‘Urker’ oorlogsverhalen en de Eerebegraafplaats Bloemendaal

In de duinen bij Overveen ligt de Eerebegraafplaats Bloemendaal. Langs de Zeeweg, richting de kust, vind je de ingang. De begraafplaats wordt geflankeerd door een groot ruwhouten kruis.

Eerebegraafplaats Bloemendaal. Eigen foto, 2018.

Na de bevrijding keerden veel verzetsleden niet terug naar hun families. In de zomer van 1945 werd in 45 grafkuilen in de duinen, verdeeld over zes verschillende plaatsen, de stoffelijke overschotten gevonden van 422 mensen.

De herbegrafenis moet een helse klus zijn geweest. De gefusilleerden waren nog nauwelijks te herkennen.

‘Oud, jong, bankier, los werkman, rechtbankpresident, drogist, familievader, trotse homo, communist, gereformeerde, beeldhouwer, boerenknecht. Een typische dwarsdoorsnede, kortom, van het verzet in westelijk Nederland’, aldus Geert Mak op 5 mei 2006 in NRC Handelsblad.

Op de sobere begraafplaats, die zo prachtig aansluit bij de natuur, zijn bekende namen terug te vinden, zoals Hannie Schaft (overigens de enige vrouw op de begraafplaats) en Gerrit van der Veen. De Eerebegraafplaats werd zo ingedeeld, dat zij die op dezelfde plaats gevonden werden, ook bij elkaar herbegraven werden.

Opvallend veel van de verzetsmensen waren afkomstig uit de Zaan, de Zaanstreek. En ontzettend veel gefusilleerden waren communist, of hervormd of gereformeerd.

Gedenkplaten met tekst van Van Randwijk. Eigen foto, 2018.

In 1953 wilde men een gedenkteken op de begraafplaats laten verrijzen. H.M. van Randwijk leverde twee opties aan, een stuk proza en een gedicht. De keuze viel op het proza en de krachtige tekst werd op vier platen op de begraafplaats aangebracht.

‘Tegen het geweld des vijands stelden zij overtuiging en geloof, tegenover het Germaanse heidendom het getuigenis van Christendom en Humanisme, tegenover de georganiseerde millioenen de onvervangbare waarde van den mens. […] Bedenk, dat hetgeen gisteren bedreigd werd, heden en morgen opnieuw in gevaar kan verkeren. Bescherm het en wees waakzaam.’

Het gedicht, dat een plek op de begraafplaats niet haalde, zou overigens later nog bekender worden. De slotregels daarvan luiden: ‘een volk dat voor tirannen zwicht, / zal meer dan lijf en goed verliezen, / dan dooft het licht.’

Willem Arondéus

Het was in de lente van 2018, toen ik, in de IHLIA-sectie in de Openbare Bibliotheek in Amsterdam, met mijn neus in de biografie (door Rudi van Dantzig) over Willem Arondéus zat. Deze verzetsstrijder en openlijk homoseksueel had voor de oorlog twee jaar op Urk gewoond.

Arondéus was dikwijls ongelukkig en geplaagd door psychische problemen. Maar zijn psychische en financiële zorgen maakten niet dat hij zijn kunstenaarschap opgaf. Op Urk kon hij zich rond 1920 in afzondering op zijn werk storten. Tot grote doorbraken in de kunst leidde dit echter niet.

Wel was hij ook op Urk openlijk over zijn geaardheid, iets dat in die jaren een groot taboe was in het hele land. Geïnspireerd door de poëzie van P.C. Boutens schreef hij op het eiland, waar hij ondanks zijn depressies ook dikwijls gelukkig was, een bundel met twintig gedichten, waarin hij gewag maakte van zijn verhoudingen met twee Urker mannen.

Twintig jaar na zijn periode op Urk brak de oorlog aan. Arondéus verzette zich moedig tegen de bezetter. Hij schreef al in 1942 de ‘Brandarisbrief’, een pamflet waarin hij kunstenaars opriep zich te verzetten tegen de bezetter.

Het daaropvolgende jaar blies hij, met leden van de verzetsgroep Gerrit van der Veen, het bevolkingsregister aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam op.

Arondéus werd opgepakt en gefusilleerd. Vlak voor zijn dood wendde hij zich tot zijn advocate en vroeg haar: ‘Zeg de mensen dat homoseksuelen niet per definitie zwakkelingen zijn’.

Gedenksteen Willem Arondéus. Eigen foto, 2018.

Hoewel Arondéus leider van de actie was, zou vooral Gerrit van der Veen na de oorlog herinnerd worden. Waarschijnlijk paste Arondéus als homoseksueel niet in het na-oorlogse herdenkingsnarratief. Ook Frieda Belinfante, homoseksueel en dochter van een joodse vader, die de oorlog overleefde, kreeg weinig erkenning.

De aanslag op het bevolkingsregister was één van de grootste verzetsdaden in ons land. Tijdens de aanslag werd overigens, opzettelijk, geen enkele Duitser omgebracht. In 1946 werd op de gevel van het bevolkingsregister een gedenkplaat aangebracht.

Ik kwam erachter dat Arondéus begraven ligt op de Eerebegraafplaats. Als jongen ‘uit het oosten’ had ik nog nooit van deze begraafplaats gehoord en ik kwam erachter dat het op slechts een kwartier fietsen van mijn toenmalige appartement in Zandvoort lag.

Roelof Tiede Oost

Op die lentedag in 2018, op zoek naar Arondéus, viel mijn oog op een mij bekende naam: Roelof Tiede Oost. Niet dat ik wist om wie dit ging. Nee, mijn overgrootvader droeg dezelfde naam. Familie?

Roelof Tiede Oost was een gewone man met een buitengewone moed. Samen met zijn gezin woonde hij in Medemblik, waar hij werkte als portier en later als klerk in het Provinciaal Ziekenhuis. Daarnaast vervulde hij een administratieve rol bij het ziekenfonds. Maar in de loop van de Tweede Wereldoorlog werd hij veel meer dan dat: een uitgesproken tegenstander van de NSB en de Duitse bezetter.

Vanaf 1942 raakte Oost actief betrokken bij het verzet. Hij hielp onderduikers door hen onderdak te bieden en zorgde ervoor dat zij veilig konden blijven. Daarnaast verspreidde hij verboden kranten, waaronder het verzetsblad Vrij Nederland.

In de laatste maanden van de oorlog gebruikte hij een verborgen radiotoestel in het ziekenhuis om naar de Engelse zender te luisteren. Hij noteerde belangrijke berichten, typte ze uit en verspreidde ze onder vertrouwde collega’s en bekenden. Het was gevaarlijk werk, en begin 1945 werd de dreiging te groot: hij moest onderduiken.

Op 14 februari 1945 dacht Oost dat het weer veilig was om zich buitenshuis te begeven. Hij had het mis. In zijn eigen woning werd hij gearresteerd en opgesloten in Alkmaar. Later werd hij overgebracht naar het Huis van Bewaring in Amsterdam, waar hij op de lijst van Todeskandidaten werd geplaatst – mensen die geëxecuteerd zouden worden als vergelding voor verzetsdaden.

Op 12 maart 1945 werd het vonnis voltrokken. Samen met 29 anderen werd Roelof Oost gefusilleerd bij het Eerste Weteringplantsoen in Amsterdam, als represaille voor de moord op een Duitse officier, Ernst Wehner.

Gedenksteen Roelof Tiede Oost. Eigen foto, 2018.

Roelof Tiede Oost was geboren op Urk, Nederlands Hervormd… en was inderdaad een volle neef van mijn overgrootvader.

Harm Hendrik Gerssen

Terwijl ik over de begraafplaats liep, zo sereen en tegelijkertijd zo indrukwekkend, viel mijn oog op nog een gedenksteen. Harm Hendrik Gerssen. Een Urker naam, dacht ik direct.

Net als veel andere Urkers kwam de gereformeerde Gerssen in de Zaanstreek terecht. Daar was voldoende werk te vinden. De Urkers vormden er in sommige plaatsen zelfs een gemeenschap binnen een gemeenschap. Tot begin 1942 werkte Harm Gerssen als fabrieksarbeider bij Stijfselfabriek De Bijenkorf in Koog aan de Zaan. Daarna koos hij voor een zelfstandig bestaan als vishandelaar.

Gerssen sloot zich tijdens de oorlog aan bij de verzetsgroep Koog-Bloemwijk, een moedige groep strijders die overvallen pleegde om persoonsbewijzen en bonkaarten te bemachtigen voor onderduikers. Een van de meest gedurfde acties vond plaats op 9 november 1943. Samen met zijn kameraden overviel hij het politiebureau, distributiekantoor en raadhuis van Oegstgeest.

De buit was: 14.000 bonkaarten, honderden blanco persoonsbewijzen, duizenden zegels en een geldbedrag van bijna 1.500 gulden. Een deel van de bonkaarten werd op Urk afgestempeld en verspreid onder degenen die ze het hardst nodig hadden.

Maar daar stopte het niet. Op 11 januari 1944 nam Gerssen deel aan een overval op het postkantoor in Purmerend, waarbij distributiebescheiden en maar liefst 22.000 gulden werden buitgemaakt.

Gedenksteen Harm Hendrik Gerssen. Eigen foto, 2018.

Ook sabotage was een belangrijk onderdeel van zijn verzet. In januari 1944 hielp hij bij een poging een vrachtschip in aanbouw – bedoeld voor de Duitse Wehrmacht – in brand te steken op scheepswerf Czaar Peter in Zaandam. Daarnaast zette hij zich in voor geallieerde vliegers die in Nederland waren neergekomen. Hij bood hen tijdelijk onderdak en hielp hen de grens over naar veiliger gebieden.

Op 22 januari 1944 sloeg het noodlot toe. Door verraad van een V-mann – een infiltrant die verzetsgroepen uitleverde aan de bezetter – werd Gerssen in zijn eigen huis gearresteerd door de Sicherheitspolizei. Zijn strijd eindigde een maand later. Op 23 februari 1944 werd hij, samen met zes andere verzetsleden, geëxecuteerd in de duinen bij Overveen.

Jacobus Jozef Heijdra

Tijdens het schrijven van dit artikel, zeven jaar na het bezoek aan de begraafplaats, ontdekte ik dat op de Eerebegraafplaats nog iemand met ‘Urker banden’ begraven ligt: Jacobus Jozef Heijdra.

De rooms-katholieke Heijdra was in dienst van de marechaussee en het Amsterdamse politiekorps. In die functie kreeg hij in 1942 de opdracht om Joden op te pakken. Maar Heijdra weigerde dit en dook onder in de Zaanstreek. In de onderduik sloot hij zich aan bij bovengenoemde verzetsgroep Koog-Bloemwijk.

Hij hielp Joodse landgenoten met het vervoer naar hun onderduikadres. In de buurt van Urk hielp hij met het opsporen van neergestorte geallieerde vliegers. Misschien wel samen met Gerssen?

In 1943 hiel Heijdra twee gewonde verzetsmensen uit het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam te ontsnappen. Ook was hij betrokken bij de bevrijding van een medewerker van verzetskrant Trouw. Helaas mislukte die actie.

Ook nam Heijdra deel aan de eerdergenoemde overval in Oegstgeest. Hij werd net als Gerssen verraden en ook gefusilleerd op 23 februari 1944.

Vergeten verhalen

Deze verhalen vertellen iets over hoe we de oorlog herinneren en herdenken. Op Urk kennen we onze ‘eigen’ oorlogshelden. Zoals de Engelandvaarder Pieter Hakvoort. De broer van mijn overgrootvader, Jan Ras, kwam niet uit de concentratiekampen terug. Ook zijn naam is op het Urker ‘monument voor gevallen Urkers’ terug te vinden.

In 1995, vijftig jaar na de oorlog, werden de drie namen toegevoegd van Joodse bewoners van Urk: de familie Kropveld. Ook dit zegt iets over welke verhalen we herinneren, op welk moment in de tijd.

Geboren Urkers of oud-inwoners Oost, Gerssen en Arondéus staan niet op het Urker oorlogsmonument genoemd, omdat ze tijdens de oorlog niet op Urk woonden. Misschien dat daarom hun aandeel in de oorlog op Urk niet gemeenschapsbreed bekend is.

Misschien moeten we daarom de komende 4 mei ook eens in gedachten stilstaan bij de ‘Urkers’ op de Eerebegraafplaats in Bloemendaal.

Over Oost en Gerssen valt voor mij nog genoeg uit te zoeken. Ik zou bijvoorbeeld graag meer willen weten over de contacten tussen Gerssen en Urk. Op 4 mei 2024 verscheen in ‘Het Urkerland’ trouwens een mooi portret van Roelof Tiede Oost.

Veel van de biografische gegevens uit bovenstaand artikel zijn terug te vinden op de website van de ‘Stichting de Eerebegraafplaats te Bloemendaal’. Over Willem Arondéus schreef ik eerder op mijn blog. De ‘Stichting Urk in Oorlogstijd’ beheerde een informatieve website over de Tweede Wereldoorlog en Urk, helaas zijn veel van de verhalen van hun website verdwenen.

Urk werd hun Elba

Toen de Eerste Wereldoorlog in 1914 uitbrak, koos Nederland voor neutraliteit. Toch bleef de oorlog niet zonder gevolgen voor ons land. Veel mensen, voornamelijk Belgen, zochten hier een veilig heenkomen, op de vlucht voor het oorlogsgeweld. Daarnaast kwamen ook militairen Nederland binnen, soms per ongeluk, soms bewust.

Degenen die hun erewoord (‘parole d’honneur’) gaven dat ze niet zouden ontsnappen, kregen een relatief vrij bestaan. Wie dat weigerde, werd geïnterneerd en verbleef in speciale kampen.

Urk was een ideale locatie voor zo’n interneringskamp: klein en overzichtelijk, omringd door de Zuiderzee en met een bevolking die gewend was aan gezag.

Het interneringskamp op Urk. Foto: collectie A. van Urk

Schrijfster en journaliste Mandy van Dijk vernoemde haar boek, uitgegeven door Atlas Contact in 2021, naar de bijnaam die de officieren Urk gaven: Île du Diable, oftewel: Duivelseiland.

In 2021 keuvelden Linda van der Pol en ik in een podcast over het leven van de buitenlandse officieren in het interneringskamp op Urk. Wie waren zij en waar kwamen ze vandaan? Hebben ze echt een tunnel gegraven? En waarom is het onderzoek van Van Dijk zo waardevol?

Ik vond dat ik dit gesprek ook een plekje op mijn blog moest geven.

In de aflevering laten we een fragment van een interview horen met Albert van Urk (wiki). Zijn korte publicatie over dit onderwerp draagt de titel ‘Elba in de Zuiderzee’. (Verschenen in: Enne Koops en Henk van der Linden (red.): De kogel door de kerk? Het Nederlandse christendom en de Eerste Wereldoorlog. (Soesterberg: Uitgeverij Aspekt, 2014.))

De datum van het interview is mij onbekend, maar het zal waarschijnlijk in 1996 hebben plaatsgevonden. Ik heb het van een cassettebandje overgenomen en geüpload naar YouTube.

Het boek van Mandy van Dijk is een aanrader voor iedereen die een fascinatie heeft voor ‘kleine’ geschiedenissen. Het is fijn geschreven en het zit vol spanning en wetenswaardigheden. Ook begrijp je door het lezen van dit boek beter welke impact de Eerste Wereldoorlog had voor de gemeenschappen in Nederland.

Mandy van Dijk, Duivelseiland: Een interneringskamp, het eiland Urk en de Eerste Wereldoorlog. (Amsterdam: Atlas Contact, 2021).

Vriend Jan van den Berg interviewde Mandy van Dijk in 2021 voor SCAB (hieronder). Ook in Het spoor terug, een rubriek van OVT, werd aandacht besteed aan Duivelseiland, in een mooie documentaire van René Oomen.

Stormvloed over Schokland

Op dinsdagavond 4 februari werd in de sfeervolle Enserkerk op Werelderfgoed Schokland een bijzondere, intieme herdenking gehouden ter ere van de ‘vergeten’ watersnoodramp van 1825. Deze stormvloed – die door sommigen de grootste natuurramp van de negentiende eeuw wordt genoemd – raakte vooral Overijssel, waar Schokland in 1825 onderdeel van uitmaakte. Op Schokland kwamen dertien mensen om het leven.

Opening door Marcel Jansen, Cultuurbedrijf Noordoostpolder. Foto: Sjors Evers.

Samen met de Gemeente Noordoostpolder en Museum Schokland werd stilgestaan bij de gevolgen van de stormvloed. In het historische kerkje van Schokland verzamelden enkele tientallen mensen zich om het leed van weleer te herinneren. Maar misschien vooral om de verhalen van Schokland eens op een andere manier te beleven.

Het korte evenement bevatte veel symboliek: burgemeester van de Noordoostpolder Roger de Groot stak als eerste van de dertien kaarsen aan, elk symbool voor één van de dertien slachtoffers op Schokland. Buiten in de koude avond klonk om 18.25 (yes) de klok van de Enserkerk, die maar liefst 305 keer luidde – één keer voor ieder slachtoffer in Overijssel.

Burgemeester Roger de Groot steekt de eerste kaars aan. Foto: Sjors Evers.

Na een welkom van Marcel Jansen, directeur van Cultuurbedrijf Noordoostpolder, volgde een mooie toespraak van burgemeester De Groot. Hij benadrukte het belang van het herdenken. (Overigens bijzonder om burgemeester te zijn van een gebied dat in 1825 nog niet bestond. Op Schokland en Oud-Kraggenburg na, dan.)

De toon van de avond werd verder bepaald door Cornelis Kapitein, de stadsdichter van Urk. Met zijn gedichten wist hij de thematiek van zee, eiland en rouw op een bijzondere manier tot leven te brengen.

In het Nedersaksisch, meer specifiek het Urkers. Dat Nedersaksisch (vroeger ook wel ‘Oosters’ genoemd) is de taal waar ooit het helaas verdwenen Schokker dialect onderdeel van uitmaakte. De dialecten van Schokland en Urk leken het meest op elkaar.

In dat kleine kerkje koste het maar weinig moeite om dat ‘Urkers’ als ‘Schokkers’ te ervaren. (Over dat Schokker dialect kom ik een andere keer nog te spreken.)

Stadsdichter van Urk, Cornelis Kapitein, draagt gedichten voor. Foto: Sjors Evers.

Cornelis Kapitein heeft zelf trouwens ‘Schokker roots’: hij is een nazaat van Harm Smit, een havenmeester van Schokland. Op 4 februari was hij even Stadsdichter van Urk én Schokland.

Na het gezamenlijke aansteken van de resterende kaarsen en de symbolische klokslag, namen de aanwezigen even de tijd om na te praten in Restaurant Schokland.

Aanwezigen ontsteken het verdere van de kaarsen, onder toeziend oog van burgemeester De Groot. Foto: Sjors Evers.

De herdenking past binnen een groter geheel: naast de bijeenkomst in Schokland is er een tijdelijke tentoonstelling ‘Schokkers en de ontruiming‘ in de Museumkerk, waar tot en met 2 maart te zien is over de dramatische ontruiming van het eiland in 1859.

Deze tentoonstelling sluit op haar beurt weer aan bij haar grote zus: de prachtige en indrukwekkende grote tentoonstelling ‘De ziel van Schokland‘ in het Zuiderzeemuseum Enkhuizen.

De herdenking en het luiden van de klok waren geen ideeën van Museum Schokland, de gemeente, of van mij. De aanjagers van de herdenkingen rondom de stormramp van 1825 waren in Overijssel Het Oversticht en de Overijsselacademie. Er verscheen trouwens ook een podcast naar aanleiding van de stormramp. Museum Schokland haakte dankbaar aan bij dit initiatief.

Ook in Friesland werd door verschillende organisaties stilgestaan bij de stormvloed van 1825. Ook een ander UNESCO Werelderfgoed, namelijk Werelderfgoed Ir. D.F. Woudagemaal, droeg daaraan bij.

Erfgoedhoedster en vrijwilliger van Museum Schokland mevrouw Van der Molen ontsteekt voorafgaand aan de herdenking de kandelaars van de Enserkerk. Foto: Sjors Evers.

Wat mij vooral raakte tijdens deze opdracht is hoe het, na de voorbereiding en afstemming met Gemeente Noordoostpolder, allemaal wonderwel uitpakte. Het werkte nog beter dan ik in het draaiboek had bedacht. Een mooie combinatie van emotie en symboliek: de kaarsen, de resonerende klokslag en de poëzie vormden samen een unieke herinnering aan een gebeurtenis die nog altijd doorwerkt.

Hoewel de herdenking kleinschalig van aard was, bleek het een mooie nieuwe manier om de verhalen van Schokland op een nieuwe manier te beleven.

Reportage door Omroep Flevoland.

Het reizende doopvont van Schokland en het gespikkelde huwelijk

De of het doopvont? Beide lidwoorden zijn hier correct, aldus de Van Dale. Als dialectspreker ben ik gewend het doopvont te zeggen.

Een doopvont is een waterbekken, voor de toediening van de doop in de christelijke traditie. Zo is mijn voorhoofd besprenkeld met het water uit het vont van de Nederlands Hervormde Kerk de Ark op Urk. Het gebouw waar nu de Hersteld Hervormde Gemeente de Moria gehuisvest is.

Van doleanties is in de laatste eeuwen van de geschiedenis van Schokland nog geen sprake. Je bent er of protestant of katholiek. En dat heeft te maken met waar je op Schokland woont.

Het eiland is al bestuurlijk opgesplitst, als het na de reformatie ook nog religieus wordt opgesplitst. Het noordelijke deel, ‘Emmeloord’, blijft de oude religie aanhangen. Daar krijgt de ‘ware leer’ geen voet aan wal. Het zuidelijke deel, ‘Ens’, gaat over naar het protestantisme. Wanneer in de Franse tijd het hele eiland één gemeente wordt, blijft de religieuze scheiding.

Gespikkeld huwelijk

Een huwelijk tussen beide geloofsgroepen wordt een ‘gespikkeld huwelijk’ genoemd. Het woord gespikkeld verwijst naar Genesis 30, het verhaal van Jacob en Laban. De tale Kanaäns is onder de rechtlijnige protestanten geliefd en misschien komt zo de term ‘gespikkeld’ wel in de historische bronnen over Schokland terecht.

Dat een gemengd huwelijk not done is op Schokland, betekent niet dat dit niet gebeurt. Hiervan zijn het aanwijsbare aantal gespikkelde huwelijken getuige. In mijn eigen stamboom kom ik een huwelijk tussen iemand uit Ens en Emmeloord tegen. (En wat zegt dit over mij?)

Schokland, Hermanus Koekkoek. 1830-82. Enkhuizen: Zuiderzeemuseum / Zuiderzeecollectie.

Nagele en het doopvont

Het Zuiderzeegebied is sinds het ontstaan, waarschijnlijk ergens in de loop van de middeleeuwen, voortdurend in verandering. Mede doordat een groot deel van het land uit veengrond bestaat, en door menselijke bewerking van het landschap, slaat de Zuiderzee steeds meer land af. De zee wordt alsmaar breder en groter. In het gebied dat we nu als Noordoostpolder kennen, zijn eeuwenlang meer nederzettingen dan alleen Urk en Schokland, de eilanden die tot 1932 het geweld van de Zuiderzee overleven.

Bij veel Nederlanders is de ‘legende van Nagele’ bekend. Bij een gevecht in de lokale herberg op het eilandje of terp Nagele springt de lokale pastoor tussenbeide. Hij wordt bruut neergestoken. In zijn laatste woorden voorspelt hij dat Nagele zal verdrinken en dat vissers hun netten aan de grafzerken zullen scheuren.

Dit verhaal maakt invoelbaar hoe hele dorpen verdwijnen in de Zuiderzee.

Eind achttiende eeuw wordt tussen Urk en Schokland een doopvont opgevist, nadat eerder een kandelaar met de vangst naar boven komt. Vissers vertellen elkaar dan al een tijd over opgeviste grafzerken ter hoogte van het ‘Urker kerkhof’, een deel van het water dat ze ook wel ‘de Nagel’ noemen. Misschien maken ze elkaar bij zo’n vondst wel bang met de legende van Nagele.

Het schijnt dat in 1922 een hoogbejaarde Schokker nazaat, uit Kampen, nog beweert dat het zijn grootvader is, die de bovengenoemde kandelaar heeft opgevist. De verhalen van Nagele blijven meereizen met de tijd, ook ver na de ontruiming van Schokland in 1859.

Doopvont afkomstig de voormalige kerk te Schokland (Ens), A.J. van der Wal, 1984. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Verdronken dorpen

Yftinus van Popta, maritiem archeoloog, combineert in 2020 gegevens over vloeden, historische bronnen en archeologische vondsten in zijn proefschrift ‘When the Shore becomes the Sea‘. De positie van het verdronken dorp Nagele zou heel goed ten noorden van Urk en Schokland kunnen zijn. De plek van het ‘kerkhof’.

Niet alleen onderzoekt hij Nagele, ook doet hij onderzoek naar de andere ‘verdronken dorpen’, zoals Fenehuysen en Marcnesse. Hiermee ontstaat een beter beeld van het gebied in de middeleeuwen. Ik begrijp nu beter hoe het leven er tussen 1100 en 1400 voor de Schokkers en Urkers uitziet.

Bijvangst van zijn onderzoek: de huidige namen van de polderdorpen zijn weliswaar gebaseerd op voormalige plaatsen, maar corresponderen niet met hun ligging. Het huidige Nagele bijvoorbeeld ligt dan wel tussen Urk en Schokland, maar dan een stuk zuidelijker dan de historische naamsgenoot.

Van Schokland naar Ommen

Tijdens de watersnoodramp van 1825 wordt het altaar in de kerk op Emmeloord weggespoeld. In 1826 krijgt de Rooms-Katholieke kerk op Emmeloord een nieuw altaar. De pastoor koopt het vont aan en laat er zijn naam in beitelen. Na de ontruiming van Schokland in 1859 verhuizen zowel de ‘nieuwe’ ‘Waterstaatskerk’ van Emmeloord, in 1842 gebouwd ter vervanging van het vorige godshuis, als het doopvont, naar Ommen.

Na het einde van de ‘Schokker kerk’ van Ommen in 1938, verhuist het opnieuw, nu naar het Ommense Rooms-Katholieke kerkgebouw St. Brigitta, dat in 1939 wordt gewijd.

“’t Vont laat de duiding van het water weten”

Een regel uit een gedicht van de Urker Tromp de Vries, bij een replica van het doopvont. Urkers zijn na de inpoldering betrokken bij de geschiedenis van Schokland. Er ontbreekt iets op Schokland, zo wordt gedacht. Beeldhouwer Piet Brouwer maakt een replica van het doopvont, dat in 1996 in de hervormde Enserkerk wordt geplaatst.

Van het verdronken Nagele naar Schokland en van Schokland naar Ommen. Een geschiedenis van acht eeuwen (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed geeft de twaalfde of dertiende eeuw mee als datering) in één object.

En drie eeuwen nadat de reformatie op Schokland komt, is er sinds 1996 ook een hervormd Schokker doopvont, een replica van een katholiek Nagelees doopvont. Gemaakt door een gereformeerde Urker.

Hoe we de herinnering aan de Zuiderzee levend kunnen houden

‘Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven, / Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’, / Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven / Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.’

Zo begint het bekendste gedicht van de Urker dorpsdichteres Mariap (Marretje) van Urk-Koffeman (wiki). Een emotioneel afscheid van een geliefde en gevreesde zee.

‘In de weer’ voor Mariap, woensdag 22 januari jl.

Afgelopen woensdag gaf ik, op uitnodiging van Herderewich, in Harderwijk een lezing over mijn overgrootmoeder Mariap.

Ik moest even nazoeken wanneer ik zoiets voor het laatst deed. Dat was alweer zes jaar geleden! Ik publiceerde daarna een bewerking van mijn lezing elders op deze website.

Er is een aardige stapel boeken verschenen over de Zuiderzee. Zo verschenen bijvoorbeeld ‘Eens ging de zee hier tekeer‘ en ‘Het eiland van Anna‘ van Eva Vriend. De bewoners van de kusten van de Zuiderzee, en hun nazaten, kregen dankzij deze boeken, het grondige onderzoek van Vriend, weer een stem.

Ronald Nijboer schreef ‘Wereldzee in de polder‘: een ontdekkingsreis langs de IJsselmeerregio, in het voetspoor van Henry Havard. Honderdvijftig jaar na het bezoek van Havard aan de Zuiderzeeplaatsen onderzoekt Nijboer hoe we zijn omgegaan met ons landschap en onze cultuur, mede aan de hand van gesprekken met bewoners.

Ook verscheen ‘Duivelseiland‘, van Mandy van Dijk. Ze deed uitgebreid en waardevol onderzoek naar op Urk geïnterneerde officieren tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Deze boeken dragen bij aan de aandacht voor de geschiedenis van de Zuiderzee. Hoe herinneren we ons de in 1932 verdwenen binnenzee eigenlijk? En was er tijdens de afsluiting en inpoldering van ‘ons zeetje’ eigenlijk aandacht voor die bewoners van de Zuiderzeeplaatsjes, de ecologische gevolgen, het verdwijnen van cultureel erfgoed?

Ze dragen ook bij aan mijn eigen onderzoek naar Mariap van Urk. Ze brengen nieuwe inzichten en maken dat ik gebeurtenissen beter kan plaatsen en met steeds meer zekerheid met elkaar in verband kan brengen.

Ook het onderzoek van Babs Boter naar Mary Pos, en de ontvangen mailtjes over Mariap en Mary, deden mij in de afgelopen jaren beter begrijpen met wie Mariap contacten onderhield.

Mary Pos was, net als Mariap, een mediapersoonlijkheid. Toch verstomden in de loop van de tijd hun stemmen. (Afgelopen woensdag was er in de zaal toch één persoon die de naam Mary Pos iets zei.)

De kracht van je stem, daar kon ik de lezing mooi mee openen. Lucia de Vries, die zo bijzonder veel onderzoek doet naar de Urker geschiedenis, ontsloot op haar website het verhaal van Lammertje Kramer. Iedereen in de zaal herkende Aletta Jacobs. Maar de naam van haar dienstmeisje Lammertje? De kracht van je stem wordt niet alleen bepaald door of je bijvoorbeeld man of vrouw bent, maar ook bijvoorbeeld door je sociale klasse, familiebanden, religie, huidskleur.

Een dankbaar bruggetje naar Mariap. De jonge Mariap gaat begin vorige eeuw ook ‘dienen’. Zwaar en ondankbaar werk, waarbij de ongelijke verhouding tussen werkgever en dienstbode altijd aanwezig is. (De podcast ‘Mina en mevrouw’ van Maartje Duin maakt dit onderwerp prachtig invoelbaar.)

In aanloop naar mijn afstuderen aan de Reinwardt Academie hoefde ik niet lang over een onderwerp na te denken. Wat betekent het fysisch antropologisch onderzoek, de roof van menselijke resten door wetenschappers, en de teruggaaf van de schedels, voor de inwoners van Urk?

Door de eerste coronalockdowns had ik niet de ruimte om het onderzoek breed uit te voeren. Het onderzoek bleef beperkt tot interviews met betrokkenen en bureauonderzoek. (Zo zou ik bijvoorbeeld de betrokken erfgoedinstellingen nog graag in het onderzoek willen meenemen. Misschien kan ik er daarna nog eens over publiceren.)

Ik kan dankzij dit onderzoek nu bijvoorbeeld inzichtelijk maken hoe de bewoners van de voormalige Zuiderzeeplaatsen werden uitgesloten van een plek in het ‘nieuwe land’, mede aan de hand van de bevindingen van de wetenschappers. Dat sprak ook de Harderwijker toehoorders aan. Dergelijk onderzoek werd in 1956 nog gedaan in Elburg.

Waar ik de laatste maanden meer over ben gaan nadenken: de ecologische gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee. Hoe had Mariap het gevonden dat de Waddenzee bijvoorbeeld nu UNESCO Werelderfgoed is? Hoe kunnen we met terugwerkende kracht de uitzonderlijke waarden van de Zuiderzee benaderen? Op het strand van Urk lagen zeehonden, er was eb en vloed, een rijk ecosysteem. De Zuiderzee als levend onderdeel van onze delta.

In de presentatie liet ik het volgende citaat zien: ‘De aanleg van de Afsluitdijk in 1932 is een huzarenstuk in onze strijd tegen het water. Tegelijk is het één van de grootste ecologische rampen die ons land ooit trof. Want hoe indrukwekkend dit iconische en meer dan dertig kilometer lange bouwwerk ook is, het betekende het einde van de Zuiderzee. En daarmee van een unieke binnenzee met bijzondere planten en dieren. De geleidelijke overgang tussen rivier en zee werd teruggedrongen tot één lijn.’ (Rijkswaterstaat, ‘Project Afsluitdijk. Aandacht voor de natuur’. December 2021.).

Ik kon in een volgende slide verwijzen naar de uitkomsten van het recente onderzoek ‘Afsluitdijk decimeerde biodiversiteit Zuiderzee en IJsselmeer’, door Jan-Eike Rossius, Maarten Kleinhans en Katja Philippart, waarover ze in maart 2023 publiceerden in het tijdschrift De Levende Natuur.

Toevallig las ik vandaag in NRC een artikel van eerdergenoemde Ronald Nijboer, dat afgelopen vrijdag verscheen. In ‘Hoe mijn oma haar horizon verloor‘ gaat Nijboer in op de beleving van natuur en landschap en de ecologische gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee. Zo’n goed geschreven essay, waarin verschillende invalshoeken worden uitgelicht, maakt dat ik beter begrijp hoe ik de stellingname in de twintigste eeuw tegen de Zuiderzeewerken op waarde kan schatten.

Terug naar de lezing. Richting het einde vroeg ik het publiek: ‘had Mariap van Urk misschien toch een klein beetje gelijk dat die Afsluitdijk er niet had moeten komen?’

Het voorkomen van de Afsluitdijk, en voorkomen dat die zee ingepolderd zou worden, kon ze in ieder geval niet. In een gedicht beschrijft Mariap een baggermolen van de Zuiderzeewerken: ‘Men vroeg mij vele malen / om in een dicht of lied / de molen uit te malen, / helaas, ik kan het niet!’.

Maar haar verslaglegging van de inpoldering en het eilandleven in proza en poëzie, haar verzet tegen de inpoldering, haar inzet voor het behoud van het immateriële en materiële erfgoed van Urk en de Zuiderzee, haar veelkleurige mediapersoonlijkheid, haar gigantische netwerk, maken Mariap tot een belangrijke stem in de geschiedenis van de Zuiderzee.

Maar neem het maar eens op tegen een Cornelis Lely en consorten. En het narratief van ‘Waar wij steden doen verrijzen‘.

Wat bijzonder om met een groep mensen, zoals afgelopen woensdag in Harderwijk, over zulke onderwerpen na te kunnen denken. En goed om af en toe eens stil te staan bij het belang van onderzoek door historici, schrijvers, journalisten, wetenschappers – zolang het maar geen schedelmeters zijn.

Mariap moest eens weten: de Zuiderzeegeschiedenis is hot.

‘Onze wateren, van het IJsselmeer en de Waddenzee tot aan de Noordzee, worden almaar verder volgebouwd. Nederland kent een geschiedenis van ingrijpende veranderingen in het landschap. Iedere halve eeuw ziet de landkaart er weer anders uit dan daarvoor. Dat zal over vijftig jaar niet anders zijn. We kijken daarbij vooral vooruit, zonder stil te staan en om te kijken wat er allemaal verloren gaat. Zonder te begrijpen in wat voor land onze ouders en grootouders leefden. Bij het vormgeven van onze toekomst kan het geen kwaad om af en toe eens door de ogen van onze grootouders te kijken.’

Zo besluit Ronald Nijboer zijn essay. Met een prachtige slotzin.

Laten we inderdaad eens wat meer door de ogen van onze (over)grootouders kijken. En houden we niet alleen de herinnering aan de Zuiderzee levend, maar ook aan al die mensen die, soms tegen de keer, zich ingezet hebben voor al het erfgoed, de verhalen en de gemeenschappen rondom dat zeetje.

Eerder verscheen de tekst van een korte een ingekorte lezing uit 2019 over Mariap van Urk elders op mijn blog. De grootvader van Mariap komt aan bod in mijn artikel over het Dialecticon. Een artikel over Mariap en de dijken van de Noordoostpolder verscheen eerder deze week.

Filmbeelden van Urk in 1921

Steeds meer filmbeelden komen in het publieke domein. En door moderne technieken worden collecties steeds gemakkelijker gedigitaliseerd en online ontsloten.

Aan, met behulp van AI, ingekleurde en ‘gerestaureerde’ films heb ik een broertje dood. Ze tasten de informatiedrager aan, waardoor gebruikers een vertekend beeld van de bron, of zelfs van de geschiedenis, krijgen.

Nee, dan de verrukking als filmbeelden in hoge resolutie worden gedigitaliseerd. Zoals dit filmpje van Urk in 1921.

Deze video van het eiland Urk uit 1921 opent met shots van de haveningang aan de zeezijde. De torenspitsen van de hervormde en gereformeerde kerken zijn te zien, en de torenspits van het gemeentehuis.

We zien de scheepswerven (‘elleges’) van het eiland met botters op de kant. Een groep Urkers staat langs de wal. Een schip meert af. Een oude Urker steekt een sigaar op.

Scholieren verlaten het schoolgebouw voor lager onderwijs, de ‘Wilhelminaschool’. Er is een optocht van bewoners in klederdracht, begeleid door gehelmde politieagenten en voorafgegaan door het Christelijke muziekcorps ‘Adrianus Valerius’.

Mensen in Urker kleder- en burgerdracht passeren de camera. Daarna een panorama (vanaf de vuurtoren) van het eiland met kerkje aan de waterkant, weilanden, huizen en gebouwen (waaronder het interneringskamp voor officieren, dat tijdens de Eerste Wereldoorlog werd gebouwd [boek van Mandy van Dijk over dit onderwerp]), de haven met afgemeerde schepen, ‘de Kaap’ en het havenhoofd.

Vrouwen houden een praatje op Urk, in de Oudestraat, vlakbij de ‘slikoogte’. Maker onbekend. 1900-20. Enkhuizen: Zuiderzeemuseum / Zuiderzeecollectie.

Van de bittere armoede van de eilandbewoners is op film maar weinig te zien. Vanwege de armoede moesten jonge meisjes als werkslaafje ‘dienen’ bij welgestelde stadsbewoners. Hele gezinnen verhuisden voor de oorlog naar ‘de Zaan’, op zoek naar werk.

Nee, lachende mensen, gearmd door de straten. Gezichten die je vaag herkent van oude foto’s.

En de verrukking dat ik als klein Urkertje, ruim zeventig jaar later, door die nauwe straatjes van datzelfde oude dorp liep. Waarin nog iets te voelen was van dat leven van vroeger. Met al die gebruiken, tradities, karakteristieke houten geveltjes. Nog net voordat de folklorisering het authentieke verdrong.

Een laatste zucht van het oude eiland.

Bron film: Open Beelden / Publiek domein Maker: Haghefilm / Willy Mullens – Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (beheerder)

Veertien dagen op een ijsschots

Begin 1849 – ruim 175 jaar geleden – wagen vader Klaas Bording en zijn zonen Jacob en Klaas zich op het ijs bij Durgerdam. In deze tijd kan het nog flink vriezen. Soms is de hele Zuiderzee dichtgevroren.

Vader en zonen gaan op pad om ‘bot te kloppen’. Hierbij wordt met een net onder het ijs gevist. Daarvoor maken ze een wak in het ijs. Ze laten het net zakken en kloppen op het ijs, totdat de bot, een platvis, vanuit de modder omhoog komt, het net in.

De ene na de andere bot (familie van de schol) zwemt het net in. Een goede vangst voor het gezin, dat het niet zo breed heeft.

Maar hun schrik is groot wanneer het drietal beseft dat het stuk ijs waarop ze zich bevinden van de kust is losgeraakt. Ze drijven af, weg van Durgerdam, de grote en machtige Zuiderzee op.

‘Klaas Klaassen Bording en zijne beide zonen’, Jacob Plüger, 1849. Enkhuizen: Zuiderzeemuseum / Zuiderzeecollectie.

Door een steeds veranderende wind dobbert de ijsschots de hele binnenzee rond. Ze drijven langs Marken, gaan richting Harderwijk en drijven vervolgens noordwestwaarts af, richting Enkhuizen.

Nergens kunnen ze de kust bereiken. Bij Enkhuizen zijn ze zo dichtbij de kust, dat ze de kerkklokken kunnen horen.

Soms regent het, soms schijnt de zon. Ze overleven door opgevangen regenwater te drinken en rauwe bot te eten. Wanneer ze weer oostwaarts varen, zien ze tussen Urk en Schokland een tjalk. Ze roepen uit alle macht, maar de schipper merkt hen niet op.

In de tussentijd wordt hun vermissing landelijk nieuws. Moeder Bording wordt al weduwe verklaard, want wie zou, na zoveel dagen vol ontberingen op die onvoorspelbare Zuiderzee, kunnen overleven?

De dagen verstrijken. Het moet voor het gezelschap koud, erbarmelijk, dissociërend, zijn. Ze komen langs Schokland. Maar niemand hoort hun hulpkreten. Veertien dagen lang kan het drietal zichzelf ternauwernood in leven houden.

Uiteindelijk worden ze bij Vollenhove gered. De vader en een van de zonen overlijden enkele dagen na de redding.

Het ongelooflijke verhaal wordt nadien al gauw landelijk nieuws. Voor het gezin wordt geld ingezameld. De bekende schilder Hermanus Koekkoek maakt, naar aanleiding van het verhaal, een schilderij.

Al generaties lang lezen kinderen over dit avontuur in het boek ‘Veertien dagen op een ijsschots’ van Simon Abramsz, voor het eerst uitgegeven in 1898. Recent ontving Museum Schokland een eerste druk als schenking. Een mooie aanvulling voor de bibliotheek van het museum!

Simon Abramsz, ‘Veertien dagen op een ijsschots’, 1898. Amsterdam: E.L.E. van Dantzig. Collectie Museum Schokland.

Daar werd een dijk gelegd

Op 3 oktober 1939 om 14.44 uur wordt het laatste gat in de dijk tussen de Lemmer en Urk gedicht. Urk is vanaf dat moment geen eiland meer, maar een schiereiland. Het zal onderdeel worden van de latere Noordoostpolder, welke in 1942 droogvalt.

In 1936 begint de aanleg van de, in totaal, 55 kilometer lange ringdijk rond de toekomstige Noordoostpolder, onderbroken door het eiland Urk. In het IJsselmeer worden meetpunten voor het dijktracé uitgezet en bij de Lemmer en Urk worden werkhavens aangelegd.

Er is veel belangstelling voor het werk. Tijdens een excursie in 1938 kan hoofdingenieur De Blocq van Kuffeler de verzamelde pers melden dat al 14 kilometer dijk is voltooid tussen de Lemmer en Urk.

Leve de oude Polygoonjournaals! Natuurlijk moet dit grootse verhaal, namelijk de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, goed gedocumenteerd worden. Het geeft Nederland in die jaren, de woelige crisisjaren (met oorlogsdreiging), een gevoel van trots.

In 1937 is de Zuiderzee al vijf jaar verleden tijd. Gestaag gaan de werkzaamheden verder. Na de Wieringermeer en de Afsluitdijk is het nu tijd voor de ‘Noord-Oostelijke Polder’. De beelden van de grijpers en het geweld van het water zijn indrukwekkend.

Twee jaar later, in 1939, is het al zover: de dijk is bijna gereed. Het ‘laatste schepje’ is een mooi nieuwshaakje, zo moeten de journalisten hebben gedacht. Bij de Afsluitdijk hebben ze immers hetzelfde gedaan.

Op 3 oktober 1939 is Urk geen eiland meer. Een mooie titel.

We zien de baggermolens en grijpers die de keileem ten behoeve van de dijk aanleveren. De kijker krijgt een beeld van het proces van de aanleg van de dijk, hoe de zinkstukken worden geplaatst en hoe puin en steen ter versteviging worden toegevoegd.

In een shot vaart een klein bootje door een van de laatste sluitgaten, waarin de sterke stroming te zien is. De sluiting van het laatste gat komt in zicht, schepen zijn feestelijk gedecoreerd met vlaggetjes.

Een vrouw in Urker klederdracht houdt een grote Nederlandse vlag vast. We zien een schip van Zanen & Verstoep, met zwaaiende arbeiders. De burgemeesters van Urk en de Lemmer drukken elkaar de hand op een smalle plank.

Daarna een shot van een Urker man, op zijn rug gefilmd, kijkend naar de nieuwe dijk, waarmee zijn eiland ophoudt te bestaan. Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij!

Tenslotte een Urker vrouw (waarvan ik vrij zeker ben dat het mijn overgrootmoeder Mariap van Urk-Koffeman is) die de was uithangt, met de dijk op de achtergrond.

In ieder geval staat vast dat dorpsdichteres en erfgoedhoedster Marretje van Urk-Koffeman (wiki) (blog) bij de feestelijke gebeurtenis aanwezig is. Ze staat zelfs prominent op het schilderij ‘Het laatste schepje’ van Van Mastenbroek, gemaakt in 1939-40. Van Mastenbroek deed beeldend verslag van het grote nationale wonder.

‘Het laatste schepje’, Van Mastenbroek, 1939-40. Enkhuizen: Zuiderzeemuseum / Zuiderzeecollectie.

Op het schilderij zien we deftige mannen in het zwart en werkvolk met lichtere kleren aan. En Mariap van Urk in Urker klederdracht. Het is geen gekke gedachte dat het Mariap is aan het einde van de film, natuurlijk zou ze ja zeggen op de vraag of ze voor of na 3 oktober 1939 voor de camera haar was wilde ophangen.

De gebeurtenis zette Mariap aan tot het schrijven van haar meest bekende gedicht ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’, verschenen in haar gelijknamige dichtbundel in 1949.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven,
Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’,
Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven
Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; gedenken wij de doden,
Die eenzaam rusten in je stille schoot,
De vissers, die voor dagelijkse noden,
Zich waagden op je wiegelende vloot.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de wielen der gemalen,
Zij went’len dreunend aanstonds, dag en nacht
En rusten niet, aleer gij drooggemalen,
Al bloeiend in cultuur zult zijn gebracht.

Vaarwel mijn Zuiderzee; wij zullen niet versagen,
Uw stervenswee een nieuwe toekomst baart,
Waaraan wij bouwen: en waarop wij vragen
Gods zegen! Die aan arbeid is gepaard.

Als de socialistische VARA op 11 juli 1940 een bezoek brengt bij de gereformeerde dichteres, laat zij haar kinderen liedjes zingen en spreken de journalisten met Mariap op onderhoudende toon. In hetzelfde interview draagt Mariap haar gedicht voor, in een nog wat andere vorm dan hoe het uiteindelijk gepubliceerd zou worden.

We zitten dan al in de Tweede Wereldoorlog, de VARA zou niet veel later worden overgenomen door de gelijkgeschakelde Rijksradio-omroep. Het werk in de polder ging gewoon door: de bezetter zag zo’n mogelijke graanschuur ook wel zitten.

De dijk tussen Urk en Kadoelen (de ‘Kaamperdik’) komt 13 december 1940 om 13.52 uur klaar. Ook hier is Mariap getuige van. De stemming is dan wel iets anders dan bij de sluiting van de eerste dijk: nu geen vlagvertoon, maar een sobere viering.

Op rijm, uiteraard, doet ze verslag van de sluiting. ‘Een dag gelijk aan alle and’re dagen’. Wat opvalt is haar ontzag voor de ingenieurs en arbeiders, die de plannen uitvoeren waar Mariap eerst zo hevig tegen protesteerde. En dan haar patriottisme! ‘O, Hollands ras! Zoo taai en onbewogen’. Toch geen ongevaarlijke passage ten tijde van schrijven…

‘Het laatste sluitgat’, Marretje van Urk-Koffeman, 1940. Urk: privéarchief.

Onder redactie van de zoon van Mariap van Urk, dorpshistoricus Albert van Urk (wiki), verschijnt in 1989 het boek ‘Daar werd een dijk gelegd…’ (download) bij Stichting Urker Uitgaven. De titel is ontleend aan een zin uit bovenstaand gedicht.

In het boek zijn interviews met ooggetuigen van de aanleg van de dijken opgenomen, alsmede gastbijdragen over de visserij, de oorlogssituatie, het hergebruikte puin van het platgebombardeerde Rotterdam, de archeologische vondsten in het jonge polderland, Urkers die boer wilden worden, kunstenaars ten tijde van de inpoldering, de sociaal-economische situatie op Urk en natuurlijk… Mariap van Urk, de dichteres van de drooglegging.

Op 3 oktober 1989, precies 50 jaar na de gereedkomen van de eerste dijk, zendt de AVRO een reportage uit, met daarin een interview met Albert van Urk.

Maar Urk is pas echt eiland-af in 1948, als Urk een wegverbinding krijgt met de rest van de polder. Pas zes jaar na de drooglegging van de polder in 1942. Tot 1948 gaan de Urkers nog naar Kampen, naar het ziekenhuis bijvoorbeeld, met een bootverbinding. Of wandelend over de dijk.

Op goed water, betrouwbare elektriciteit en aardgas moeten de Urkers dan nog wat jaren wachten.

Mariap, de vrouw die zich aanvankelijk zo verzette tegen de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee, omarmt uiteindelijk de toekomst. Wel blijft ze zich telkenmaal kritisch uitspreken en zet ze zich onvermoeibaar in voor het behoud van het Urker cultureel erfgoed.

Ook staat haar deur voor iedereen open: van journalisten, tot nonnen, tot dijkwerkers. ‘Een vrouw met een groot hart. Dat ondervonden de polderjongens die, ver van huis, bij haar een thuis vonden.’, zo besluit haar zoon Albert het hoofdstuk in ‘Daar werd een dijk gelegd’ over zijn moeder.

Eerder verscheen de tekst van een korte een lezing uit 2018 over Mariap van Urk elders op mijn blog. De grootvader van Mariap komt aan bod in mijn artikel over het Dialecticon.

Schokkers en de ontruiming

De verhalen van Schokland en de ontruiming in 1859 staan de afgelopen tijd volop in de belangstelling. Zo verscheen het boek ‘Het eiland van Anna’ van schrijver en historicus Eva Vriend. In het Zuiderzeemuseum is deze winter de indrukwekkende tentoonstelling ‘De ziel van Schokland’ te zien. Ook in Museum Schokland wordt het verhaal verteld van de laatste bewoners van Schokland.

Stel: je gemeenschap woont al eeuwenlang op dezelfde plaats. Maar dan valt het besluit dat je moet vertrekken. En daarbij moet je zelfs je eigen huis afbreken, om te voorkomen dat je terugkomt. Goed, je krijgt er een schamele vergoeding voor, je gaat er economisch misschien op vooruit, je leefomstandigheden worden beter, maar je eigen stukje grond laat je achter. Een verlaten eiland.

In een wisseltentoonstelling, die tot eind februari 2025 is te zien, is aandacht voor die ingrijpende gebeurtenis, dit jaar 165 jaar geleden. Een verhaal dat binnen de Schokkervereniging welbekend is: van het verlaten van je geboortegrond en van een verlaten eiland.

De thema’s rondom de ontruiming van Schokland is nog altijd actueel. Wanneer moet je vertrekken? Wat laat je achter? Waar kun je terecht? Zit er wel iemand op jouw komst te wachten? Het zijn verhalen van migratie, armoede, leven met water en de moeizame relaties met overheden. Hoewel de ontruiming van Schokland 165 jaar geleden plaatsvond, lijken de emoties nog springlevend.

Met de Schokkervereniging, de gemeenschap van Schokker nazaten, heeft Museum Schokland de verhalen geselecteerd en tot leven gebracht. Zonder deze samenwerking was de tentoonstelling niet tot stand gekomen. Daarbij dankt het museum in het bijzonder: Bruno Klappe, die inbreng gaf voor de zaalteksten en redactie pleegde; Eva Vriend, die quotes aanleverde quotes uit haar boek ‘Het eiland van Anna’; Henk van Heerde, die meeschreef met de synopsis en meedacht mee over de te presenteren objecten. Johan Akkerman en stagiair Maud Visser verzorgden de vormgeving en realisatie van de tentoonstelling, in samenwerking met het team van Museum Schokland.

De voorzitter van de Schokkervereniging ontvangt een potje met Schokker aarde. Foto: Maxim Ottevanger.

Donderdag 24 juli j.l. is de tentoonstelling geopend. De voorzitter van de Schokkervereniging Theo Grootjen ontving, uit handen van directeur van Cultuurbedrijf Noordoostpolder Marcel Jansen, een potje met Schokker aarde. Dit namen de Schokkers ook mee in hun zakdoek toen ze in 1859 het eiland vaarwel zegden. Theo Grootjen nam het woord namens de Schokkervereniging sprak over de ontruiming en het Schokker-zijn. Na een bezoek aan de tentoonstelling was er voor de ongeveer 60 aanwezigen ruimte voor reflectie in het Museumrestaurant.

Een armoedige gemeenschap laat doorgaans weinig sporen na. De geschiedenis wordt veelal geschreven door de rijkere klassen: aan hen behoorden de kunstwerken, boeken, artefacten. De opkomst van de fotografie, aan het eind van de negentiende eeuw, zorgde ervoor dat de laatste Schokkers, soms op hoge leeftijd, voor de camera konden verschijnen, waarmee hun verhalen doorgegeven kunnen worden. Deze foto’s vormen nu de kern van de tentoonstelling in Museum Schokland. De portretten zijn tevens te vinden in het boek van Bruno Klappe: ‘Schokker portretten’. Aan de hand van dit boek zijn keuzes gemaakt voor de inhoud van de tentoonstelling. 

De tentoonstelling presenteert de verhalen van de ontruiming en de periode daarna op een meerstemmige manier. Door gemakkelijk te lezen teksten in de ik-vorm, gebaseerd op het boek van Bruno Klappe, worden de ervaringen van de laatste Schokkers beleefbaar gemaakt voor een breed publiek. Daarnaast reflecteert de Schokkervereniging op de gebeurtenissen rondom 1859. Hoe kijk je als nazaat terug op de ontruiming? In de presentatie is bovendien binnenkort een video te zien waarin nazaten worden geïnterviewd over Schokland en de Schokkervereniging. Deze interviews zijn opgenomen tijdens de laatste Schokkerdag, in het Zuiderzeemuseum.

Naast de tentoonstelling in de Museumkerk en -pastorie zijn elders op Schokland ook nog enkele objecten te vinden die verband houden met de laatste Schokkers. In de tentoonstelling wordt verwezen naar het monument op de begraafplaats van Emmeloord – waar de katholieke Schokkers begraven liggen. Het beeld ‘Geen weg terug’ van Kiny Copinga verbeeldt het vertrek van de Schokkers. Tenslotte is daar het beeldje van Piet Brouwer, met een gedicht van Tromp de Vries, uit 1994.

‘De ontruiming van Schokland’, Piet Brouwer, 1994

In dit gedicht liggen de emoties rondom de ontruiming beklonken.

Ontruiming van Schokland 1859

Schokkers aan hun grond gehecht
– Daar geboren en getogen –
Werd met landverlies voor ogen
Het vertrekken aangezegd

Zwaar heeft hun die stap gewogen
Elke raad leek even slecht
Maar verloren bleek het gevecht
En vergeefs bleef alle pogen

Zie hoe hier een jong gezin staat
– bij een schamel beetje huisraad –
Dat gedwongen door gebrek
Heeft besloten tot vertrek

Zij die blijvend zorgend meegaat
Hij het anker om de nek

Met de verwijzingen van binnen naar buiten en vice versa, wordt de bezoeker aangemoedigd het hele voormalige eiland te verkennen, om zo een indruk te krijgen van de situatie rondom de ontruiming.

Hoewel er in de vaste tentoonstelling aandacht is voor de cultuurhistorie van Schokland, is het voor het eerst sinds lange tijd dat de verhalen van de laatste Schokkers – en hun nazaten – expliciet worden belicht binnen Museum Schokland. Dit komt deels door de gelaagdheid van Werelderfgoed Schokland: de geschiedenis van het gebied gaat vele duizenden jaren terug.

Deze tijdelijke tentoonstelling heeft de banden tussen Museum Schokland en de Schokkervereniging aangehaald en is een mooie opstap naar een verdere samenwerking tussen beide partijen. Daarnaast wordt de actieve gemeenschap, die samenkomt binnen de Schokkervereniging, die de verhalen van hun voorouders nog actief deelt en doorgeeft aan volgende generaties, beter zichtbaar als betrokken partij, of stakeholder, binnen Werelderfgoed Schokland.

De tentoonstelling ‘Schokkers en de ontruiming’ is t/m 2 maart te zien in de kerk en pastorie van Museum Schokland. Bezoekers die hun Schokker afkomst vermelden bij de kassa, krijgen een potje met Schokker grond mee naar huis. Reacties op de tentoonstelling worden verzameld en zullen gedeeld worden met de Schokkervereniging. Meer informatie over de tentoonstelling is te vinden op museumschokland.nl. 

…en aan de horizon leit Emmeloord

Historicus en schrijver Eva Vriend richtte op zolder van het voormalige verblijf van de lichtwachter en havenmeester van Emmeloord haar werkkamer in, waar ze schreef aan ‘Het eiland van Anna. Schokland en de geschiedenis van een thuis’. Een fascinerend boek over de familiegeschiedenis van Anna Diender. Over het verlangen naar geboortegrond, over migratie, over armoede, over gemeenschap.

Op de grens van het oude en het nieuwe sprak ik onlangs met Eva over haar boek en het schrijfproces.

De haven van het eiland Schokland is ook voor mij een bijzondere plek. Hier meerden mijn voorouders aan, schuilend voor stormen op de Zuiderzee, of om te overnachten, onderweg met hun botter of binnenvaartschip.

Mijn Urker overgrootvader ‘opa Ras’ in het Emmeloorder haventje van het eiland Schokland, 1926. Still uit een film in archief van Beeld en Geluid (FOLKLORISTISCHE ZUIDERZEEFILM FOLKLORISTISCHE ZUIDERZEEFILM (ACTE 1)).

Tot 1859 lag de haven aan het levendige dorpje Emmeloord, bevolkt door (voornamelijk) roomse Schokkers. Tot aan de opgezetenen van het eiland het vertrek werd aangezegd: ze verhuisden – onder dwang – naar plaatsen als Volendam, Vollenhove, Kampen, Urk, Nijverdal.

Daarna bleef de lichtwachter annex havenmeester achter met zijn gezin, die aldaar de boel runde. Het eiland was verder verlaten. Tot de Tweede Wereldoorlog: de Noordoostpolder werd aangelegd en Schokland kwam op het droge te liggen.

Het eiland van Anna is uitgegeven door Atlas Contact en o.a. verkrijgbaar in de winkel van Schokland.

S/o naar André Geurtzen / Clips4all voor de prachtige beelden.