In het kader van de Maand van de Geschiedenis gaven schrijver en socioloog Ronald Nijboer en maritiem archeoloog Yftinus van Popta afgelopen weekend een lezing rondom het thema ‘De Zuiderzee en het veranderende landschap’ in de Enserkerk op Schokland.
Ronald Nijboer, eigen foto.
In zijn boek ‘Wereldzee in de polder‘ onderzocht Nijboer hoe het Zuiderzeegebied in 150 jaar veranderde. Hij maakte dezelfde reis als Henry Havard, die in 1873 het gebied ‘ontdekte’ en beschreef. Wat trof Havard aan tijdens zijn reis? En hoe gaan we om met het IJsselmeer, Markermeer en IJmeer en welke lessen kunnen we trekken uit het verleden? Nijboer haalde het begrip ‘Natuuramnesie‘ aan. De beleving en de kennis van de natuur, zoals die was in de tijd van onze (groot)ouders, verdwijnen uit ons collectieve bewustzijn, aldus Nijboer. Naast wetenschappelijke gegevens kunnen we ons ook een voorstelling maken van het landschap van onze voorouders aan de hand van bijvoorbeeld reisverslagen, zoals die van Havard of Fred Thomas.
Yftinus van Popta, eigen foto.
Van Popta deed onderzoek naar het gebied wat we nu kennen als de Noordoostpolder. In zijn proefschrift ‘When the Shore becomes the Sea‘, waarop hij in 2020 promoveerde, toonde hij aan hoe het gebied van 1100 tot 1400 veranderde: van veengebieden met meren tot open zee. Voor zijn onderzoek combineerde hij verschillende datasets. Zo kon in kaart worden gebracht waar middeleeuwse nederzettingen, zoals bijvoorbeeld Nagele, gesitueerd waren en hoe het ontstaan van de Zuiderzee het leven binnen de gemeenschappen en hun leefomgeving voorgoed veranderden. Hoe een multidisciplinair onderzoek in zijn werk gaat, illustreerde Van Popta aan de hand van zijn onderzoek naar de Dinkla-ramp.
In mei 1932 werd het laatste gat in de Afsluitdijk gesloten. Het brakke water van de voormalige Zuiderzee zou vanaf dan steeds zoeter worden. Op 20 september 1932 kreeg de nu afgesloten binnenzee een nieuwe naam: Zuiderzee werd IJsselmeer. Dat die zee een meer werd, zorgde voor grote veranderingen in de flora en fauna. Waren de beestjes en de plantjes in het gebied al voor de afsluiting van de Zuiderzee geliefde onderwerpen voor biologen; de post-Afsluitdijksituatie zorgde voor hernieuwde interesse.
Toen de Noordoostpolder in 1942 droogviel waren de voormalige eilanden Schokland en Urk gemakkelijk te bereiken. Tijdens de oorlog verbleef bijvoorbeeld de biologiestudent Ingvar Kristensen “100 dagen” op Schokland en hield daar een dagboek bij.1 Ook andere onderzoekers en studenten bezochten Schokland.
Eerder al, vlak na de afsluiting, leidde dr. J.H. Schuurmans Stekhoven een excursie naar Schokland. Tijdens de zomer van 1933, het water was nog niet helemaal verzoet, verbleven biologiestudenten op het eiland onder zijn leiding en deden daar veldwerk.
Op 29 augustus 1933 verscheen in de Telegraaf een artikel van zijn hand over de aanleiding van de excursie: ‘De keus van Schokland was uit meer dan een opzicht gemotiveerd. Schokland toch zal, als de voorteekenen niet bedriegen, niet lang meer Schokland zijn. Wanneer men den Noordoostelijken Zuiderzeepolder gaat winnen, wordt Schokland voor de eerstkomende eeuwen stevig aan het vasteland van Nederland verankerd en dan zal zeer spoedig het karakter van dit bijna verlaten niemandsland een grondige wijziging ondergaan. Voordat dit gebeurt willen wij vastleggen hoe de toestand in 1933 was: dus voordat de mensch duurzaam in het lot van Schokland van thans ingreep.’2
Aan de excursie zouden voornamelijk studenten deelnemen van de Universiteit Utrecht en enkelen van de Groninger universiteit. Onder de twintig deelnemers bevonden zich ‘zes dames’,3 zo berichtte de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant. Een bijzonderheid voor die tijd…
Over het Utrechtse karakter van de excursie grapte Schuurmans Stekhoven: ‘Dra zal Schokland, dat in de tweede helft der veertiende eeuw een twistappel vormde tusschen de heeren Van Voort en Kuinre en den bisschop van Utrecht, waar in 1555 Jan van Zoudenbalch, zoon van een aanzienlijk patricisch geslacht In Utrecht den scepter zwaaide, opnieuw door Utrechtenaren worden bezet, zullen de Utrechtenaren het gezegde; On revient toujours à ses premières amours, men keert altijd tot zijn eerste liefde terug, waar maken.’4
Luchtfoto van Schokland in 1933. Publiek domein.
On revient toujours à ses premières amours… Ach, die aantrekkingskracht van Schokland.
In Kampen werd een botter gehuurd5, en de oversteek werd gemaakt naar Schokland. Op de Middelbuurt, rondom en in het kerkje, werd het kampement opgezet.6 Er werd van alles onderzocht: van steekmuggen tot slijkgapers en van zoutminnende planten tot kreeftjes.7 Het aardige van de excursie, volgens Schuurmans Stekhoven: ‘dat wij de overgangen van het zoete water naar het zoute ter plaatse zien en waarnemen kunnen’.8
Ik beeld mij in hoe ze daar rondliepen: een bonte stoet aan studenten en universiteitsdocenten, banjerend over het bijna verlaten eiland, vol spanning, verrukt over steeds weer een nieuw vergezicht of klein beestje, opgewonden over het komende studiejaar en het ontluikende studentenleven. Er was tijd voor ontspanning: er werd gezwommen, studenten in hun kleurige badpakjes. O zomeravond, o zover van huis te zijn…
Een van die studenten was, tot mijn verrassing, de dichter, bioloog, schilder en schrijver Leo Vroman. In 1932 begon hij aan een studie biologie aan de Universiteit Utrecht. Hij was achttien tijdens de excursie naar Schokland. ‘Leo genoot. Ze dwaalden over zee met netten om plankton te verzamelen, keken vogels op het strand, bestudeerden vogels, vissen, krabbetjes. Het kwam tegemoet aan zijn verlangen naar kleine beestjes, zijn honger naar het leren kennen van vreemde organismen die hem gelukkig maakten, echt gelukkig, duizelig van genoegen.’9
Bovendien bracht de excursie naar het eiland nog iets: ‘voor het eerst in een ruimte met meisjes [daar zijn die ‘dames’!] van zijn leeftijd die hij met al zijn biologische interesse prachtig vond, en begeerlijk, en onbereikbaar ver weg’10. Ach, die begeerte naar de onbekende en onbereikbare medestudent.
Leo Vroman op Schokland in 1933, met planktonnet. Herkomst afbeelding is mij onbekend.
Vroman zelf: ‘Ik leek wel verliefd op alle dieren behalve parasieten en kon zelfs behoorlijk opschieten met planten vanwege hun zo aandoenlijk openlijke geslachtelijke gedrag. Ja, er waren ook een paar meisjes om wie ik wel graag mijn armen heen had geslagen om allerlei biologisch acceptabele dingen mee te doen, maar ik deed ze nooit want hun vreemde ouders, broeders, ondergoed en ideeën waren alleen in mijn verbeelding al angstwekkend.’11
Na de inval van de nazi’s maakte de joodse Vroman de oversteek (in een zeiljacht) naar Engeland, vocht hij in gekoloniseerd Nederlands-Indië (waar hij eerst zijn studie afrondde), kwam hij terecht in jappenkampen… Uiteindelijk vertrok hij naar de Verenigde Staten, waar hij zijn liefde van voor de oorlog huwde, waar hij werkte en woonde, tot hij in 2014 overleed. Zijn bekendste dichtregels zijn de slotregels van “Vrede”: ‘kom vanavond met verhalen / hoe de oorlog is verdwenen / en herhaal ze honderd malen: / alle malen zal ik wenen.’12
On revient toujours à ses premières amours, men keert altijd tot zijn eerste liefde terug. Dat de oude Vroman soms nog aan die jonge Vroman, op dat kleine, onbewoonde eilandje in de Zuiderzee, terugdacht, blijkt uit het volgende, prachtige gedicht, ruim zestig (!) jaar na de excursie gepubliceerd.
Schokland
Doordat de Zuiderzee rondom verzoette krioelde het er kort van jonge biologen Om (o die blonde met haar blauwe ogen!) plankton te vissen en planten op te wroeten.
In de kerk van Emmeleroord (o die blonde met haar blauwe ogen!) hingen de badpakken van toen te drogen en ’s nachts werd er door de kerk van Emmeleroord niets dan wat gewoel op die gezonde strozakken aangehoord.
Het is nu meer dan zestig jaren later. O zij is ontslapen, wij anderen zijn bejaard, en verheven door het uitgestorven water ligt Schokland zelf levend opgebaard.13
O, die blonde met haar blauwe ogen. Dat die badpakken in de Enser kerk en niet in de Emmeloorder kerk (die was toen al decennia afgebroken) te drogen hingen, vergeven we Vroman maar.
‘[…] verheven door het uitgestorven water ligt Schokland zelf levend opgebaard’. Schokland als een bejaarde die ooit een diepe indruk maakte op de jonge dichter-bioloog. On revient toujours à ses premières amours.
(Om de cirkel rond te maken: het oorlogsmonument in Emmeloord [de naar Emmeloord vernoemde plaats in de Noordoostpolder, volgt u het nog?] draagt de bekende regels uit “Vrede”.)
Niet alle ingangen in het archief van Beeld en Geluid zijn publiek toegankelijk. Ik werd afgelopen maand getipt op een audiofragment van Mariap van Urk-Koffeman, waarvan ik zelf het bestaan niet wist. Wat is dat toch steeds een sensatie, als je bewegend beeld of audio ontdekt van bijna honderd jaar geleden.
In de betreffende reportage van de AVRO, op 5 november 1936, draagt ze haar gedicht ‘Waarde-Vermindering’ voor.
Een cadeautje, want er is maar weinig audiomateriaal of bewegend beeld van Mariap van Urk bekend. Een fragment uit 1940, voor de VARA, kende ik al wel. Nu dus een fragment van nog een kleine vier jaar eerder. Toch bijzonder dat ze, als trouwe aanhangster van Colijn, meewerkte aan programma’s voor resp. de liberale en socialistische omroepen.
Bij haar handschrift lezen we over de inhoud van het gedicht: ‘Na de drooglegging van de Zuiderzee werd een commissie benoemd die de netten en het vischtuig herwaardeerde en de visschers kregen waarde-vermindering van hun netten, door deze Regeerings Commissie, vergoed. Wat nooit vergoed werd, leest u in dit versje.’
Het gedicht verscheen, in een ietwat gewijzigde vorm, in 1949 in haar eerste bundel ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’.
Waarde-Vermindering
Aan d’oever van het IJsselmeer Een jonge visscher zat, Hij staart, al droevig, in den plas, Hij, die geen toekomst had.
Drie vischjes wierp hij, moedeloos, Mistroostig, in de zee… En sprak: ,,Die botjes, half vergaan, Wat moet ik daar nu mee?
Mijn gansche vischwant in de war, De hoekers vol van wier… Het visschen in dien dooden plas Is dat tot mijn pleizier?
Het water in het IJsselmeer Zoo zoetjes aan verzoet… Ach, dat mijn visch die zoete dood Voorzeker sterven moet.
Ons dorp gaat langzaam achteruit Door ’t leggen van een dijk: Wij hadden altijd werk en brood, Al waren wij niet rijk.
Wat vischte in de Zuiderzee Op haring, bot en schol Hij vocht voor ’t rijke avontuur Van zilvernetten vol.
Helaas, de zee is uitgemoord! Van schulden wordt men ziek; En, wat er dààdlijks onder lijdt… De Urksche… romantiek.
Wat mij opvalt: in haar handschrift schrijft ze ‘Ons dorp gaat vliegend achteruit‘, wat in de latere versie werd vervangen door ‘Ons dorp gaat langzaam achteruit‘. Alsof ze wilde benadrukken dat de gevolgen van de afsluiting en inpoldering van de Zuiderzee langer doorwerken dan aanvankelijk gedacht. En misschien had ze daar wel gelijk in.
Dijkstra & Evenblij ter Plekke zonden 17 augustus jl. uit vanaf Urk en in een gesprek met Eva Vriend was bovenstaand fragment te horen.
En hier dan nog even vier seconden bewegend beeld van een proclamerende Mariap.
Met dank aan Els Knaapen, die mij op het audiofragment uit 1936 wees.
Voor de Tweede Wereldoorlog begint de aanleg van de Noordoostpolder, de eerste polder van Flevoland. Schokland, een verlaten eiland in de voormalige Zuiderzee, ligt in het midden van die beoogde polder. De bezetter ziet de aanleg van de polder wel zitten: het zal zorgen voor voedselvoorziening. De inpoldering gaat tijdens de oorlog dus gewoon door.
Bovendien krijgen arbeiders in de Noordoostpolder vrijstelling van de verplichte ‘arbeitseinsatz’ in Duitsland. Het werk is zwaar: veel van de sloten en greppels werden met de hand gegraven. De leefomstandigheden zijn slecht. Ook duiken veel Nederlanders in de polder onder. Er vinden razzia’s plaats. De polder krijgt na de oorlog de bijnaam ‘Nederlands Onderduikers Paradijs’.
Eerste pagina van het schrift van Ingvar Kristensen. Afbeelding: collectie Museum Schokland.
Ingvar Kristensen
Ingvar Kristensen (1918-1996) is geboren in Leiden. Al op jonge leeftijd blijkt zijn liefde voor de natuur, want zijn hele kamer staat volgebouwd met aquaria. Een studie biologie ligt dus voor de hand. In het kader van zijn studie besluit de jonge Kristensen in 1941 de natuurontwikkeling in de nieuwe, slecht bereikbare, Noordoostpolder te gaan onderzoeken. Dat brengt hem nog datzelfde jaar naar de polder. Hij bezoekt enkele malen Schokland. Het eiland is dan nog niet eens drooggevallen.
100 dagen op Schokland
Hij vestigt zich in 1942 bij de oude haven van Schokland. ‘Het verblijf van 100 dagen op Schokland’ schrijft hij in zijn dagboek. Kristensen wil langere tijd op Schokland verblijven. Hij voert daarvoor als reden aan:
‘Schokland bleek zowat het centrum van flora en fauna van den N.O.P. te zijn. Het ligt echter bijna 15 KM. van Kampen vandaan; de weg Kampen-Ramspol was dikwijls één geglibber door de modder, dan weer een gezeul met je fiets door het mulle zand voor den nieuwen weg. Dan moest men tweemaal overgezet, en dán kwam nog het ergste, het gebagger door de klei. Het zou teveel tijd kosten om dit althans eenige malen per week te doen, terwijl men bij een verblijf op Schokland vrijwel elke dag of elk gewenscht uur aan het onderzoek kan besteden.’
In eerste instantie vestigt hij zich in de schapenschuur van havenmeester Spit. Hij maakt uitgebreide beschrijvingen van hoe hij de schuur inricht, welke lichamelijke oefeningen hij verricht, hoe hij aan schoon drinkwater komt en hoe hij aan eten komt (onder het kopje ‘Het Fourageeren’).
Met Pinksteren verlaat hij Schokland voor een paar dagen, waarschijnlijk om familie te bezoeken. Als hij naar Schokland terugkeert, is er ingebroken in zijn provisorische woning. Kristensen geeft de moed niet op en neemt nu intrek in het huis van de havenmeester: de lichtwachterswoning.
Het tweede onderkomen dat Kristensen betrok was de lichtwachterswoning, nu Rijksmonument de Lichtwachter. Deze foto is ingeplakt in het schriftje. Afbeelding: collectie Museum Schokland.
Moerasandijvie
Hij tekent zijn belevenissen op in een schrift. En dat zijn er heel wat. Op scherpzinnige wijze en soms met een kwinkslag doet hij verslag van de gemakken en ongemakken die hij ondervindt. Hij ontmoet onbekende en bekende mensen, zoals de heer Modderman. Deze jonge archeoloog maakt naam door zijn opgravingen en onderzoek van scheepswrakken in de polder.
In de aantekeningen van Kristensen is vanzelfsprekend ook veel aandacht voor de ontluikende natuur:
‘Heel opvallend was de moerasandijvie die er zich geweldig ontwikkelde. De zeeaster bloeide in alle variaties rondom Schokland. Op het eiland zelf waren de velden zilverschoor en Cochlearia [lepelblad, red.] soms schitterend. […] Als plantaardige bijzonderheid had Schokland een spichtige vorm van waterpest (Elodea canadensis angustifolia), die in de lagunen bloeide en groeide, dat het een lust was. Ik was de eerste, die deze vorm in Nederland vond.’
Tekeningen van de landafslag van Schokland in het betreffende schrift van Ingvar Kristensen, door hemzelf getekend aan de hand van eerdere bronnen. Afbeelding: collectie Museum Schokland.
Onderzoek in de oorlog
Zijn dagboekaantekeningen geven een uniek beeld van de eerste jaren van de bezetting, maar ook van de vroege vegetatie op de voormalige zeebodem, de nieuwe diersoorten en hoe de Zuiderzeewerken verlopen.
Kristensen kan in relatieve vrijheid, tussen de werkkampen en het toezicht van de bezetter, zijn onderzoek doen. Toch blijkt uit zijn aantekeningen dat hij kritisch staat tegenover de bezetting.
‘De oude burgemeester van Kampen was afgezet omdat hij weigerde om koninklijke namen van straten te veranderen. Opvolger werd Jonkheer van Sandbergen, die zich als N.S.B.-leeraar op de koloniale Landbouwschool te Deventer geheel onmogelijk gemaakt had. In Kampen bemoeide hij zich met alles. Eens stond hij op de IJselbrug en zag, hoe een schip zonder vaart te verminderen de brug passeerde. Hij riep den schipper toe, maar die hield zich doof. De burgemeester wond zich hierover op en riep tenslotte: “Weet je wel, wien je voor je hebt? Ik ben de burgemeester van Kampen!” De schipper keek even op en riep: “Ha, ha! Hoe lang nog?” Kort daarop werd de burgemeester door een “goeden” controleur betrapt op het binnensmokkelen van zwart vleesch. Hiermee werd zijn positie onhoudbaar en kon hij niets anders doen dan maar naar het Oostfront te vertrekken.’
Kristensen beschrijft zijn ontmoetingen op Schokland maar ook in andere plaatsen, zoals Kampen, Kuinre en Urk. Op Urk overnacht hij in Hotel Havenzicht, getuige het bonnetje dat ingeplakt zit in zijn schriftje.
Nota van Hotel Havenzicht (Weduwe A. Brouwer – Urk [WABU]) uit 1942, ingeplakt in het schrift. Voorburg is in die tijd een geliefd sinaasappelbittertje. Afbeelding: collectie Museum Schokland.
Uniek document
Het moedige en avontuurlijke onderzoek van Kristensen raakt in de vergetelheid, tot Museum Schokland in 2022 een schenking krijgt van de nazaten van de bioloog: zijn schriftje. Een uniek document dat zowel een beeld geeft van het leven tijdens de oorlog als van de flora en fauna in de prille polder.
Het geeft meer inzicht op de unieke waarden van Werelderfgoed Schokland en omgeving. Want mede door de inpoldering en het Wederopbouwgebied rondom het voormalige eiland, verkrijgt Schokland, als eerste plaats in het Koninkrijk, in 1995 een plek op de Werelderfgoedlijst.
In september 2022, tachtig jaar nadat de Noordoostpolder droogvalt, zendt Omroep Flevoland een documentaire uit over het prille begin van de polder. Het is dan de laatste week dat ik bij Museum Schokland als communicatiemedewerker in dienst ben. Een mooie afronding van deze functie.
Afscheid van Schokland
In september beginnen de dagen korter te worden. Het wordt voor Kristensen tijd het eiland te verlaten. Precies in die maand valt de polder officieel droog. Kristensen is hier dus getuige van. Het langdurige verblijf eindigt met een paar ontroerende zinnen:
‘Het afscheid van Schokland was allerminst droevig. Ik had er van gehad, wat ik er van hebben wilde, en dat gaf groote voldoening. De zomer was voorbij, en het was misschien wel de mooiste zomer geweest, die ik ooit gehad heb, want mooier wijze om de schepping te leeren kennen, is haast niet denkbaar.’
In oktober keert hij nog eens terug. In het voorjaar van 1943 probeert Kristensen zich opnieuw voor een langere periode op Schokland te vestigen, maar: ‘[…] juist, toen ik mijn intrek daar zou nemen, veroorzaakten de Duitsche maatregelen mijn spoedig vertrek uit den polder, zoodat ik mijn werk aan anderen moest overlaten.’
Ingvar Kristensen (midden) op een foto in het schrift. Afbeelding: collectie Museum Schokland.
Bij zijn vertrek van Schokland wordt de trein, waarin hij zit, beschoten door een geallieerd vliegtuig. Kristensen overleeft de beschieting, maar de wagon waarin zijn bagage (met zijn onderzoeksresultaten) zit, wordt volledig vernietigd. ‘Het verlies van alles waarvoor hij zo lang en met zoveel ontbering had gewerkt was een grote slag’, schrijft C. Swennen in een in memoriam in 1996 (BASTERIA, 60: 195-200, 1996). ‘Zijn korte artikel in Het Aquarium van 1944 [De vestiging van enkele waterplanten en dieren in de N.O.-polder. – Het Aquarium 14 (10): 85-86, 91.] is het enige wat er van dit onderzoek is vastgelegd.’
Maar dan is er natuurlijk nog dit schriftje, nu veilig in de collectie van Museum Schokland. Ook online te raadplegen via de website van Museum Schokland.