In het kader van de Maand van de Geschiedenis gaven schrijver en socioloog Ronald Nijboer en maritiem archeoloog Yftinus van Popta afgelopen weekend een lezing rondom het thema ‘De Zuiderzee en het veranderende landschap’ in de Enserkerk op Schokland.
Ronald Nijboer, eigen foto.
In zijn boek ‘Wereldzee in de polder‘ onderzocht Nijboer hoe het Zuiderzeegebied in 150 jaar veranderde. Hij maakte dezelfde reis als Henry Havard, die in 1873 het gebied ‘ontdekte’ en beschreef. Wat trof Havard aan tijdens zijn reis? En hoe gaan we om met het IJsselmeer, Markermeer en IJmeer en welke lessen kunnen we trekken uit het verleden? Nijboer haalde het begrip ‘Natuuramnesie‘ aan. De beleving en de kennis van de natuur, zoals die was in de tijd van onze (groot)ouders, verdwijnen uit ons collectieve bewustzijn, aldus Nijboer. Naast wetenschappelijke gegevens kunnen we ons ook een voorstelling maken van het landschap van onze voorouders aan de hand van bijvoorbeeld reisverslagen, zoals die van Havard of Fred Thomas.
Yftinus van Popta, eigen foto.
Van Popta deed onderzoek naar het gebied wat we nu kennen als de Noordoostpolder. In zijn proefschrift ‘When the Shore becomes the Sea‘, waarop hij in 2020 promoveerde, toonde hij aan hoe het gebied van 1100 tot 1400 veranderde: van veengebieden met meren tot open zee. Voor zijn onderzoek combineerde hij verschillende datasets. Zo kon in kaart worden gebracht waar middeleeuwse nederzettingen, zoals bijvoorbeeld Nagele, gesitueerd waren en hoe het ontstaan van de Zuiderzee het leven binnen de gemeenschappen en hun leefomgeving voorgoed veranderden. Hoe een multidisciplinair onderzoek in zijn werk gaat, illustreerde Van Popta aan de hand van zijn onderzoek naar de Dinkla-ramp.
‘Aftereut, Klaos!’, zou mijn (Urker) overgrootmoeder geroepen hebben naar mijn (Urker) overgrootvader, toen ze met hun schip een gevaarlijke manoeuvre maakten.
Dat zal een jaar of tachtig geleden zijn geweest. Welke Urker zegt tegenwoordig nog ‘after’ voor ‘achter’? Ik denk niet dat het er veel meer zijn.
In 1934 werd een dialectvragenlijst ingediend bij het Meertens Instituut over het dialect van Ens, een van de twee gemeenschappen van Schokland. Bij een van de vragen gaf een respondent het woord ‘affer’ voor ‘achter’.
Decennia later kreeg dat woordje de aandacht van dialectoloog Harrie Scholtmeijer. Hij schreef er in 2023 een interessant artikel over.
Schokland was in 1934 al 75 jaar ontruimd, maar de Schokker dialecten (er waren volgens de literatuur verschillen tussen het dialect van Emmeloord en dat van Ens) werden nog gesproken in bepaalde gemeenschappen. Waarschijnlijk sterk beïnvloed door de plekken waar de Schokkers terechtkwamen.
Zelf heeft Scholtmeijer het dialect – of wat er nog van over was – in 1981 nog gehoord, en daar ben ik best jaloers op. Inmiddels wordt het Schokkers niet meer gesproken.
Het woord ‘affer’ of ‘after’ sluit aan bij oudere Germaanse vormen zoals ‘after’ (Oudengels) en ‘efter’ (Oudfries). In de meeste Nederlandse dialecten is de –f(t)- echter veranderd in –cht–, waardoor ‘achter’ ontstond. Alleen in enkele gebieden bleef de oude -f(t)- lange tijd behouden, waaronder het gebied rondom de Zuiderzee.
De Enser vorm ‘affer’ laat dus zien hoe het Schokker dialect verbonden was met de bredere ‘Zuiderzeecultuur’. Oh, en ook op Emmeloord kwam deze vorm voor. En dus op Urk als ‘after’.
Tegen de jaren ’80 was het gebruik van -f(t)- echter in de meeste dialecten verdwenen. Volgens een collega van Scholtmeijer werd het destijds op Urk nog wel gebruikt.
Maar we kunnen nu wel stellen dat het inmiddels ook in het Urkers zo goed als verdwenen is. Terwijl dat toch voor een best vitaal dialect doorgaat.
Toch meen ik dat ik het in mijn jeugd (jaren ’90 – jaren ’00) nog wel op Urk heb gehoord, los van die ene familie-anekdote. ‘After de paolen!’
En ik hoop het nog eens te horen. Want het brengt me terug naar een andere tijd, van voor de inpoldering, van de Zuiderzee, van de wereld van onze voorouders.
(Al heeft inmiddels wel een andere ‘after’ een plekje gekregen in het Nederlands – en ook in het Urkers, namelijk het Engelse ‘after’, uitgesproken als ‘aafter’. Van ‘afterparty’: het na (achter) een feestje een nabetrachting doen bij iemand thuis.)
Het Ens-Schokker ‘affer’, in 1934 opgetekend, is ‘een prachtig specimen van het Zuiderzeedialect’, zo besluit Scholtmeijer. Daar sluit ik me bij aan.
Bron: Artikel ‘Schokker affer ‘achter”, door Harrie Scholtmeijer. Hier online te bekijken in de collectie van het Zuiderzeemuseum.
Beeldje ‘Ontruiming van Schokland 1859’, door Piet Brouwer, 1994. Buitenterrein Museum Schokland, eigen foto.
Afgelopen zondag vond de kick-off plaats van de Maand van de Geschiedenis, met een live-uitzending van OVT. Vanuit de Museumkerk op Schokland!
OVT Live vanuit de Museumkerk. Eigen foto
Zo’n tachtig gasten uit het hele land trotseerden de dichte mist op de vroege ochtend. Schokland lag er weer bij als een eiland, het stak uit boven de laaghangende mist op de weilanden van de polder.
In de uitzending natuurlijk aandacht voor de essayist van de Maand van de Geschiedenis: Eva Vriend. Zij schreef ‘De waterzoon. Jac. P. Thijsse, zijn zoon en onze verhouding tot de natuur’. De Schokker nazaten Theo Grootjen en Jan Kwakman schoven aan om te vertellen over hun relatie met Schokland, wat leidde tot een geamuseerd gesprek met presentatoren Laura Stek en Christianne Alvarado.
Het programma opende met de actualiteit. Over de relatie tussen extreem-rechts en geweld tijdens de rellen in Den Haag. Historicus Robin te Slaa onderzocht extreemrechts geweld rondom de opkomst van fascisme in Nederland. In de ‘Politieke Tijdmachine’ was historicus Dennis Bos aan het woord over Mina Koster. Ze was anarchiste en kwam uit voor de Rapaille Partij.
Suriname en de Tweede Wereldoorlog: het in Suriname gewonnen bauxiet was onmisbaar voor aluminiumproductie. Theatermaker Emma Lesuis vertelt in de voorstelling ‘Meer dan bauxiet’ over de minder bekende oorlogsverhalen uit Suriname.
Fresco Sam-Sin recenseerde twee boeken en een tentoonstelling. Het programma werd afgesloten met hoogleraar Koreastudies Remco Breuker. Hij schreef het boek ‘De wereld volgens Noord-Korea’.
En tussendoor kon ik iets vertellen aan Christianne Alvarado over Schokland, dat er deze ochtend zo prachtig bij lag.
De hele maand oktober staat dus in het teken van de Maand van de Geschiedenis. Op de website van Museum Schokland vind je alle activiteiten.
In mei 1932 werd het laatste gat in de Afsluitdijk gesloten. Het brakke water van de voormalige Zuiderzee zou vanaf dan steeds zoeter worden. Op 20 september 1932 kreeg de nu afgesloten binnenzee een nieuwe naam: Zuiderzee werd IJsselmeer. Dat die zee een meer werd, zorgde voor grote veranderingen in de flora en fauna. Waren de beestjes en de plantjes in het gebied al voor de afsluiting van de Zuiderzee geliefde onderwerpen voor biologen; de post-Afsluitdijksituatie zorgde voor hernieuwde interesse.
Toen de Noordoostpolder in 1942 droogviel waren de voormalige eilanden Schokland en Urk gemakkelijk te bereiken. Tijdens de oorlog verbleef bijvoorbeeld de biologiestudent Ingvar Kristensen “100 dagen” op Schokland en hield daar een dagboek bij.1 Ook andere onderzoekers en studenten bezochten Schokland.
Eerder al, vlak na de afsluiting, leidde dr. J.H. Schuurmans Stekhoven een excursie naar Schokland. Tijdens de zomer van 1933, het water was nog niet helemaal verzoet, verbleven biologiestudenten op het eiland onder zijn leiding en deden daar veldwerk.
Op 29 augustus 1933 verscheen in de Telegraaf een artikel van zijn hand over de aanleiding van de excursie: ‘De keus van Schokland was uit meer dan een opzicht gemotiveerd. Schokland toch zal, als de voorteekenen niet bedriegen, niet lang meer Schokland zijn. Wanneer men den Noordoostelijken Zuiderzeepolder gaat winnen, wordt Schokland voor de eerstkomende eeuwen stevig aan het vasteland van Nederland verankerd en dan zal zeer spoedig het karakter van dit bijna verlaten niemandsland een grondige wijziging ondergaan. Voordat dit gebeurt willen wij vastleggen hoe de toestand in 1933 was: dus voordat de mensch duurzaam in het lot van Schokland van thans ingreep.’2
Aan de excursie zouden voornamelijk studenten deelnemen van de Universiteit Utrecht en enkelen van de Groninger universiteit. Onder de twintig deelnemers bevonden zich ‘zes dames’,3 zo berichtte de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant. Een bijzonderheid voor die tijd…
Over het Utrechtse karakter van de excursie grapte Schuurmans Stekhoven: ‘Dra zal Schokland, dat in de tweede helft der veertiende eeuw een twistappel vormde tusschen de heeren Van Voort en Kuinre en den bisschop van Utrecht, waar in 1555 Jan van Zoudenbalch, zoon van een aanzienlijk patricisch geslacht In Utrecht den scepter zwaaide, opnieuw door Utrechtenaren worden bezet, zullen de Utrechtenaren het gezegde; On revient toujours à ses premières amours, men keert altijd tot zijn eerste liefde terug, waar maken.’4
Luchtfoto van Schokland in 1933. Publiek domein.
On revient toujours à ses premières amours… Ach, die aantrekkingskracht van Schokland.
In Kampen werd een botter gehuurd5, en de oversteek werd gemaakt naar Schokland. Op de Middelbuurt, rondom en in het kerkje, werd het kampement opgezet.6 Er werd van alles onderzocht: van steekmuggen tot slijkgapers en van zoutminnende planten tot kreeftjes.7 Het aardige van de excursie, volgens Schuurmans Stekhoven: ‘dat wij de overgangen van het zoete water naar het zoute ter plaatse zien en waarnemen kunnen’.8
Ik beeld mij in hoe ze daar rondliepen: een bonte stoet aan studenten en universiteitsdocenten, banjerend over het bijna verlaten eiland, vol spanning, verrukt over steeds weer een nieuw vergezicht of klein beestje, opgewonden over het komende studiejaar en het ontluikende studentenleven. Er was tijd voor ontspanning: er werd gezwommen, studenten in hun kleurige badpakjes. O zomeravond, o zover van huis te zijn…
Een van die studenten was, tot mijn verrassing, de dichter, bioloog, schilder en schrijver Leo Vroman. In 1932 begon hij aan een studie biologie aan de Universiteit Utrecht. Hij was achttien tijdens de excursie naar Schokland. ‘Leo genoot. Ze dwaalden over zee met netten om plankton te verzamelen, keken vogels op het strand, bestudeerden vogels, vissen, krabbetjes. Het kwam tegemoet aan zijn verlangen naar kleine beestjes, zijn honger naar het leren kennen van vreemde organismen die hem gelukkig maakten, echt gelukkig, duizelig van genoegen.’9
Bovendien bracht de excursie naar het eiland nog iets: ‘voor het eerst in een ruimte met meisjes [daar zijn die ‘dames’!] van zijn leeftijd die hij met al zijn biologische interesse prachtig vond, en begeerlijk, en onbereikbaar ver weg’10. Ach, die begeerte naar de onbekende en onbereikbare medestudent.
Leo Vroman op Schokland in 1933, met planktonnet. Herkomst afbeelding is mij onbekend.
Vroman zelf: ‘Ik leek wel verliefd op alle dieren behalve parasieten en kon zelfs behoorlijk opschieten met planten vanwege hun zo aandoenlijk openlijke geslachtelijke gedrag. Ja, er waren ook een paar meisjes om wie ik wel graag mijn armen heen had geslagen om allerlei biologisch acceptabele dingen mee te doen, maar ik deed ze nooit want hun vreemde ouders, broeders, ondergoed en ideeën waren alleen in mijn verbeelding al angstwekkend.’11
Na de inval van de nazi’s maakte de joodse Vroman de oversteek (in een zeiljacht) naar Engeland, vocht hij in gekoloniseerd Nederlands-Indië (waar hij eerst zijn studie afrondde), kwam hij terecht in jappenkampen… Uiteindelijk vertrok hij naar de Verenigde Staten, waar hij zijn liefde van voor de oorlog huwde, waar hij werkte en woonde, tot hij in 2014 overleed. Zijn bekendste dichtregels zijn de slotregels van “Vrede”: ‘kom vanavond met verhalen / hoe de oorlog is verdwenen / en herhaal ze honderd malen: / alle malen zal ik wenen.’12
On revient toujours à ses premières amours, men keert altijd tot zijn eerste liefde terug. Dat de oude Vroman soms nog aan die jonge Vroman, op dat kleine, onbewoonde eilandje in de Zuiderzee, terugdacht, blijkt uit het volgende, prachtige gedicht, ruim zestig (!) jaar na de excursie gepubliceerd.
Schokland
Doordat de Zuiderzee rondom verzoette krioelde het er kort van jonge biologen Om (o die blonde met haar blauwe ogen!) plankton te vissen en planten op te wroeten.
In de kerk van Emmeleroord (o die blonde met haar blauwe ogen!) hingen de badpakken van toen te drogen en ’s nachts werd er door de kerk van Emmeleroord niets dan wat gewoel op die gezonde strozakken aangehoord.
Het is nu meer dan zestig jaren later. O zij is ontslapen, wij anderen zijn bejaard, en verheven door het uitgestorven water ligt Schokland zelf levend opgebaard.13
O, die blonde met haar blauwe ogen. Dat die badpakken in de Enser kerk en niet in de Emmeloorder kerk (die was toen al decennia afgebroken) te drogen hingen, vergeven we Vroman maar.
‘[…] verheven door het uitgestorven water ligt Schokland zelf levend opgebaard’. Schokland als een bejaarde die ooit een diepe indruk maakte op de jonge dichter-bioloog. On revient toujours à ses premières amours.
(Om de cirkel rond te maken: het oorlogsmonument in Emmeloord [de naar Emmeloord vernoemde plaats in de Noordoostpolder, volgt u het nog?] draagt de bekende regels uit “Vrede”.)
Net als andere plaatsen rondom de Zuiderzee, had het eiland Schokland een eigen ijsvlet. Op Schokland herinnert alleen een schuur, ‘de IJsloper’, nu een Rijksmonument, aan de ijsvlet. Maar de schuur is leeg: de ijsvlet is vergaan in de golven van de tijd.
Rijksmonument ‘de IJsloper’, foto: Museum Schokland.
Daarom gaan we deze zomer aan de slag met een leuk project. Samen met de jongste bezoekers geven we Schokland de ijsvlet terug. Onder begeleiding van kunstenaar Jennie Koffeman knutselen kinderen, van 3 t/m 13 jaar, deze zomer mee aan de nieuwe ijsvlet voor Schokland.
Het project vindt iedere dag plaats van 11 t/m 16 augustus van 13.00 tot 16.00 uur in Museum Schokland, op het museumterrein. Meedoen is gratis in combinatie met een museumticket. Geïnteresseerd? Neem dan een kijkje op de website van Museum Schokland.
De geschiedenis
Schokland was eeuwenlang een eiland in de Zuiderzee. Schepen voeren af en aan. ’s Winters kon het voorkomen dat de hele zee dichtgevroren was. De omstandigheden op het eiland konden dan verslechteren. Daar hadden de Zuiderzeebewoners dus een oplossing voor: de ijsvlet. Niet alleen Schokland had er een, ook bijvoorbeeld Urk en Marken.
De ijsvlet werd over het ijs gesleept door de sterkste eilandbewoners. Er werd post mee gebracht of opgehaald, zieken konden er mee worden vervoerd, of er werd voeding mee opgehaald. Maar zo’n reis was niet zonder gevaar! Het kon ook ’s winters spoken op de Zuiderzee. Het ijs kon gaan kruien, de bemanning kon op wakken stuiten of overvallen worden door een sneeuwstorm. Een reis duurde soms dagenlang en werd vanwege het gevaar ook wel een ‘bloedreis’ genoemd.
Herinneringen aan de bloedreizen
De Urker Tromp de Vries schreef een gedicht over deze bloedreizen, die bij het Urker monument ‘de IJsvlet’ is te lezen:
Een raadselachtig fenomeen: tien mannen, die welhaast verloren in dichte nevels om zich heen, hun hakken in de schotsen boren.
Ze zijn nu gans en al alleen: er is geen mistsein meer te horen, en ’t licht dat van de vuren scheen ging in de grauwe nacht verloren.
Ze stonden met z’n allen klaar voor wat een bloedreis werd geheten, en hebben huis en haard vergeten
om in een tocht zo bang en zwaar, en menigmaal in doodsgevaar, zich met ‘hun’ element te meten.
Onderschrift: De Urker ijsvlet in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen. Afbeelding: Zuiderzeecollectie / Zuiderzeemuseum Enkhuizen.
Een Urker ijsvlet bleef bewaard en is te bewonderen in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen.
Met het project ‘Bouw een ijsvlet voor Schokland’ staan we stil bij deze bijzondere geschiedenis, samen met iedereen van 3 t/m 13 jaar. Iedere middag van maandag 11 t/m zaterdag 16 augustus gaan we bouwen. Totdat de sterkste eilandbewoners aan het einde van de week een laatste reis maken met de ijsvlet: we tillen de ijsvlet samen naar wat vroeger de dichtgevroren Zuiderzee was. En dat midden in de zomer!
En uiteraard volgt hier na de tijd een verslag.
Bouw een nieuwe ijsvlet voor Schokland is onderdeel van de Zomer op Schokland.
IJsvlet. Illustratie door Pieter Brouwer (kleinzoon van Piet Brouwer, die het kunstwerk ‘De ijsvlet’ op Urk maakte)
‘Schokland, op de golven van de tijd…’ heet het boekje (link) uit 1998, geschreven door mijn grootvader Albert van Urk (link). Een boekje vol foto’s, afbeeldingen, herinneringen aan een verdwenen eiland.
Op het schutblad staat een quote van de door hem (en mij) geliefde J.C. Bloem: ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’.
Het citaat is een regel uit Bloems gedicht ‘Herinnering’, gepubliceerd in 1931 in de bundel ‘Media vita’.
Maar het vergankelijke kent geen keer Dan in de opstanding der herinneringen; Gistren is even ver als deze dingen: In het verleden is de tijd niet meer.
[…]
En zullen we, in de wervling van den tijd En de vervoeringen, die niet beklijven, Indachtig aan onze oude dagen blijven Met onvergankelijke aanhanklijkheid.
Tot aan het zwichten en het laatst getij, Wanneer de wereld één wordt met het duistren, En wij de niet te hooren woorden fluistren: Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij.
In de werveling van den tijd… Toepasselijk voor Schokland.
In 1859 werd het eiland ontruimd en met het vertrek van de Schokkers verdwenen ook de bijzonderheden van hun eigen cultuur, zoals hun streekdracht, hun gewoonten, hun gerechten, hun tradities, hun bijgeloof, hun kennis van het eiland, hun kennis van de Zuiderzee.
Ze vertrokken naar Kampen, Vollenhove, Volendam, Urk en andere plaatsen.
In de decennia die daarop volgden was het eiland niet geheel verlaten. Er bleven nog een paar ambtenaren (vuurtorenwachters die al dan niet tegelijkertijd havenmeester, postbeambte, baas van de visafslag waren) met hun gezinnen op het dan stille eiland wonen.
Schokland werd voor de tweede maal ontruimd toen in 1942 de polder droogviel. Na het verdwijnen van de Zuiderzee – en dus ‘het laatst getij’, eb en vloed – in 1932 werd Schokland nu een eiland op het droge.
Een paar zaken overleefden de werveling van de tijd. Zoals de Schokker moppen, een koekje van het eiland. Of een paar Schokker liederen. Of wat huisraad. Maar toch vooral bleef de herinnering aan een eiland.
De Schokkervereniging, waarin mensen van Schokker afkomst zich verenigen, werd in 1985 opgericht. Het is opvallend hoeveel nazaten zich nog identificeren als Schokker. En hoe dus die herinnering aan vroeger levend wordt gehouden, al is het eiland Schokland ‘voorgoed voorbij’.
In het voorwoord van het boekje schrijft mijn opa: ‘In dit boekje willen we beelden verzamelen en vasthouden van een eiland dat in feite niet meer bestaat. Schokland is een eiland op het droge geworden. Mét de drie andere eilanden in de Zuiderzee, Wieringen, Urk en Marken, werd Schokland ooit in één adem genoemd, lang geleden, vóór de komst van de Afsluitdijk en de drooglegging van de polders. Ze zijn verdwenen, die eilanden met hun eigen geschiedenis, folklore en dialect. […] Naar iedere nieuwe vestigingsplaats brachten de Schokkers hun verhalen mee, verhalen van ontberingen en armoede vooral. Het verhaal van Schokland is vooral de kroniek van een nederlaag.’
Beelden verzamelen en vasthouden van een eiland dat in feite niet meer bestaat.
Het waren, naast bijvoorbeeld de heren Klappe, ook Urkers die in de jaren ’80 en ’90 een kleine maar opmerkelijke rol hadden in het levend houden van de geschiedenis van Schokland. Voor de bovengenoemde oprichting van de Schokkervereniging vormde een ‘Schokkerdag’ in 1985, georganiseerd door Stichting Urker Uitgaven, de aanleiding.
In een zaaltje van de Hervormde Kerk werd een herdruk van ‘Het verlaten eiland’ van Bouman gepresenteerd. Op deze dag kwamen driehonderd Schokker nazaten af, veel meer dan de stichting had verwacht. ‘We zijn overdonderd’, aldus mevrouw Cense van de stichting (De Noordoostpolder, 16 september 1985). Voorzitter ‘meester’ De Vries: ‘Wij willen proberen de geschiedenis van Urk en de rest van de Zuiderzee niet verloren te laten gaan. Over Urk hadden we al het een en ander gepubliceerd, dus wat lag er meer voor de hand dan nu eens iets met onze naaste buren, de Schokkers, te doen?’ (De Noordoostpolder, 16 september 1985). Opa Albert van Urk droeg een gedicht voor.
Na de presentatie van het boekje, en het nuttigen van een gebakken visje met rijstepap, trok het bonte gezelschap naar Schokland. Daar werd het museum en de Gesteentetuin bezocht.
De Urkers wisten natuurlijk hoe het was om je eiland te zien verdwijnen. Ook na 1985 werden door Urkers bijdragen aan Museum Schokland gedaan. Zo werd een replica van het doopvont uit de katholieke kerk gemaakt (link) en maakte Pieter Brouwer een beeld voor de vaste buitententoonstelling.
Schokland was, naast de Urker boeren, Urk en de Eerste Wereldoorlog (link), het klokkenschip, één van de fascinaties van mijn grootvader. Niet vreemd dat het dus in 1998 kwam tot nog een publicatie van de stichting.
De ontbrekende aandacht voor de cultuurhistorie in Museum Schokland – een punt van kritiek tijdens de Schokkerdag – zou een aanleiding kunnen zijn geweest om ook dit boekje te laten drukken. Het werd aan de Schokkervereniging gepresenteerd tijdens de Schokkerdag van 1999.
En er werd rijkelijk gedrukt. De oplage was zo groot, dat in 2025 nog stapels van dit boekje onverkocht zijn.
Afgelopen week kreeg ik een vriendelijk appje van het Urker museum. Of ik nog twee dozen met het boekje wou ophalen, anders zouden ze naar de kringloop moeten gaan.
Ook het Urker museum, ‘Museum het Oude Raadhuis’, is veranderd sinds ik daar als klein jongetje met opa rondliep.
Niet alleen de manier waarop je verhalen vertelt, binnen de muren van een museum, veranderen in de tijd. Ook het werk van erfgoedhoeders in het verleden verstomt.
Meester De Vries, mevrouw Cense, Albert van Urk (om er een paar te noemen), ze zijn er niet meer.
‘Zullen we, in de werv’ling van den tijd, en de vervoeringen, die niet beklijven, indachtig aan onze oude dagen blijven, met onvergankelijke aanhanklijkheid, tot aan het zwichten en het laatst getij?’
En nu ligt dat boekje van mijn opa dus in de achterbak van mijn auto. Ergens ontroert het me een beetje. ‘Voorbij, voorbij…’
Ik denk dat we er een mooie bestemming voor gaan vinden in Museum Schokland.
Voor de Tweede Wereldoorlog begint de aanleg van de Noordoostpolder, de eerste polder van Flevoland. Schokland, een verlaten eiland in de voormalige Zuiderzee, ligt in het midden van die beoogde polder. De bezetter ziet de aanleg van de polder wel zitten: het zal zorgen voor voedselvoorziening. De inpoldering gaat tijdens de oorlog dus gewoon door.
Bovendien krijgen arbeiders in de Noordoostpolder vrijstelling van de verplichte ‘arbeitseinsatz’ in Duitsland. Het werk is zwaar: veel van de sloten en greppels werden met de hand gegraven. De leefomstandigheden zijn slecht. Ook duiken veel Nederlanders in de polder onder. Er vinden razzia’s plaats. De polder krijgt na de oorlog de bijnaam ‘Nederlands Onderduikers Paradijs’.
Eerste pagina van het schrift van Ingvar Kristensen. Afbeelding: collectie Museum Schokland.
Ingvar Kristensen
Ingvar Kristensen (1918-1996) is geboren in Leiden. Al op jonge leeftijd blijkt zijn liefde voor de natuur, want zijn hele kamer staat volgebouwd met aquaria. Een studie biologie ligt dus voor de hand. In het kader van zijn studie besluit de jonge Kristensen in 1941 de natuurontwikkeling in de nieuwe, slecht bereikbare, Noordoostpolder te gaan onderzoeken. Dat brengt hem nog datzelfde jaar naar de polder. Hij bezoekt enkele malen Schokland. Het eiland is dan nog niet eens drooggevallen.
100 dagen op Schokland
Hij vestigt zich in 1942 bij de oude haven van Schokland. ‘Het verblijf van 100 dagen op Schokland’ schrijft hij in zijn dagboek. Kristensen wil langere tijd op Schokland verblijven. Hij voert daarvoor als reden aan:
‘Schokland bleek zowat het centrum van flora en fauna van den N.O.P. te zijn. Het ligt echter bijna 15 KM. van Kampen vandaan; de weg Kampen-Ramspol was dikwijls één geglibber door de modder, dan weer een gezeul met je fiets door het mulle zand voor den nieuwen weg. Dan moest men tweemaal overgezet, en dán kwam nog het ergste, het gebagger door de klei. Het zou teveel tijd kosten om dit althans eenige malen per week te doen, terwijl men bij een verblijf op Schokland vrijwel elke dag of elk gewenscht uur aan het onderzoek kan besteden.’
In eerste instantie vestigt hij zich in de schapenschuur van havenmeester Spit. Hij maakt uitgebreide beschrijvingen van hoe hij de schuur inricht, welke lichamelijke oefeningen hij verricht, hoe hij aan schoon drinkwater komt en hoe hij aan eten komt (onder het kopje ‘Het Fourageeren’).
Met Pinksteren verlaat hij Schokland voor een paar dagen, waarschijnlijk om familie te bezoeken. Als hij naar Schokland terugkeert, is er ingebroken in zijn provisorische woning. Kristensen geeft de moed niet op en neemt nu intrek in het huis van de havenmeester: de lichtwachterswoning.
Het tweede onderkomen dat Kristensen betrok was de lichtwachterswoning, nu Rijksmonument de Lichtwachter. Deze foto is ingeplakt in het schriftje. Afbeelding: collectie Museum Schokland.
Moerasandijvie
Hij tekent zijn belevenissen op in een schrift. En dat zijn er heel wat. Op scherpzinnige wijze en soms met een kwinkslag doet hij verslag van de gemakken en ongemakken die hij ondervindt. Hij ontmoet onbekende en bekende mensen, zoals de heer Modderman. Deze jonge archeoloog maakt naam door zijn opgravingen en onderzoek van scheepswrakken in de polder.
In de aantekeningen van Kristensen is vanzelfsprekend ook veel aandacht voor de ontluikende natuur:
‘Heel opvallend was de moerasandijvie die er zich geweldig ontwikkelde. De zeeaster bloeide in alle variaties rondom Schokland. Op het eiland zelf waren de velden zilverschoor en Cochlearia [lepelblad, red.] soms schitterend. […] Als plantaardige bijzonderheid had Schokland een spichtige vorm van waterpest (Elodea canadensis angustifolia), die in de lagunen bloeide en groeide, dat het een lust was. Ik was de eerste, die deze vorm in Nederland vond.’
Tekeningen van de landafslag van Schokland in het betreffende schrift van Ingvar Kristensen, door hemzelf getekend aan de hand van eerdere bronnen. Afbeelding: collectie Museum Schokland.
Onderzoek in de oorlog
Zijn dagboekaantekeningen geven een uniek beeld van de eerste jaren van de bezetting, maar ook van de vroege vegetatie op de voormalige zeebodem, de nieuwe diersoorten en hoe de Zuiderzeewerken verlopen.
Kristensen kan in relatieve vrijheid, tussen de werkkampen en het toezicht van de bezetter, zijn onderzoek doen. Toch blijkt uit zijn aantekeningen dat hij kritisch staat tegenover de bezetting.
‘De oude burgemeester van Kampen was afgezet omdat hij weigerde om koninklijke namen van straten te veranderen. Opvolger werd Jonkheer van Sandbergen, die zich als N.S.B.-leeraar op de koloniale Landbouwschool te Deventer geheel onmogelijk gemaakt had. In Kampen bemoeide hij zich met alles. Eens stond hij op de IJselbrug en zag, hoe een schip zonder vaart te verminderen de brug passeerde. Hij riep den schipper toe, maar die hield zich doof. De burgemeester wond zich hierover op en riep tenslotte: “Weet je wel, wien je voor je hebt? Ik ben de burgemeester van Kampen!” De schipper keek even op en riep: “Ha, ha! Hoe lang nog?” Kort daarop werd de burgemeester door een “goeden” controleur betrapt op het binnensmokkelen van zwart vleesch. Hiermee werd zijn positie onhoudbaar en kon hij niets anders doen dan maar naar het Oostfront te vertrekken.’
Kristensen beschrijft zijn ontmoetingen op Schokland maar ook in andere plaatsen, zoals Kampen, Kuinre en Urk. Op Urk overnacht hij in Hotel Havenzicht, getuige het bonnetje dat ingeplakt zit in zijn schriftje.
Nota van Hotel Havenzicht (Weduwe A. Brouwer – Urk [WABU]) uit 1942, ingeplakt in het schrift. Voorburg is in die tijd een geliefd sinaasappelbittertje. Afbeelding: collectie Museum Schokland.
Uniek document
Het moedige en avontuurlijke onderzoek van Kristensen raakt in de vergetelheid, tot Museum Schokland in 2022 een schenking krijgt van de nazaten van de bioloog: zijn schriftje. Een uniek document dat zowel een beeld geeft van het leven tijdens de oorlog als van de flora en fauna in de prille polder.
Het geeft meer inzicht op de unieke waarden van Werelderfgoed Schokland en omgeving. Want mede door de inpoldering en het Wederopbouwgebied rondom het voormalige eiland, verkrijgt Schokland, als eerste plaats in het Koninkrijk, in 1995 een plek op de Werelderfgoedlijst.
In september 2022, tachtig jaar nadat de Noordoostpolder droogvalt, zendt Omroep Flevoland een documentaire uit over het prille begin van de polder. Het is dan de laatste week dat ik bij Museum Schokland als communicatiemedewerker in dienst ben. Een mooie afronding van deze functie.
Afscheid van Schokland
In september beginnen de dagen korter te worden. Het wordt voor Kristensen tijd het eiland te verlaten. Precies in die maand valt de polder officieel droog. Kristensen is hier dus getuige van. Het langdurige verblijf eindigt met een paar ontroerende zinnen:
‘Het afscheid van Schokland was allerminst droevig. Ik had er van gehad, wat ik er van hebben wilde, en dat gaf groote voldoening. De zomer was voorbij, en het was misschien wel de mooiste zomer geweest, die ik ooit gehad heb, want mooier wijze om de schepping te leeren kennen, is haast niet denkbaar.’
In oktober keert hij nog eens terug. In het voorjaar van 1943 probeert Kristensen zich opnieuw voor een langere periode op Schokland te vestigen, maar: ‘[…] juist, toen ik mijn intrek daar zou nemen, veroorzaakten de Duitsche maatregelen mijn spoedig vertrek uit den polder, zoodat ik mijn werk aan anderen moest overlaten.’
Ingvar Kristensen (midden) op een foto in het schrift. Afbeelding: collectie Museum Schokland.
Bij zijn vertrek van Schokland wordt de trein, waarin hij zit, beschoten door een geallieerd vliegtuig. Kristensen overleeft de beschieting, maar de wagon waarin zijn bagage (met zijn onderzoeksresultaten) zit, wordt volledig vernietigd. ‘Het verlies van alles waarvoor hij zo lang en met zoveel ontbering had gewerkt was een grote slag’, schrijft C. Swennen in een in memoriam in 1996 (BASTERIA, 60: 195-200, 1996). ‘Zijn korte artikel in Het Aquarium van 1944 [De vestiging van enkele waterplanten en dieren in de N.O.-polder. – Het Aquarium 14 (10): 85-86, 91.] is het enige wat er van dit onderzoek is vastgelegd.’
Maar dan is er natuurlijk nog dit schriftje, nu veilig in de collectie van Museum Schokland. Ook online te raadplegen via de website van Museum Schokland.
In de tijd dat Urk nog een eiland in de Zuiderzee was, vormde de winter een bijzondere uitdaging. Wanneer de zee dichtvroor, werd het eiland geïsoleerd van de buitenwereld. In deze barre omstandigheden kwam de ‘ijsvlet’ in actie: een speciaal ontworpen boot uitgerust met glij-ijzers, die zowel over ijs als door open water kon worden voortbewogen. Deze vletten waren essentieel voor het transport van voedsel, post en het verlenen van medische hulp tijdens de strenge winters.
De Urker vereniging ‘Hulp en Steun’
In 1897 werd op Urk de vereniging ‘Hulp en Steun’ opgericht. Deze organisatie beheerde meerdere ijsvletten en coördineerde reddingsacties voor schepen die vastzaten in het ijs. De bemanning van de ijsvlet, de ‘ijslopers’ genoemd, trotseerde vaak levensgevaarlijke omstandigheden om hulp te bieden en verbindingen met het vasteland te onderhouden. Deze tochten stonden bekend als ‘bloedreizen’ vanwege hun gevaarlijke en uitputtende karakter.
In het Urker dialect wordt met ‘bloedreis’ nog steeds een ‘hachelijke tocht’ bedoeld.
De laatste tocht
Met de aanleg van de dijk naar de Lemmer in 1939 en later de opening van de weg naar Emmeloord in 1948, verloor de ijsvlet zijn functie.
Toen dreigde de laatste overgebleven houten ijsvlet, gebouwd vóór 1870, te worden afgedankt en als brandhout te eindigen.
Dankzij het initiatief van oud-voorzitter van Hulp en Steun, Lubbertje (Lub) Kramer, werd de vlet echter in 1949 geschonken (tegen een onkostenvergoeding van 75 gulden) aan het Zuiderzeemuseum in oprichting in Enkhuizen, waar hij tot op de dag van vandaag wordt bewaard.
De laatste tocht van de ijsvlet voerde naar Enkhuizen. Niet over het ijs, maar over de weg: vastgebonden op een transportwagen.
De bloedreis nagespeeld
In datzelfde jaar werd in Enkhuizen een ‘Urkerdag’ georganiseerd. Het nieuwe museum zou al geopend moeten zijn, maar die opening werd een jaar uitgesteld. In plaats daarvan werd in de Drommedaris van de ‘Geuzenstad’ een ‘Zuiderzee Tentoonstelling’ georganiseerd. Naast de ‘Urkerdag’ werden ook een ‘Spakenburgerdag’ en een ‘Markerdag’ georganiseerd. Vol deelnemers in klederdracht, met muziek, toespraken, dans en voordrachten. In een ander, kort, fragment is de Urker dorpsdichteres Mariap van Urk te zien, die een toespraak houdt.
Misschien is de vlet op die dag wel feestelijk aan het Zuiderzeemuseum overhandigd, dat zou ik eens na moeten zoeken.
In het fragment zien we in ieder geval hoe de ijsvlet werd gebruikt. De ‘sterke mannen’ bonden ijzers onder hun voeten om grip te krijgen op het ijs. De ijsvlet werd vooruit geduwd of getrokken. Zeilen hielpen de ijsvlet wat meer ‘goffie’ te geven.
De Urker dichteres Mariap schreef in één van haar bundels: ‘De leden van de bemanning hadden het niet gemakkelijk, hoor! ’s Morgens vroeg kregen zij, voor hun uitvaart, eerst een bord erwten of bonen voor “vastigheid” in de maag. Daarna werd gebeden voor een goede overtocht. […] De tocht ging via Schokland, over de Ramspol naar Kampen. […] Was de vlet in zicht op Urk, na ’n moeizame tocht, dan liepen de jongelui van ons eiland de bemanning tegemoet, de zelen of spantouwen werden dan overgenomen, en de ijsvletters liepen achter de jongkerels aan. Dat was een triomftocht. […] Wat niet verdwenen is, dat is de rheumatiek, niet te verwarren met romantiek, van alle vissers die tot de bemanning van deze schuit hebben behoord. En in een hoekje van de kast staat nog wel het flesje “pérecheulie” (pijlrogolie) dat moeder de vrouw maar vast klaarzette, als onfeilbaar middel, om de oververmoeide gewrichten op gang te helpen, na een “bloedreis”.’ (Mariap van Urk, Urker ambachten en bedrijven. Enkhuizen: Vereniging van Vrienden van het Zuiderzeemuseum, 1955, p. 39.)
Deze toelichting hoort bij het gedicht ‘De ijsvlet’, dat in dezelfde bundel verscheen. Misschien droeg ze (een eerdere versie van) het gedicht wel voor tijdens de Urkerdag in Enkhuizen? Als handeling van overhandiging?
In De Waterkampioen (1951, no. 883 (feb), p. 69) schrijft drs. A. Schaper: ‘Ontroerend is de “Ode aan de oude Urker ijsvlet” gedicht door Mariap van Urk ter gelegenheid van deze overdracht, waarin zij de prestaties van de ijsvlet en de ontberingen van zijn dappere bemanning bezingt.’
De ijsvlet.
Oude, trouwe Urker ijsvlet! Bitter stevig vastgesnoerd, Werd jij, boven op een auto Naar de Geuzenstad gevoerd.
Over Zwolle, Utrecht, Mokum Ging je! Voor je laatste reis! Zal het wéér een “bloedreis” worden, Net als vroeger, over ’t ijs?
Menig barre Noordpool-winter Heb je goede dienst gedaan: En je voerde post en kranten, Ja óók levensmidd’len aan.
Op je allerláátste “ijsreis” Zat een stoomboot in de knel Tussen huizenhoge schotsen In ’t Zuid-West, zeg, weet je wel?
Hier van Urk af nauw’lijks zichtbaar Seinde men, uit bitt’re nood, Vrouwen en zelfs kind’ren waren In gevaar op deze boot.
Dapp’re mannen waagden ’t leven, Grepen spaak en roer en touw, Gingen onverschrokken vóórwaarts, Ondanks vorst en felle kou.
Piepend’ knarsten j’oude ijzers Krakend’ ging ’t gebinte mee… Wieg’lend, schuivend, zeilend, glijdend, Zeulde de bemanning mee.
God beloonde ’t ernstig streven: Vrouw en kind werd rijk gered: En in menig Urker woning Steeg een vurig dankgebed.
In het Zuiderzeemuseum, Treft men vele dingen aan… Doch ik smeek U, laat de ijsvlet Op een éreplaatsje staan!
De ijsvlet van Schokland
Niet alleen op Urk, maar ook in andere Zuiderzeeplaatsen zoals Schokland, Spakenburg, Wieringen en Marken werden ijsvletten gebruikt. Deze boten waren cruciaal voor het onderhouden van verbindingen tijdens strenge winters. Zo onderhielden de bewoners van Schokland contact met Kampen.
Op Schokland, de Middelbuurt, is nog de schuur te vinden van de Schokker ijsvlet. De ‘IJsloperschuur’ is tegenwoordig een Rijksmonument. Het ligt wat verscholen achter de niet-authentieke museumgebouwen in ‘Zuiderzeestijl’. De ijsloperschuur is wel authentiek, al is in de loop van de jaren natuurlijk veel houtwerk vervangen.
De IJsloperschuur op Schokland. Rijksmonument. Foto: Pa3ems, via Wikimedia Commons. CC BY-SA 3.0.
En de ijsvlet zelf? Die heeft de tijd helaas niet overleefd. Het zou nog eens een mooi kunstproject zijn om een ijsvlet na te bouwen…
‘Voor wat een bloedreis werd geheten’
Tegenwoordig herinnert een kunstwerk bij de ingang van het ‘oude dorp’ op Urk, gemaakt door kunstenaar Piet Brouwer, aan de moedige tochten van de ijsvletbemanningen. Bij het monument zijn de namen van de deelnemers aan de laatste tocht te vinden, namelijk: Albert van Veen, Reijer Post, Tiemen Weerstand, Cornelis Bakker, Hessel van Urk, Jaap van Veen, Jan Bakker, Jan Wakker, Teunis Pasterkamp en Johannes van Veen.
Het is mij onduidelijk of deze mannen ook in het bovenstaande filmfragment te zien zijn, of dat dit om andere Urkers gaat.
De ijsvlet door Piet Brouwer, 1992. Foto: Pa3ems, via Wikimedia Commons. CC BY-SA 3.0.
Bij deze ijsvlet – op schaal – schreef ‘meester’ Tromp de Vries een prachtig gedicht.
Een raadselachtig fenomeen: tien mannen die welhaast verloren in dichte nevels om zich heen, hun hakken in de schotsen boren.
Ze zijn nu gans en al alleen, er is geen mistsein meer te horen, en ’t licht dat van de vuren scheen ging in de grauwe nacht verloren.
Ze stonden met z’n allen klaar voor wat een bloedreis wordt geheten, en hebben huis en haard vergeten om in een tocht zo bang en zwaar, en menigmaal in doodsgevaar, zich met hun element te meten
Door de prominente plek van het monument wordt de herinnering aan de ijsvlet levend gehouden.
Begin 2018 gooide de Urker afdeling van de ChristenUnie nog een balletje op om de ijsvlet uit het Zuiderzeemuseum terug naar Urk te houden. Zo’n object hoort toch op Urk thuis? Een mooie campagnestunt misschien, maar ze vergaten voor het gemak van hoeveel belang de juiste conservering van zo’n minstens 150 jaar oud schip is.
Een ereplaats
De Urker ijsvlet werd in 1949 gered van de stook.
En er gebeurde waar dichteres Mariap op hoopte: al decennia heeft de Urker ijsvlet een ereplek in de vaste tentoonstelling van het Zuiderzeemuseum, onder collectienummer ZZM 000589.
De Urker ijsvlet in de schepenzaal in het binnenmuseum van Zuiderzeemuseum Enkhuizen. Datering foto onbekend. Bron: Zuiderzeecollectie / Zuiderzeemuseum Enkhuizen. CC BY-SA 4.0.
Voor deze post heb ik dankbaar gebruik gemaakt van: het artikel ‘IJsvlet gered van de sloop’, geschreven door Lub van den Berg, verschenen in het ‘Urker Volksleven’, mei 2020; de objecten van het Zuiderzeemuseum in de Zuiderzeecollectie (zie verwijzingen hierboven); de pagina op de website Flevolands Erfgoed over de ijsvlet door Piet Brouwer.
Op dinsdagavond 4 februari werd in de sfeervolle Enserkerk op Werelderfgoed Schokland een bijzondere, intieme herdenking gehouden ter ere van de ‘vergeten’ watersnoodramp van 1825. Deze stormvloed – die door sommigen de grootste natuurramp van de negentiende eeuw wordt genoemd – raakte vooral Overijssel, waar Schokland in 1825 onderdeel van uitmaakte. Op Schokland kwamen dertien mensen om het leven.
Opening door Marcel Jansen, Cultuurbedrijf Noordoostpolder. Foto: Sjors Evers.
Samen met de Gemeente Noordoostpolder en Museum Schokland werd stilgestaan bij de gevolgen van de stormvloed. In het historische kerkje van Schokland verzamelden enkele tientallen mensen zich om het leed van weleer te herinneren. Maar misschien vooral om de verhalen van Schokland eens op een andere manier te beleven.
Het korte evenement bevatte veel symboliek: burgemeester van de Noordoostpolder Roger de Groot stak als eerste van de dertien kaarsen aan, elk symbool voor één van de dertien slachtoffers op Schokland. Buiten in de koude avond klonk om 18.25 (yes) de klok van de Enserkerk, die maar liefst 305 keer luidde – één keer voor ieder slachtoffer in Overijssel.
Burgemeester Roger de Groot steekt de eerste kaars aan. Foto: Sjors Evers.
Na een welkom van Marcel Jansen, directeur van Cultuurbedrijf Noordoostpolder, volgde een mooie toespraak van burgemeester De Groot. Hij benadrukte het belang van het herdenken. (Overigens bijzonder om burgemeester te zijn van een gebied dat in 1825 nog niet bestond. Op Schokland en Oud-Kraggenburg na, dan.)
De toon van de avond werd verder bepaald door Cornelis Kapitein, de stadsdichter van Urk. Met zijn gedichten wist hij de thematiek van zee, eiland en rouw op een bijzondere manier tot leven te brengen.
In het Nedersaksisch, meer specifiek het Urkers. Dat Nedersaksisch (vroeger ook wel ‘Oosters’ genoemd) is de taal waar ooit het helaas verdwenen Schokker dialect onderdeel van uitmaakte. De dialecten van Schokland en Urk leken het meest op elkaar.
In dat kleine kerkje koste het maar weinig moeite om dat ‘Urkers’ als ‘Schokkers’ te ervaren. (Over dat Schokker dialect kom ik een andere keer nog te spreken.)
Cornelis Kapitein heeft zelf trouwens ‘Schokker roots’: hij is een nazaat van Harm Smit, een havenmeester van Schokland. Op 4 februari was hij even Stadsdichter van Urk én Schokland.
Na het gezamenlijke aansteken van de resterende kaarsen en de symbolische klokslag, namen de aanwezigen even de tijd om na te praten in Restaurant Schokland.
Aanwezigen ontsteken het verdere van de kaarsen, onder toeziend oog van burgemeester De Groot. Foto: Sjors Evers.
De herdenking past binnen een groter geheel: naast de bijeenkomst in Schokland is er een tijdelijke tentoonstelling ‘Schokkers en de ontruiming‘ in de Museumkerk, waar tot en met 2 maart te zien is over de dramatische ontruiming van het eiland in 1859.
Deze tentoonstelling sluit op haar beurt weer aan bij haar grote zus: de prachtige en indrukwekkende grote tentoonstelling ‘De ziel van Schokland‘ in het Zuiderzeemuseum Enkhuizen.
De herdenking en het luiden van de klok waren geen ideeën van Museum Schokland, de gemeente, of van mij. De aanjagers van de herdenkingen rondom de stormramp van 1825 waren in Overijssel Het Oversticht en de Overijsselacademie. Er verscheen trouwens ook een podcast naar aanleiding van de stormramp. Museum Schokland haakte dankbaar aan bij dit initiatief.
Ook in Friesland werd door verschillende organisaties stilgestaan bij de stormvloed van 1825. Ook een ander UNESCO Werelderfgoed, namelijk Werelderfgoed Ir. D.F. Woudagemaal, droeg daaraan bij.
Erfgoedhoedster en vrijwilliger van Museum Schokland mevrouw Van der Molen ontsteekt voorafgaand aan de herdenking de kandelaars van de Enserkerk. Foto: Sjors Evers.
Wat mij vooral raakte tijdens deze opdracht is hoe het, na de voorbereiding en afstemming met Gemeente Noordoostpolder, allemaal wonderwel uitpakte. Het werkte nog beter dan ik in het draaiboek had bedacht. Een mooie combinatie van emotie en symboliek: de kaarsen, de resonerende klokslag en de poëzie vormden samen een unieke herinnering aan een gebeurtenis die nog altijd doorwerkt.
Hoewel de herdenking kleinschalig van aard was, bleek het een mooie nieuwe manier om de verhalen van Schokland op een nieuwe manier te beleven.
De of het doopvont? Beide lidwoorden zijn hier correct, aldus de Van Dale. Als dialectspreker ben ik gewend het doopvont te zeggen.
Een doopvont is een waterbekken, voor de toediening van de doop in de christelijke traditie. Zo is mijn voorhoofd besprenkeld met het water uit het vont van de Nederlands Hervormde Kerk de Ark op Urk. Het gebouw waar nu de Hersteld Hervormde Gemeente de Moria gehuisvest is.
Van doleanties is in de laatste eeuwen van de geschiedenis van Schokland nog geen sprake. Je bent er of protestant of katholiek. En dat heeft te maken met waar je op Schokland woont.
Het eiland is al bestuurlijk opgesplitst, als het na de reformatie ook nog religieus wordt opgesplitst. Het noordelijke deel, ‘Emmeloord’, blijft de oude religie aanhangen. Daar krijgt de ‘ware leer’ geen voet aan wal. Het zuidelijke deel, ‘Ens’, gaat over naar het protestantisme. Wanneer in de Franse tijd het hele eiland één gemeente wordt, blijft de religieuze scheiding.
Gespikkeld huwelijk
Een huwelijk tussen beide geloofsgroepen wordt een ‘gespikkeld huwelijk’ genoemd. Het woord gespikkeld verwijst naar Genesis 30, het verhaal van Jacob en Laban. De tale Kanaäns is onder de rechtlijnige protestanten geliefd en misschien komt zo de term ‘gespikkeld’ wel in de historische bronnen over Schokland terecht.
Dat een gemengd huwelijk not done is op Schokland, betekent niet dat dit niet gebeurt. Hiervan zijn het aanwijsbare aantal gespikkelde huwelijken getuige. In mijn eigen stamboom kom ik een huwelijk tussen iemand uit Ens en Emmeloord tegen. (En wat zegt dit over mij?)
Het Zuiderzeegebied is sinds het ontstaan, waarschijnlijk ergens in de loop van de middeleeuwen, voortdurend in verandering. Mede doordat een groot deel van het land uit veengrond bestaat, en door menselijke bewerking van het landschap, slaat de Zuiderzee steeds meer land af. De zee wordt alsmaar breder en groter. In het gebied dat we nu als Noordoostpolder kennen, zijn eeuwenlang meer nederzettingen dan alleen Urk en Schokland, de eilanden die tot 1932 het geweld van de Zuiderzee overleven.
Bij veel Nederlanders is de ‘legende van Nagele’ bekend. Bij een gevecht in de lokale herberg op het eilandje of terp Nagele springt de lokale pastoor tussenbeide. Hij wordt bruut neergestoken. In zijn laatste woorden voorspelt hij dat Nagele zal verdrinken en dat vissers hun netten aan de grafzerken zullen scheuren.
Dit verhaal maakt invoelbaar hoe hele dorpen verdwijnen in de Zuiderzee.
Eind achttiende eeuw wordt tussen Urk en Schokland een doopvont opgevist, nadat eerder een kandelaar met de vangst naar boven komt. Vissers vertellen elkaar dan al een tijd over opgeviste grafzerken ter hoogte van het ‘Urker kerkhof’, een deel van het water dat ze ook wel ‘de Nagel’ noemen. Misschien maken ze elkaar bij zo’n vondst wel bang met de legende van Nagele.
Het schijnt dat in 1922 een hoogbejaarde Schokker nazaat, uit Kampen, nog beweert dat het zijn grootvader is, die de bovengenoemde kandelaar heeft opgevist. De verhalen van Nagele blijven meereizen met de tijd, ook ver na de ontruiming van Schokland in 1859.
Doopvont afkomstig de voormalige kerk te Schokland (Ens), A.J. van der Wal, 1984. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Verdronken dorpen
Yftinus van Popta, maritiem archeoloog, combineert in 2020 gegevens over vloeden, historische bronnen en archeologische vondsten in zijn proefschrift ‘When the Shore becomes the Sea‘. De positie van het verdronken dorp Nagele zou heel goed ten noorden van Urk en Schokland kunnen zijn. De plek van het ‘kerkhof’.
Niet alleen onderzoekt hij Nagele, ook doet hij onderzoek naar de andere ‘verdronken dorpen’, zoals Fenehuysen en Marcnesse. Hiermee ontstaat een beter beeld van het gebied in de middeleeuwen. Ik begrijp nu beter hoe het leven er tussen 1100 en 1400 voor de Schokkers en Urkers uitziet.
Bijvangst van zijn onderzoek: de huidige namen van de polderdorpen zijn weliswaar gebaseerd op voormalige plaatsen, maar corresponderen niet met hun ligging. Het huidige Nagele bijvoorbeeld ligt dan wel tussen Urk en Schokland, maar dan een stuk zuidelijker dan de historische naamsgenoot.
Van Schokland naar Ommen
Tijdens de watersnoodramp van 1825 wordt het altaar in de kerk op Emmeloord weggespoeld. In 1826 krijgt de Rooms-Katholieke kerk op Emmeloord een nieuw altaar. De pastoor koopt het vont aan en laat er zijn naam in beitelen. Na de ontruiming van Schokland in 1859 verhuizen zowel de ‘nieuwe’ ‘Waterstaatskerk’ van Emmeloord, in 1842 gebouwd ter vervanging van het vorige godshuis, als het doopvont, naar Ommen.
Na het einde van de ‘Schokker kerk’ van Ommen in 1938, verhuist het opnieuw, nu naar het Ommense Rooms-Katholieke kerkgebouw St. Brigitta, dat in 1939 wordt gewijd.
“’t Vont laat de duiding van het water weten”
Een regel uit een gedicht van de Urker Tromp de Vries, bij een replica van het doopvont. Urkers zijn na de inpoldering betrokken bij de geschiedenis van Schokland. Er ontbreekt iets op Schokland, zo wordt gedacht. Beeldhouwer Piet Brouwer maakt een replica van het doopvont, dat in 1996 in de hervormde Enserkerk wordt geplaatst.
Van het verdronken Nagele naar Schokland en van Schokland naar Ommen. Een geschiedenis van acht eeuwen (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed geeft de twaalfde of dertiende eeuw mee als datering) in één object.
En drie eeuwen nadat de reformatie op Schokland komt, is er sinds 1996 ook een hervormd Schokker doopvont, een replica van een katholiek Nagelees doopvont. Gemaakt door een gereformeerde Urker.
Begin 1849 – ruim 175 jaar geleden – wagen vader Klaas Bording en zijn zonen Jacob en Klaas zich op het ijs bij Durgerdam. In deze tijd kan het nog flink vriezen. Soms is de hele Zuiderzee dichtgevroren.
Vader en zonen gaan op pad om ‘bot te kloppen’. Hierbij wordt met een net onder het ijs gevist. Daarvoor maken ze een wak in het ijs. Ze laten het net zakken en kloppen op het ijs, totdat de bot, een platvis, vanuit de modder omhoog komt, het net in.
De ene na de andere bot (familie van de schol) zwemt het net in. Een goede vangst voor het gezin, dat het niet zo breed heeft.
Maar hun schrik is groot wanneer het drietal beseft dat het stuk ijs waarop ze zich bevinden van de kust is losgeraakt. Ze drijven af, weg van Durgerdam, de grote en machtige Zuiderzee op.
‘Klaas Klaassen Bording en zijne beide zonen’, Jacob Plüger, 1849. Enkhuizen: Zuiderzeemuseum / Zuiderzeecollectie.
Door een steeds veranderende wind dobbert de ijsschots de hele binnenzee rond. Ze drijven langs Marken, gaan richting Harderwijk en drijven vervolgens noordwestwaarts af, richting Enkhuizen.
Nergens kunnen ze de kust bereiken. Bij Enkhuizen zijn ze zo dichtbij de kust, dat ze de kerkklokken kunnen horen.
Soms regent het, soms schijnt de zon. Ze overleven door opgevangen regenwater te drinken en rauwe bot te eten. Wanneer ze weer oostwaarts varen, zien ze tussen Urk en Schokland een tjalk. Ze roepen uit alle macht, maar de schipper merkt hen niet op.
In de tussentijd wordt hun vermissing landelijk nieuws. Moeder Bording wordt al weduwe verklaard, want wie zou, na zoveel dagen vol ontberingen op die onvoorspelbare Zuiderzee, kunnen overleven?
De dagen verstrijken. Het moet voor het gezelschap koud, erbarmelijk, dissociërend, zijn. Ze komen langs Schokland. Maar niemand hoort hun hulpkreten. Veertien dagen lang kan het drietal zichzelf ternauwernood in leven houden.
Uiteindelijk worden ze bij Vollenhove gered. De vader en een van de zonen overlijden enkele dagen na de redding.
Het ongelooflijke verhaal wordt nadien al gauw landelijk nieuws. Voor het gezin wordt geld ingezameld. De bekende schilder Hermanus Koekkoek maakt, naar aanleiding van het verhaal, een schilderij.
Al generaties lang lezen kinderen over dit avontuur in het boek ‘Veertien dagen op een ijsschots’ van Simon Abramsz, voor het eerst uitgegeven in 1898. Recent ontving Museum Schokland een eerste druk als schenking. Een mooie aanvulling voor de bibliotheek van het museum!
Simon Abramsz, ‘Veertien dagen op een ijsschots’, 1898. Amsterdam: E.L.E. van Dantzig. Collectie Museum Schokland.
Op 3 oktober 1939 om 14.44 uur wordt het laatste gat in de dijk tussen de Lemmer en Urk gedicht. Urk is vanaf dat moment geen eiland meer, maar een schiereiland. Het zal onderdeel worden van de latere Noordoostpolder, welke in 1942 droogvalt.
In 1936 begint de aanleg van de, in totaal, 55 kilometer lange ringdijk rond de toekomstige Noordoostpolder, onderbroken door het eiland Urk. In het IJsselmeer worden meetpunten voor het dijktracé uitgezet en bij de Lemmer en Urk worden werkhavens aangelegd.
Er is veel belangstelling voor het werk. Tijdens een excursie in 1938 kan hoofdingenieur De Blocq van Kuffeler de verzamelde pers melden dat al 14 kilometer dijk is voltooid tussen de Lemmer en Urk.
Leve de oude Polygoonjournaals! Natuurlijk moet dit grootse verhaal, namelijk de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, goed gedocumenteerd worden. Het geeft Nederland in die jaren, de woelige crisisjaren (met oorlogsdreiging), een gevoel van trots.
In 1937 is de Zuiderzee al vijf jaar verleden tijd. Gestaag gaan de werkzaamheden verder. Na de Wieringermeer en de Afsluitdijk is het nu tijd voor de ‘Noord-Oostelijke Polder’. De beelden van de grijpers en het geweld van het water zijn indrukwekkend.
Twee jaar later, in 1939, is het al zover: de dijk is bijna gereed. Het ‘laatste schepje’ is een mooi nieuwshaakje, zo moeten de journalisten hebben gedacht. Bij de Afsluitdijk hebben ze immers hetzelfde gedaan.
Op 3 oktober 1939 is Urk geen eiland meer. Een mooie titel.
We zien de baggermolens en grijpers die de keileem ten behoeve van de dijk aanleveren. De kijker krijgt een beeld van het proces van de aanleg van de dijk, hoe de zinkstukken worden geplaatst en hoe puin en steen ter versteviging worden toegevoegd.
In een shot vaart een klein bootje door een van de laatste sluitgaten, waarin de sterke stroming te zien is. De sluiting van het laatste gat komt in zicht, schepen zijn feestelijk gedecoreerd met vlaggetjes.
Een vrouw in Urker klederdracht houdt een grote Nederlandse vlag vast. We zien een schip van Zanen & Verstoep, met zwaaiende arbeiders. De burgemeesters van Urk en de Lemmer drukken elkaar de hand op een smalle plank.
Daarna een shot van een Urker man, op zijn rug gefilmd, kijkend naar de nieuwe dijk, waarmee zijn eiland ophoudt te bestaan. Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij!
Tenslotte een Urker vrouw (waarvan ik vrij zeker ben dat het mijn overgrootmoeder Mariap van Urk-Koffeman is) die de was uithangt, met de dijk op de achtergrond.
In ieder geval staat vast dat dorpsdichteres en erfgoedhoedster Marretje van Urk-Koffeman (wiki) (blog) bij de feestelijke gebeurtenis aanwezig is. Ze staat zelfs prominent op het schilderij ‘Het laatste schepje’ van Van Mastenbroek, gemaakt in 1939-40. Van Mastenbroek deed beeldend verslag van het grote nationale wonder.
‘Het laatste schepje’, Van Mastenbroek, 1939-40. Enkhuizen: Zuiderzeemuseum / Zuiderzeecollectie.
Op het schilderij zien we deftige mannen in het zwart en werkvolk met lichtere kleren aan. En Mariap van Urk in Urker klederdracht. Het is geen gekke gedachte dat het Mariap is aan het einde van de film, natuurlijk zou ze ja zeggen op de vraag of ze voor of na 3 oktober 1939 voor de camera haar was wilde ophangen.
De gebeurtenis zette Mariap aan tot het schrijven van haar meest bekende gedicht ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’, verschenen in haar gelijknamige dichtbundel in 1949.
Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven, Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’, Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.
Vaarwel, mijn Zuiderzee; gedenken wij de doden, Die eenzaam rusten in je stille schoot, De vissers, die voor dagelijkse noden, Zich waagden op je wiegelende vloot.
Vaarwel, mijn Zuiderzee; de wielen der gemalen, Zij went’len dreunend aanstonds, dag en nacht En rusten niet, aleer gij drooggemalen, Al bloeiend in cultuur zult zijn gebracht.
Vaarwel mijn Zuiderzee; wij zullen niet versagen, Uw stervenswee een nieuwe toekomst baart, Waaraan wij bouwen: en waarop wij vragen Gods zegen! Die aan arbeid is gepaard.
Als de socialistische VARA op 11 juli 1940 een bezoek brengt bij de gereformeerde dichteres, laat zij haar kinderen liedjes zingen en spreken de journalisten met Mariap op onderhoudende toon. In hetzelfde interview draagt Mariap haar gedicht voor, in een nog wat andere vorm dan hoe het uiteindelijk gepubliceerd zou worden.
We zitten dan al in de Tweede Wereldoorlog, de VARA zou niet veel later worden overgenomen door de gelijkgeschakelde Rijksradio-omroep. Het werk in de polder ging gewoon door: de bezetter zag zo’n mogelijke graanschuur ook wel zitten.
De dijk tussen Urk en Kadoelen (de ‘Kaamperdik’) komt 13 december 1940 om 13.52 uur klaar. Ook hier is Mariap getuige van. De stemming is dan wel iets anders dan bij de sluiting van de eerste dijk: nu geen vlagvertoon, maar een sobere viering.
Op rijm, uiteraard, doet ze verslag van de sluiting. ‘Een dag gelijk aan alle and’re dagen’. Wat opvalt is haar ontzag voor de ingenieurs en arbeiders, die de plannen uitvoeren waar Mariap eerst zo hevig tegen protesteerde. En dan haar patriottisme! ‘O, Hollands ras! Zoo taai en onbewogen’. Toch geen ongevaarlijke passage ten tijde van schrijven…
‘Het laatste sluitgat’, Marretje van Urk-Koffeman, 1940. Urk: privéarchief.
Onder redactie van de zoon van Mariap van Urk, dorpshistoricus Albert van Urk (wiki), verschijnt in 1989 het boek ‘Daar werd een dijk gelegd…’ (download) bij Stichting Urker Uitgaven. De titel is ontleend aan een zin uit bovenstaand gedicht.
In het boek zijn interviews met ooggetuigen van de aanleg van de dijken opgenomen, alsmede gastbijdragen over de visserij, de oorlogssituatie, het hergebruikte puin van het platgebombardeerde Rotterdam, de archeologische vondsten in het jonge polderland, Urkers die boer wilden worden, kunstenaars ten tijde van de inpoldering, de sociaal-economische situatie op Urk en natuurlijk… Mariap van Urk, de dichteres van de drooglegging.
Op 3 oktober 1989, precies 50 jaar na de gereedkomen van de eerste dijk, zendt de AVRO een reportage uit, met daarin een interview met Albert van Urk.
Maar Urk is pas echt eiland-af in 1948, als Urk een wegverbinding krijgt met de rest van de polder. Pas zes jaar na de drooglegging van de polder in 1942. Tot 1948 gaan de Urkers nog naar Kampen, naar het ziekenhuis bijvoorbeeld, met een bootverbinding. Of wandelend over de dijk.
Op goed water, betrouwbare elektriciteit en aardgas moeten de Urkers dan nog wat jaren wachten.
Mariap, de vrouw die zich aanvankelijk zo verzette tegen de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee, omarmt uiteindelijk de toekomst. Wel blijft ze zich telkenmaal kritisch uitspreken en zet ze zich onvermoeibaar in voor het behoud van het Urker cultureel erfgoed.
Ook staat haar deur voor iedereen open: van journalisten, tot nonnen, tot dijkwerkers. ‘Een vrouw met een groot hart. Dat ondervonden de polderjongens die, ver van huis, bij haar een thuis vonden.’, zo besluit haar zoon Albert het hoofdstuk in ‘Daar werd een dijk gelegd’ over zijn moeder.