manier hoe we naar kunst kijken. Bovenstaand verslag doet geen recht aan de inhoud van de methode, maar geeft hopelijk een beeld van een mogelijk effect ervan.

Jeroen Lutters is als lector verbonden aan ArtEZ. Zijn boek Art-based learning is verkrijgbaar onder ISBN-nummer 9789046907238. De methode wordt als cursus aangeboden aan ArtEZ.

Column SCABskoel ‘Erfgoed’

Column uitgesproken bij de SCABskoel op UrkFM op 29 maart 2021. Terugkijken kan hier. (Ik heb geprobeerd volgens de Schrijfwijzer van Stichting Urker Taol te schrijven, maar in alle gauwigheid heb ik ongetwijfeld wat fouten gemaakt.)

D’r is een bult dat oens verbint, d’r is een bult dat oens verdielt. Een warreld in verangering, een gruuiend gevoel van onbehagen. In de politiek klinken stimmen: we moeten groos wezen op oenze cultuur, oenze cultuur wordt bedreigd, we stoon onger drok. We ewen erfgoed waormie we oens tot enkanger verhouen: gekunstelde dingen as een volkslied, tradiessies as Suunterklaos, ’t Vreems (’t Nederlans) as taol. Kuunen wij Nederlander wezen zonger disse symboliek? Is dit ’t erfgoed dat oens bij enkanger moet ouwen? Of is d’r maar?

’T likt wel een reflex: ’t krampachtig vastouwen an veraolen, tradiessies in rituelen, omdat de warreld verangert. Ok de Urker cultuur wordde bedreigd – in 1932 kwam de Ofsleutdik in de Zuierziecultuur liek ‘ten dode opeskrieven’. ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’, skrief Mariap van Urk in weemoed. ’t Veraol ging dat de vlaggen op de kotters in 1932 alfstok gingen.

Die gevoelens, die angst, ze wazzen op Urk niet basierd op een ongerbukgevoel. Urk krieg nauwelijks een plekkien in ’t narratief van ’t Naaie Laand: Flevolaand zou een provincie worren van superboeren in noeste arbeiders – een perfecte in ofewoegen ofspiegeling van de samenleving, misskien zelfs een geconstruïerde samenleving. Die Urkers, nou, die moesten derluiers eagen boontjes maar zien te doppen.

Urk blief an de iene kaant een eiland binnen Flevolaand. Mar ’t arremoedige begin van de twientigste ieuw wordde goedemaakt duur de goeie verdiensten op zie, e-ulpen duur ’t arbeidsethos: ora et labora, bid in warrek. Het Wonder van Urk.

Mit de gruuiende rikdom van de Urkers, de globalisiering, Urk as belangrijke spuuler in de internationale handelsmarkt, verdwienen ok zuutjesan de erinneringen an ’t eilandleven. Over ’t Ouwe Durp daolde een glaozen stolp neer, ’t toerisme kwam op in erfgoed maakte plaos vor folklore.

We kuuzen vor een moment in de teed, die we gingen musealisieren. ’t Urk van vlak vor de inpoldering. Krampachtig ouwen we vast an krek die kliederdracht, an ’t veraol van de gevolgen van de ofsleuting van de Zuierzie. An Urk tuugen de warreld. Misskien zelfs Urk in een slachtofferrol?

Mar d’r is nog zovuul maar, d’r is nog zovuul moois. Urk as vrijplaos vor kunstenaors in skreevers. Een Urk vol volkscultuur: van spoekveraolen in bijgeloof. Kiengervursies. Rijmpies. Legendes. Veraolen over bevuurbield de walvisvaort – wie kint die eagenlijk nog?

Je hoeven echt niet zo’n linkse rotte as ik te wezen om te bedinken dat ’t geconstruierde Urker narratief ok een instrumint van eutsleuting kan wezen. Want wie oort erbij en wie niet? ’t Wordt teed om oens, an de aand van ’t Urker erfgoed, opnijt te wortelen: eupenstoon vor verangering – zo dynamisch as erfgoed is – in tegelikkerteed bewust te bleeven van ’t verlieën.

Willen we een gemienskap wezen dat zich vergript an loze symbolen, zoas een zieheld mit bloed an z’n aanen, omdat we oens in ’t nauwe edrieven voelen? Of dukken we de archieven in, ontdekken in omarmen we de geschiedenis van Urk in al d’r facetten, gieven we de veraolen duur, op weg nor een eupen in culturiel gezoende gemienskap? ’t Wordt teed vor een nijt Wonder van Urk: de culturele bewustworring van de Urker gemienskap.

As vanzelfspreken lees ik disse column in ’t Urker dialect vuur (’t is trouwens ok de moond van ’t dialect!). Maar oe vanzelfsprekend is dit erfgoed nog, hoe lank got ’t duren aar ’t dialect plaosmakt vor een regiolect in euteandelijk opgot in ’t ABN?

M’n kuukenbessien Mariap wist dat erfgoed bewaord moest worren, maar niet krampachtig. Ze maakte zich stark vor ’t vastleggen van de dracht, ze protestierde tugen de geplande sanering van ’t ouwe durp, ze ding bijdragen vor bijvuurbield ’t Zuiderzeemuseum in ’t Openluchtmuseum.

Eur vuurouwer leverde de eerste teksten in ’t Urker dialect. Um z’n zuun ulp Meertens in Kaiser mit materiaol vor z’n archieven. De zuun van Mariap richtte mit angeren ’t eerste Urker museum op, dat zich tot op de dag van vandage inzet om de veraolen duur te vertellen.

Kortomme: Oe goon we in de toekomst omme mit erfgoed – of mit cultuur in de brieëre zin van ’t woord? Wie binnen de naaie erfgoedhoeders van Urk in kreegen ze de plekke in teed binnen de Urker gemienskap om Urk klaor te maken vor een duurzame relatie mit cultuur in erfgoed in de toekomst?

Dat erfgoed niet statisch is, maar dynamisch, dat maken we elke dag mie. Vurige week won de van Urk ofkomstige dichter Cornelis Kapitein een prees vor een prachtig gedicht in ’t Nedersaksisch (lees: in ’t Urkers). In ofeloepen zaoterdag eupenden twie vriendinnen van mij een succesvolle vierde editie van een expositie mit jonge Urker kunstenaors. Disse jonge Urkers lotten zien dat kunst in cultuur niet inkelt iets is vor ’t volk in de marges – juust niet! – maar dat ’t een prominente plekke innimt – in in moet niemen – in ’t midden van de samenleving. Nijt erfgoed blift koemen, in ’t ouwe omarmen we opnijt maar mit een frisse kiek. Zelfs op Urk, of moet ik zeggen: vanzelf op Urk?

Bas Visscher

“Alleen te zijn en zich alleen te weten”, de strofen van Willem Arondéus

Honderd jaar geleden, in 1920, kwam Willem Arondéus aan op het eiland Urk. Hij kwam hier terecht na contact met zijn kennis Ernst Leyden, die zijn verblijfplaats Urk zou verruilen voor een rondreis door Europa. Arondéus greep de kans met beide handen aan: een plaats om in afzondering te werken.

Over Arondéus is niet bijster veel geschreven. Door Rudi van Dantzig en Marco Entrop werd hij in het nieuwe millennium enigszins uit de rafelranden van de geschiedenis gehaald: als homoseksuele verzetsheld kreeg hij niet bepaald dezelfde aandacht als zijn heteroseksuele kompanen.

Willem Arondéus op Urk, ca 1920-22. bron: Wikipedia

Later meer, veel meer, over Arondéus. Eerst dit.

In 1922 schreef Arondéus een gedichtenbundel, van twintig gedichten, “Afzijdige Strofen” genaamd. De “homo-erotische verzen” [Entrop, “Een droomen van de monden nooit bezeten” de Parelduiker. Jaargang 6, Uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam 2001] waren sterk geïnspireerd door de bundel “Strofen”, van P.C. Boutens, welke in 1919 verscheen.

De gedichten hebben thema’s als eenzaamheid, het eilandleven, zijn genegenheid voor Urker jongens en “het verlangen naar volkomen-zijn”. Opmerkelijk, maar kenmerkend voor de waardering van Arondéus, is dat de bundel pas vele jaren na zijn dood, in 2000 in kleine oplage gepubliceerd door het Drukkerijmuseum.

Een van de sterkste verzen is het vierde, waarin de eenzaamheid, het verlangen en het lijden aan het leven volkomen tot uitdrukking worden gebracht:

IV

Alleen te zijn, en zich alleen te weten,
Van geen ontmoet de dag de nacht;
Ben ik de zilvren menschen-stem vergeten,
Die streelt en lacht.

Van geen begeerd, en vol begeeren wezen
Naar elk, die zwijgend komt en keert;
Het diepst te minnen wat het diepst te vreezen
Is, en meest deert;

Te dwalen, en nooit het waarheen te weten,
Een dolen doelloos zonder end,
Een droomen van de monden nooit bezeten,
En nooit gekend;

Is dit de buit der jaren, doelloos droomen
Van alle waken meer gewond?
Reeds met hun ernst der wonden-teekens komen
Om oog en mond.

Alleen te zijn, en zich alleen te weten,
De dag, de nacht ontmoet van geen;
Van alle woorden deze onvergeten:
Alleen; alleen.

21 April ‘22

Daar het eerste gedicht is ondertekend met 14 april 1922 (precies 98 jaar geleden), leek dit mij een goed moment de bundel Afzijdige Strofen en de gelijknamige website onder uw aandacht te brengen. Laatstgenoemde wil bijdragen aan de waardering van Arondéus en uitgroeien tot een digitaal monument. De bundel Afzijdige Strofen is in zijn geheel terug te vinden op de gelijknamige website.

Verder lezen over Arondéus verblijf op Urk:

  • Entrop, M., “Een droomen van de monden nooit bezeten” de Parelduiker. Jaargang 6, Uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam 2001. (link)
  • Dantzig, R. van, Het leven van Willem Arondéus 1894-1943. Een documentaire. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2003.
  • Afzijdige Strofen. De wereld van Willem Arondéus. https://afzijdigestrofen.nl
  • Omroep Flevoland, “25 Dingen die je moet weten over Urk: het interbellum” (versie 16 augustus 2019). (link)