Veertien dagen op een ijsschots

Begin 1849 – ruim 175 jaar geleden – wagen vader Klaas Bording en zijn zonen Jacob en Klaas zich op het ijs bij Durgerdam. In deze tijd kan het nog flink vriezen. Soms is de hele Zuiderzee dichtgevroren.

Vader en zonen gaan op pad om ‘bot te kloppen’. Hierbij wordt met een net onder het ijs gevist. Daarvoor maken ze een wak in het ijs. Ze laten het net zakken en kloppen op het ijs, totdat de bot, een platvis, vanuit de modder omhoog komt, het net in.

De ene na de andere bot (familie van de schol) zwemt het net in. Een goede vangst voor het gezin, dat het niet zo breed heeft.

Maar hun schrik is groot wanneer het drietal beseft dat het stuk ijs waarop ze zich bevinden van de kust is losgeraakt. Ze drijven af, weg van Durgerdam, de grote en machtige Zuiderzee op.

‘Klaas Klaassen Bording en zijne beide zonen’, Jacob Plüger, 1849. Enkhuizen: Zuiderzeemuseum / Zuiderzeecollectie.

Door een steeds veranderende wind dobbert de ijsschots de hele binnenzee rond. Ze drijven langs Marken, gaan richting Harderwijk en drijven vervolgens noordwestwaarts af, richting Enkhuizen.

Nergens kunnen ze de kust bereiken. Bij Enkhuizen zijn ze zo dichtbij de kust, dat ze de kerkklokken kunnen horen.

Soms regent het, soms schijnt de zon. Ze overleven door opgevangen regenwater te drinken en rauwe bot te eten. Wanneer ze weer oostwaarts varen, zien ze tussen Urk en Schokland een tjalk. Ze roepen uit alle macht, maar de schipper merkt hen niet op.

In de tussentijd wordt hun vermissing landelijk nieuws. Moeder Bording wordt al weduwe verklaard, want wie zou, na zoveel dagen vol ontberingen op die onvoorspelbare Zuiderzee, kunnen overleven?

De dagen verstrijken. Het moet voor het gezelschap koud, erbarmelijk, dissociërend, zijn. Ze komen langs Schokland. Maar niemand hoort hun hulpkreten. Veertien dagen lang kan het drietal zichzelf ternauwernood in leven houden.

Uiteindelijk worden ze bij Vollenhove gered. De vader en een van de zonen overlijden enkele dagen na de redding.

Het ongelooflijke verhaal wordt nadien al gauw landelijk nieuws. Voor het gezin wordt geld ingezameld. De bekende schilder Hermanus Koekkoek maakt, naar aanleiding van het verhaal, een schilderij.

Al generaties lang lezen kinderen over dit avontuur in het boek ‘Veertien dagen op een ijsschots’ van Simon Abramsz, voor het eerst uitgegeven in 1898. Recent ontving Museum Schokland een eerste druk als schenking. Een mooie aanvulling voor de bibliotheek van het museum!

Simon Abramsz, ‘Veertien dagen op een ijsschots’, 1898. Amsterdam: E.L.E. van Dantzig. Collectie Museum Schokland.

Daar werd een dijk gelegd

Op 3 oktober 1939 om 14.44 uur wordt het laatste gat in de dijk tussen de Lemmer en Urk gedicht. Urk is vanaf dat moment geen eiland meer, maar een schiereiland. Het zal onderdeel worden van de latere Noordoostpolder, welke in 1942 droogvalt.

In 1936 begint de aanleg van de, in totaal, 55 kilometer lange ringdijk rond de toekomstige Noordoostpolder, onderbroken door het eiland Urk. In het IJsselmeer worden meetpunten voor het dijktracé uitgezet en bij de Lemmer en Urk worden werkhavens aangelegd.

Er is veel belangstelling voor het werk. Tijdens een excursie in 1938 kan hoofdingenieur De Blocq van Kuffeler de verzamelde pers melden dat al 14 kilometer dijk is voltooid tussen de Lemmer en Urk.

Leve de oude Polygoonjournaals! Natuurlijk moet dit grootse verhaal, namelijk de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, goed gedocumenteerd worden. Het geeft Nederland in die jaren, de woelige crisisjaren (met oorlogsdreiging), een gevoel van trots.

In 1937 is de Zuiderzee al vijf jaar verleden tijd. Gestaag gaan de werkzaamheden verder. Na de Wieringermeer en de Afsluitdijk is het nu tijd voor de ‘Noord-Oostelijke Polder’. De beelden van de grijpers en het geweld van het water zijn indrukwekkend.

Twee jaar later, in 1939, is het al zover: de dijk is bijna gereed. Het ‘laatste schepje’ is een mooi nieuwshaakje, zo moeten de journalisten hebben gedacht. Bij de Afsluitdijk hebben ze immers hetzelfde gedaan.

Op 3 oktober 1939 is Urk geen eiland meer. Een mooie titel.

We zien de baggermolens en grijpers die de keileem ten behoeve van de dijk aanleveren. De kijker krijgt een beeld van het proces van de aanleg van de dijk, hoe de zinkstukken worden geplaatst en hoe puin en steen ter versteviging worden toegevoegd.

In een shot vaart een klein bootje door een van de laatste sluitgaten, waarin de sterke stroming te zien is. De sluiting van het laatste gat komt in zicht, schepen zijn feestelijk gedecoreerd met vlaggetjes.

Een vrouw in Urker klederdracht houdt een grote Nederlandse vlag vast. We zien een schip van Zanen & Verstoep, met zwaaiende arbeiders. De burgemeesters van Urk en de Lemmer drukken elkaar de hand op een smalle plank.

Daarna een shot van een Urker man, op zijn rug gefilmd, kijkend naar de nieuwe dijk, waarmee zijn eiland ophoudt te bestaan. Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij!

Tenslotte een Urker vrouw (waarvan ik vrij zeker ben dat het mijn overgrootmoeder Mariap van Urk-Koffeman is) die de was uithangt, met de dijk op de achtergrond.

In ieder geval staat vast dat dorpsdichteres en erfgoedhoedster Marretje van Urk-Koffeman (wiki) (blog) bij de feestelijke gebeurtenis aanwezig is. Ze staat zelfs prominent op het schilderij ‘Het laatste schepje’ van Van Mastenbroek, gemaakt in 1939-40. Van Mastenbroek deed beeldend verslag van het grote nationale wonder.

‘Het laatste schepje’, Van Mastenbroek, 1939-40. Enkhuizen: Zuiderzeemuseum / Zuiderzeecollectie.

Op het schilderij zien we deftige mannen in het zwart en werkvolk met lichtere kleren aan. En Mariap van Urk in Urker klederdracht. Het is geen gekke gedachte dat het Mariap is aan het einde van de film, natuurlijk zou ze ja zeggen op de vraag of ze voor of na 3 oktober 1939 voor de camera haar was wilde ophangen.

De gebeurtenis zette Mariap aan tot het schrijven van haar meest bekende gedicht ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’, verschenen in haar gelijknamige dichtbundel in 1949.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven,
Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’,
Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven
Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; gedenken wij de doden,
Die eenzaam rusten in je stille schoot,
De vissers, die voor dagelijkse noden,
Zich waagden op je wiegelende vloot.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de wielen der gemalen,
Zij went’len dreunend aanstonds, dag en nacht
En rusten niet, aleer gij drooggemalen,
Al bloeiend in cultuur zult zijn gebracht.

Vaarwel mijn Zuiderzee; wij zullen niet versagen,
Uw stervenswee een nieuwe toekomst baart,
Waaraan wij bouwen: en waarop wij vragen
Gods zegen! Die aan arbeid is gepaard.

Als de socialistische VARA op 11 juli 1940 een bezoek brengt bij de gereformeerde dichteres, laat zij haar kinderen liedjes zingen en spreken de journalisten met Mariap op onderhoudende toon. In hetzelfde interview draagt Mariap haar gedicht voor, in een nog wat andere vorm dan hoe het uiteindelijk gepubliceerd zou worden.

We zitten dan al in de Tweede Wereldoorlog, de VARA zou niet veel later worden overgenomen door de gelijkgeschakelde Rijksradio-omroep. Het werk in de polder ging gewoon door: de bezetter zag zo’n mogelijke graanschuur ook wel zitten.

De dijk tussen Urk en Kadoelen (de ‘Kaamperdik’) komt 13 december 1940 om 13.52 uur klaar. Ook hier is Mariap getuige van. De stemming is dan wel iets anders dan bij de sluiting van de eerste dijk: nu geen vlagvertoon, maar een sobere viering.

Op rijm, uiteraard, doet ze verslag van de sluiting. ‘Een dag gelijk aan alle and’re dagen’. Wat opvalt is haar ontzag voor de ingenieurs en arbeiders, die de plannen uitvoeren waar Mariap eerst zo hevig tegen protesteerde. En dan haar patriottisme! ‘O, Hollands ras! Zoo taai en onbewogen’. Toch geen ongevaarlijke passage ten tijde van schrijven…

‘Het laatste sluitgat’, Marretje van Urk-Koffeman, 1940. Urk: privéarchief.

Onder redactie van de zoon van Mariap van Urk, dorpshistoricus Albert van Urk (wiki), verschijnt in 1989 het boek ‘Daar werd een dijk gelegd…’ (download) bij Stichting Urker Uitgaven. De titel is ontleend aan een zin uit bovenstaand gedicht.

In het boek zijn interviews met ooggetuigen van de aanleg van de dijken opgenomen, alsmede gastbijdragen over de visserij, de oorlogssituatie, het hergebruikte puin van het platgebombardeerde Rotterdam, de archeologische vondsten in het jonge polderland, Urkers die boer wilden worden, kunstenaars ten tijde van de inpoldering, de sociaal-economische situatie op Urk en natuurlijk… Mariap van Urk, de dichteres van de drooglegging.

Op 3 oktober 1989, precies 50 jaar na de gereedkomen van de eerste dijk, zendt de AVRO een reportage uit, met daarin een interview met Albert van Urk.

Maar Urk is pas echt eiland-af in 1948, als Urk een wegverbinding krijgt met de rest van de polder. Pas zes jaar na de drooglegging van de polder in 1942. Tot 1948 gaan de Urkers nog naar Kampen, naar het ziekenhuis bijvoorbeeld, met een bootverbinding. Of wandelend over de dijk.

Op goed water, betrouwbare elektriciteit en aardgas moeten de Urkers dan nog wat jaren wachten.

Mariap, de vrouw die zich aanvankelijk zo verzette tegen de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee, omarmt uiteindelijk de toekomst. Wel blijft ze zich telkenmaal kritisch uitspreken en zet ze zich onvermoeibaar in voor het behoud van het Urker cultureel erfgoed.

Ook staat haar deur voor iedereen open: van journalisten, tot nonnen, tot dijkwerkers. ‘Een vrouw met een groot hart. Dat ondervonden de polderjongens die, ver van huis, bij haar een thuis vonden.’, zo besluit haar zoon Albert het hoofdstuk in ‘Daar werd een dijk gelegd’ over zijn moeder.

Eerder verscheen de tekst van een korte een lezing uit 2018 over Mariap van Urk elders op mijn blog. De grootvader van Mariap komt aan bod in mijn artikel over het Dialecticon.

Schokkers en de ontruiming

De verhalen van Schokland en de ontruiming in 1859 staan de afgelopen tijd volop in de belangstelling. Zo verscheen het boek ‘Het eiland van Anna’ van schrijver en historicus Eva Vriend. In het Zuiderzeemuseum is deze winter de indrukwekkende tentoonstelling ‘De ziel van Schokland’ te zien. Ook in Museum Schokland wordt het verhaal verteld van de laatste bewoners van Schokland.

Stel: je gemeenschap woont al eeuwenlang op dezelfde plaats. Maar dan valt het besluit dat je moet vertrekken. En daarbij moet je zelfs je eigen huis afbreken, om te voorkomen dat je terugkomt. Goed, je krijgt er een schamele vergoeding voor, je gaat er economisch misschien op vooruit, je leefomstandigheden worden beter, maar je eigen stukje grond laat je achter. Een verlaten eiland.

In een wisseltentoonstelling, die tot eind februari 2025 is te zien, is aandacht voor die ingrijpende gebeurtenis, dit jaar 165 jaar geleden. Een verhaal dat binnen de Schokkervereniging welbekend is: van het verlaten van je geboortegrond en van een verlaten eiland.

De thema’s rondom de ontruiming van Schokland is nog altijd actueel. Wanneer moet je vertrekken? Wat laat je achter? Waar kun je terecht? Zit er wel iemand op jouw komst te wachten? Het zijn verhalen van migratie, armoede, leven met water en de moeizame relaties met overheden. Hoewel de ontruiming van Schokland 165 jaar geleden plaatsvond, lijken de emoties nog springlevend.

Met de Schokkervereniging, de gemeenschap van Schokker nazaten, heeft Museum Schokland de verhalen geselecteerd en tot leven gebracht. Zonder deze samenwerking was de tentoonstelling niet tot stand gekomen. Daarbij dankt het museum in het bijzonder: Bruno Klappe, die inbreng gaf voor de zaalteksten en redactie pleegde; Eva Vriend, die quotes aanleverde quotes uit haar boek ‘Het eiland van Anna’; Henk van Heerde, die meeschreef met de synopsis en meedacht mee over de te presenteren objecten. Johan Akkerman en stagiair Maud Visser verzorgden de vormgeving en realisatie van de tentoonstelling, in samenwerking met het team van Museum Schokland.

De voorzitter van de Schokkervereniging ontvangt een potje met Schokker aarde. Foto: Maxim Ottevanger.

Donderdag 24 juli j.l. is de tentoonstelling geopend. De voorzitter van de Schokkervereniging Theo Grootjen ontving, uit handen van directeur van Cultuurbedrijf Noordoostpolder Marcel Jansen, een potje met Schokker aarde. Dit namen de Schokkers ook mee in hun zakdoek toen ze in 1859 het eiland vaarwel zegden. Theo Grootjen nam het woord namens de Schokkervereniging sprak over de ontruiming en het Schokker-zijn. Na een bezoek aan de tentoonstelling was er voor de ongeveer 60 aanwezigen ruimte voor reflectie in het Museumrestaurant.

Een armoedige gemeenschap laat doorgaans weinig sporen na. De geschiedenis wordt veelal geschreven door de rijkere klassen: aan hen behoorden de kunstwerken, boeken, artefacten. De opkomst van de fotografie, aan het eind van de negentiende eeuw, zorgde ervoor dat de laatste Schokkers, soms op hoge leeftijd, voor de camera konden verschijnen, waarmee hun verhalen doorgegeven kunnen worden. Deze foto’s vormen nu de kern van de tentoonstelling in Museum Schokland. De portretten zijn tevens te vinden in het boek van Bruno Klappe: ‘Schokker portretten’. Aan de hand van dit boek zijn keuzes gemaakt voor de inhoud van de tentoonstelling. 

De tentoonstelling presenteert de verhalen van de ontruiming en de periode daarna op een meerstemmige manier. Door gemakkelijk te lezen teksten in de ik-vorm, gebaseerd op het boek van Bruno Klappe, worden de ervaringen van de laatste Schokkers beleefbaar gemaakt voor een breed publiek. Daarnaast reflecteert de Schokkervereniging op de gebeurtenissen rondom 1859. Hoe kijk je als nazaat terug op de ontruiming? In de presentatie is bovendien binnenkort een video te zien waarin nazaten worden geïnterviewd over Schokland en de Schokkervereniging. Deze interviews zijn opgenomen tijdens de laatste Schokkerdag, in het Zuiderzeemuseum.

Naast de tentoonstelling in de Museumkerk en -pastorie zijn elders op Schokland ook nog enkele objecten te vinden die verband houden met de laatste Schokkers. In de tentoonstelling wordt verwezen naar het monument op de begraafplaats van Emmeloord – waar de katholieke Schokkers begraven liggen. Het beeld ‘Geen weg terug’ van Kiny Copinga verbeeldt het vertrek van de Schokkers. Tenslotte is daar het beeldje van Piet Brouwer, met een gedicht van Tromp de Vries, uit 1994.

‘De ontruiming van Schokland’, Piet Brouwer, 1994

In dit gedicht liggen de emoties rondom de ontruiming beklonken.

Ontruiming van Schokland 1859

Schokkers aan hun grond gehecht
– Daar geboren en getogen –
Werd met landverlies voor ogen
Het vertrekken aangezegd

Zwaar heeft hun die stap gewogen
Elke raad leek even slecht
Maar verloren bleek het gevecht
En vergeefs bleef alle pogen

Zie hoe hier een jong gezin staat
– bij een schamel beetje huisraad –
Dat gedwongen door gebrek
Heeft besloten tot vertrek

Zij die blijvend zorgend meegaat
Hij het anker om de nek

Met de verwijzingen van binnen naar buiten en vice versa, wordt de bezoeker aangemoedigd het hele voormalige eiland te verkennen, om zo een indruk te krijgen van de situatie rondom de ontruiming.

Hoewel er in de vaste tentoonstelling aandacht is voor de cultuurhistorie van Schokland, is het voor het eerst sinds lange tijd dat de verhalen van de laatste Schokkers – en hun nazaten – expliciet worden belicht binnen Museum Schokland. Dit komt deels door de gelaagdheid van Werelderfgoed Schokland: de geschiedenis van het gebied gaat vele duizenden jaren terug.

Deze tijdelijke tentoonstelling heeft de banden tussen Museum Schokland en de Schokkervereniging aangehaald en is een mooie opstap naar een verdere samenwerking tussen beide partijen. Daarnaast wordt de actieve gemeenschap, die samenkomt binnen de Schokkervereniging, die de verhalen van hun voorouders nog actief deelt en doorgeeft aan volgende generaties, beter zichtbaar als betrokken partij, of stakeholder, binnen Werelderfgoed Schokland.

De tentoonstelling ‘Schokkers en de ontruiming’ is t/m 2 maart te zien in de kerk en pastorie van Museum Schokland. Bezoekers die hun Schokker afkomst vermelden bij de kassa, krijgen een potje met Schokker grond mee naar huis. Reacties op de tentoonstelling worden verzameld en zullen gedeeld worden met de Schokkervereniging. Meer informatie over de tentoonstelling is te vinden op museumschokland.nl. 

Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort

Op 1 en 2 oktober in 1944 vond de razzia in Putten plaats. De Koning is woensdagmiddag 2 oktober aanwezig bij de tachtigste herdenking van de razzia van Putten. Een groot deel van de mannelijke inwoners van Putten werd weggevoerd en kwam niet terug uit de kampen. 552 mannen werden vermoord.

Zondagochtend 1 oktober 1944 werd Putten door duizend soldaten omsingeld. De bewoners en aanwezigen uit omringende dorpen werden in de Oude Kerk en de Openbare Lagere School bijeengedreven.

Vanaf de kansel werd het vonnis van Putten voorgelezen. Alle mannen van 18 tot 50 jaar moesten worden gedeporteerd en het dorp Putten moest worden afgebrand.

Ds. C.B. Holland, de Hervormde dominee, probeerde tevergeefs te bemiddelen bij de bezetter.

’s Nachts werden de vrouwen en kinderen naar huis gestuurd. De mannen bleven een lange, bange nacht in de kerk, tot ze naar het station moesten lopen. De dominee vroeg nog of de mannen mochten bidden. Daarna vroeg hij of ze samen Psalm 84:3,4 mochten zingen.

Niet iedereen in Putten was protestants. Maar gezongen werd er wel. Eerst onzeker, lees ik in de bronnen, maar later steeds krachtiger.

Deze psalm bleef onderdeel van de herdenkingscultuur in Putten. Het contrast tussen de brute razzia en de vreedzame hoop in Psalm 84 versterkt het gevoel van verlies, maar biedt ook een diepere laag van betekenis: een mystieke reis door lijden naar uiteindelijke vrede.

Na de oorlog keerden maar 48 mannen terug uit de kampen.

De mannen van Putten werden weggevoerd door de Duitse troepen naar een onbekende, duistere toekomst, maar voor veel Puttenaren was het geloof een bron van kracht.

Het zingen van een simpele, oude psalm, bood troost te midden van het ondraaglijke leed.

Welzalig hij, die al zijn kracht
En hulp alleen van U verwacht,
Die kiest de welgebaande wegen;
Steekt hen de hete middagzon
In ’t moerbeidal, Gij zijt hun bron,
En stort op hen een milden regen,
Een regen, die hen overdekt,
Verkwikt, en hun tot zegen strekt.

Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort;
Elk hunner zal, in ’t zalig oord
Van Sion, haast voor God verschijnen.
Let, HEER der legerscharen, let
Op mijn ootmoedig smeekgebed;
Ai, laat mij niet van druk verkwijnen;
Leen mij een toegenegen oor,
O, Jacobs God, geef mij gehoor.

(Een persoonlijke noot. Een familielid, oudoom, uit Putten was deze dag aan het vissen met zijn vader. Hij ontsprong zo de wraakactie van de bezetter. Dat moet een blijvende indruk op hem hebben gemaakt: ‘Voor een man met weinig woorden, sprak hij veel over deze ingrijpende gebeurtenis.’)

Een schuldige stad?

In Wim Wenders’ film Der Himmel über Berlin uit 1987 staat Homer centraal, een Joodse man, die als enige van zijn familie de oorlog overleefde. Zonder expliciet aan de holocaust te refereren, klinkt het naziverleden van de stad in de hele film door. Ook de muur, de deling van de stad na de oorlog, is niet meer dan een voortzetting van de Tweede Wereldoorlog, zo vertelt de film: als Homer over de Potsdamer Platz loopt ziet de kijker verwoesting, leegte en de Muur, maar Homer het Joods Berlijn van voor de oorlog, waarmee een onwerkelijk beeld wordt opgeroepen.

Na de val van de Muur in 1989 kwam Berlijn in een turbulente tijd terecht. De stad, met zijn krakers en ravefeesten, groeide uit tot hét modern-culturele centrum van West-Europa: eerst kunstenaars en vervolgens young urban creatives en tenslotte de start-ups wisten hun weg naar de herenigde stad te vinden. Als er een Europese stad gegentrificeerd is, dan is het wel Berlijn.

Der Himmel über Berlin (eigen foto, 2021)

Ook de naoorlogse Joodse gemeenschap wist haar weg terug naar Berlijn te vinden. Veel Joden uit de voormalige Sovjet-Unie kwamen naar de stad. Het laatste decennium trekken ook veel jongere Joden, voornamelijk Israëli’s, naar Berlijn.[1] Ze komen terecht in een stad waar de meeste sporen van de eeuwenoude Joodse geschiedenis zijn uitgewist. Een plaats met een schuldig verleden.

En daarvan is de Duitse samenleving zich terdege bewust. De naoorlogse identiteitscrisis – hoe heeft dit kunnen gebeuren? – mondde al gauw uit in een gevoel van schaamte, waarmee de naziperiode en daaruit voortkomende Sjoah in al zijn gruwelijkheid een onbespreekbare periode leek te worden. Ook de schuldvraag liet zich maar moeilijk beantwoorden. Waren de Duitsers niet ook slachtoffer geweest?[2]

Het opruimen van de puinhopen van de periode ’33 – ’45 leidde echter geenszins tot een breuk met het verleden. In het naoorlogse Duitsland was de oorlog iets alledaags geworden, een collectieve herinnering werd verdoofd door de wederopbouw: ook al kregen mensen met een discutabel verleden een nieuwe plek in het bestuur, ook al had ieder gezin wel een verhaal over de oorlog en de eigen schuld; de blik moest vooruit.

Plek van herinnering of toeristische attractie? (eigen foto, 2021)

Het zou tot de jaren ’80 duren tot er sprake zou zijn van een Erinnerungskultur. Na een fel debat tussen een conservatief progressief Duitsland ontstond geleidelijk een nieuwe vorm van herinneren, een beleving die verder ging dan het onbespreekbaar laten.[3] En uit deze nieuwe herinneringscultuur kwamen ook de moderne monumenten voort.

In 2001 werd het Jüdisches Museum Berlin, het Joods Museum in Berlijn, geopend, ontworpen door Libeskind. De Pools-Joodse architect geniet in Nederland voornamelijk bekendheid vanwege zijn ontwerp voor het onlangs gerealiseerde Holocaust Namenmonument aan de Weesperstraat. De gevel van het Joods Museum, waarin je een uitgevouwen Davidsster in zou kunnen herkennen, staat symbool voor de leegte die na de holocaust achterbleef in het straatbeeld van Berlijn.[4]

Het Joods Museum is behalve een klassiek, informerend museum een plaats die een onvergetelijke ervaring bij de bezoeker opwekt. Door de slimme architectuur en de zorgvuldig gekozen objecten maakt de bezoeker een reis waar negatieve emoties worden opgeroepen – welk effect ook te merken is tijdens een bezoek aan het Holocaust Namenmonument. Het gebouw laat de bezoeker verhouden tot het leed van de Joden in Duitsland. Deze intrinsieke ervaring is waar het Joods Museum bekend om staat.

Wie vanaf het Joods Museum de voormalige loop van de Muur richting het noordwesten volgt, ziet vlakbij de Brandenburger Tor 2711 betonnen blokken in het straatbeeld opdoemen. Maar je hoeft er niet naartoe om ze te zien, want dit monument ontbreekt in geen enkel Berlijns reisverslag op social media. Maar om deze plaats te ervaren moet je er wel echt zijn: loop er doorheen en je krijgt een algeheel gevoel van desoriëntatie en dissociatie.

Het monument leverde architect Peter Eisenman kritiek op, meest vanwege de abstracte vorm: het wijkt in alles af van traditionele monumenten. Het monument zou een nivellerende werking hebben, omdat het door de abstractie het leed niet goed zichtbaar maakt.[5] Maar laat het monument juist niet op een integere manier zien dat de Joodse gemeenschap ontegenzeggelijk deel uitmaakt van kosmopolitisch Berlijn, dat de Joodse gemeenschap meer is dan alleen de Sjoah, juist door de abstractie en inmiddels de vanzelfsprekendheid van het monument?

En symboliseert juist de moeizame discussie in aanloop naar de oplevering van het monument niet juist de moeilijke omgang van Duitsland met het verleden? Een voorbeeld: toen men er tijdens de bouw achter kwam dat de producent van de anti-graffiticoating tijdens de oorlog het beruchte Zyklon-B produceerde, werd de bouw tijdelijk stilgelegd, ontstond er commotie, volgde een onderzoek en een conclusie.[6] Juist dit voorval illustreert de complexe verhouding van Duitsland tot de oorlog. De maatschappelijke discussie over het herinneren ligt in het monument verankerd. 

Is het onzeglijke weer te geven in een monument of museum? Dat zeker niet. Maar de zin ‘Es ist geschehen, und folglich kann es wieder geschehen’ van de Italiaanse holocaustoverlevende en auteur Primo Levi[7], plaatst het monument onbedoeld misschien wel in de juiste context: zo vanzelfsprekend als de gedenkplaats nu is, voorbijkomend op vakantiekiekjes, zo vanzelfsprekend was het nationaalsocialisme en antisemitisme uiteindelijk voor velen – wat weer raakt aan Hannah Arendts theorie over de ‘banaliteit van het kwaad’. 

Zowel het Holocaustmonument als het Joods Museum doen een beroep op onze emoties, ons moraal, aan onze eigen verhouding tot de holocaust. Onmiskenbaar roepen beide plaatsen van herinnering vragen op en leidden ze tot discussie. Maar juist wanneer de beide monumenten ter nagedachtenis van de Joodse slachtoffers worden opgeleverd, krijgt Duitsland te maken met een kater van de eenwording: de grote verdeeldheid binnen het land, de grote verschillen in welvaart (voornamelijk tussen Oost en West) en vooral de mede daaruit voortkomende heropleving van extreemrechts.[8]

Is de Duitse bildung wel bestand tegen het hernieuwde gevoel van slachtofferschap? Is het herinneren aan de hand van beleven wel sterk genoeg om je te wapenen tegen het antisemitisme? En geven monumenten en musea voldoende antwoorden op de vragen van deze tijd?

Behalve bovengenoemde gedenkplaatsen zijn er veel meer plaatsen in Berlijn die zich bezighouden met herinneren, representatie en educatie. Op de grens tussen voormalig Oost en West, waar nog een stuk van de muur overeind staat, is in het voormalig hoofdkwartier van de Gestapo het Topographie des Terrors gevestigd, dat behalve een documentatiecentrum ook tegelijkertijd een museum en gedenkplaats is.[9]

Topographie des Terrors (eigen foto, 2021)

Wie de vaste tentoonstelling bezoekt krijgt een klap in het gezicht. De bezoeker ervaart het verloop van terreur in Duitsland[10] (de opkomst van het nationaalsocialisme, de Tweede Wereldoorlog en de terreur van de Jodenvervolging, de moeizame denazificering van West-Duitsland en de gelijktijdige communistische terreur in Oost-Duitsland na de oorlog) aan de hand van ‘droge’ objecten in een sobere tentoonstellingsruimte. 

De werkelijkheid aan de hand van bronnen, die de bezoeker met vragen – maar ook met kennis – achterlaat. De kracht van de tentoonstelling zit in het tonen van foto’s, krantenartikelen en pamfletten, waarbij je zou kunnen denken: ja, het is gebeurd en het kan weer gebeuren.

Topographie des Terrors (eigen foto, 2021)

Maar weer rijst de vraag of een gedenkplaats wel genoeg is om de verschrikkingen van de holocaust te kunnen begrijpen en daar lessen uit te trekken? En dat is een retorische vraag, natuurlijk. Maar misschien brengen al die pogingen bij elkaar wel een klein stapje in de goede richting en is juist het immer worstelende Berlijn als stad wel het beste monument. Een schuldige stad.


[1] A. Wals, “Een groeiende groep Israëliërs trekt naar Berlijn: ‘Hier kan ik ademen’”, De Volkskrant, 8 januari 2021, https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/een-groeiende-groep-israeliers-trekt-naar-berlijn-hier-kan-ik-ademen~bc2fce02/, geraadpleegd 2 juni 2022. 

[2] M. Schoonenboom, “Begin van een beter land”, Groene Amsterdammer, 16 april 2020, 38-41.

[3] Ibidem.

[4] J. Huisman, “Vul de leegte met leegte Daniel Libeskind ontwerpt het Joods Museum in Berlijn” (versie 5 september 1997), https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/vul-de-leegte-met-leegte-daniel-libeskind-ontwerpt-het-joods-museum-in-berlijn~bcde1248/, geraadpleegd 10 mei 2022.

[5] H. Roth, “Monumentaal Berouw” (versie 1 september 2020), https://www.rektoverso.be/artikel/monumentaal-berouw, geraadpleegd 12 mei 2022.

[6] Trouw, “Monument Holocaust” (versie 14 november 2003), https://www.trouw.nl/nieuws/monument-holocaust~be96d963/, geraadpleegd 2 juni 2022.

[7] DW, “Ein Mahnmal als personalisierte Geschiechte” (versie 10 mei 2005), https://www.dw.com/de/ein-mahnmal-als-personalisierte-geschichte/a-1578044, geraadpleegd 8 mei 2022.

[8] A. Maier, “Fantoompijn in het Oosten”, Groene Amsterdammer, 25 juli 2019, 28-32.

[9] Topographie des Terrors, “Dokumentationszentrum Topographie des Terrors” (versie onbekend), https://www.topographie.de/en/topography-of-terror/, geraadpleegd 20 april 2022.

[10] Ibidem.

(Bovenstaande tekst is een bewerking en samenvatting van een eerder geschreven essay als opdracht tijdens mijn studie aan de Reinwardt Academie, bij een bezoek aan Berlijn in 2021)

…en aan de horizon leit Emmeloord

Historicus en schrijver Eva Vriend richtte op zolder van het voormalige verblijf van de lichtwachter en havenmeester van Emmeloord haar werkkamer in, waar ze schreef aan ‘Het eiland van Anna. Schokland en de geschiedenis van een thuis’. Een fascinerend boek over de familiegeschiedenis van Anna Diender. Over het verlangen naar geboortegrond, over migratie, over armoede, over gemeenschap.

Op de grens van het oude en het nieuwe sprak ik onlangs met Eva over haar boek en het schrijfproces.

De haven van het eiland Schokland is ook voor mij een bijzondere plek. Hier meerden mijn voorouders aan, schuilend voor stormen op de Zuiderzee, of om te overnachten, onderweg met hun botter of binnenvaartschip.

Mijn Urker overgrootvader ‘opa Ras’ in het Emmeloorder haventje van het eiland Schokland, 1926. Still uit een film in archief van Beeld en Geluid (FOLKLORISTISCHE ZUIDERZEEFILM FOLKLORISTISCHE ZUIDERZEEFILM (ACTE 1)).

Tot 1859 lag de haven aan het levendige dorpje Emmeloord, bevolkt door (voornamelijk) roomse Schokkers. Tot aan de opgezetenen van het eiland het vertrek werd aangezegd: ze verhuisden – onder dwang – naar plaatsen als Volendam, Vollenhove, Kampen, Urk, Nijverdal.

Daarna bleef de lichtwachter annex havenmeester achter met zijn gezin, die aldaar de boel runde. Het eiland was verder verlaten. Tot de Tweede Wereldoorlog: de Noordoostpolder werd aangelegd en Schokland kwam op het droge te liggen.

Het eiland van Anna is uitgegeven door Atlas Contact en o.a. verkrijgbaar in de winkel van Schokland.

S/o naar André Geurtzen / Clips4all voor de prachtige beelden.

Millen, waar ze de katten villen

Een kat hoort op een boerderij. Als er een boerderij is zonder kat, dan is dat niet per se gek. Als er een heel boerendorp is zonder katten, dan is dat wel wat vreemd. Als er een heel gebied is zonder katten, dan gaan de alarmbellen rinkelen. Waar is de kat?

Afgelopen weekend verbleef ik, met iemand bij wie ook thuis een kat rondloopt, in het Vlaamse dorp Millen, een kwartier weg van Maastricht. We spraken naar elkaar uit dat het ontbreken van de kat op straat zeer merkwaardig is. Met daarbij natuurlijk onze eigen katten, die in Zwolle achterbleven, in het achterhoofd.

Op het plein, naast de kerk, stuitten we plots op een merkwaardig standbeeld, met de volgende tekst in het lokale dialect: Millë bo zë dë kattë villë, dë hoon spoarë en d’ aa pjad dë nak aofvoarë (“Millen waar ze de katten villen, de honden sparen en de oude paarden de nek afrijden”).

De kattenviller van Millen

Het beeld, geschonken door de lokale carnavalsvereniging, zou een verwijzing moeten zijn naar het zware leven op het platteland. Honden en paarden waren nuttig, katten niet.

Werden er echt katten gevild in Millen? We tastten een weekend lang in het duister, navraag hier en daar leverde geen bevredigend antwoord. Het zou een goed format voor een podcast zijn.

Ach, spookverhalen, kinderschrik, folklore. Dat kleine, dorpse leven, waar men leefde op het ritme der seizoenen, had een eigen belevingswereld, met elk dorp een eigen dialect en vertellinkjes. Die verhalen, om het leven wat draaglijker te maken, ze verdwenen met de komst van straatverlichting, televisie en internet.

Op mijn eigen dorp deed je een kat in de zak en ruilde je ‘m met de duvel voor een wisseldaolder – en een zwarte kat gaf natuurlijk ongeluk. In hoeverre waarin werd geloofd, zullen we nooit weten: de mensen, die elkaar, bij kaarslicht, schrik aanjoegen, terwijl op de houten muren spookachtige silhouetten door de kamer dansten, zijn allang overleden en ze lieten geen bronnen na.

In Millen dacht ik niet alleen aan de Boze Balleboe van vroeger, maar ook aan het eenvoudige leven op het dorp. En achter een oude hoeve, met een volle maan, een kudde koenen recht tegenover ons, een lokaal bier en verder de stilte van het land, was nog even die herinnering aan het mystieke van een eeuwenoude gemeenschap.

Maar ik zou toch wel verrekte graag willen weten waarom we in heel Limburg geen kat op straat hebben gezien.

Emotioneel weerzien met d’n kat

Het eiland van Anna

Onlangs verscheen ‘Het eiland van Anna’ bij uitgeverij Atlas Contact, geschreven door Eva Vriend. Een boek over de laatste bewoners van Schokland en hun nazaten. Wat betekent het om een eiland te moeten verlaten en hoe werkt dit generaties door? Hoe verhoud je je tot het stukje grond van je voorouders? En wat voor invloed heeft sociale klasse op geschiedschrijving?

Ik heb veel van het boek geleerd en nam een korte boekbespreking op.

Tussen Koningsbergen en Duinkerken ligt het eiland Urk

Een deel van mij leeft in de negentiende eeuw. Er is een vreemd verlangen naar een tijd die ik nooit heb gekend. Duitsers hebben er een woord voor: Sehnsucht.

Over taal gesproken. Er was een tijd dat van de streken en plaatsen aan de Oostzee tot aan het noordwesten van Frankrijk een zelfde soort taal werd gesproken. Het Nederduits(ch). Iets dat we inmiddels (een beetje kort door de bocht) het Nederlands zijn gaan noemen. Maar om het wel wat ingewikkelder te maken: met Nederduits wordt in deze context een verzameling dialecten bedoeld, zowel Nederfrankische als Nedersaksische dialecten.

Het idee dat je vanaf Koningsbergen langs de hele Oost- en Noordzeekust, tot aan Duinkerken elkaar min of meer kon verstaan maakt me gek. Waarom? Dat was ooit zo en nu niet meer. Ik ben geen dialectoloog, maar misschien wel dialectofiel: ik houd van mijn ‘eerste taal’ Nedersaksisch, en dan wel de variant ‘Urkers’. Ik houd er ook van dat ik in een stad woon waar je ’s zomers op een terras met gemak vijf verschillende dialecten kan horen spreken. En ik houd er ook van om in de geschiedenis van die dialecten te duiken.

Een man, uit de negentiende eeuw, die deze lange sliert aan soortgelijke dialecten ook interessant vond: de dialectoloog Johan Winkler. P.C. Meertens (naamgever van het Meertens Instituut) schreef: ‘Jongere tijdgenoten beschrijven hem als een vroom christen, en een ernstig, maar gemoedelijk man, die vooral op het laatst van zijn leven opviel door een zekere ouderwetse deftigheid.’1 (Wie wil dit nou niet over zich gezegd hebben?) En ook: ‘Tot de boeken die ik nog hoop te kunnen lezen behoort dat over Johan Winkler. Nog is het ongeschreven, maar zeker zal het eens geschreven worden, want deze Johan Winkler is niet alleen een merkwaardig, maar vooral een belangrijk man geweest.’2

Al had Johan Winkler (1840-1916) geen wetenschappelijke opleiding genoten, na het overlijden van zijn vrouw stortte hij zich volledig op taal.3 Misschien zat daar een troost in. Wat zeker is: zij liet hem veel geld na, waarna hij zich volledig op studie kon storten.4 Het werk waaraan zijn naam voorgoed verbonden zal zijn: het Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon5, of kortweg: ‘Dialecticon’.

En niet alleen over dialecten schreef-ie, maar ontpopte zich ook als naamkundige en historicus. Zo verschenen respectievelijk de werken Nederlandse Geslachtsnamen en Oud-Nederland.

Johan Winkler, ‘Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon’. 1874.

Voor we naar de inhoud van het Dialecticon gaan, eerst nog even iets over de passie van Winkler. Hij merkte op hoe dialecten geleidelijk aan nivelleerden of verdrongen werden door het gesproken Nederlands, wat we nu ‘Standaardnederlands’ noemen, door Winkler ‘modern Hollands’ genoemd6. En dat Hollands staat Winkler niet aan:

‘De geijkte nederlandsche taal is dood en maakt dood tevens. Ze dringt het nederduitsch in ons vaderland plat en dood. Boven is reeds gezeid dat ze volmaakt ongeschikt is om gesproken te worden in ’t dagelijksche leven; zelfs voor den kansel, den rechterstoel en den leerstoel deugt ze niet. Door niemand, door geen mensch in Holland zoomin als in een der andere nederlandsche gewesten, die spreekt zoo als zijn moeder ’t hem leerde en het harte ’t hem ingeeft, frisch en vrij en eerlijk, wie ihm der Schnabel gewachsen ist en juist zóo als hij gebekt is, niet gekunsteld en valsch, wordt ooit nederlandsch gesproken.’7 

Dialectoloog en schrijver Harrie Scholtmeijer merkt twee dingen op: ‘Winklers Dialecticon is een documentatie van de dialecten die door de moderne maatschappelijke ontwikkelingen in hun voortbestaan bedreigd worden. Maar het Dialecticon documenteert ook een heel nieuwe taal: de spreektaal die gebaseerd is op het geschreven Nederlands.’8 Door de industrialisatie, verstedelijking en verhoogde mobiliteit volstond het dialect niet meer als communicatiemiddel. Men ging steeds vaker de geschreven gestandaardiseerde taal – want dat is het Standaardnederlands – spreken. En daar had het onderwijs een belangrijke rol in, in de loop van de negentiende eeuw kregen steeds meer kinderen toegang tot les in lezen en schrijven.

Tijdens Winklers leven veranderde dus het spreken, de spreektaal. Dialecten, streektalen, zouden verdwijnen en verdrongen worden door de gestandaardiseerde talen van de opkomende natiestaten. En Winkler, zelf uit Leeuwarden afkomstig, beschouwde het als zijn taak om het ‘Nederduitsch en Friesch’ te documenteren en te bundelen in zijn Dialecticon. Een erfgoedhoeder dus, en hoewel Winkler amateur-dialectoloog was, wordt zijn werk honderdvijftig jaar later nog steeds als zeer belangrijk beschouwd.

Misschien moeten we het straks nog even over het onderzoek van Winkler hebben. Vooral omdat ik daar ook iets over te zeggen heb. Maar wat is nou de kern van het Dialecticon?

‘Dit boek bevat den uitslag van mijn arbeid. Het bevat 186 vertalingen van de gelijkenis des verlorenen zoons in even zoo veel onderscheidende tongevallen van de nederduitse en friesche talen. […] Bijna allen zijn ze door bekwame en vertrouwbare mannen mij persoonlijk medegedeeld.’9 Een verzameling vertalingen van de gelijkenis van de verloren zoon dus. Maar waarom juist dit bijbelverhaal? ‘Wel, omdat juist die gelijkenis, voor dat doel, mij bij uitstek geschikt voorkwam. Het moest toch iets wezen dat aan iedereen bekend en voor iedereen toegankelijk was; het moest noch te lang, noch te kort zijn; het moest over zaken en voorvallen uit het alledaagsche leven der menschen handelen, en gelegenheid aanbieden om de dagelijksche volks-spreektaal er in te pas te brengen. Aan al die vereischten voldoet dit schoone verhaal.’10 Nog op dezelfde pagina voegt Winkler hieraan toe dat andere onderzoekers ook dit verhaal gebruikten en dat het dus geen origineel idee is geweest.11

En het is ook een mooi verhaal. Het is terug te vinden in Lukas 15:11-32.12 Het is een van de gelijkenissen van Jezus. Een gelijkenis is eigenlijk een parabel, iets wat in de joodse traditie werd gebruikt om de schriften te interpreteren. Het verhaal gaat over een vader met twee zonen. De jongste zoon vraagt zijn vader om zijn erfdeel, verlaat het huis en verspilt zijn fortuin met een losbandig leven. Wanneer hij uiteindelijk alles verliest en in armoede belandt, besluit hij terug te keren naar zijn vader en smeekt hij om vergeving. De vader verwelkomt hem hartelijk, organiseert zelfs een feest voor zijn terugkeer en verklaart dat zijn verloren zoon is teruggevonden. De oudere broer, die altijd trouw is geweest aan zijn vader, is jaloers op de ontvangst die zijn verloren broer krijgt. Maar de vader legt uit dat het gepast is om te vieren wanneer iets verloren is geweest en is teruggevonden.13 De gelijkenis illustreert Gods genade en vergevingsgezindheid jegens de berouwvolle zondaar.

Rembrandt, ‘De terugkeer van de verloren zoon (Lucas 15: 20-24)’, jaren 1660. Olieverf, 262 x 205 cm. Hermitage Sint-Petersburg.

De gelijkenis van de verloren zoon is een van de bekendste verhalen uit het Nieuwe Testament en spreekt tot de verbeelding. In de tijd van Winkler moet zo’n beetje iedereen in deze hoek van de wereld het verhaal gekend hebben. Geen wonder dat dit de keuze werd. En de karakterschets van Winkler als ‘vroom christen’ zal zeker bij de keus voor dit verhaal meegespeeld hebben.

Bijna tweehonderd vertalingen van deze gelijkenis dus, die stuk voor stuk interessant zijn om te lezen. Uit sommige plaatsen is het Nederduitsch inmiddels althans in het spreken – volledig verdwenen, zoals in Dantzig. Opvallend is dat Winkler opmerkt hoe het Fries plaatsmaakt voor het plat op de Duitse Wadden. Zo’n honderdvijftig jaar later zal hier echter dan waarschijnlijk het Hoogduits klinken. Winkler beschrijft ook de verfransing in België – in de tijd van Winkler lag die taalgrens nog een stuk zuidelijker dan nu. Het is daarbij fascinerend hoe hij de taal aan identiteit koppelt: ‘De echte Brusselaars zijn volbloed Brabanders, de kern der brusselsche bevolking, de nakomelingschap van de oude burgers der stad, is door en door dietsch (of tiesj zooals de Brusselaars zeggen), door en door nederduitsch en niet fransch of waalsch.’14 In Noord-Frankrijk, Frans-Vlaanderen, wordt in Winklers tijd nog Vlaams gesproken15, nu is het er bijna uitgestorven. (Wie vanuit het noorden door de Vlaamse Westhoek richting Calais [ooit, ver voor Winkler, in het Nederlands ‘Kales’ genoemd] rijdt kan aan de namen van plaatsen op de borden nog wel zien dat hier ooit Nederlands gesproken moet zijn.)

Winkler kan het trouwens niet laten een persoonlijke mening te geven. Van de dialecten moet vooral het Gronings het ontgelden: ‘Van alle, grootendeels von Haus aus reeds harde en zware, onaangenaam in de ooren klinkende saksische tongvallen, is het groninger friso-saksisch verre weg het hardste, zwaarste leelijkste. […] In éen woord, groningerlandsch is voor fijn gevoelige ooren, vooral die der friezen bewesten Lauwers, niets meer of minder dan afschuwelijk en onuitstaanbaar.’16 Oud-sprekers van een dialect noemt hij zonder blikken of blozen dom en dwaas. Om even terug te gaan naar de Belgische hoofdstad: ‘Er zijn te Brussel dwazen, ja, er zijn er velen zoo, die, ofschoon ze van ouder tot ouder goede nederlandsche of dietsche Brusselaars zijn, wier echte moedertaal het nederlandsch is, en die in hun ouders huis nooit een woord fransch hoorden, toch tot hun eigen kinderen slechts fransch spreken, die met zorg waken dat zoo zelden mogelijk een nederlandsch woord het oor van hun kroost bereike, en die slechts brusselsch-nederlandsch tot hun bedienden willen spreken, omdat de noodzakelijkheid hen daartoe wel dwingt. Ook in de andere groote steden van nederduitsch-Belgie zijn velen zoo dom.’17

Als geboren Urker ben ik natuurlijk vooral geïnteresseerd in het ‘hoofdstuk 107. Het eiland Urk’. En laat de daar te lezen gelijkenis nou zijn medegedeeld aan Winkler door mijn oudvader (de opa van mijn overgrootmoeder) Klaas Koffeman (1833 – 1885), hulponderwijzer.18 En op de bladzijde daarvoor zegt Winkler het zelf al: ‘Voor zoo verre mij bekend is, is er nog nooit iets over of in den urker tongval, ofschoon die zoo hoogst merkwaardig is, geschreven.’19 Wat dit hoofdstuk dus zo bijzonder maakt, is dat dit de eerste tekst in het Urker dialect is. En je begrijpt, voor mij extra bijzonder.

Even over die grootvader-van-mijn-overgrootmoeder Klaas Koffeman. Klaas’ broers waren vissers. Klaas daarentegen koos een andere carrière en kwam voor de klas te staan. Bijzonder, voor die tijd. Hij had een passie voor taal en schreef in 1868 een gedicht naar aanleiding van een stormramp in datzelfde jaar, waarbij 26 Urker vissers in de storm verdronken.20 Het gedicht werd in kranten gepubliceerd en bereikte zelfs de burelen van koning Willem III. Mede dankzij dit gedicht werden duizenden euro’s ingezameld voor de Urker vissersgemeenschap. Misschien was dit de enige manier om aandacht te krijgen voor het leed op het eiland: met de pen. Die pen, en passie voor taal, gaf hij trouwens door aan zijn zoon Iede Klaas, die in de jaren 1940 eerder genoemde Pieter Meertens en Louise Kaiser hielp bij hun werk ‘Het eiland Urk’21, en aan zijn kleindochter Mariap van Urk-Koffeman, die landelijke bekendheid kreeg als ‘dichteres van de drooglegging’22.

K. Koffeman, Hartverscheurende zeeramp op het Eiland Urk. 1868. Collectie Museum het Oude Raadhuis, Urk.

Winkler werd op het spoor van Koffeman gebracht door professor Cosijn (1840 – 1899), taalkundige en filoloog.23 Hoe Cosijn de Urker Klaas kende, is mij nog niet duidelijk. Misschien had hij het gedicht gelezen over de zeeramp? Hieruit bleek in ieder geval dat Koffeman in goed Nederlands kon schrijven. Hoe het ook zij, Klaas Koffeman vertaalde voor Winkler de gelijkenis van de verloren zoon naar het Urker dialect, in Nederlandse spelling.

Voor we naar Winklers beschrijving van het Urker dialect gaan, eerst even over de vertaling. In 1874 was er nog geen standaardspelling van het Nedersaksisch, waarin het geschreven Urkers tegenwoordig goed tot z’n recht komt. Klaas Koffeman moest voortdurend bedenken hoe de vele unieke klanken van het Urker dialect, dat veel meer klinkers bevat dan het Nederlands, op schrift het best overgebracht konden worden. Voor Koffeman had daar nog nooit, voor zover mij bekend, een poging tot gedaan!

Dialecticon, vol. 2, 1874, p. 54-55 (klik voor een uitvergroting)

Juist daarom is het zo bijzonder om als spreker van het Urker dialect te beseffen hoe vitaal dit taaltje is gebleven. Nu, honderdvijftig jaar later, kost het maar heel weinig moeite de tekst hardop voor te lezen. De meeste woorden en klanken zijn in anderhalve eeuw hetzelfde gebleven, waar andere dialecten zijn verwaterd of uitgestorven.

Ik ga de tekst hier niet helemaal uitpluizen, maar een paar zaken vallen mij op:

  • Er is in honderdvijftig jaar maar een enkele klankverschuiving waar te nemen (als we uitgaan van Koffemans tekst). De klank (in Nedersaksisch) -ea-, hier geschreven als -ææ- is in de meeste woorden gebleven, behalve, in deze tekst, in ‘weard (waard)’ en ‘mear (meer)’. Deze woorden worden tegenwoordig uitgesproken als respectievelijk ‘waard (waard)’ en ‘maar (meer)’. Uit een andere vertaling, eind twintigste eeuw, van de gelijkenis, lijkt deze -ea- veranderd te zijn in -ee-.24 En in deze laatste vorm heb ik het zelf ook nog wel gehoord.
  • Het woord ’taote’ voor ‘vader’ (naast ‘mimme’ voor ‘moeder’) wordt niet meer in het Urkers gebruikt, maar is nog wel bekend. Het woord is inmiddels vervangen door ‘va’ en een ‘mimme’ wordt ‘moe’ genoemd. ‘Mimme’ wordt nog wel gebruikt in uitdrukkingen: ‘Oe, mimme!’.
  • De aanbiedende wijs (is dit de aanbiedende wijs? Wie helpt mij hier?), zoals in ’toeloopende’ en ‘biddede’, kun je tegenwoordig een Urker nog een enkele keer horen gebruiken, al zal het niet veel voorkomen. In het Nederlands klinkt dit echter zeer archaïsch.
  • Er zijn kleine veranderingen opgetreden in de lengte van sommige klanken. Sommige klanken, zoals de -ie- in ‘dielde’, zijn tegenwoordig korter, terwijl de -ie- in ‘gieven’ lang is gebleven.
  • Hoewel ’taote’ niet meer gebruikt wordt, wordt ‘poezen’ (voor ‘zoenen’ of ‘kussen’) nog algemeen gebruikt. Het is een oud Nederduits woord, zegt ook Winkler zelf.25

Om te bewijzen dat deze tekst van honderdvijftig jaar oud nu nog (bijna) moeiteloos voorgelezen kan worden, ben ik zelf achter de microfoon gesproken. In het eerste fragment lees ik de tekst van Koffeman voor as is, zoals ik denk dat het ongeveer geklonken moet hebben. (Een disclaimer: ik kan mij hier niet baseren op andere bronnen, omdat er geen andere teksten uit die tijd zijn opgeschreven en omdat er logischerwijs geen audio-opnames in deze tijd zijn gemaakt.)

In het tweede fragment lees ik een wat aangepaste de tekst voor, zoals de gelijkenis van de verloren zoon in het Urkers van tegenwoordig zou klinken. Voor deze opname heb ik de hervertaling gebruikt, die werd verzameld door Harrie Scholtmeijer in 1996 voor ‘De Nieuwe Winkler’.26 Deze heb ik nog iets naar smaak aangepast, ook in de laatste dertig jaar is het Urkers weer een klein beetje veranderd.

Laten we verder ingaan op wat Winkler over Urk en het dialect te zeggen heeft. Dat begint goed: ‘De tongval der bewoners van ’t eiland Urk vooral, is een der merkwaardigste en bijzonderste van Nederland.’27 Winkler ziet veel overeenkomsten met de dialectsprekers van het (dan al verlaten) eiland Schokland en – merkwaardig genoeg – het eiland Vlieland.28 Wat het Schokkers betreft: wie de audio-opnames in de Nederlandse Dialectenbank beluistert, hoort zeker overeenkomsten met het Urkers.29 Niet zo gek ook: de opgezetenen van de eilanden Urk en Schokland stonden doorheen de eeuwen in contact met elkaar, net als overigens met bewoners van de andere plaatsen rondom de Zuiderzee. In diezelfde Dialectenbank is een opname van het Vlielands te vinden, maar of dit dialect nauw verwant is aan het Urkers?30

Ook geeft Winkler aan dat het Urkers een zogenaamd overgangsdialect is, wat in zekere zin ook klopt. ‘De urker tongval is zoo min zuiver friesch als hij zuiver saksisch of zuiver frankisch is; hij maakt eigenlijk de overgang uit van het friesch tot het frankische en ook eenigszins tot het saksische nederduitsch’.31 Urkers en Fries? Er zijn zeker woorden of klanken uit het Fries het Urkers ingeslopen, toch denkik dat het Fries echt van het Urkers losstaat. Maar dat het een dialect is op de grens van het Nederfrankisch en het Nedersaksisch, daar kunnen we niet omheen. Het Urkers zal trouwens ook zeker tijdens de Amsterdamse tijd beïnvloed zijn door het Nederfrankische Hollands, eerder nog door de nauwe contacten met Enkhuizen, en veel later nog, tot 1950, bleef Urk als gemeente onderdeel van de provincie Noord-Holland. De dienstmeisjes, die in de negentiende en twintigste eeuw in de rijke Hollandse steden werkten, namen woorden mee terug naar het eiland (naast Hollands ook bijvoorbeeld woorden uit het Jiddisch). Maar vooral vertoont het Urkers kenmerken van het Nedersaksisch, en daar wordt het Urkers tegenwoordig ook onder geschaard. Zo stelt ook dialectologe Jo Daan: ‘Vergelijken we het Urksch met de omringende Nederlandsche dialecten, dan zien we, uit de ons ter beschikking staande gegevens, een groter overeenkomst met het oosten dan met het westen.’32 En door die grotere overeenkomst met de oostelijke dialecten, zoals het Sallands en in zekere mate het West-Veluws, rekenen we het Urkers voor het gemak tot het Nedersaksisch, daarbij opmerkend dat het een overgangsdialect is. Nog over deze passage: het lijkt wel alsof Winkler het Urkers per se in alledrie dialectfamilies wil indelen. Alsof hij iets wil aantonen.

Wat zo fascinerend is aan Winkler: zijn lange verhandelingen over hoe mooi of lelijk een dialect is, maar het wordt helemaal interessant wanneer hij op zoek gaat naar de oorsprong van een dialect. Het Vlielands, Urkers en Schokkers zou aan hun overeenkomsten komen doordat de opgezetenen ooit behoorden tot één oervolkje, dat op het eiland ‘Flevo’ woonde. Winkler: ‘In oude tijden, omstreeks het begin onzer tijdrekening en nog zeer lang daarna (wellicht tot in de tiende eeuw), was de Zuiderzee, zooals die thans bestaat, nog niet aanwezig.’33 Tot zover klopt het enigszins, de Zuiderzee ontstond pas na een reeks stormvloeden in de twaalfde en dertiende eeuw, zo wordt algemeen aangenomen. Maar dan ontvouwt Winkler zijn theorie: deze bewoners van het eiland Flevo – ‘een bijzonderen stam, die zich vooral ook door zijn eigenen tongval van de andere Friezen onderscheidde’34 – zochten na het ontstaan van de Zuiderzee een veilig heenkomen op hoger gelegen gebieden (Vlieland, Schokland en Urk) of gingen wonen aan de kustplaatsen: ze ‘werden de eerste bewoners, geheel of gedeeltelijk, van de stad Enkhuizen, van ’t dorp Huizen in ’t Gooiland, van Vollenhove, en misschien van de Kuinder en Genemuiden in Overijssel’35. En dit is niet alleen te horen, volgens Winkler, aan de tongval, maar ook te zien in hun beroepskeuze: ‘niet zonder beteekenis is de omstandigheid dat de Enkhuizers en de Huizers, even als ook ten deele de Vollenhovers volbloed-visscherlui zijn, zoo wel als de Urkers en de Schokkers. Enkhuizen had in vorige eeuwen opkomst en grooten bloei aan de visscherij te danken, die er nog bestaat, hoewel ze er, helaas! deerlijk in verval is. De Huizers zijn nog grootendeels visschers […]; de Vollenhovers zijn gedeeltelijk ook echte visschers’.36 De oer-Zuiderzeeër.

En in deze passages sijpelt die negentiende-eeuwse gedachte door, dat er een oer-Nederlander moet zijn geweest, die zowel een Friese, Frankische als Saksische tongval heeft; een stam die de Nederlandse delta bevolkte en leefde met het water. De Batavus genuinus. Onderzoekers stonden in de rij om aanwijzingen vinden voor het bestaan van die oer-Nederlander (terwijl Nederland als natiestaat dan pas een paar decennia oud was). Even voor Winkler deelde Ph.C. van den Bergh de Nederlanders in drie ‘rassen’ in: de Friezen, de Franken en de Saksen.37 Was Winkler aan het ‘inpassen’?

De Duitse arts en antropoloog Rudolf Virchow publiceerde in 1877 een studie, waaruit moest blijken dat zowel de bevolking van Marken als van Urk tot het ‘Friese ras’ behoren. Virchow linkte het ‘Friese ras’ aan de Neanderthaler.38 In datzelfde jaar bracht de Hilversumse arts Van Hengel een bezoek aan het eiland Urk. Hij maakte het wel heel bont: zijn fascinatie voor het eiland en de cranologie (onderzoek, waarbij schedels werden gemeten) bewoog hem ertoe schedels te ontvreemden van de Urker begraafplaats. Al in de jaren 1850 was de wetenschapper Harting op Urk geweest, die concludeerde: ‘de bevolking van Urk is inzonderheid […] merkwaardig, dat het een zuiver nagenoeg geheel onvermengd ras is, dat gerekend kan worden van de oude bewoners van het eiland schier onveranderd af te stammen’.39 Van Hengel zou Harting een paar Urker schedels sturen, in ruil voor zijn publicatie.

Deze vormen van fysische antropologie, in het bijzonder de cranologie, zouden een eeuw later volledig geïncorporeerd worden door het nationaal-socialistische gedachtegoed. Het idee dat gedragskenmerken af te leiden zijn van uiterlijke kenmerken ontstond in de negentiende eeuw en werd overgenomen in andere onderzoeksgebieden, zoals de dialectologie, zo zien we in het Dialecticon. Gelukkig vinden we deze ideeën nu verderfelijk, maar tot in de jaren 1950, zo zal dadelijk blijken, konden wetenschappers vrijelijk mensen opmeten en daar al dan niet fantasierijke conclusies aan verbinden.

Misschien werden in Nederland (in de voormalige koloniën leefden de wetenschappers zich trouwens ook uit!) de bewoners van het eiland Urk wel het meest aan fysisch antropologisch onderzoek onderworpen. In 1927 kwam een zoveelste schedelmeter naar Urk.40 In 1997 kon de dan hoogbejaarde Urker Albert van Veen dit zich nog goed herinneren: ‘Ik was acht jaar, toen kregen we orders van de meester op school. In groepjes van vijf moesten we naar het schoolplein en daar werd ons hoofd opgemeten. Je ogen, oren, neus, mond, de schedels van achteren en van voren, alles.’41

J. Sasse meet de schedels van schoolkinderen op Urk, ca. 1912. Bron: particuliere collectie, foto via Comité Urker Schedels.

De indirecte gevolgen voor de Urkers? Urkers konden geen aanspraak maken op een plek in de nieuwe Noordoostpolder. De door de overheid beoogde modelsamenleving bood namelijk geen plaats aan de, door wetenschap ‘achterlijk’ en ‘onzakelijk’ genoemde, Urkers.42 Adviseur-sociograaf Groenman stelde zelfs in 1947 maar voor de helft van de bevolking te deporteren.43 Nee, in die nieuwe Noordoostpolder moesten moderne mensen komen te wonen, niet die rare vissersvolkjes.

Zelfs na de Tweede Wereldoorlog, in 1956, vond nog fysisch antropologisch onderzoek plaats in Elburg, toen de nieuwe Oostelijke Flevopolder werd aangelegd. 70 kinderen werden aan onderzoek onderworpen. De onderzoekers van de Stichting voor het Bevolkingsonderzoek in de Drooggelegde Zuiderzeepolders noteren dat bij vijf van de onderzochte 11- en 12-jarige meisjes de borsten ‘al goed ontwikkeld’ zijn en dat twee meisjes al schaamhaar hebben.44 Misselijkmakend.

En die ontvreemde Urker schedels? Die keerden pas in 2010 terug,45 waarna ze plechtig werden herbegraven. Daar ging wel een lang proces aan vooraf, waarin een ‘Comité Urker Schedels’ zich hard maakte voor teruggaaf. Een uitspraak van de Ethische Codecommissie voor Musea deed de Universiteit Utrecht – waar de schedels al die tijd [volgens auteur] doelloos in een depot hadden gelegen – pas daadwerkelijk bewegen de schedels terug te geven.46

Deze trieste geschiedenis had mijn oudvader Klaas Koffeman op dat moment natuurlijk nog niet kunnen voorzien. Een beetje chauvinistisch gezegd: hij deed wat een Urker doet, namelijk een ‘vreemde’ helpen als-ie daarom vraagt. En Winkler was natuurlijk geen schedelmeter: hij volgde gewoon de publicaties van zijn tijdsgenoten en nam ze voor waar aan. Maar Winklers vele aannames, die nu hilarisch lijken, hebben indirect wel bijgedragen aan de stigmatisering van de bewoners van de eilanden en oevers van de Zuiderzee.

Moeten we Winkler dan maar afschrijven? Geenszins. Bovenal probeerde Winkler met zijn Dialecticon de verscheidenheid aan dialecten voor de toekomst te bewaren. En honderdvijfig jaar later plukken we daar de vruchten van. Het Dialecticon is een uniek tweedelig boekwerk, een documentatiewerk van het immateriële: de gesproken taal, die veelal verloren is gegaan, maar in sommige plaatsen nog springlevend is. Ergens tussen ‘Koningsbergen’ en ‘Duinkerken’ ligt Urk, met misschien wel het (tot op heden, dan) vitaalste dialect van al deze door Winkler behandelde plaatsen. (Of zijn er andere dialecten die net zo levend zijn? Ik zou het heel graag horen!)

Maar de grote vraag is: hoe kun je een dialect eigenlijk levend houden? Beleid kan helpen: in 2018 is bijvoorbeeld het ‘Convenant inzake de Nederlandse erkenning van de regionale Nedersaksische taal’ getekend47, waarmee het Nedersaksisch een officieel erkende taal werd. Maar ook andere instrumenten zouden kunnen helpen bij het levend houden van een taal of dialect, zoals een aanmelding in het Netwerk Immaterieel Erfgoed of een daarop volgende bijschrijving in de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland, waarmee een erfgoedgemeenschap laat zien dat het een eigen cultuuruiting erkent als immaterieel erfgoed.48 Er zijn natuurlijk nog veel meer manieren: door onderwijs (dialect in de klas), popmuziek in dialect, subsidies voor onderzoek, podcasts, een lokale dialectstichting, concerten of vespers in dialect, het gebruik van de eigen taal binnen overheidsgebouwen, het aanstellen van een stadsdichter… Welke gemeenschappen laten zien dat zij hun eigen taal belangrijk vinden?

En nog even terug naar die gelijkenis van de verloren zoon: zou Winkler met de berouwvolle zondaar diegene bedoelen, die zijn dialect inruilde voor een standaardtaal?

En tot slot: zullen we een dialect voortaan gewoon een taal noemen?

Met dank aan een andere nazaat van Klaas Koffeman, Iede Klaas Koffeman, die mij de gedigitaliseerde versie van het gedicht van onze voorouder toestuurde.

  1. H. Scholtmeijer, Meertens Instituut, “Tussen ‘Flevisch’ en ‘modern hollandsch’: Winklers Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon.”, versie onbekend, https://books.meertens.knaw.nl/winkler/inleiding.html, geraadpleegd 18 maart 2024. ↩︎
  2. P.C. Meertens, Taal en Tongval. Jaargang 10. (Bosvoorde: Willem Pée, 1958), 4-15 ↩︎
  3. H. Scholtmeijer, Meertens Instituut, “Tussen ‘Flevisch’ en ‘modern hollandsch’: Winklers Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon.”, versie onbekend, https://books.meertens.knaw.nl/winkler/inleiding.html, geraadpleegd 18 maart 2024. ↩︎
  4. Ibidem ↩︎
  5. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 1 en 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874) ↩︎
  6. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 4 ↩︎
  7. Ibidem ↩︎
  8. H. Scholtmeijer, Meertens Instituut, “Tussen ‘Flevisch’ en ‘modern hollandsch’: Winklers Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon.”, versie onbekend, https://books.meertens.knaw.nl/winkler/inleiding.html, geraadpleegd 18 maart 2024. ↩︎
  9. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 1. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), V-VI ↩︎
  10. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 1. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), X ↩︎
  11. Ibidem ↩︎
  12. Statenvertaling, “Lukas 15”, https://www.statenvertaling.net/bijbel/luka/15.html ↩︎
  13. Ibidem ↩︎
  14. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 264 ↩︎
  15. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 395 ↩︎
  16. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 1. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 398-399 ↩︎
  17. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), ↩︎
  18. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 54 ↩︎
  19. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 53 ↩︎
  20. K. Koffeman, Hartverscheurende zeeramp op het Eiland Urk. 1868. https://www.google.nl/books/edition/Hartverscheurende_zeeramp_op_het_eiland/8M_v6RglQkAC?hl=en&gbpv=1 ↩︎
  21. P.C. Meertens en L. Kaiser, Het Eiland Urk. (Alphen aan de Rijn: Samson N.V., 1942), XII ↩︎
  22. Elders op deze website: “De strijd van Mariap van Urk” https://blog.basvisscher.com/de-strijd-van-mariap-van-urk/ ↩︎
  23. P.C. Meertens en L. Kaiser, Het Eiland Urk. (Alphen aan de Rijn: Samson N.V., 1942), XI ↩︎
  24. H. Scholtmeijer, Meertens Instituut, “De nieuwe Winkler. Urk.”, versie onbekend, https://books.meertens.knaw.nl/winkler/urk.html, geraadpleegd 18 maart 2024. ↩︎
  25. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 56 ↩︎
  26. H. Scholtmeijer, Meertens Instituut, “De nieuwe Winkler. Urk.”, versie onbekend, https://books.meertens.knaw.nl/winkler/urk.html, geraadpleegd 18 maart 2024. ↩︎
  27. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 52 ↩︎
  28. Ibidem ↩︎
  29. Meertens Instituut, “Nederlandse Dialectenbank, Ens, Schokland.” (versie onbekend), https://ndb.meertens.knaw.nl/soundbites.php?p=F079p, geraadpleegd 11 maart 2024. ↩︎
  30. Meertens Instituut, “Nederlandse Dialectenbank, Vlieland, Oost-Vlieland.” (versie onbekend),
    https://ndb.meertens.knaw.nl/soundbites.php?p=A003p, geraadpleegd 11 maart 2024. ↩︎
  31. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 52 ↩︎
  32. P.C. Meertens en L. Kaiser, Het Eiland Urk. (Alphen aan de Rijn: Samson N.V., 1942), 325 ↩︎
  33. J. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon. Deel 2. (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1874), 52 ↩︎
  34. Ibidem ↩︎
  35. Ibidem ↩︎
  36. Ibidem ↩︎
  37. L. Ph. C. van den Bergh, Handboek der Middel-Nederlandse geografie. (Den Haag, 1872), 110 ↩︎
  38. R. van Diepen, Historiek, “Op zoek naar de oer-Nederlander in het Zuiderzeegebied”, versie 3 december 2019, https://historiek.net/op-zoek-naar-de-oer-nederlander-in-het-zuiderzeegebied/54711/, geraadpleegd 10 maart 2024. ↩︎
  39. P. Harting, Het Eiland Urk: Zijn Bodem, voortbrengselen en bewoners. (Utrecht: Van Paddenburg & Comp., 1853). ↩︎
  40. “Afkomst der Urkers”, Haarlems dagblad, 23 augustus 1927, 10 ↩︎
  41. R. van den Berg en K. van Noppen, “Het probleem Urk”, De Ochtenden, datum onbekend, bron via Urker Schedels, https://urkerschedels.files.wordpress.com/2012/06/write-up-rien-van-de-berg-het-probleem-urk.pdf, geraadpleegd 10 december 2020. ↩︎
  42. T. Roos, lid Comité Urker Schedels, geïnterviewd door auteur op 15 december 2020. ↩︎
  43. D. Schaap, “Sloop alle schepen en bouw een groene vloot”, Groene Amsterdammer, 18 augustus 2010, https://www.groene.nl/artikel/sloop-alle-schepen-en-bouw-een-groene-vloot, geraadpleegd 2 december 2020. ↩︎
  44. E. Hakkenes, Polderkoorts: Hoe de Zuiderzee verdween. (Amsterdam: De Bezige Bij, 2017), 237. ↩︎
  45. ANP, “Urk heeft zijn schedels weer terug”, Reformatorisch Dagblad, 5 juni 2010, https://www.rd.nl/artikel/355600, geraadpleegd 10 januari 2021. ↩︎
  46. Museumvereniging, “Schedels van verre verwanten – bewaren of herbegraven?” (versie onbekend), https://www.museumvereniging.nl/schedels-van-verre-verwanten-bewaren-of-herbegraven, geraadpleegd 24 november 2020. ↩︎
  47. Rijksoverheid, “Convenant Nedersaksisch”, versie 10 oktober 2018. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/convenanten/2018/10/10/convenant-nedersaksisch, geraadpleegd 17 maart 2024. ↩︎
  48. Immaterieel Erfgoed, “Netwerk, Inventaris en Register” (versie onbekend), https://www.immaterieelerfgoed.nl/nl/netwerkinventarisregister, geraadpleegd 10 maart 2024. ↩︎

Eieren voor Aletta Jacobs

Sommige bekende mensen, die in de media sympathiek overkomen, zijn in het echt heel akelig. En sommige mensen, waarvan je niet verwacht dat ze sympathiek kunnen zijn, blijken verrassend vriendelijk.

Neem nou bijvoorbeeld het hele mediacircus rondom Matthijs van Nieuwkerk. Onveilige werksfeer, toxisch gedrag. We doen alsof dit een uitzondering is, maar het is dagelijkse praktijk in tal van sectoren. Als je een publiek figuur bent, moeten je hulpjes daar blijkbaar onder lijden.

Hulpjes. Waar gaat dit artikel naartoe?

In het begin van de vorige eeuw – toen het verschil tussen arm en rijk ook al zo groot was – had je dienstmeisjes. Dit waren jonge meisjes uit een wat armoedig milieu, vaak uit een vissers- of boerendorp, die in die tijd tot de lagere sociaal-economische klasse behoorden. Ze – vaak nog in hun tienerjaren – gingen in de steden aan het werk bij rijkere gezinnen, om ze te ontlasten in de huishouding. Nee, ze deden eigenlijk álles in die huizen, tot de opvoeding van de kinderen aan toe.

De van Urk afkomstige Zwolse historica Lucia de Vries doet onderzoek naar de ‘Urker dienstmeisjes’. Ze verzamelt egodocumenten en verhalen en blogt erover. Zo schrijft ze ook over Lammertje Kramer (Den Helder, 1898), die op haar twaalfde (!) in dienst kwam van Aletta Jacobs. Jawel, de arts, feministe, pacifiste. We kennen haar allemaal uit de geschiedenisboeken. Jacobs is één van de vensters in de Canon van Nederland.

Lammertje Kramer. Foto via Lucia de Vries, vrouwenbrieven.home.blog.

Jacobs was ‘Onvriendelijk, heerserig, zeer veeleisend en veel verwachtend’, zo vertelt Lammertje Kramers zoon aan De Vries. ‘[Lammertje] had een soort trauma overgehouden aan haar tijd bij dr. Jacobs.’ Facetten van Aletta Jacobs die maar moeilijk te rijmen zijn met het collectieve beeld dat wij van de feministe hebben.

‘Lam’ Kramer kwam uit een Urker gezin, dat zich in Den Helder had gevestigd. Urk leverde veel dienstmeisjes: in bijvoorbeeld Den Haag en Amsterdam zochten de jonge meisjes elkaar op om steun bij elkaar te zoeken, bij te praten en naar catechisatie te gaan. Het was hard werken, de dienstmeisjes kenden hun plek in het huishouden. Maar meestal was de relatie met hun werkgever (voor die tijd) goed te noemen.

De Vries probeert het gedrag van Jacobs te duiden in haar blogartikel. ‘Was het de rouw [om het overlijden van haar man en enige kind] die dr. Jacobs tot een onsympathieke werkgever maakte? Was ze eenvoudigweg te druk en gestrest door de bittere strijd voor het vrouwenkiesrecht, zowel landelijk als internationaal? Of was het standverschil tussen de hoog opgeleide Dr Jacobs en ongeschoolde Lammertje eenvoudig te groot? Maakte de beroemde feministe in haar sympathieën onderscheid tussen arbeidersvrouwen als gratis patiënten buitenshuis, en betaalde volksmeisjes als hulp thuis?’ Ik neig naar dat laatste.

We kunnen er slechts naar gissen. Wat we wel weten, is dat Kramer het ondankbare werk bij Jacobs in ieder geval zo beu was, dat toen ze ontslag nam een mand eieren kapotgooide in de hal van Jacobs’ woning aan de Tesselschadestraat, Amsterdam: ‘Ik heb dat mandje met inhoud en al tegen de grond gegooid en ben hard weggelopen…’ En gelijk had ze.

In de nieuwe podcast ‘Mina en Mevrouw’ doet Maartje Duin (die eerder ‘De plantage van onze voorouders’ maakte) onderzoek naar Mina Marinusse, die het dienstmeisje was van Marietje gravin van Lynden-Calkoen, de overgrootmoeder van Maartje Duin.

Op zoek naar Neutraal Moresnet

Ik was vorig weekend vlak over de grens bij Klein-Kuttingen. Niet zozeer vanwege die plaatsnaam, maar omdat twee vrienden daar een huisje hadden gehuurd, waar deze ontheemde een paar dagen mocht komen te logeren. Meer precies in Beusdael, in Wallonië, aan de voet van het Kasteel van Beusdael, waarvan de geschiedenis teruggaat tot de twaalfde eeuw. Lekker. We aten vis en dronken wijn en wandelden door het mooie grensgebied. Ik blijf in mijn hart een kustbewoner, ben altijd op zoek naar zee en de verre horizon, maar ook in een heuvellandschap kan ik mij bijzonder goed voelen.

Abdijbier, Hugo Claus en het hier behandelde boek Moresnet.

Mijn leven hangt van toevalligheden aan elkaar. Ook nu: vlak voor deze onaangekondigde, impulsieve vakantie was ik namelijk net in het boek Moresnet van Philip Dröge begonnen. Een hele fijne, leesbare geschiedenis van het ministaatje, landje, of beter gezegd ‘geval’, dat iets meer dan honderd jaar bestaan heeft en vlakbij Beusdael lag. Neutraal Moresnet was een driehoekig gebied waarvan de noordelijke punt het drielandenpunt (dat later nog een tijdje een vierlandenpunt werd) bij Vaals raakte.

Dröge beschrijft in dit boek hoe Moresnet ontstond als slordigheid tijdens het Congres van Wenen, na 1815 dus. Na de val van Napoleon vond een nieuwe staatkundige en politieke ordening plaats. Zo kwam in de Nederlanden Koning Willem I aan de macht, de zoon van stadhouder Willem V, die tevens groothertog van Luxemburg werd. Het blok moest ten noorden van Frankrijk een stevige buffer gaan vormen. De grenzen werden met potlood getrokken en in alle haast ontstond een stukje betwist gebied: het was niet duidelijk of de zinkmijn en omgeving in Moresnet nou bij de Nederlanden of Pruisen zou moeten gaan horen. Twee artikelen in het Weense verdrag spraken elkaar tegen. Het onverdeelde gebied Moresnet was geboren.

Ik weet niet goed wanneer ik voor het eerst van Neutraal Moresnet heb gehoord. Het zal ergens in mijn kindertijd geweest zijn: ik was verzot op zulke marges in de geschiedenis. Ministaatjes, verre eilanden… En op tv was Boudewijn Büch, die andere fantast, die zijn fascinaties de huiskamer inslingerde. (Man man man, wat mis ik zulke televisie.)

Ik heb Moresnet van Philip Dröge bij aankomst in Beusdael dus maar snel uitgelezen en leerde hoe Neutraal Moresnet een gebied werd dat meer dan honderd jaar min of meer autonoom bestond. Met een eigen burgemeester, een eigen veldwachter, een eigen school, een eigen industrie en vooral veel casino’s en sekswerkers.

Na de afscheiding van België in 1830 werd het drielandenpunt een vierlandenpunt: hier ontmoetten de grenzen van Pruisen, Nederland, België en Moresnet elkaar. Het staatje, wat in feite geen staat was maar neutraal gebied, geregeerd door een ‘mannetje’ uit België en een ‘mannetje’ uit Pruisen, bleef bestaan tot 1920. Niemand durfde echt zijn vingers aan Moresnet te branden. Intussen ontwikkelde Moresnet zich tot een bijna echt landje: er werden Moresnetters werden geboren (in feite statelozen). Na wat getouwtrek stabiliseerde de situatie rondom het neutrale gebied. Een generatie Moresnetters groeide erop: voor hen was dit staatkundige foutje een werkelijkheid.

Andere leuke thema’s rondom Moresnet, die in het boek uitgebreid aan bod komen: dankzij het ontbreken van een douaneapparaat kon driftig worden gesmokkeld via Moresnet, omdat het geen staat was had het aanvankelijk ook geen belastingplicht, er werden (clandestien) postzegels uitgegeven en als je wilde ontsnappen aan de dienstplicht ging je naar Moresnet. Vergeet ik iets? Ohja, het ministaatje werd ook bekend vanwege een culturele beweging, namelijk de beweging rondom de kunsttaal Esperanto.

Het huidige drielandenpunt bij Vaals

Esperanto kende ik dankzij onze schoolbibliotheek. Daar had je van die kleine boekjes over een bepaald onderwerp. Ik vond zo’n kunsttaal mateloos interessant. Toen we internet in huis kregen kwam ik op een site terecht waar je het kon leren. Het duurde niet lang voor ik mijzelf kon voorstellen en friet kon bestellen in het Esperanto. Maar er was niemand die het sprak.

De internationale taal werd in 1887 bedacht door een Poolse oogarts. In de tijd van opkomend nationalisme zou zo’n kunsttaal ervoor zorgen dat mensen beter met elkaar gingen communiceren. Met de gedachte dat conflicten vermeden konden worden door een gemeenschappelijke taal. Want wie elkaar verstaat, slaat elkaar niet de hersens in.

Een taal heeft sprekers nodig. En nog mooier: een thuisland, dat als basis kon dienen. De ogen vielen op Neutraal Moresnet, waar Duits, Nederlands, Frans, Engels en streektalen gesproken werden. Hoe mooi zou het zijn om het Centrale Bureau van de Esperantogemeenschap daarheen te verhuizen en de Esperantocongressen daar plaats te laten vinden? Door de toenemende spanningen in Pruisen, in de aanloop naar de Grote Oorlog, ontstond de vrees voor een diplomatiek conflict en raakten de plannen van de baan. Moresnet zou nooit een Esperantoparadijs worden, maar de kunsttaal werd wel voor eeuwig verbonden aan het neutrale gebied.

Die Eerste Wereldoorlog betekende ook het einde van Moresnet. Het nieuwe Duitsland wilde al langer het ‘probleem Moresnet’ oplossen. Bij de Belgische inval werd Moresnet ingelijfd door Duitsland. Na de oorlog ging het bij België horen. En zo kwam er een einde aan het bijzondere landje.

Het kostelijke museum ‘Vieille Montagne’.

Veel meer nog over Moresnet lees je dus in dat boek van Philip Dröge. Of je gaat naar het museum ‘Vieille Montagne’, een heel aardig museum (met vriendelijke medewerkers) over de geschiedenis van het gebied. Er is een audiotour beschikbaar in het Nederlands, de meeste A- en B-teksten in het museum zijn in het Frans en Duits en sommige teksten in het Nederlands.

Als je, na het bezoek aan dit fijne museum, al een beetje hebt rondgedwaald door het gebied, moet je natuurlijk een bezoekje brengen aan het drielandenpunt in Vaals. Met de geschiedenis van Neutraal Moresnet in het achterhoofd wordt zo’n toeristische attractie natuurlijk heel wat interessanter. Ga maar niet googelen naar de geschiedenissen van het gehannes met al die grenspalen die daar staan, want voor je het weet ben je een avond kwijt.

De grensmarkering is godzijdank verlegd.

Büch zit zich in bovengenoemde tv-aflevering op te winden over waar de grens tussen Nederland en België nou precies loopt. Ik heb het even nagekeken: in de tussentijd is de grensmarkering een stukje verlegd. Verstandig, voor je het weet heb je weer een nieuw Neutraal Moresnet.

“Alleen te zijn en zich alleen te weten”, de strofen van Willem Arondéus

Honderd jaar geleden, in 1920, kwam Willem Arondéus aan op het eiland Urk. Hij kwam hier terecht na contact met zijn kennis Ernst Leyden, die zijn verblijfplaats Urk zou verruilen voor een rondreis door Europa. Arondéus greep de kans met beide handen aan: een plaats om in afzondering te werken.

Over Arondéus is niet bijster veel geschreven. Door Rudi van Dantzig en Marco Entrop werd hij in het nieuwe millennium enigszins uit de rafelranden van de geschiedenis gehaald: als homoseksuele verzetsheld kreeg hij niet bepaald dezelfde aandacht als zijn heteroseksuele kompanen.

Willem Arondéus op Urk, ca 1920-22. bron: Wikipedia

Later meer, veel meer, over Arondéus. Eerst dit.

In 1922 schreef Arondéus een gedichtenbundel, van twintig gedichten, “Afzijdige Strofen” genaamd. De “homo-erotische verzen” [Entrop, “Een droomen van de monden nooit bezeten” de Parelduiker. Jaargang 6, Uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam 2001] waren sterk geïnspireerd door de bundel “Strofen”, van P.C. Boutens, welke in 1919 verscheen.

De gedichten hebben thema’s als eenzaamheid, het eilandleven, zijn genegenheid voor Urker jongens en “het verlangen naar volkomen-zijn”. Opmerkelijk, maar kenmerkend voor de waardering van Arondéus, is dat de bundel pas vele jaren na zijn dood, in 2000 in kleine oplage gepubliceerd door het Drukkerijmuseum.

Een van de sterkste verzen is het vierde, waarin de eenzaamheid, het verlangen en het lijden aan het leven volkomen tot uitdrukking worden gebracht:

IV

Alleen te zijn, en zich alleen te weten,
Van geen ontmoet de dag de nacht;
Ben ik de zilvren menschen-stem vergeten,
Die streelt en lacht.

Van geen begeerd, en vol begeeren wezen
Naar elk, die zwijgend komt en keert;
Het diepst te minnen wat het diepst te vreezen
Is, en meest deert;

Te dwalen, en nooit het waarheen te weten,
Een dolen doelloos zonder end,
Een droomen van de monden nooit bezeten,
En nooit gekend;

Is dit de buit der jaren, doelloos droomen
Van alle waken meer gewond?
Reeds met hun ernst der wonden-teekens komen
Om oog en mond.

Alleen te zijn, en zich alleen te weten,
De dag, de nacht ontmoet van geen;
Van alle woorden deze onvergeten:
Alleen; alleen.

21 April ‘22

Daar het eerste gedicht is ondertekend met 14 april 1922 (precies 98 jaar geleden), leek dit mij een goed moment de bundel Afzijdige Strofen en de gelijknamige website onder uw aandacht te brengen. Laatstgenoemde wil bijdragen aan de waardering van Arondéus en uitgroeien tot een digitaal monument. De bundel Afzijdige Strofen is in zijn geheel terug te vinden op de gelijknamige website.

Verder lezen over Arondéus verblijf op Urk:

  • Entrop, M., “Een droomen van de monden nooit bezeten” de Parelduiker. Jaargang 6, Uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam 2001. (link)
  • Dantzig, R. van, Het leven van Willem Arondéus 1894-1943. Een documentaire. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2003.
  • Afzijdige Strofen. De wereld van Willem Arondéus. https://afzijdigestrofen.nl
  • Omroep Flevoland, “25 Dingen die je moet weten over Urk: het interbellum” (versie 16 augustus 2019). (link)