Een schuldige stad?

In Wim Wenders’ film Der Himmel über Berlin uit 1987 staat Homer centraal, een Joodse man, die als enige van zijn familie de oorlog overleefde. Zonder expliciet aan de holocaust te refereren, klinkt het naziverleden van de stad in de hele film door. Ook de muur, de deling van de stad na de oorlog, is niet meer dan een voortzetting van de Tweede Wereldoorlog, zo vertelt de film: als Homer over de Potsdamer Platz loopt ziet de kijker verwoesting, leegte en de Muur, maar Homer het Joods Berlijn van voor de oorlog, waarmee een onwerkelijk beeld wordt opgeroepen.

Na de val van de Muur in 1989 kwam Berlijn in een turbulente tijd terecht. De stad, met zijn krakers en ravefeesten, groeide uit tot hét modern-culturele centrum van West-Europa: eerst kunstenaars en vervolgens young urban creatives en tenslotte de start-ups wisten hun weg naar de herenigde stad te vinden. Als er een Europese stad gegentrificeerd is, dan is het wel Berlijn.

Der Himmel über Berlin (eigen foto, 2021)

Ook de naoorlogse Joodse gemeenschap wist haar weg terug naar Berlijn te vinden. Veel Joden uit de voormalige Sovjet-Unie kwamen naar de stad. Het laatste decennium trekken ook veel jongere Joden, voornamelijk Israëli’s, naar Berlijn.[1] Ze komen terecht in een stad waar de meeste sporen van de eeuwenoude Joodse geschiedenis zijn uitgewist. Een plaats met een schuldig verleden.

En daarvan is de Duitse samenleving zich terdege bewust. De naoorlogse identiteitscrisis – hoe heeft dit kunnen gebeuren? – mondde al gauw uit in een gevoel van schaamte, waarmee de naziperiode en daaruit voortkomende Sjoah in al zijn gruwelijkheid een onbespreekbare periode leek te worden. Ook de schuldvraag liet zich maar moeilijk beantwoorden. Waren de Duitsers niet ook slachtoffer geweest?[2]

Het opruimen van de puinhopen van de periode ’33 – ’45 leidde echter geenszins tot een breuk met het verleden. In het naoorlogse Duitsland was de oorlog iets alledaags geworden, een collectieve herinnering werd verdoofd door de wederopbouw: ook al kregen mensen met een discutabel verleden een nieuwe plek in het bestuur, ook al had ieder gezin wel een verhaal over de oorlog en de eigen schuld; de blik moest vooruit.

Plek van herinnering of toeristische attractie? (eigen foto, 2021)

Het zou tot de jaren ’80 duren tot er sprake zou zijn van een Erinnerungskultur. Na een fel debat tussen een conservatief progressief Duitsland ontstond geleidelijk een nieuwe vorm van herinneren, een beleving die verder ging dan het onbespreekbaar laten.[3] En uit deze nieuwe herinneringscultuur kwamen ook de moderne monumenten voort.

In 2001 werd het Jüdisches Museum Berlin, het Joods Museum in Berlijn, geopend, ontworpen door Libeskind. De Pools-Joodse architect geniet in Nederland voornamelijk bekendheid vanwege zijn ontwerp voor het onlangs gerealiseerde Holocaust Namenmonument aan de Weesperstraat. De gevel van het Joods Museum, waarin je een uitgevouwen Davidsster in zou kunnen herkennen, staat symbool voor de leegte die na de holocaust achterbleef in het straatbeeld van Berlijn.[4]

Het Joods Museum is behalve een klassiek, informerend museum een plaats die een onvergetelijke ervaring bij de bezoeker opwekt. Door de slimme architectuur en de zorgvuldig gekozen objecten maakt de bezoeker een reis waar negatieve emoties worden opgeroepen – welk effect ook te merken is tijdens een bezoek aan het Holocaust Namenmonument. Het gebouw laat de bezoeker verhouden tot het leed van de Joden in Duitsland. Deze intrinsieke ervaring is waar het Joods Museum bekend om staat.

Wie vanaf het Joods Museum de voormalige loop van de Muur richting het noordwesten volgt, ziet vlakbij de Brandenburger Tor 2711 betonnen blokken in het straatbeeld opdoemen. Maar je hoeft er niet naartoe om ze te zien, want dit monument ontbreekt in geen enkel Berlijns reisverslag op social media. Maar om deze plaats te ervaren moet je er wel echt zijn: loop er doorheen en je krijgt een algeheel gevoel van desoriëntatie en dissociatie.

Het monument leverde architect Peter Eisenman kritiek op, meest vanwege de abstracte vorm: het wijkt in alles af van traditionele monumenten. Het monument zou een nivellerende werking hebben, omdat het door de abstractie het leed niet goed zichtbaar maakt.[5] Maar laat het monument juist niet op een integere manier zien dat de Joodse gemeenschap ontegenzeggelijk deel uitmaakt van kosmopolitisch Berlijn, dat de Joodse gemeenschap meer is dan alleen de Sjoah, juist door de abstractie en inmiddels de vanzelfsprekendheid van het monument?

En symboliseert juist de moeizame discussie in aanloop naar de oplevering van het monument niet juist de moeilijke omgang van Duitsland met het verleden? Een voorbeeld: toen men er tijdens de bouw achter kwam dat de producent van de anti-graffiticoating tijdens de oorlog het beruchte Zyklon-B produceerde, werd de bouw tijdelijk stilgelegd, ontstond er commotie, volgde een onderzoek en een conclusie.[6] Juist dit voorval illustreert de complexe verhouding van Duitsland tot de oorlog. De maatschappelijke discussie over het herinneren ligt in het monument verankerd. 

Is het onzeglijke weer te geven in een monument of museum? Dat zeker niet. Maar de zin ‘Es ist geschehen, und folglich kann es wieder geschehen’ van de Italiaanse holocaustoverlevende en auteur Primo Levi[7], plaatst het monument onbedoeld misschien wel in de juiste context: zo vanzelfsprekend als de gedenkplaats nu is, voorbijkomend op vakantiekiekjes, zo vanzelfsprekend was het nationaalsocialisme en antisemitisme uiteindelijk voor velen – wat weer raakt aan Hannah Arendts theorie over de ‘banaliteit van het kwaad’. 

Zowel het Holocaustmonument als het Joods Museum doen een beroep op onze emoties, ons moraal, aan onze eigen verhouding tot de holocaust. Onmiskenbaar roepen beide plaatsen van herinnering vragen op en leidden ze tot discussie. Maar juist wanneer de beide monumenten ter nagedachtenis van de Joodse slachtoffers worden opgeleverd, krijgt Duitsland te maken met een kater van de eenwording: de grote verdeeldheid binnen het land, de grote verschillen in welvaart (voornamelijk tussen Oost en West) en vooral de mede daaruit voortkomende heropleving van extreemrechts.[8]

Is de Duitse bildung wel bestand tegen het hernieuwde gevoel van slachtofferschap? Is het herinneren aan de hand van beleven wel sterk genoeg om je te wapenen tegen het antisemitisme? En geven monumenten en musea voldoende antwoorden op de vragen van deze tijd?

Behalve bovengenoemde gedenkplaatsen zijn er veel meer plaatsen in Berlijn die zich bezighouden met herinneren, representatie en educatie. Op de grens tussen voormalig Oost en West, waar nog een stuk van de muur overeind staat, is in het voormalig hoofdkwartier van de Gestapo het Topographie des Terrors gevestigd, dat behalve een documentatiecentrum ook tegelijkertijd een museum en gedenkplaats is.[9]

Topographie des Terrors (eigen foto, 2021)

Wie de vaste tentoonstelling bezoekt krijgt een klap in het gezicht. De bezoeker ervaart het verloop van terreur in Duitsland[10] (de opkomst van het nationaalsocialisme, de Tweede Wereldoorlog en de terreur van de Jodenvervolging, de moeizame denazificering van West-Duitsland en de gelijktijdige communistische terreur in Oost-Duitsland na de oorlog) aan de hand van ‘droge’ objecten in een sobere tentoonstellingsruimte. 

De werkelijkheid aan de hand van bronnen, die de bezoeker met vragen – maar ook met kennis – achterlaat. De kracht van de tentoonstelling zit in het tonen van foto’s, krantenartikelen en pamfletten, waarbij je zou kunnen denken: ja, het is gebeurd en het kan weer gebeuren.

Topographie des Terrors (eigen foto, 2021)

Maar weer rijst de vraag of een gedenkplaats wel genoeg is om de verschrikkingen van de holocaust te kunnen begrijpen en daar lessen uit te trekken? En dat is een retorische vraag, natuurlijk. Maar misschien brengen al die pogingen bij elkaar wel een klein stapje in de goede richting en is juist het immer worstelende Berlijn als stad wel het beste monument. Een schuldige stad.


[1] A. Wals, “Een groeiende groep Israëliërs trekt naar Berlijn: ‘Hier kan ik ademen’”, De Volkskrant, 8 januari 2021, https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/een-groeiende-groep-israeliers-trekt-naar-berlijn-hier-kan-ik-ademen~bc2fce02/, geraadpleegd 2 juni 2022. 

[2] M. Schoonenboom, “Begin van een beter land”, Groene Amsterdammer, 16 april 2020, 38-41.

[3] Ibidem.

[4] J. Huisman, “Vul de leegte met leegte Daniel Libeskind ontwerpt het Joods Museum in Berlijn” (versie 5 september 1997), https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/vul-de-leegte-met-leegte-daniel-libeskind-ontwerpt-het-joods-museum-in-berlijn~bcde1248/, geraadpleegd 10 mei 2022.

[5] H. Roth, “Monumentaal Berouw” (versie 1 september 2020), https://www.rektoverso.be/artikel/monumentaal-berouw, geraadpleegd 12 mei 2022.

[6] Trouw, “Monument Holocaust” (versie 14 november 2003), https://www.trouw.nl/nieuws/monument-holocaust~be96d963/, geraadpleegd 2 juni 2022.

[7] DW, “Ein Mahnmal als personalisierte Geschiechte” (versie 10 mei 2005), https://www.dw.com/de/ein-mahnmal-als-personalisierte-geschichte/a-1578044, geraadpleegd 8 mei 2022.

[8] A. Maier, “Fantoompijn in het Oosten”, Groene Amsterdammer, 25 juli 2019, 28-32.

[9] Topographie des Terrors, “Dokumentationszentrum Topographie des Terrors” (versie onbekend), https://www.topographie.de/en/topography-of-terror/, geraadpleegd 20 april 2022.

[10] Ibidem.

(Bovenstaande tekst is een bewerking en samenvatting van een eerder geschreven essay als opdracht tijdens mijn studie aan de Reinwardt Academie, bij een bezoek aan Berlijn in 2021)

Van saucijzenbroodjes en biefstukken

Een korte, onvolledige verhandeling over immaterieel culinair erfgoed van Urk: het saucijzenbroodje als motor van de lokale economie, de degelijke frituur en het biefstukje bij ziekte.

Voor iedereen een saucijzenbroodje

Waar in de rest van Nederland de lokale bakkers en slagers opgeheven worden ten gunste van de supermarkten, gaat menig Urker nog graag voor ‘het beste’ brood, lekkernijen of biefstuk naar de bakker of slager. En dan naar de bakker of slager die het best bij zijn gezindte past. Laten we het ‘micro-verzuiling’ noemen.

Meer dan eens ben ik verzeild geraakt in discussies over saucijzenbroodjes. Een Urker is nou eenmaal machtig voor deze lekkernij: het wordt het liefst ’s ochtends genuttigd, wanneer er al enkele uren hard werk is verricht. Er zijn zelfs bezorgdiensten: autobusjes vol met saucijzenbroodjes en andere onverdiende zaligheên rijden vanaf de vroege uurtjes op en aan over het industrieterrein om de werkende man te voeden. Het is de stille motor van de Urker economie.

Het ene saucijzenbroodje is het andere niet en wanneer ik in zo’n discussie dan eens per ongeluk partij koos, kreeg ik steevast als antwoord: “ja, maar jij bent hervormd”. Met andere woorden: ik (als hervormde) zou nooit een gereformeerd saucijzenbroodje op waarde kunnen schatten.

Omrijden voor saucijzenbroodjes

Dat de Urker saucijzenbroodjes in een zo hoog aanzien staan, illustreer ik met de volgende gebeurtenis.

Ik had een tijd geen auto en na een bezoek aan Urk stond ik in alle vroegte bij de bushalte, aan het begin van het Oude Dorp, op de busdienst richting Lelystad te wachten. Plotseling zag ik een auto van iemand uit Kampen, van Urker afkomst, die in Almere werkt, aan komen rijden. Hij is een vriend van mij – ik zal zijn naam hier maar niet noemen – en herkende mij onmiddellijk.

“Wat doe jij op Urk, ben je verdwaald?”, riep ik, richting het opengedraaide autoraam.

“Ik zal even saucijzenbroodjes halen”, antwoordde de vriend in kwestie.

De beste jongen reed maandagochtend om zeven uur bijna dertig kilometer om, omdat de Kamper of Almeerse saucijzenbroodjes nooit zouden kunnen tippen aan de Urker saucijzen.

Frituurpan. Foto: publiek domein.

Gefrituurde spijzen

Een vriendin van mij werkte in een bakkerij annex snackbar. Met enige zekerheid durf ik te zeggen dat dit de enige snackbar in het land is waar geestelijke muziek uit de speakers in het systeemplafond klinkt. Dit vind ik zo’n prachtig beeld: het idee dat een paar frikandellen worden gebakken, terwijl van boven gewijde klanken komen. Leg dat nou maar eens uit aan een vreemde.

(Ik heb eens een keuken gezien, waar naast een dubbele roestvrijstalen frituurpan een grote Statenbijbel lag.)

Biefstuk bij ziekte

Het is op Urk de gewoonte om iemand die ernstig – of minder ernstig – ziek is, te verblijden met een biefstukkien van de slager. Zeg maar gerust: biefstuk. Een biefstuk om aan te sterken klinkt echter niet helemaal medisch verantwoord. Maar het zal zijn oorsprong in oude tijden hebben, toen vlees nog een luxeproduct was.

Een mooi ritueel: je haalt een biefstuk bij de slager, belt aan bij de zieke, je doet je Zweedse klompen uit (maar je houdt je jas aan), praat wat over koetjes en kalfjes en pas als je vertrekt wens je het gezin sterkte toe. Medeleven verpakt in een handeling. Ietwat cryptisch, maar wel zo overzichtelijk. De boodschap is duidelijk.

Millen, waar ze de katten villen

Een kat hoort op een boerderij. Als er een boerderij is zonder kat, dan is dat niet per se gek. Als er een heel boerendorp is zonder katten, dan is dat wel wat vreemd. Als er een heel gebied is zonder katten, dan gaan de alarmbellen rinkelen. Waar is de kat?

Afgelopen weekend verbleef ik, met iemand bij wie ook thuis een kat rondloopt, in het Vlaamse dorp Millen, een kwartier weg van Maastricht. We spraken naar elkaar uit dat het ontbreken van de kat op straat zeer merkwaardig is. Met daarbij natuurlijk onze eigen katten, die in Zwolle achterbleven, in het achterhoofd.

Op het plein, naast de kerk, stuitten we plots op een merkwaardig standbeeld, met de volgende tekst in het lokale dialect: Millë bo zë dë kattë villë, dë hoon spoarë en d’ aa pjad dë nak aofvoarë (“Millen waar ze de katten villen, de honden sparen en de oude paarden de nek afrijden”).

De kattenviller van Millen

Het beeld, geschonken door de lokale carnavalsvereniging, zou een verwijzing moeten zijn naar het zware leven op het platteland. Honden en paarden waren nuttig, katten niet.

Werden er echt katten gevild in Millen? We tastten een weekend lang in het duister, navraag hier en daar leverde geen bevredigend antwoord. Het zou een goed format voor een podcast zijn.

Ach, spookverhalen, kinderschrik, folklore. Dat kleine, dorpse leven, waar men leefde op het ritme der seizoenen, had een eigen belevingswereld, met elk dorp een eigen dialect en vertellinkjes. Die verhalen, om het leven wat draaglijker te maken, ze verdwenen met de komst van straatverlichting, televisie en internet.

Op mijn eigen dorp deed je een kat in de zak en ruilde je ‘m met de duvel voor een wisseldaolder – en een zwarte kat gaf natuurlijk ongeluk. In hoeverre waarin werd geloofd, zullen we nooit weten: de mensen, die elkaar, bij kaarslicht, schrik aanjoegen, terwijl op de houten muren spookachtige silhouetten door de kamer dansten, zijn allang overleden en ze lieten geen bronnen na.

In Millen dacht ik niet alleen aan de Boze Balleboe van vroeger, maar ook aan het eenvoudige leven op het dorp. En achter een oude hoeve, met een volle maan, een kudde koenen recht tegenover ons, een lokaal bier en verder de stilte van het land, was nog even die herinnering aan het mystieke van een eeuwenoude gemeenschap.

Maar ik zou toch wel verrekte graag willen weten waarom we in heel Limburg geen kat op straat hebben gezien.

Emotioneel weerzien met d’n kat