Niet alle ingangen in het archief van Beeld en Geluid zijn publiek toegankelijk. Ik werd afgelopen maand getipt op een audiofragment van Mariap van Urk-Koffeman, waarvan ik zelf het bestaan niet wist. Wat is dat toch steeds een sensatie, als je bewegend beeld of audio ontdekt van bijna honderd jaar geleden.
In de betreffende reportage van de AVRO, op 5 november 1936, draagt ze haar gedicht ‘Waarde-Vermindering’ voor.
Een cadeautje, want er is maar weinig audiomateriaal of bewegend beeld van Mariap van Urk bekend. Een fragment uit 1940, voor de VARA, kende ik al wel. Nu dus een fragment van nog een kleine vier jaar eerder. Toch bijzonder dat ze, als trouwe aanhangster van Colijn, meewerkte aan programma’s voor resp. de liberale en socialistische omroepen.
Bij haar handschrift lezen we over de inhoud van het gedicht: ‘Na de drooglegging van de Zuiderzee werd een commissie benoemd die de netten en het vischtuig herwaardeerde en de visschers kregen waarde-vermindering van hun netten, door deze Regeerings Commissie, vergoed. Wat nooit vergoed werd, leest u in dit versje.’
Het gedicht verscheen, in een ietwat gewijzigde vorm, in 1949 in haar eerste bundel ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’.
Waarde-Vermindering
Aan d’oever van het IJsselmeer Een jonge visscher zat, Hij staart, al droevig, in den plas, Hij, die geen toekomst had.
Drie vischjes wierp hij, moedeloos, Mistroostig, in de zee… En sprak: ,,Die botjes, half vergaan, Wat moet ik daar nu mee?
Mijn gansche vischwant in de war, De hoekers vol van wier… Het visschen in dien dooden plas Is dat tot mijn pleizier?
Het water in het IJsselmeer Zoo zoetjes aan verzoet… Ach, dat mijn visch die zoete dood Voorzeker sterven moet.
Ons dorp gaat langzaam achteruit Door ’t leggen van een dijk: Wij hadden altijd werk en brood, Al waren wij niet rijk.
Wat vischte in de Zuiderzee Op haring, bot en schol Hij vocht voor ’t rijke avontuur Van zilvernetten vol.
Helaas, de zee is uitgemoord! Van schulden wordt men ziek; En, wat er dààdlijks onder lijdt… De Urksche… romantiek.
Wat mij opvalt: in haar handschrift schrijft ze ‘Ons dorp gaat vliegend achteruit‘, wat in de latere versie werd vervangen door ‘Ons dorp gaat langzaam achteruit‘. Alsof ze wilde benadrukken dat de gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee langer doorwerken dan aanvankelijk gedacht. En misschien had ze daar wel gelijk in.
Dijkstra & Evenblij ter Plekke zonden 17 augustus jl. uit vanaf Urk en in een gesprek met Eva Vriend was bovenstaand fragment te horen.
En hier dan nog even vier seconden bewegend beeld van een proclamerende Mariap.
Met dank aan Els Knaapen, die mij op het audiofragment uit 1936 wees.
In de tijd dat Urk nog een eiland in de Zuiderzee was, vormde de winter een bijzondere uitdaging. Wanneer de zee dichtvroor, werd het eiland geïsoleerd van de buitenwereld. In deze barre omstandigheden kwam de ‘ijsvlet’ in actie: een speciaal ontworpen boot uitgerust met glij-ijzers, die zowel over ijs als door open water kon worden voortbewogen. Deze vletten waren essentieel voor het transport van voedsel, post en het verlenen van medische hulp tijdens de strenge winters.
De Urker vereniging ‘Hulp en Steun’
In 1897 werd op Urk de vereniging ‘Hulp en Steun’ opgericht. Deze organisatie beheerde meerdere ijsvletten en coördineerde reddingsacties voor schepen die vastzaten in het ijs. De bemanning van de ijsvlet, de ‘ijslopers’ genoemd, trotseerde vaak levensgevaarlijke omstandigheden om hulp te bieden en verbindingen met het vasteland te onderhouden. Deze tochten stonden bekend als ‘bloedreizen’ vanwege hun gevaarlijke en uitputtende karakter.
In het Urker dialect wordt met ‘bloedreis’ nog steeds een ‘hachelijke tocht’ bedoeld.
De laatste tocht
Met de aanleg van de dijk naar de Lemmer in 1939 en later de opening van de weg naar Emmeloord in 1948, verloor de ijsvlet zijn functie.
Toen dreigde de laatste overgebleven houten ijsvlet, gebouwd vóór 1870, te worden afgedankt en als brandhout te eindigen.
Dankzij het initiatief van oud-voorzitter van Hulp en Steun, Lubbertje (Lub) Kramer, werd de vlet echter in 1949 geschonken (tegen een onkostenvergoeding van 75 gulden) aan het Zuiderzeemuseum in oprichting in Enkhuizen, waar hij tot op de dag van vandaag wordt bewaard.
De laatste tocht van de ijsvlet voerde naar Enkhuizen. Niet over het ijs, maar over de weg: vastgebonden op een transportwagen.
De bloedreis nagespeeld
In datzelfde jaar werd in Enkhuizen een ‘Urkerdag’ georganiseerd. Het nieuwe museum zou al geopend moeten zijn, maar die opening werd een jaar uitgesteld. In plaats daarvan werd in de Drommedaris van de ‘Geuzenstad’ een ‘Zuiderzee Tentoonstelling’ georganiseerd. Naast de ‘Urkerdag’ werden ook een ‘Spakenburgerdag’ en een ‘Markerdag’ georganiseerd. Vol deelnemers in klederdracht, met muziek, toespraken, dans en voordrachten. In een ander, kort, fragment is de Urker dorpsdichteres Mariap van Urk te zien, die een toespraak houdt.
Misschien is de vlet op die dag wel feestelijk aan het Zuiderzeemuseum overhandigd, dat zou ik eens na moeten zoeken.
In het fragment zien we in ieder geval hoe de ijsvlet werd gebruikt. De ‘sterke mannen’ bonden ijzers onder hun voeten om grip te krijgen op het ijs. De ijsvlet werd vooruit geduwd of getrokken. Zeilen hielpen de ijsvlet wat meer ‘goffie’ te geven.
De Urker dichteres Mariap schreef in één van haar bundels: ‘De leden van de bemanning hadden het niet gemakkelijk, hoor! ’s Morgens vroeg kregen zij, voor hun uitvaart, eerst een bord erwten of bonen voor “vastigheid” in de maag. Daarna werd gebeden voor een goede overtocht. […] De tocht ging via Schokland, over de Ramspol naar Kampen. […] Was de vlet in zicht op Urk, na ’n moeizame tocht, dan liepen de jongelui van ons eiland de bemanning tegemoet, de zelen of spantouwen werden dan overgenomen, en de ijsvletters liepen achter de jongkerels aan. Dat was een triomftocht. […] Wat niet verdwenen is, dat is de rheumatiek, niet te verwarren met romantiek, van alle vissers die tot de bemanning van deze schuit hebben behoord. En in een hoekje van de kast staat nog wel het flesje “pérecheulie” (pijlrogolie) dat moeder de vrouw maar vast klaarzette, als onfeilbaar middel, om de oververmoeide gewrichten op gang te helpen, na een “bloedreis”.’ (Mariap van Urk, Urker ambachten en bedrijven. Enkhuizen: Vereniging van Vrienden van het Zuiderzeemuseum, 1955, p. 39.)
Deze toelichting hoort bij het gedicht ‘De ijsvlet’, dat in dezelfde bundel verscheen. Misschien droeg ze (een eerdere versie van) het gedicht wel voor tijdens de Urkerdag in Enkhuizen? Als handeling van overhandiging?
In De Waterkampioen (1951, no. 883 (feb), p. 69) schrijft drs. A. Schaper: ‘Ontroerend is de “Ode aan de oude Urker ijsvlet” gedicht door Mariap van Urk ter gelegenheid van deze overdracht, waarin zij de prestaties van de ijsvlet en de ontberingen van zijn dappere bemanning bezingt.’
De ijsvlet.
Oude, trouwe Urker ijsvlet! Bitter stevig vastgesnoerd, Werd jij, boven op een auto Naar de Geuzenstad gevoerd.
Over Zwolle, Utrecht, Mokum Ging je! Voor je laatste reis! Zal het wéér een “bloedreis” worden, Net als vroeger, over ’t ijs?
Menig barre Noordpool-winter Heb je goede dienst gedaan: En je voerde post en kranten, Ja óók levensmidd’len aan.
Op je allerláátste “ijsreis” Zat een stoomboot in de knel Tussen huizenhoge schotsen In ’t Zuid-West, zeg, weet je wel?
Hier van Urk af nauw’lijks zichtbaar Seinde men, uit bitt’re nood, Vrouwen en zelfs kind’ren waren In gevaar op deze boot.
Dapp’re mannen waagden ’t leven, Grepen spaak en roer en touw, Gingen onverschrokken vóórwaarts, Ondanks vorst en felle kou.
Piepend’ knarsten j’oude ijzers Krakend’ ging ’t gebinte mee… Wieg’lend, schuivend, zeilend, glijdend, Zeulde de bemanning mee.
God beloonde ’t ernstig streven: Vrouw en kind werd rijk gered: En in menig Urker woning Steeg een vurig dankgebed.
In het Zuiderzeemuseum, Treft men vele dingen aan… Doch ik smeek U, laat de ijsvlet Op een éreplaatsje staan!
De ijsvlet van Schokland
Niet alleen op Urk, maar ook in andere Zuiderzeeplaatsen zoals Schokland, Spakenburg, Wieringen en Marken werden ijsvletten gebruikt. Deze boten waren cruciaal voor het onderhouden van verbindingen tijdens strenge winters. Zo onderhielden de bewoners van Schokland contact met Kampen.
Op Schokland, de Middelbuurt, is nog de schuur te vinden van de Schokker ijsvlet. De ‘IJsloperschuur’ is tegenwoordig een Rijksmonument. Het ligt wat verscholen achter de niet-authentieke museumgebouwen in ‘Zuiderzeestijl’. De ijsloperschuur is wel authentiek, al is in de loop van de jaren natuurlijk veel houtwerk vervangen.
De IJsloperschuur op Schokland. Rijksmonument. Foto: Pa3ems, via Wikimedia Commons. CC BY-SA 3.0.
En de ijsvlet zelf? Die heeft de tijd helaas niet overleefd. Het zou nog eens een mooi kunstproject zijn om een ijsvlet na te bouwen…
‘Voor wat een bloedreis werd geheten’
Tegenwoordig herinnert een kunstwerk bij de ingang van het ‘oude dorp’ op Urk, gemaakt door kunstenaar Piet Brouwer, aan de moedige tochten van de ijsvletbemanningen. Bij het monument zijn de namen van de deelnemers aan de laatste tocht te vinden, namelijk: Albert van Veen, Reijer Post, Tiemen Weerstand, Cornelis Bakker, Hessel van Urk, Jaap van Veen, Jan Bakker, Jan Wakker, Teunis Pasterkamp en Johannes van Veen.
Het is mij onduidelijk of deze mannen ook in het bovenstaande filmfragment te zien zijn, of dat dit om andere Urkers gaat.
De ijsvlet door Piet Brouwer, 1992. Foto: Pa3ems, via Wikimedia Commons. CC BY-SA 3.0.
Bij deze ijsvlet – op schaal – schreef ‘meester’ Tromp de Vries een prachtig gedicht.
Een raadselachtig fenomeen: tien mannen die welhaast verloren in dichte nevels om zich heen, hun hakken in de schotsen boren.
Ze zijn nu gans en al alleen, er is geen mistsein meer te horen, en ’t licht dat van de vuren scheen ging in de grauwe nacht verloren.
Ze stonden met z’n allen klaar voor wat een bloedreis wordt geheten, en hebben huis en haard vergeten om in een tocht zo bang en zwaar, en menigmaal in doodsgevaar, zich met hun element te meten
Door de prominente plek van het monument wordt de herinnering aan de ijsvlet levend gehouden.
Begin 2018 gooide de Urker afdeling van de ChristenUnie nog een balletje op om de ijsvlet uit het Zuiderzeemuseum terug naar Urk te houden. Zo’n object hoort toch op Urk thuis? Een mooie campagnestunt misschien, maar ze vergaten voor het gemak van hoeveel belang de juiste conservering van zo’n minstens 150 jaar oud schip is.
Een ereplaats
De Urker ijsvlet werd in 1949 gered van de stook.
En er gebeurde waar dichteres Mariap op hoopte: al decennia heeft de Urker ijsvlet een ereplek in de vaste tentoonstelling van het Zuiderzeemuseum, onder collectienummer ZZM 000589.
De Urker ijsvlet in de schepenzaal in het binnenmuseum van Zuiderzeemuseum Enkhuizen. Datering foto onbekend. Bron: Zuiderzeecollectie / Zuiderzeemuseum Enkhuizen. CC BY-SA 4.0.
Voor deze post heb ik dankbaar gebruik gemaakt van: het artikel ‘IJsvlet gered van de sloop’, geschreven door Lub van den Berg, verschenen in het ‘Urker Volksleven’, mei 2020; de objecten van het Zuiderzeemuseum in de Zuiderzeecollectie (zie verwijzingen hierboven); de pagina op de website Flevolands Erfgoed over de ijsvlet door Piet Brouwer.
‘Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven, / Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’, / Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven / Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.’
Zo begint het bekendste gedicht van de Urker dorpsdichteres Mariap (Marretje) van Urk-Koffeman (wiki). Een emotioneel afscheid van een geliefde en gevreesde zee.
‘In de weer’ voor Mariap, woensdag 22 januari jl.
Afgelopen woensdag gaf ik, op uitnodiging van Herderewich, in Harderwijk een lezing over mijn overgrootmoeder Mariap.
Ik moest even nazoeken wanneer ik zoiets voor het laatst deed. Dat was alweer zes jaar geleden! Ik publiceerde daarna een bewerking van mijn lezing elders op deze website.
Er is een aardige stapel boeken verschenen over de Zuiderzee. Zo verschenen bijvoorbeeld ‘Eens ging de zee hier tekeer‘ en ‘Het eiland van Anna‘ van Eva Vriend. De bewoners van de kusten van de Zuiderzee, en hun nazaten, kregen dankzij deze boeken, het grondige onderzoek van Vriend, weer een stem.
Ronald Nijboer schreef ‘Wereldzee in de polder‘: een ontdekkingsreis langs de IJsselmeerregio, in het voetspoor van Henry Havard. Honderdvijftig jaar na het bezoek van Havard aan de Zuiderzeeplaatsen onderzoekt Nijboer hoe we zijn omgegaan met ons landschap en onze cultuur, mede aan de hand van gesprekken met bewoners.
Ook verscheen ‘Duivelseiland‘, van Mandy van Dijk. Ze deed uitgebreid en waardevol onderzoek naar op Urk geïnterneerde officieren tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Deze boeken dragen bij aan de aandacht voor de geschiedenis van de Zuiderzee. Hoe herinneren we ons de in 1932 verdwenen binnenzee eigenlijk? En was er tijdens de afsluiting en inpoldering van ‘ons zeetje’ eigenlijk aandacht voor die bewoners van de Zuiderzeeplaatsjes, de ecologische gevolgen, het verdwijnen van cultureel erfgoed?
Ze dragen ook bij aan mijn eigen onderzoek naar Mariap van Urk. Ze brengen nieuwe inzichten en maken dat ik gebeurtenissen beter kan plaatsen en met steeds meer zekerheid met elkaar in verband kan brengen.
Ook het onderzoek van Babs Boter naar Mary Pos, en de ontvangen mailtjes over Mariap en Mary, deden mij in de afgelopen jaren beter begrijpen met wie Mariap contacten onderhield.
Mary Pos was, net als Mariap, een mediapersoonlijkheid. Toch verstomden in de loop van de tijd hun stemmen. (Afgelopen woensdag was er in de zaal toch één persoon die de naam Mary Pos iets zei.)
De kracht van je stem, daar kon ik de lezing mooi mee openen. Lucia de Vries, die zo bijzonder veel onderzoek doet naar de Urker geschiedenis, ontsloot op haar website het verhaal van Lammertje Kramer. Iedereen in de zaal herkende Aletta Jacobs. Maar de naam van haar dienstmeisje Lammertje? De kracht van je stem wordt niet alleen bepaald door of je bijvoorbeeld man of vrouw bent, maar ook bijvoorbeeld door je sociale klasse, familiebanden, religie, huidskleur.
Een dankbaar bruggetje naar Mariap. De jonge Mariap gaat begin vorige eeuw ook ‘dienen’. Zwaar en ondankbaar werk, waarbij de ongelijke verhouding tussen werkgever en dienstbode altijd aanwezig is. (De podcast ‘Mina en mevrouw’ van Maartje Duin maakt dit onderwerp prachtig invoelbaar.)
In aanloop naar mijn afstuderen aan de Reinwardt Academie hoefde ik niet lang over een onderwerp na te denken. Wat betekent het fysisch antropologisch onderzoek, de roof van menselijke resten door wetenschappers, en de teruggaaf van de schedels, voor de inwoners van Urk?
Door de eerste coronalockdowns had ik niet de ruimte om het onderzoek breed uit te voeren. Het onderzoek bleef beperkt tot interviews met betrokkenen en bureauonderzoek. (Zo zou ik bijvoorbeeld de betrokken erfgoedinstellingen nog graag in het onderzoek willen meenemen. Misschien kan ik er daarna nog eens over publiceren.)
Ik kan dankzij dit onderzoek nu bijvoorbeeld inzichtelijk maken hoe de bewoners van de voormalige Zuiderzeeplaatsen werden uitgesloten van een plek in het ‘nieuwe land’, mede aan de hand van de bevindingen van de wetenschappers. Dat sprak ook de Harderwijker toehoorders aan. Dergelijk onderzoek werd in 1956 nog gedaan in Elburg.
Waar ik de laatste maanden meer over ben gaan nadenken: de ecologische gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee. Hoe had Mariap het gevonden dat de Waddenzee bijvoorbeeld nu UNESCO Werelderfgoed is? Hoe kunnen we met terugwerkende kracht de uitzonderlijke waarden van de Zuiderzee benaderen? Op het strand van Urk lagen zeehonden, er was eb en vloed, een rijk ecosysteem. De Zuiderzee als levend onderdeel van onze delta.
In de presentatie liet ik het volgende citaat zien: ‘De aanleg van de Afsluitdijk in 1932 is een huzarenstuk in onze strijd tegen het water. Tegelijk is het één van de grootste ecologische rampen die ons land ooit trof. Want hoe indrukwekkend dit iconische en meer dan dertig kilometer lange bouwwerk ook is, het betekende het einde van de Zuiderzee. En daarmee van een unieke binnenzee met bijzondere planten en dieren. De geleidelijke overgang tussen rivier en zee werd teruggedrongen tot één lijn.’ (Rijkswaterstaat, ‘Project Afsluitdijk. Aandacht voor de natuur’. December 2021.).
Ik kon in een volgende slide verwijzen naar de uitkomsten van het recente onderzoek ‘Afsluitdijk decimeerde biodiversiteit Zuiderzee en IJsselmeer’, door Jan-Eike Rossius, Maarten Kleinhans en Katja Philippart, waarover ze in maart 2023 publiceerden in het tijdschrift De Levende Natuur.
Toevallig las ik vandaag in NRC een artikel van eerdergenoemde Ronald Nijboer, dat afgelopen vrijdag verscheen. In ‘Hoe mijn oma haar horizon verloor‘ gaat Nijboer in op de beleving van natuur en landschap en de ecologische gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee. Zo’n goed geschreven essay, waarin verschillende invalshoeken worden uitgelicht, maakt dat ik beter begrijp hoe ik de stellingname in de twintigste eeuw tegen de Zuiderzeewerken op waarde kan schatten.
Terug naar de lezing. Richting het einde vroeg ik het publiek: ‘had Mariap van Urk misschien toch een klein beetje gelijk dat die Afsluitdijk er niet had moeten komen?’
Het voorkomen van de Afsluitdijk, en voorkomen dat die zee ingepolderd zou worden, kon ze in ieder geval niet. In een gedicht beschrijft Mariap een baggermolen van de Zuiderzeewerken: ‘Men vroeg mij vele malen / om in een dicht of lied / de molen uit te malen, / helaas, ik kan het niet!’.
Maar haar verslaglegging van de inpoldering en het eilandleven in proza en poëzie, haar verzet tegen de inpoldering, haar inzet voor het behoud van het immateriële en materiële erfgoed van Urk en de Zuiderzee, haar veelkleurige mediapersoonlijkheid, haar gigantische netwerk, maken Mariap tot een belangrijke stem in de geschiedenis van de Zuiderzee.
Wat bijzonder om met een groep mensen, zoals afgelopen woensdag in Harderwijk, over zulke onderwerpen na te kunnen denken. En goed om af en toe eens stil te staan bij het belang van onderzoek door historici, schrijvers, journalisten, wetenschappers – zolang het maar geen schedelmeters zijn.
Mariap moest eens weten: de Zuiderzeegeschiedenis is hot.
‘Onze wateren, van het IJsselmeer en de Waddenzee tot aan de Noordzee, worden almaar verder volgebouwd. Nederland kent een geschiedenis van ingrijpende veranderingen in het landschap. Iedere halve eeuw ziet de landkaart er weer anders uit dan daarvoor. Dat zal over vijftig jaar niet anders zijn. We kijken daarbij vooral vooruit, zonder stil te staan en om te kijken wat er allemaal verloren gaat. Zonder te begrijpen in wat voor land onze ouders en grootouders leefden. Bij het vormgeven van onze toekomst kan het geen kwaad om af en toe eens door de ogen van onze grootouders te kijken.’
Zo besluit Ronald Nijboer zijn essay. Met een prachtige slotzin.
Laten we inderdaad eens wat meer door de ogen van onze (over)grootouders kijken. En houden we niet alleen de herinnering aan de Zuiderzee levend, maar ook aan al die mensen die, soms tegen de keer, zich ingezet hebben voor al het erfgoed, de verhalen en de gemeenschappen rondom dat zeetje.
Eerder verscheen de tekst van een korte een ingekorte lezing uit 2019 over Mariap van Urk elders op mijn blog. De grootvader van Mariap komt aan bod in mijn artikel over het Dialecticon. Een artikel over Mariap en de dijken van de Noordoostpolder verscheen eerder deze week.
Op 3 oktober 1939 om 14.44 uur wordt het laatste gat in de dijk tussen de Lemmer en Urk gedicht. Urk is vanaf dat moment geen eiland meer, maar een schiereiland. Het zal onderdeel worden van de latere Noordoostpolder, welke in 1942 droogvalt.
In 1936 begint de aanleg van de, in totaal, 55 kilometer lange ringdijk rond de toekomstige Noordoostpolder, onderbroken door het eiland Urk. In het IJsselmeer worden meetpunten voor het dijktracé uitgezet en bij de Lemmer en Urk worden werkhavens aangelegd.
Er is veel belangstelling voor het werk. Tijdens een excursie in 1938 kan hoofdingenieur De Blocq van Kuffeler de verzamelde pers melden dat al 14 kilometer dijk is voltooid tussen de Lemmer en Urk.
Leve de oude Polygoonjournaals! Natuurlijk moet dit grootse verhaal, namelijk de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee, goed gedocumenteerd worden. Het geeft Nederland in die jaren, de woelige crisisjaren (met oorlogsdreiging), een gevoel van trots.
In 1937 is de Zuiderzee al vijf jaar verleden tijd. Gestaag gaan de werkzaamheden verder. Na de Wieringermeer en de Afsluitdijk is het nu tijd voor de ‘Noord-Oostelijke Polder’. De beelden van de grijpers en het geweld van het water zijn indrukwekkend.
Twee jaar later, in 1939, is het al zover: de dijk is bijna gereed. Het ‘laatste schepje’ is een mooi nieuwshaakje, zo moeten de journalisten hebben gedacht. Bij de Afsluitdijk hebben ze immers hetzelfde gedaan.
Op 3 oktober 1939 is Urk geen eiland meer. Een mooie titel.
We zien de baggermolens en grijpers die de keileem ten behoeve van de dijk aanleveren. De kijker krijgt een beeld van het proces van de aanleg van de dijk, hoe de zinkstukken worden geplaatst en hoe puin en steen ter versteviging worden toegevoegd.
In een shot vaart een klein bootje door een van de laatste sluitgaten, waarin de sterke stroming te zien is. De sluiting van het laatste gat komt in zicht, schepen zijn feestelijk gedecoreerd met vlaggetjes.
Een vrouw in Urker klederdracht houdt een grote Nederlandse vlag vast. We zien een schip van Zanen & Verstoep, met zwaaiende arbeiders. De burgemeesters van Urk en de Lemmer drukken elkaar de hand op een smalle plank.
Daarna een shot van een Urker man, op zijn rug gefilmd, kijkend naar de nieuwe dijk, waarmee zijn eiland ophoudt te bestaan. Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij!
Tenslotte een Urker vrouw (waarvan ik vrij zeker ben dat het mijn overgrootmoeder Mariap van Urk-Koffeman is) die de was uithangt, met de dijk op de achtergrond.
In ieder geval staat vast dat dorpsdichteres en erfgoedhoedster Marretje van Urk-Koffeman (wiki) (blog) bij de feestelijke gebeurtenis aanwezig is. Ze staat zelfs prominent op het schilderij ‘Het laatste schepje’ van Van Mastenbroek, gemaakt in 1939-40. Van Mastenbroek deed beeldend verslag van het grote nationale wonder.
‘Het laatste schepje’, Van Mastenbroek, 1939-40. Enkhuizen: Zuiderzeemuseum / Zuiderzeecollectie.
Op het schilderij zien we deftige mannen in het zwart en werkvolk met lichtere kleren aan. En Mariap van Urk in Urker klederdracht. Het is geen gekke gedachte dat het Mariap is aan het einde van de film, natuurlijk zou ze ja zeggen op de vraag of ze voor of na 3 oktober 1939 voor de camera haar was wilde ophangen.
De gebeurtenis zette Mariap aan tot het schrijven van haar meest bekende gedicht ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’, verschenen in haar gelijknamige dichtbundel in 1949.
Vaarwel, mijn Zuiderzee; de deining van je golven, Die eeuwenlang ons in de sluimer sust’, Ligt roerloos thans: daar is een graf gedolven Voor uw bestaan en ’s vissers levenslust.
Vaarwel, mijn Zuiderzee; gedenken wij de doden, Die eenzaam rusten in je stille schoot, De vissers, die voor dagelijkse noden, Zich waagden op je wiegelende vloot.
Vaarwel, mijn Zuiderzee; de wielen der gemalen, Zij went’len dreunend aanstonds, dag en nacht En rusten niet, aleer gij drooggemalen, Al bloeiend in cultuur zult zijn gebracht.
Vaarwel mijn Zuiderzee; wij zullen niet versagen, Uw stervenswee een nieuwe toekomst baart, Waaraan wij bouwen: en waarop wij vragen Gods zegen! Die aan arbeid is gepaard.
Als de socialistische VARA op 11 juli 1940 een bezoek brengt bij de gereformeerde dichteres, laat zij haar kinderen liedjes zingen en spreken de journalisten met Mariap op onderhoudende toon. In hetzelfde interview draagt Mariap haar gedicht voor, in een nog wat andere vorm dan hoe het uiteindelijk gepubliceerd zou worden.
We zitten dan al in de Tweede Wereldoorlog, de VARA zou niet veel later worden overgenomen door de gelijkgeschakelde Rijksradio-omroep. Het werk in de polder ging gewoon door: de bezetter zag zo’n mogelijke graanschuur ook wel zitten.
De dijk tussen Urk en Kadoelen (de ‘Kaamperdik’) komt 13 december 1940 om 13.52 uur klaar. Ook hier is Mariap getuige van. De stemming is dan wel iets anders dan bij de sluiting van de eerste dijk: nu geen vlagvertoon, maar een sobere viering.
Op rijm, uiteraard, doet ze verslag van de sluiting. ‘Een dag gelijk aan alle and’re dagen’. Wat opvalt is haar ontzag voor de ingenieurs en arbeiders, die de plannen uitvoeren waar Mariap eerst zo hevig tegen protesteerde. En dan haar patriottisme! ‘O, Hollands ras! Zoo taai en onbewogen’. Toch geen ongevaarlijke passage ten tijde van schrijven…
‘Het laatste sluitgat’, Marretje van Urk-Koffeman, 1940. Urk: privéarchief.
Onder redactie van de zoon van Mariap van Urk, dorpshistoricus Albert van Urk (wiki), verschijnt in 1989 het boek ‘Daar werd een dijk gelegd…’ (download) bij Stichting Urker Uitgaven. De titel is ontleend aan een zin uit bovenstaand gedicht.
In het boek zijn interviews met ooggetuigen van de aanleg van de dijken opgenomen, alsmede gastbijdragen over de visserij, de oorlogssituatie, het hergebruikte puin van het platgebombardeerde Rotterdam, de archeologische vondsten in het jonge polderland, Urkers die boer wilden worden, kunstenaars ten tijde van de inpoldering, de sociaal-economische situatie op Urk en natuurlijk… Mariap van Urk, de dichteres van de drooglegging.
Op 3 oktober 1989, precies 50 jaar na de gereedkomen van de eerste dijk, zendt de AVRO een reportage uit, met daarin een interview met Albert van Urk.
Maar Urk is pas echt eiland-af in 1948, als Urk een wegverbinding krijgt met de rest van de polder. Pas zes jaar na de drooglegging van de polder in 1942. Tot 1948 gaan de Urkers nog naar Kampen, naar het ziekenhuis bijvoorbeeld, met een bootverbinding. Of wandelend over de dijk.
Op goed water, betrouwbare elektriciteit en aardgas moeten de Urkers dan nog wat jaren wachten.
Mariap, de vrouw die zich aanvankelijk zo verzette tegen de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee, omarmt uiteindelijk de toekomst. Wel blijft ze zich telkenmaal kritisch uitspreken en zet ze zich onvermoeibaar in voor het behoud van het Urker cultureel erfgoed.
Ook staat haar deur voor iedereen open: van journalisten, tot nonnen, tot dijkwerkers. ‘Een vrouw met een groot hart. Dat ondervonden de polderjongens die, ver van huis, bij haar een thuis vonden.’, zo besluit haar zoon Albert het hoofdstuk in ‘Daar werd een dijk gelegd’ over zijn moeder.