Hoe de Urker ijsvlet bewaard bleef

In de tijd dat Urk nog een eiland in de Zuiderzee was, vormde de winter een bijzondere uitdaging. Wanneer de zee dichtvroor, werd het eiland geïsoleerd van de buitenwereld. In deze barre omstandigheden kwam de ‘ijsvlet’ in actie: een speciaal ontworpen boot uitgerust met glij-ijzers, die zowel over ijs als door open water kon worden voortbewogen. Deze vletten waren essentieel voor het transport van voedsel, post en het verlenen van medische hulp tijdens de strenge winters.

De Urker vereniging ‘Hulp en Steun’

In 1897 werd op Urk de vereniging ‘Hulp en Steun’ opgericht. Deze organisatie beheerde meerdere ijsvletten en coördineerde reddingsacties voor schepen die vastzaten in het ijs. De bemanning van de ijsvlet, de ‘ijslopers’ genoemd, trotseerde vaak levensgevaarlijke omstandigheden om hulp te bieden en verbindingen met het vasteland te onderhouden. Deze tochten stonden bekend als ‘bloedreizen’ vanwege hun gevaarlijke en uitputtende karakter.

In het Urker dialect wordt met ‘bloedreis’ nog steeds een ‘hachelijke tocht’ bedoeld.

De laatste tocht

Met de aanleg van de dijk naar de Lemmer in 1939 en later de opening van de weg naar Emmeloord in 1948, verloor de ijsvlet zijn functie.

Toen dreigde de laatste overgebleven houten ijsvlet, gebouwd vóór 1870, te worden afgedankt en als brandhout te eindigen.

Dankzij het initiatief van oud-voorzitter van Hulp en Steun, Lubbertje (Lub) Kramer, werd de vlet echter in 1949 geschonken (tegen een onkostenvergoeding van 75 gulden) aan het Zuiderzeemuseum in oprichting in Enkhuizen, waar hij tot op de dag van vandaag wordt bewaard.

De laatste tocht van de ijsvlet voerde naar Enkhuizen. Niet over het ijs, maar over de weg: vastgebonden op een transportwagen.

De bloedreis nagespeeld

In datzelfde jaar werd in Enkhuizen een ‘Urkerdag’ georganiseerd. Het nieuwe museum zou al geopend moeten zijn, maar die opening werd een jaar uitgesteld. In plaats daarvan werd in de Drommedaris van de ‘Geuzenstad’ een ‘Zuiderzee Tentoonstelling’ georganiseerd. Naast de ‘Urkerdag’ werden ook een ‘Spakenburgerdag’ en een ‘Markerdag’ georganiseerd. Vol deelnemers in klederdracht, met muziek, toespraken, dans en voordrachten. In een ander, kort, fragment is de Urker dorpsdichteres Mariap van Urk te zien, die een toespraak houdt.

Misschien is de vlet op die dag wel feestelijk aan het Zuiderzeemuseum overhandigd, dat zou ik eens na moeten zoeken.

In het fragment zien we in ieder geval hoe de ijsvlet werd gebruikt. De ‘sterke mannen’ bonden ijzers onder hun voeten om grip te krijgen op het ijs. De ijsvlet werd vooruit geduwd of getrokken. Zeilen hielpen de ijsvlet wat meer ‘goffie’ te geven.

De Urker dichteres Mariap schreef in één van haar bundels: ‘De leden van de bemanning hadden het niet gemakkelijk, hoor! ’s Morgens vroeg kregen zij, voor hun uitvaart, eerst een bord erwten of bonen voor “vastigheid” in de maag. Daarna werd gebeden voor een goede overtocht. […] De tocht ging via Schokland, over de Ramspol naar Kampen. […] Was de vlet in zicht op Urk, na ’n moeizame tocht, dan liepen de jongelui van ons eiland de bemanning tegemoet, de zelen of spantouwen werden dan overgenomen, en de ijsvletters liepen achter de jongkerels aan. Dat was een triomftocht. […] Wat niet verdwenen is, dat is de rheumatiek, niet te verwarren met romantiek, van alle vissers die tot de bemanning van deze schuit hebben behoord. En in een hoekje van de kast staat nog wel het flesje “pérecheulie” (pijlrogolie) dat moeder de vrouw maar vast klaarzette, als onfeilbaar middel, om de oververmoeide gewrichten op gang te helpen, na een “bloedreis”.’ (Mariap van Urk, Urker ambachten en bedrijven. Enkhuizen: Vereniging van Vrienden van het Zuiderzeemuseum, 1955, p. 39.)

Deze toelichting hoort bij het gedicht ‘De ijsvlet’, dat in dezelfde bundel verscheen. Misschien droeg ze (een eerdere versie van) het gedicht wel voor tijdens de Urkerdag in Enkhuizen? Als handeling van overhandiging?

In De Waterkampioen (1951, no. 883 (feb), p. 69) schrijft drs. A. Schaper: ‘Ontroerend is de “Ode aan de oude Urker ijsvlet” gedicht door Mariap van Urk ter gelegenheid van deze overdracht, waarin zij de prestaties van de ijsvlet en de ontberingen van zijn dappere bemanning bezingt.’

De ijsvlet.

Oude, trouwe Urker ijsvlet!
Bitter stevig vastgesnoerd,
Werd jij, boven op een auto
Naar de Geuzenstad gevoerd.

Over Zwolle, Utrecht, Mokum
Ging je! Voor je laatste reis!
Zal het wéér een “bloedreis” worden,
Net als vroeger, over ’t ijs?

Menig barre Noordpool-winter
Heb je goede dienst gedaan:
En je voerde post en kranten,
Ja óók levensmidd’len aan.

Op je allerláátste “ijsreis”
Zat een stoomboot in de knel
Tussen huizenhoge schotsen
In ’t Zuid-West, zeg, weet je wel?

Hier van Urk af nauw’lijks zichtbaar
Seinde men, uit bitt’re nood,
Vrouwen en zelfs kind’ren waren
In gevaar op deze boot.

Dapp’re mannen waagden ’t leven,
Grepen spaak en roer en touw,
Gingen onverschrokken vóórwaarts,
Ondanks vorst en felle kou.

Piepend’ knarsten j’oude ijzers
Krakend’ ging ’t gebinte mee…
Wieg’lend, schuivend, zeilend, glijdend,
Zeulde de bemanning mee.

God beloonde ’t ernstig streven:
Vrouw en kind werd rijk gered:
En in menig Urker woning
Steeg een vurig dankgebed.

In het Zuiderzeemuseum,
Treft men vele dingen aan…
Doch ik smeek U, laat de ijsvlet
Op een éreplaatsje staan!

De ijsvlet van Schokland

Niet alleen op Urk, maar ook in andere Zuiderzeeplaatsen zoals Schokland, Spakenburg, Wieringen en Marken werden ijsvletten gebruikt. Deze boten waren cruciaal voor het onderhouden van verbindingen tijdens strenge winters. Zo onderhielden de bewoners van Schokland contact met Kampen.

Op Schokland, de Middelbuurt, is nog de schuur te vinden van de Schokker ijsvlet. De ‘IJsloperschuur’ is tegenwoordig een Rijksmonument. Het ligt wat verscholen achter de niet-authentieke museumgebouwen in ‘Zuiderzeestijl’. De ijsloperschuur is wel authentiek, al is in de loop van de jaren natuurlijk veel houtwerk vervangen.

De IJsloperschuur op Schokland. Rijksmonument. Foto: Pa3ems, via Wikimedia Commons. CC BY-SA 3.0.

En de ijsvlet zelf? Die heeft de tijd helaas niet overleefd. Het zou nog eens een mooi kunstproject zijn om een ijsvlet na te bouwen…

‘Voor wat een bloedreis werd geheten’

Tegenwoordig herinnert een kunstwerk bij de ingang van het ‘oude dorp’ op Urk, gemaakt door kunstenaar Piet Brouwer, aan de moedige tochten van de ijsvletbemanningen. Bij het monument zijn de namen van de deelnemers aan de laatste tocht te vinden, namelijk: Albert van Veen, Reijer Post, Tiemen Weerstand, Cornelis Bakker, Hessel van Urk, Jaap van Veen, Jan Bakker, Jan Wakker, Teunis Pasterkamp en Johannes van Veen.

Het is mij onduidelijk of deze mannen ook in het bovenstaande filmfragment te zien zijn, of dat dit om andere Urkers gaat.

De ijsvlet door Piet Brouwer, 1992. Foto: Pa3ems, via Wikimedia Commons. CC BY-SA 3.0.

Bij deze ijsvlet – op schaal – schreef ‘meester’ Tromp de Vries een prachtig gedicht.

Een raadselachtig fenomeen:
tien mannen die welhaast verloren
in dichte nevels om zich heen,
hun hakken in de schotsen boren.

Ze zijn nu gans en al alleen,
er is geen mistsein meer te horen,
en ’t licht dat van de vuren scheen
ging in de grauwe nacht verloren.

Ze stonden met z’n allen klaar
voor wat een bloedreis wordt geheten,
en hebben huis en haard vergeten
om in een tocht zo bang en zwaar,
en menigmaal in doodsgevaar,
zich met hun element te meten

Door de prominente plek van het monument wordt de herinnering aan de ijsvlet levend gehouden.

Begin 2018 gooide de Urker afdeling van de ChristenUnie nog een balletje op om de ijsvlet uit het Zuiderzeemuseum terug naar Urk te houden. Zo’n object hoort toch op Urk thuis? Een mooie campagnestunt misschien, maar ze vergaten voor het gemak van hoeveel belang de juiste conservering van zo’n minstens 150 jaar oud schip is.

Een ereplaats

De Urker ijsvlet werd in 1949 gered van de stook.

En er gebeurde waar dichteres Mariap op hoopte: al decennia heeft de Urker ijsvlet een ereplek in de vaste tentoonstelling van het Zuiderzeemuseum, onder collectienummer ZZM 000589.

De Urker ijsvlet in de schepenzaal in het binnenmuseum van Zuiderzeemuseum Enkhuizen. Datering foto onbekend. Bron: Zuiderzeecollectie / Zuiderzeemuseum Enkhuizen. CC BY-SA 4.0.

Voor deze post heb ik dankbaar gebruik gemaakt van: het artikel ‘IJsvlet gered van de sloop’, geschreven door Lub van den Berg, verschenen in het ‘Urker Volksleven’, mei 2020; de objecten van het Zuiderzeemuseum in de Zuiderzeecollectie (zie verwijzingen hierboven); de pagina op de website Flevolands Erfgoed over de ijsvlet door Piet Brouwer.

Stormvloed over Schokland

Op dinsdagavond 4 februari werd in de sfeervolle Enserkerk op Werelderfgoed Schokland een bijzondere, intieme herdenking gehouden ter ere van de ‘vergeten’ watersnoodramp van 1825. Deze stormvloed – die door sommigen de grootste natuurramp van de negentiende eeuw wordt genoemd – raakte vooral Overijssel, waar Schokland in 1825 onderdeel van uitmaakte. Op Schokland kwamen dertien mensen om het leven.

Opening door Marcel Jansen, Cultuurbedrijf Noordoostpolder. Foto: Sjors Evers.

Samen met de Gemeente Noordoostpolder en Museum Schokland werd stilgestaan bij de gevolgen van de stormvloed. In het historische kerkje van Schokland verzamelden enkele tientallen mensen zich om het leed van weleer te herinneren. Maar misschien vooral om de verhalen van Schokland eens op een andere manier te beleven.

Het korte evenement bevatte veel symboliek: burgemeester van de Noordoostpolder Roger de Groot stak als eerste van de dertien kaarsen aan, elk symbool voor één van de dertien slachtoffers op Schokland. Buiten in de koude avond klonk om 18.25 (yes) de klok van de Enserkerk, die maar liefst 305 keer luidde – één keer voor ieder slachtoffer in Overijssel.

Burgemeester Roger de Groot steekt de eerste kaars aan. Foto: Sjors Evers.

Na een welkom van Marcel Jansen, directeur van Cultuurbedrijf Noordoostpolder, volgde een mooie toespraak van burgemeester De Groot. Hij benadrukte het belang van het herdenken. (Overigens bijzonder om burgemeester te zijn van een gebied dat in 1825 nog niet bestond. Op Schokland en Oud-Kraggenburg na, dan.)

De toon van de avond werd verder bepaald door Cornelis Kapitein, de stadsdichter van Urk. Met zijn gedichten wist hij de thematiek van zee, eiland en rouw op een bijzondere manier tot leven te brengen.

In het Nedersaksisch, meer specifiek het Urkers. Dat Nedersaksisch (vroeger ook wel ‘Oosters’ genoemd) is de taal waar ooit het helaas verdwenen Schokker dialect onderdeel van uitmaakte. De dialecten van Schokland en Urk leken het meest op elkaar.

In dat kleine kerkje koste het maar weinig moeite om dat ‘Urkers’ als ‘Schokkers’ te ervaren. (Over dat Schokker dialect kom ik een andere keer nog te spreken.)

Stadsdichter van Urk, Cornelis Kapitein, draagt gedichten voor. Foto: Sjors Evers.

Cornelis Kapitein heeft zelf trouwens ‘Schokker roots’: hij is een nazaat van Harm Smit, een havenmeester van Schokland. Op 4 februari was hij even Stadsdichter van Urk én Schokland.

Na het gezamenlijke aansteken van de resterende kaarsen en de symbolische klokslag, namen de aanwezigen even de tijd om na te praten in Restaurant Schokland.

Aanwezigen ontsteken het verdere van de kaarsen, onder toeziend oog van burgemeester De Groot. Foto: Sjors Evers.

De herdenking past binnen een groter geheel: naast de bijeenkomst in Schokland is er een tijdelijke tentoonstelling ‘Schokkers en de ontruiming‘ in de Museumkerk, waar tot en met 2 maart te zien is over de dramatische ontruiming van het eiland in 1859.

Deze tentoonstelling sluit op haar beurt weer aan bij haar grote zus: de prachtige en indrukwekkende grote tentoonstelling ‘De ziel van Schokland‘ in het Zuiderzeemuseum Enkhuizen.

De herdenking en het luiden van de klok waren geen ideeën van Museum Schokland, de gemeente, of van mij. De aanjagers van de herdenkingen rondom de stormramp van 1825 waren in Overijssel Het Oversticht en de Overijsselacademie. Er verscheen trouwens ook een podcast naar aanleiding van de stormramp. Museum Schokland haakte dankbaar aan bij dit initiatief.

Ook in Friesland werd door verschillende organisaties stilgestaan bij de stormvloed van 1825. Ook een ander UNESCO Werelderfgoed, namelijk Werelderfgoed Ir. D.F. Woudagemaal, droeg daaraan bij.

Erfgoedhoedster en vrijwilliger van Museum Schokland mevrouw Van der Molen ontsteekt voorafgaand aan de herdenking de kandelaars van de Enserkerk. Foto: Sjors Evers.

Wat mij vooral raakte tijdens deze opdracht is hoe het, na de voorbereiding en afstemming met Gemeente Noordoostpolder, allemaal wonderwel uitpakte. Het werkte nog beter dan ik in het draaiboek had bedacht. Een mooie combinatie van emotie en symboliek: de kaarsen, de resonerende klokslag en de poëzie vormden samen een unieke herinnering aan een gebeurtenis die nog altijd doorwerkt.

Hoewel de herdenking kleinschalig van aard was, bleek het een mooie nieuwe manier om de verhalen van Schokland op een nieuwe manier te beleven.

Reportage door Omroep Flevoland.

Het reizende doopvont van Schokland en het gespikkelde huwelijk

De of het doopvont? Beide lidwoorden zijn hier correct, aldus de Van Dale. Als dialectspreker ben ik gewend het doopvont te zeggen.

Een doopvont is een waterbekken, voor de toediening van de doop in de christelijke traditie. Zo is mijn voorhoofd besprenkeld met het water uit het vont van de Nederlands Hervormde Kerk de Ark op Urk. Het gebouw waar nu de Hersteld Hervormde Gemeente de Moria gehuisvest is.

Van doleanties is in de laatste eeuwen van de geschiedenis van Schokland nog geen sprake. Je bent er of protestant of katholiek. En dat heeft te maken met waar je op Schokland woont.

Het eiland is al bestuurlijk opgesplitst, als het na de reformatie ook nog religieus wordt opgesplitst. Het noordelijke deel, ‘Emmeloord’, blijft de oude religie aanhangen. Daar krijgt de ‘ware leer’ geen voet aan wal. Het zuidelijke deel, ‘Ens’, gaat over naar het protestantisme. Wanneer in de Franse tijd het hele eiland één gemeente wordt, blijft de religieuze scheiding.

Gespikkeld huwelijk

Een huwelijk tussen beide geloofsgroepen wordt een ‘gespikkeld huwelijk’ genoemd. Het woord gespikkeld verwijst naar Genesis 30, het verhaal van Jacob en Laban. De tale Kanaäns is onder de rechtlijnige protestanten geliefd en misschien komt zo de term ‘gespikkeld’ wel in de historische bronnen over Schokland terecht.

Dat een gemengd huwelijk not done is op Schokland, betekent niet dat dit niet gebeurt. Hiervan zijn het aanwijsbare aantal gespikkelde huwelijken getuige. In mijn eigen stamboom kom ik een huwelijk tussen iemand uit Ens en Emmeloord tegen. (En wat zegt dit over mij?)

Schokland, Hermanus Koekkoek. 1830-82. Enkhuizen: Zuiderzeemuseum / Zuiderzeecollectie.

Nagele en het doopvont

Het Zuiderzeegebied is sinds het ontstaan, waarschijnlijk ergens in de loop van de middeleeuwen, voortdurend in verandering. Mede doordat een groot deel van het land uit veengrond bestaat, en door menselijke bewerking van het landschap, slaat de Zuiderzee steeds meer land af. De zee wordt alsmaar breder en groter. In het gebied dat we nu als Noordoostpolder kennen, zijn eeuwenlang meer nederzettingen dan alleen Urk en Schokland, de eilanden die tot 1932 het geweld van de Zuiderzee overleven.

Bij veel Nederlanders is de ‘legende van Nagele’ bekend. Bij een gevecht in de lokale herberg op het eilandje of terp Nagele springt de lokale pastoor tussenbeide. Hij wordt bruut neergestoken. In zijn laatste woorden voorspelt hij dat Nagele zal verdrinken en dat vissers hun netten aan de grafzerken zullen scheuren.

Dit verhaal maakt invoelbaar hoe hele dorpen verdwijnen in de Zuiderzee.

Eind achttiende eeuw wordt tussen Urk en Schokland een doopvont opgevist, nadat eerder een kandelaar met de vangst naar boven komt. Vissers vertellen elkaar dan al een tijd over opgeviste grafzerken ter hoogte van het ‘Urker kerkhof’, een deel van het water dat ze ook wel ‘de Nagel’ noemen. Misschien maken ze elkaar bij zo’n vondst wel bang met de legende van Nagele.

Het schijnt dat in 1922 een hoogbejaarde Schokker nazaat, uit Kampen, nog beweert dat het zijn grootvader is, die de bovengenoemde kandelaar heeft opgevist. De verhalen van Nagele blijven meereizen met de tijd, ook ver na de ontruiming van Schokland in 1859.

Doopvont afkomstig de voormalige kerk te Schokland (Ens), A.J. van der Wal, 1984. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Verdronken dorpen

Yftinus van Popta, maritiem archeoloog, combineert in 2020 gegevens over vloeden, historische bronnen en archeologische vondsten in zijn proefschrift ‘When the Shore becomes the Sea‘. De positie van het verdronken dorp Nagele zou heel goed ten noorden van Urk en Schokland kunnen zijn. De plek van het ‘kerkhof’.

Niet alleen onderzoekt hij Nagele, ook doet hij onderzoek naar de andere ‘verdronken dorpen’, zoals Fenehuysen en Marcnesse. Hiermee ontstaat een beter beeld van het gebied in de middeleeuwen. Ik begrijp nu beter hoe het leven er tussen 1100 en 1400 voor de Schokkers en Urkers uitziet.

Bijvangst van zijn onderzoek: de huidige namen van de polderdorpen zijn weliswaar gebaseerd op voormalige plaatsen, maar corresponderen niet met hun ligging. Het huidige Nagele bijvoorbeeld ligt dan wel tussen Urk en Schokland, maar dan een stuk zuidelijker dan de historische naamsgenoot.

Van Schokland naar Ommen

Tijdens de watersnoodramp van 1825 wordt het altaar in de kerk op Emmeloord weggespoeld. In 1826 krijgt de Rooms-Katholieke kerk op Emmeloord een nieuw altaar. De pastoor koopt het vont aan en laat er zijn naam in beitelen. Na de ontruiming van Schokland in 1859 verhuizen zowel de ‘nieuwe’ ‘Waterstaatskerk’ van Emmeloord, in 1842 gebouwd ter vervanging van het vorige godshuis, als het doopvont, naar Ommen.

Na het einde van de ‘Schokker kerk’ van Ommen in 1938, verhuist het opnieuw, nu naar het Ommense Rooms-Katholieke kerkgebouw St. Brigitta, dat in 1939 wordt gewijd.

“’t Vont laat de duiding van het water weten”

Een regel uit een gedicht van de Urker Tromp de Vries, bij een replica van het doopvont. Urkers zijn na de inpoldering betrokken bij de geschiedenis van Schokland. Er ontbreekt iets op Schokland, zo wordt gedacht. Beeldhouwer Piet Brouwer maakt een replica van het doopvont, dat in 1996 in de hervormde Enserkerk wordt geplaatst.

Van het verdronken Nagele naar Schokland en van Schokland naar Ommen. Een geschiedenis van acht eeuwen (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed geeft de twaalfde of dertiende eeuw mee als datering) in één object.

En drie eeuwen nadat de reformatie op Schokland komt, is er sinds 1996 ook een hervormd Schokker doopvont, een replica van een katholiek Nagelees doopvont. Gemaakt door een gereformeerde Urker.

Veertien dagen op een ijsschots

Begin 1849 – ruim 175 jaar geleden – wagen vader Klaas Bording en zijn zonen Jacob en Klaas zich op het ijs bij Durgerdam. In deze tijd kan het nog flink vriezen. Soms is de hele Zuiderzee dichtgevroren.

Vader en zonen gaan op pad om ‘bot te kloppen’. Hierbij wordt met een net onder het ijs gevist. Daarvoor maken ze een wak in het ijs. Ze laten het net zakken en kloppen op het ijs, totdat de bot, een platvis, vanuit de modder omhoog komt, het net in.

De ene na de andere bot (familie van de schol) zwemt het net in. Een goede vangst voor het gezin, dat het niet zo breed heeft.

Maar hun schrik is groot wanneer het drietal beseft dat het stuk ijs waarop ze zich bevinden van de kust is losgeraakt. Ze drijven af, weg van Durgerdam, de grote en machtige Zuiderzee op.

‘Klaas Klaassen Bording en zijne beide zonen’, Jacob Plüger, 1849. Enkhuizen: Zuiderzeemuseum / Zuiderzeecollectie.

Door een steeds veranderende wind dobbert de ijsschots de hele binnenzee rond. Ze drijven langs Marken, gaan richting Harderwijk en drijven vervolgens noordwestwaarts af, richting Enkhuizen.

Nergens kunnen ze de kust bereiken. Bij Enkhuizen zijn ze zo dichtbij de kust, dat ze de kerkklokken kunnen horen.

Soms regent het, soms schijnt de zon. Ze overleven door opgevangen regenwater te drinken en rauwe bot te eten. Wanneer ze weer oostwaarts varen, zien ze tussen Urk en Schokland een tjalk. Ze roepen uit alle macht, maar de schipper merkt hen niet op.

In de tussentijd wordt hun vermissing landelijk nieuws. Moeder Bording wordt al weduwe verklaard, want wie zou, na zoveel dagen vol ontberingen op die onvoorspelbare Zuiderzee, kunnen overleven?

De dagen verstrijken. Het moet voor het gezelschap koud, erbarmelijk, dissociërend, zijn. Ze komen langs Schokland. Maar niemand hoort hun hulpkreten. Veertien dagen lang kan het drietal zichzelf ternauwernood in leven houden.

Uiteindelijk worden ze bij Vollenhove gered. De vader en een van de zonen overlijden enkele dagen na de redding.

Het ongelooflijke verhaal wordt nadien al gauw landelijk nieuws. Voor het gezin wordt geld ingezameld. De bekende schilder Hermanus Koekkoek maakt, naar aanleiding van het verhaal, een schilderij.

Al generaties lang lezen kinderen over dit avontuur in het boek ‘Veertien dagen op een ijsschots’ van Simon Abramsz, voor het eerst uitgegeven in 1898. Recent ontving Museum Schokland een eerste druk als schenking. Een mooie aanvulling voor de bibliotheek van het museum!

Simon Abramsz, ‘Veertien dagen op een ijsschots’, 1898. Amsterdam: E.L.E. van Dantzig. Collectie Museum Schokland.

Daar werd een dijk gelegd

Op 3 oktober 1939 om 14.44 uur wordt het laatste gat in de dijk tussen de Lemmer en Urk gedicht. Urk is vanaf dat moment geen eiland meer, maar een schiereiland. Het zal onderdeel worden van de latere Noordoostpolder, welke in 1942 droogvalt.

In 1936 begint de aanleg van de, in totaal, 55 kilometer lange ringdijk rond de toekomstige Noordoostpolder, onderbroken door het eiland Urk. In het IJsselmeer worden meetpunten voor het dijktracé uitgezet en bij de Lemmer en Urk worden werkhavens aangelegd.

Er is veel belangstelling voor het werk. Tijdens een excursie in 1938 kan hoofdingenieur De Blocq van Kuffeler de verzamelde pers melden dat al 14 kilometer dijk is voltooid tussen de Lemmer en Urk.

Leve de oude Polygoonjournaals! Natuurlijk moet dit grootse verhaal, namelijk de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, goed gedocumenteerd worden. Het geeft Nederland in die jaren, de woelige crisisjaren (met oorlogsdreiging), een gevoel van trots.

In 1937 is de Zuiderzee al vijf jaar verleden tijd. Gestaag gaan de werkzaamheden verder. Na de Wieringermeer en de Afsluitdijk is het nu tijd voor de ‘Noord-Oostelijke Polder’. De beelden van de grijpers en het geweld van het water zijn indrukwekkend.

Twee jaar later, in 1939, is het al zover: de dijk is bijna gereed. Het ‘laatste schepje’ is een mooi nieuwshaakje, zo moeten de journalisten hebben gedacht. Bij de Afsluitdijk hebben ze immers hetzelfde gedaan.

Op 3 oktober 1939 is Urk geen eiland meer. Een mooie titel.

We zien de baggermolens en grijpers die de keileem ten behoeve van de dijk aanleveren. De kijker krijgt een beeld van het proces van de aanleg van de dijk, hoe de zinkstukken worden geplaatst en hoe puin en steen ter versteviging worden toegevoegd.

In een shot vaart een klein bootje door een van de laatste sluitgaten, waarin de sterke stroming te zien is. De sluiting van het laatste gat komt in zicht, schepen zijn feestelijk gedecoreerd met vlaggetjes.

Een vrouw in Urker klederdracht houdt een grote Nederlandse vlag vast. We zien een schip van Zanen & Verstoep, met zwaaiende arbeiders. De burgemeesters van Urk en de Lemmer drukken elkaar de hand op een smalle plank.

Daarna een shot van een Urker man, op zijn rug gefilmd, kijkend naar de nieuwe dijk, waarmee zijn eiland ophoudt te bestaan. Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij!

Tenslotte een Urker vrouw (waarvan ik vrij zeker ben dat het mijn overgrootmoeder Mariap van Urk-Koffeman is) die de was uithangt, met de dijk op de achtergrond.

In ieder geval staat vast dat dorpsdichteres en erfgoedhoedster Marretje van Urk-Koffeman (wiki) (blog) bij de feestelijke gebeurtenis aanwezig is. Ze staat zelfs prominent op het schilderij ‘Het laatste schepje’ van Van Mastenbroek, gemaakt in 1939-40. Van Mastenbroek deed beeldend verslag van het grote nationale wonder.

‘Het laatste schepje’, Van Mastenbroek, 1939-40. Enkhuizen: Zuiderzeemuseum / Zuiderzeecollectie.

Op het schilderij zien we deftige mannen in het zwart en werkvolk met lichtere kleren aan. En Mariap van Urk in Urker klederdracht. Het is geen gekke gedachte dat het Mariap is aan het einde van de film, natuurlijk zou ze ja zeggen op de vraag of ze voor of na 3 oktober 1939 voor de camera haar was wilde ophangen.

De gebeurtenis zette Mariap aan tot het schrijven van haar meest bekende gedicht ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’, verschenen in haar gelijknamige dichtbundel in 1949.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven,
Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’,
Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven
Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; gedenken wij de doden,
Die eenzaam rusten in je stille schoot,
De vissers, die voor dagelijkse noden,
Zich waagden op je wiegelende vloot.

Vaarwel, mijn Zuiderzee; de wielen der gemalen,
Zij went’len dreunend aanstonds, dag en nacht
En rusten niet, aleer gij drooggemalen,
Al bloeiend in cultuur zult zijn gebracht.

Vaarwel mijn Zuiderzee; wij zullen niet versagen,
Uw stervenswee een nieuwe toekomst baart,
Waaraan wij bouwen: en waarop wij vragen
Gods zegen! Die aan arbeid is gepaard.

Als de socialistische VARA op 11 juli 1940 een bezoek brengt bij de gereformeerde dichteres, laat zij haar kinderen liedjes zingen en spreken de journalisten met Mariap op onderhoudende toon. In hetzelfde interview draagt Mariap haar gedicht voor, in een nog wat andere vorm dan hoe het uiteindelijk gepubliceerd zou worden.

We zitten dan al in de Tweede Wereldoorlog, de VARA zou niet veel later worden overgenomen door de gelijkgeschakelde Rijksradio-omroep. Het werk in de polder ging gewoon door: de bezetter zag zo’n mogelijke graanschuur ook wel zitten.

De dijk tussen Urk en Kadoelen (de ‘Kaamperdik’) komt 13 december 1940 om 13.52 uur klaar. Ook hier is Mariap getuige van. De stemming is dan wel iets anders dan bij de sluiting van de eerste dijk: nu geen vlagvertoon, maar een sobere viering.

Op rijm, uiteraard, doet ze verslag van de sluiting. ‘Een dag gelijk aan alle and’re dagen’. Wat opvalt is haar ontzag voor de ingenieurs en arbeiders, die de plannen uitvoeren waar Mariap eerst zo hevig tegen protesteerde. En dan haar patriottisme! ‘O, Hollands ras! Zoo taai en onbewogen’. Toch geen ongevaarlijke passage ten tijde van schrijven…

‘Het laatste sluitgat’, Marretje van Urk-Koffeman, 1940. Urk: privéarchief.

Onder redactie van de zoon van Mariap van Urk, dorpshistoricus Albert van Urk (wiki), verschijnt in 1989 het boek ‘Daar werd een dijk gelegd…’ (download) bij Stichting Urker Uitgaven. De titel is ontleend aan een zin uit bovenstaand gedicht.

In het boek zijn interviews met ooggetuigen van de aanleg van de dijken opgenomen, alsmede gastbijdragen over de visserij, de oorlogssituatie, het hergebruikte puin van het platgebombardeerde Rotterdam, de archeologische vondsten in het jonge polderland, Urkers die boer wilden worden, kunstenaars ten tijde van de inpoldering, de sociaal-economische situatie op Urk en natuurlijk… Mariap van Urk, de dichteres van de drooglegging.

Op 3 oktober 1989, precies 50 jaar na de gereedkomen van de eerste dijk, zendt de AVRO een reportage uit, met daarin een interview met Albert van Urk.

Maar Urk is pas echt eiland-af in 1948, als Urk een wegverbinding krijgt met de rest van de polder. Pas zes jaar na de drooglegging van de polder in 1942. Tot 1948 gaan de Urkers nog naar Kampen, naar het ziekenhuis bijvoorbeeld, met een bootverbinding. Of wandelend over de dijk.

Op goed water, betrouwbare elektriciteit en aardgas moeten de Urkers dan nog wat jaren wachten.

Mariap, de vrouw die zich aanvankelijk zo verzette tegen de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee, omarmt uiteindelijk de toekomst. Wel blijft ze zich telkenmaal kritisch uitspreken en zet ze zich onvermoeibaar in voor het behoud van het Urker cultureel erfgoed.

Ook staat haar deur voor iedereen open: van journalisten, tot nonnen, tot dijkwerkers. ‘Een vrouw met een groot hart. Dat ondervonden de polderjongens die, ver van huis, bij haar een thuis vonden.’, zo besluit haar zoon Albert het hoofdstuk in ‘Daar werd een dijk gelegd’ over zijn moeder.

Eerder verscheen de tekst van een korte een lezing uit 2018 over Mariap van Urk elders op mijn blog. De grootvader van Mariap komt aan bod in mijn artikel over het Dialecticon.