blog

Schokkers en de ontruiming

De verhalen van Schokland en de ontruiming in 1859 staan de afgelopen tijd volop in de belangstelling. Zo verscheen het boek ‘Het eiland van Anna’ van schrijver en historicus Eva Vriend. In het Zuiderzeemuseum is deze winter de indrukwekkende tentoonstelling ‘De ziel van Schokland’ te zien. Ook in Museum Schokland wordt het verhaal verteld van de laatste bewoners van Schokland.

Stel: je gemeenschap woont al eeuwenlang op dezelfde plaats. Maar dan valt het besluit dat je moet vertrekken. En daarbij moet je zelfs je eigen huis afbreken, om te voorkomen dat je terugkomt. Goed, je krijgt er een schamele vergoeding voor, je gaat er economisch misschien op vooruit, je leefomstandigheden worden beter, maar je eigen stukje grond laat je achter. Een verlaten eiland.

In een wisseltentoonstelling, die tot eind februari 2025 is te zien, is aandacht voor die ingrijpende gebeurtenis, dit jaar 165 jaar geleden. Een verhaal dat binnen de Schokkervereniging welbekend is: van het verlaten van je geboortegrond en van een verlaten eiland.

De thema’s rondom de ontruiming van Schokland is nog altijd actueel. Wanneer moet je vertrekken? Wat laat je achter? Waar kun je terecht? Zit er wel iemand op jouw komst te wachten? Het zijn verhalen van migratie, armoede, leven met water en de moeizame relaties met overheden. Hoewel de ontruiming van Schokland 165 jaar geleden plaatsvond, lijken de emoties nog springlevend.

Met de Schokkervereniging, de gemeenschap van Schokker nazaten, heeft Museum Schokland de verhalen geselecteerd en tot leven gebracht. Zonder deze samenwerking was de tentoonstelling niet tot stand gekomen. Daarbij dankt het museum in het bijzonder: Bruno Klappe, die inbreng gaf voor de zaalteksten en redactie pleegde; Eva Vriend, die quotes aanleverde quotes uit haar boek ‘Het eiland van Anna’; Henk van Heerde, die meeschreef met de synopsis en meedacht mee over de te presenteren objecten. Johan Akkerman en stagiair Maud Visser verzorgden de vormgeving en realisatie van de tentoonstelling, in samenwerking met het team van Museum Schokland.

De voorzitter van de Schokkervereniging ontvangt een potje met Schokker aarde. Foto: Maxim Ottevanger.

Donderdag 24 juli j.l. is de tentoonstelling geopend. De voorzitter van de Schokkervereniging Theo Grootjen ontving, uit handen van directeur van Cultuurbedrijf Noordoostpolder Marcel Jansen, een potje met Schokker aarde. Dit namen de Schokkers ook mee in hun zakdoek toen ze in 1859 het eiland vaarwel zegden. Theo Grootjen nam het woord namens de Schokkervereniging sprak over de ontruiming en het Schokker-zijn. Na een bezoek aan de tentoonstelling was er voor de ongeveer 60 aanwezigen ruimte voor reflectie in het Museumrestaurant.

Een armoedige gemeenschap laat doorgaans weinig sporen na. De geschiedenis wordt veelal geschreven door de rijkere klassen: aan hen behoorden de kunstwerken, boeken, artefacten. De opkomst van de fotografie, aan het eind van de negentiende eeuw, zorgde ervoor dat de laatste Schokkers, soms op hoge leeftijd, voor de camera konden verschijnen, waarmee hun verhalen doorgegeven kunnen worden. Deze foto’s vormen nu de kern van de tentoonstelling in Museum Schokland. De portretten zijn tevens te vinden in het boek van Bruno Klappe: ‘Schokker portretten’. Aan de hand van dit boek zijn keuzes gemaakt voor de inhoud van de tentoonstelling. 

De tentoonstelling presenteert de verhalen van de ontruiming en de periode daarna op een meerstemmige manier. Door gemakkelijk te lezen teksten in de ik-vorm, gebaseerd op het boek van Bruno Klappe, worden de ervaringen van de laatste Schokkers beleefbaar gemaakt voor een breed publiek. Daarnaast reflecteert de Schokkervereniging op de gebeurtenissen rondom 1859. Hoe kijk je als nazaat terug op de ontruiming? In de presentatie is bovendien binnenkort een video te zien waarin nazaten worden geïnterviewd over Schokland en de Schokkervereniging. Deze interviews zijn opgenomen tijdens de laatste Schokkerdag, in het Zuiderzeemuseum.

Naast de tentoonstelling in de Museumkerk en -pastorie zijn elders op Schokland ook nog enkele objecten te vinden die verband houden met de laatste Schokkers. In de tentoonstelling wordt verwezen naar het monument op de begraafplaats van Emmeloord – waar de katholieke Schokkers begraven liggen. Het beeld ‘Geen weg terug’ van Kiny Copinga verbeeldt het vertrek van de Schokkers. Tenslotte is daar het beeldje van Piet Brouwer, met een gedicht van Tromp de Vries, uit 1994.

‘De ontruiming van Schokland’, Piet Brouwer, 1994

In dit gedicht liggen de emoties rondom de ontruiming beklonken.

Ontruiming van Schokland 1859

Schokkers aan hun grond gehecht
– Daar geboren en getogen –
Werd met landverlies voor ogen
Het vertrekken aangezegd

Zwaar heeft hun die stap gewogen
Elke raad leek even slecht
Maar verloren bleek het gevecht
En vergeefs bleef alle pogen

Zie hoe hier een jong gezin staat
– bij een schamel beetje huisraad –
Dat gedwongen door gebrek
Heeft besloten tot vertrek

Zij die blijvend zorgend meegaat
Hij het anker om de nek

Met de verwijzingen van binnen naar buiten en vice versa, wordt de bezoeker aangemoedigd het hele voormalige eiland te verkennen, om zo een indruk te krijgen van de situatie rondom de ontruiming.

Hoewel er in de vaste tentoonstelling aandacht is voor de cultuurhistorie van Schokland, is het voor het eerst sinds lange tijd dat de verhalen van de laatste Schokkers – en hun nazaten – expliciet worden belicht binnen Museum Schokland. Dit komt deels door de gelaagdheid van Werelderfgoed Schokland: de geschiedenis van het gebied gaat vele duizenden jaren terug.

Deze tijdelijke tentoonstelling heeft de banden tussen Museum Schokland en de Schokkervereniging aangehaald en is een mooie opstap naar een verdere samenwerking tussen beide partijen. Daarnaast wordt de actieve gemeenschap, die samenkomt binnen de Schokkervereniging, die de verhalen van hun voorouders nog actief deelt en doorgeeft aan volgende generaties, beter zichtbaar als betrokken partij, of stakeholder, binnen Werelderfgoed Schokland.

De tentoonstelling ‘Schokkers en de ontruiming’ is t/m 2 maart te zien in de kerk en pastorie van Museum Schokland. Bezoekers die hun Schokker afkomst vermelden bij de kassa, krijgen een potje met Schokker grond mee naar huis. Reacties op de tentoonstelling worden verzameld en zullen gedeeld worden met de Schokkervereniging. Meer informatie over de tentoonstelling is te vinden op museumschokland.nl. 

Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort

Op 1 en 2 oktober in 1944 vond de razzia in Putten plaats. De Koning is woensdagmiddag 2 oktober aanwezig bij de tachtigste herdenking van de razzia van Putten. Een groot deel van de mannelijke inwoners van Putten werd weggevoerd en kwam niet terug uit de kampen. 552 mannen werden vermoord.

Zondagochtend 1 oktober 1944 werd Putten door duizend soldaten omsingeld. De bewoners en aanwezigen uit omringende dorpen werden in de Oude Kerk en de Openbare Lagere School bijeengedreven.

Vanaf de kansel werd het vonnis van Putten voorgelezen. Alle mannen van 18 tot 50 jaar moesten worden gedeporteerd en het dorp Putten moest worden afgebrand.

Ds. C.B. Holland, de Hervormde dominee, probeerde tevergeefs te bemiddelen bij de bezetter.

’s Nachts werden de vrouwen en kinderen naar huis gestuurd. De mannen bleven een lange, bange nacht in de kerk, tot ze naar het station moesten lopen. De dominee vroeg nog of de mannen mochten bidden. Daarna vroeg hij of ze samen Psalm 84:3,4 mochten zingen.

Niet iedereen in Putten was protestants. Maar gezongen werd er wel. Eerst onzeker, lees ik in de bronnen, maar later steeds krachtiger.

Deze psalm bleef onderdeel van de herdenkingscultuur in Putten. Het contrast tussen de brute razzia en de vreedzame hoop in Psalm 84 versterkt het gevoel van verlies, maar biedt ook een diepere laag van betekenis: een mystieke reis door lijden naar uiteindelijke vrede.

Na de oorlog keerden maar 48 mannen terug uit de kampen.

De mannen van Putten werden weggevoerd door de Duitse troepen naar een onbekende, duistere toekomst, maar voor veel Puttenaren was het geloof een bron van kracht.

Het zingen van een simpele, oude psalm, bood troost te midden van het ondraaglijke leed.

Welzalig hij, die al zijn kracht
En hulp alleen van U verwacht,
Die kiest de welgebaande wegen;
Steekt hen de hete middagzon
In ’t moerbeidal, Gij zijt hun bron,
En stort op hen een milden regen,
Een regen, die hen overdekt,
Verkwikt, en hun tot zegen strekt.

Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort;
Elk hunner zal, in ’t zalig oord
Van Sion, haast voor God verschijnen.
Let, HEER der legerscharen, let
Op mijn ootmoedig smeekgebed;
Ai, laat mij niet van druk verkwijnen;
Leen mij een toegenegen oor,
O, Jacobs God, geef mij gehoor.

(Een persoonlijke noot. Een familielid, oudoom, uit Putten was deze dag aan het vissen met zijn vader. Hij ontsprong zo de wraakactie van de bezetter. Dat moet een blijvende indruk op hem hebben gemaakt: ‘Voor een man met weinig woorden, sprak hij veel over deze ingrijpende gebeurtenis.’)

Een schuldige stad?

In Wim Wenders’ film Der Himmel über Berlin uit 1987 staat Homer centraal, een Joodse man, die als enige van zijn familie de oorlog overleefde. Zonder expliciet aan de holocaust te refereren, klinkt het naziverleden van de stad in de hele film door. Ook de muur, de deling van de stad na de oorlog, is niet meer dan een voortzetting van de Tweede Wereldoorlog, zo vertelt de film: als Homer over de Potsdamer Platz loopt ziet de kijker verwoesting, leegte en de Muur, maar Homer het Joods Berlijn van voor de oorlog, waarmee een onwerkelijk beeld wordt opgeroepen.

Na de val van de Muur in 1989 kwam Berlijn in een turbulente tijd terecht. De stad, met zijn krakers en ravefeesten, groeide uit tot hét modern-culturele centrum van West-Europa: eerst kunstenaars en vervolgens young urban creatives en tenslotte de start-ups wisten hun weg naar de herenigde stad te vinden. Als er een Europese stad gegentrificeerd is, dan is het wel Berlijn.

Der Himmel über Berlin (eigen foto, 2021)

Ook de naoorlogse Joodse gemeenschap wist haar weg terug naar Berlijn te vinden. Veel Joden uit de voormalige Sovjet-Unie kwamen naar de stad. Het laatste decennium trekken ook veel jongere Joden, voornamelijk Israëli’s, naar Berlijn.[1] Ze komen terecht in een stad waar de meeste sporen van de eeuwenoude Joodse geschiedenis zijn uitgewist. Een plaats met een schuldig verleden.

En daarvan is de Duitse samenleving zich terdege bewust. De naoorlogse identiteitscrisis – hoe heeft dit kunnen gebeuren? – mondde al gauw uit in een gevoel van schaamte, waarmee de naziperiode en daaruit voortkomende Sjoah in al zijn gruwelijkheid een onbespreekbare periode leek te worden. Ook de schuldvraag liet zich maar moeilijk beantwoorden. Waren de Duitsers niet ook slachtoffer geweest?[2]

Het opruimen van de puinhopen van de periode ’33 – ’45 leidde echter geenszins tot een breuk met het verleden. In het naoorlogse Duitsland was de oorlog iets alledaags geworden, een collectieve herinnering werd verdoofd door de wederopbouw: ook al kregen mensen met een discutabel verleden een nieuwe plek in het bestuur, ook al had ieder gezin wel een verhaal over de oorlog en de eigen schuld; de blik moest vooruit.

Plek van herinnering of toeristische attractie? (eigen foto, 2021)

Het zou tot de jaren ’80 duren tot er sprake zou zijn van een Erinnerungskultur. Na een fel debat tussen een conservatief progressief Duitsland ontstond geleidelijk een nieuwe vorm van herinneren, een beleving die verder ging dan het onbespreekbaar laten.[3] En uit deze nieuwe herinneringscultuur kwamen ook de moderne monumenten voort.

In 2001 werd het Jüdisches Museum Berlin, het Joods Museum in Berlijn, geopend, ontworpen door Libeskind. De Pools-Joodse architect geniet in Nederland voornamelijk bekendheid vanwege zijn ontwerp voor het onlangs gerealiseerde Holocaust Namenmonument aan de Weesperstraat. De gevel van het Joods Museum, waarin je een uitgevouwen Davidsster in zou kunnen herkennen, staat symbool voor de leegte die na de holocaust achterbleef in het straatbeeld van Berlijn.[4]

Het Joods Museum is behalve een klassiek, informerend museum een plaats die een onvergetelijke ervaring bij de bezoeker opwekt. Door de slimme architectuur en de zorgvuldig gekozen objecten maakt de bezoeker een reis waar negatieve emoties worden opgeroepen – welk effect ook te merken is tijdens een bezoek aan het Holocaust Namenmonument. Het gebouw laat de bezoeker verhouden tot het leed van de Joden in Duitsland. Deze intrinsieke ervaring is waar het Joods Museum bekend om staat.

Wie vanaf het Joods Museum de voormalige loop van de Muur richting het noordwesten volgt, ziet vlakbij de Brandenburger Tor 2711 betonnen blokken in het straatbeeld opdoemen. Maar je hoeft er niet naartoe om ze te zien, want dit monument ontbreekt in geen enkel Berlijns reisverslag op social media. Maar om deze plaats te ervaren moet je er wel echt zijn: loop er doorheen en je krijgt een algeheel gevoel van desoriëntatie en dissociatie.

Het monument leverde architect Peter Eisenman kritiek op, meest vanwege de abstracte vorm: het wijkt in alles af van traditionele monumenten. Het monument zou een nivellerende werking hebben, omdat het door de abstractie het leed niet goed zichtbaar maakt.[5] Maar laat het monument juist niet op een integere manier zien dat de Joodse gemeenschap ontegenzeggelijk deel uitmaakt van kosmopolitisch Berlijn, dat de Joodse gemeenschap meer is dan alleen de Sjoah, juist door de abstractie en inmiddels de vanzelfsprekendheid van het monument?

En symboliseert juist de moeizame discussie in aanloop naar de oplevering van het monument niet juist de moeilijke omgang van Duitsland met het verleden? Een voorbeeld: toen men er tijdens de bouw achter kwam dat de producent van de anti-graffiticoating tijdens de oorlog het beruchte Zyklon-B produceerde, werd de bouw tijdelijk stilgelegd, ontstond er commotie, volgde een onderzoek en een conclusie.[6] Juist dit voorval illustreert de complexe verhouding van Duitsland tot de oorlog. De maatschappelijke discussie over het herinneren ligt in het monument verankerd. 

Is het onzeglijke weer te geven in een monument of museum? Dat zeker niet. Maar de zin ‘Es ist geschehen, und folglich kann es wieder geschehen’ van de Italiaanse holocaustoverlevende en auteur Primo Levi[7], plaatst het monument onbedoeld misschien wel in de juiste context: zo vanzelfsprekend als de gedenkplaats nu is, voorbijkomend op vakantiekiekjes, zo vanzelfsprekend was het nationaalsocialisme en antisemitisme uiteindelijk voor velen – wat weer raakt aan Hannah Arendts theorie over de ‘banaliteit van het kwaad’. 

Zowel het Holocaustmonument als het Joods Museum doen een beroep op onze emoties, ons moraal, aan onze eigen verhouding tot de holocaust. Onmiskenbaar roepen beide plaatsen van herinnering vragen op en leidden ze tot discussie. Maar juist wanneer de beide monumenten ter nagedachtenis van de Joodse slachtoffers worden opgeleverd, krijgt Duitsland te maken met een kater van de eenwording: de grote verdeeldheid binnen het land, de grote verschillen in welvaart (voornamelijk tussen Oost en West) en vooral de mede daaruit voortkomende heropleving van extreemrechts.[8]

Is de Duitse bildung wel bestand tegen het hernieuwde gevoel van slachtofferschap? Is het herinneren aan de hand van beleven wel sterk genoeg om je te wapenen tegen het antisemitisme? En geven monumenten en musea voldoende antwoorden op de vragen van deze tijd?

Behalve bovengenoemde gedenkplaatsen zijn er veel meer plaatsen in Berlijn die zich bezighouden met herinneren, representatie en educatie. Op de grens tussen voormalig Oost en West, waar nog een stuk van de muur overeind staat, is in het voormalig hoofdkwartier van de Gestapo het Topographie des Terrors gevestigd, dat behalve een documentatiecentrum ook tegelijkertijd een museum en gedenkplaats is.[9]

Topographie des Terrors (eigen foto, 2021)

Wie de vaste tentoonstelling bezoekt krijgt een klap in het gezicht. De bezoeker ervaart het verloop van terreur in Duitsland[10] (de opkomst van het nationaalsocialisme, de Tweede Wereldoorlog en de terreur van de Jodenvervolging, de moeizame denazificering van West-Duitsland en de gelijktijdige communistische terreur in Oost-Duitsland na de oorlog) aan de hand van ‘droge’ objecten in een sobere tentoonstellingsruimte. 

De werkelijkheid aan de hand van bronnen, die de bezoeker met vragen – maar ook met kennis – achterlaat. De kracht van de tentoonstelling zit in het tonen van foto’s, krantenartikelen en pamfletten, waarbij je zou kunnen denken: ja, het is gebeurd en het kan weer gebeuren.

Topographie des Terrors (eigen foto, 2021)

Maar weer rijst de vraag of een gedenkplaats wel genoeg is om de verschrikkingen van de holocaust te kunnen begrijpen en daar lessen uit te trekken? En dat is een retorische vraag, natuurlijk. Maar misschien brengen al die pogingen bij elkaar wel een klein stapje in de goede richting en is juist het immer worstelende Berlijn als stad wel het beste monument. Een schuldige stad.


[1] A. Wals, “Een groeiende groep Israëliërs trekt naar Berlijn: ‘Hier kan ik ademen’”, De Volkskrant, 8 januari 2021, https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/een-groeiende-groep-israeliers-trekt-naar-berlijn-hier-kan-ik-ademen~bc2fce02/, geraadpleegd 2 juni 2022. 

[2] M. Schoonenboom, “Begin van een beter land”, Groene Amsterdammer, 16 april 2020, 38-41.

[3] Ibidem.

[4] J. Huisman, “Vul de leegte met leegte Daniel Libeskind ontwerpt het Joods Museum in Berlijn” (versie 5 september 1997), https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/vul-de-leegte-met-leegte-daniel-libeskind-ontwerpt-het-joods-museum-in-berlijn~bcde1248/, geraadpleegd 10 mei 2022.

[5] H. Roth, “Monumentaal Berouw” (versie 1 september 2020), https://www.rektoverso.be/artikel/monumentaal-berouw, geraadpleegd 12 mei 2022.

[6] Trouw, “Monument Holocaust” (versie 14 november 2003), https://www.trouw.nl/nieuws/monument-holocaust~be96d963/, geraadpleegd 2 juni 2022.

[7] DW, “Ein Mahnmal als personalisierte Geschiechte” (versie 10 mei 2005), https://www.dw.com/de/ein-mahnmal-als-personalisierte-geschichte/a-1578044, geraadpleegd 8 mei 2022.

[8] A. Maier, “Fantoompijn in het Oosten”, Groene Amsterdammer, 25 juli 2019, 28-32.

[9] Topographie des Terrors, “Dokumentationszentrum Topographie des Terrors” (versie onbekend), https://www.topographie.de/en/topography-of-terror/, geraadpleegd 20 april 2022.

[10] Ibidem.

(Bovenstaande tekst is een bewerking en samenvatting van een eerder geschreven essay als opdracht tijdens mijn studie aan de Reinwardt Academie, bij een bezoek aan Berlijn in 2021)

Van saucijzenbroodjes en biefstukken

Een korte, onvolledige verhandeling over immaterieel culinair erfgoed van Urk: het saucijzenbroodje als motor van de lokale economie, de degelijke frituur en het biefstukje bij ziekte.

Voor iedereen een saucijzenbroodje

Waar in de rest van Nederland de lokale bakkers en slagers opgeheven worden ten gunste van de supermarkten, gaat menig Urker nog graag voor ‘het beste’ brood, lekkernijen of biefstuk naar de bakker of slager. En dan naar de bakker of slager die het best bij zijn gezindte past. Laten we het ‘micro-verzuiling’ noemen.

Meer dan eens ben ik verzeild geraakt in discussies over saucijzenbroodjes. Een Urker is nou eenmaal machtig voor deze lekkernij: het wordt het liefst ’s ochtends genuttigd, wanneer er al enkele uren hard werk is verricht. Er zijn zelfs bezorgdiensten: autobusjes vol met saucijzenbroodjes en andere onverdiende zaligheên rijden vanaf de vroege uurtjes op en aan over het industrieterrein om de werkende man te voeden. Het is de stille motor van de Urker economie.

Het ene saucijzenbroodje is het andere niet en wanneer ik in zo’n discussie dan eens per ongeluk partij koos, kreeg ik steevast als antwoord: “ja, maar jij bent hervormd”. Met andere woorden: ik (als hervormde) zou nooit een gereformeerd saucijzenbroodje op waarde kunnen schatten.

Omrijden voor saucijzenbroodjes

Dat de Urker saucijzenbroodjes in een zo hoog aanzien staan, illustreer ik met de volgende gebeurtenis.

Ik had een tijd geen auto en na een bezoek aan Urk stond ik in alle vroegte bij de bushalte, aan het begin van het Oude Dorp, op de busdienst richting Lelystad te wachten. Plotseling zag ik een auto van iemand uit Kampen, van Urker afkomst, die in Almere werkt, aan komen rijden. Hij is een vriend van mij – ik zal zijn naam hier maar niet noemen – en herkende mij onmiddellijk.

“Wat doe jij op Urk, ben je verdwaald?”, riep ik, richting het opengedraaide autoraam.

“Ik zal even saucijzenbroodjes halen”, antwoordde de vriend in kwestie.

De beste jongen reed maandagochtend om zeven uur bijna dertig kilometer om, omdat de Kamper of Almeerse saucijzenbroodjes nooit zouden kunnen tippen aan de Urker saucijzen.

Frituurpan. Foto: publiek domein.

Gefrituurde spijzen

Een vriendin van mij werkte in een bakkerij annex snackbar. Met enige zekerheid durf ik te zeggen dat dit de enige snackbar in het land is waar geestelijke muziek uit de speakers in het systeemplafond klinkt. Dit vind ik zo’n prachtig beeld: het idee dat een paar frikandellen worden gebakken, terwijl van boven gewijde klanken komen. Leg dat nou maar eens uit aan een vreemde.

(Ik heb eens een keuken gezien, waar naast een dubbele roestvrijstalen frituurpan een grote Statenbijbel lag.)

Biefstuk bij ziekte

Het is op Urk de gewoonte om iemand die ernstig – of minder ernstig – ziek is, te verblijden met een biefstukkien van de slager. Zeg maar gerust: biefstuk. Een biefstuk om aan te sterken klinkt echter niet helemaal medisch verantwoord. Maar het zal zijn oorsprong in oude tijden hebben, toen vlees nog een luxeproduct was.

Een mooi ritueel: je haalt een biefstuk bij de slager, belt aan bij de zieke, je doet je Zweedse klompen uit (maar je houdt je jas aan), praat wat over koetjes en kalfjes en pas als je vertrekt wens je het gezin sterkte toe. Medeleven verpakt in een handeling. Ietwat cryptisch, maar wel zo overzichtelijk. De boodschap is duidelijk.

…en aan de horizon leit Emmeloord

Historicus en schrijver Eva Vriend richtte op zolder van het voormalige verblijf van de lichtwachter en havenmeester van Emmeloord haar werkkamer in, waar ze schreef aan ‘Het eiland van Anna. Schokland en de geschiedenis van een thuis’. Een fascinerend boek over de familiegeschiedenis van Anna Diender. Over het verlangen naar geboortegrond, over migratie, over armoede, over gemeenschap.

Op de grens van het oude en het nieuwe sprak ik onlangs met Eva over haar boek en het schrijfproces.

De haven van het eiland Schokland is ook voor mij een bijzondere plek. Hier meerden mijn voorouders aan, schuilend voor stormen op de Zuiderzee, of om te overnachten, onderweg met hun botter of binnenvaartschip.

Mijn Urker overgrootvader ‘opa Ras’ in het Emmeloorder haventje van het eiland Schokland, 1926. Still uit een film in archief van Beeld en Geluid (FOLKLORISTISCHE ZUIDERZEEFILM FOLKLORISTISCHE ZUIDERZEEFILM (ACTE 1)).

Tot 1859 lag de haven aan het levendige dorpje Emmeloord, bevolkt door (voornamelijk) roomse Schokkers. Tot aan de opgezetenen van het eiland het vertrek werd aangezegd: ze verhuisden – onder dwang – naar plaatsen als Volendam, Vollenhove, Kampen, Urk, Nijverdal.

Daarna bleef de lichtwachter annex havenmeester achter met zijn gezin, die aldaar de boel runde. Het eiland was verder verlaten. Tot de Tweede Wereldoorlog: de Noordoostpolder werd aangelegd en Schokland kwam op het droge te liggen.

Het eiland van Anna is uitgegeven door Atlas Contact en o.a. verkrijgbaar in de winkel van Schokland.

S/o naar André Geurtzen / Clips4all voor de prachtige beelden.

De middelvinger van AI-gegenereerde afbeeldingen

Op socials zie je steeds meer AI-gegenereerde afbeeldingen en teksten voorbijkomen. Ik begrijp best dat, wanneer je een zinloos product verkoopt, je er zinloze content bij wil plaatsen. Wat me echter opvalt is dat ook NGO’s, liefdadigheidsinstellingen, culturele organisaties steeds meer AI gebruiken in hun communicatie.

Ik snap dat niet. AI is niet alleen een opgestoken middelvinger naar iedereen die auteursrecht serieus neemt, dus in ieder geval de mensen die in potentie iets kunnen verdienen met hetgeen ze hebben gemaakt, maar ook naar het milieu.

Een echte foto, gratis te downloaden en te verspreiden, zelfs te bewerken.

Ethisch gezien stinkt het natuurlijk. Maar omdat het in korte tijd gemeengoed is geworden, bovendien ‘gratis’, staan we niet stil bij consequenties. Laat staan bij de racistische biases van de engines.

Het is ook wel aanlokkelijk voor kleine organisaties, afhankelijk van giften of subsidies, om AI-tools in te schakelen. Afbeeldingen zijn duur. En als je niet oppast met je beeldbank heb je zo een schadeclaim van bijvoorbeeld ANP of Reuters aan je broek hangen. Maar AI-content is geen alternatief: het geeft je organisatie net zoveel vertrouwen als een LinkedIn-bericht vol spelfouten. Het valt immers direct op.

Er zijn tal van websites die afbeeldingen onder de Creative Commons Zero (CC0)-licentie aanbieden (zoals bijv. Pexels), waardoor je niet eens een bronvermelding hoeft te plaatsen (die fotografen die hun foto’s belangeloos ten dienste van de beschaving stellen, dat zijn nog eens fiere mensen!). Daarnaast worden ook steeds meer historische foto’s vrij aangeboden (meestal onder de CC4-licentie: vrij delen en bewerken, met bronvermelding). Weinig reden dus om AI te gebruiken – en anders betaal je maar eens een fotograaf (of je koopt een camera).

NB Neemt allemaal niet weg dat het auteursrecht in Nederland en de EU hopeloos ouderwets is geregeld.

Ode aan Joy Division

Voor mijn verjaardag kreeg ik het boekje ‘Ode aan Joy Division’ van Marc Schoorl. De vriendin in kwestie dacht dat ik Joy Division leuk vond.

Daar had ze meer dan gelijk in, al is leuk niet het goede woord.

De eerste nummers van Joy Division op mijn mp3-speler waren ‘Transmission’ (op Limewire: ‘Dance to the Radio’) en ‘Love Will Tear us Apart’. Ik was toen 16 of 17, op de radio was een nieuwe golf britpop te horen. Hey there Delilah. Clocks.

Ik was op bezoek in een kleine, donkere woning, waar twee vrienden mij in een stoel zetten en mij in aanraking brachten met de Factory Records-catalogus. En met dat hele verhaal in het achterhoofd – die twee nummers waren onderdeel van iets groters – ging ik meer en meer uit Manchester jaren ’70 en ’80 luisteren. Het heeft me niet meer losgelaten.

Er zat iets diepers in die muziek, een gelaagdheid die destijds niet op de radio te horen was. A fury that burns from inside. En ik kon mij daar als puber, met al die geselende mentale worstelingen natuurlijk perfect toe verhouden.

Het duurde even voor ik het verband tussen Joy Division en New Order legde. Maar toen ik dat begreep was het hek van de dam. En ik denk dat ik meer dagen wel dan niet ‘Ceremony’ heb gedraaid.

Het boek ‘Ode aan Joy Division’ is het eerste Nederlandstalige boek over Joy Division, geschreven door Marc Schoorl. Het korte boekje vertelt het verhaal van Joy Division, voornamelijk van Ian Curtis, aan de hand van beschikbare literatuur. De band uit Manchester, die maar een paar jaar heeft bestaan, wordt vanuit verschillende invalshoeken belicht.

Schoorl doet dat goed. Hij laat bandleden aan het woord (geparafraseerd vanuit hun boeken) en heeft een nuchtere kijk op de vele facetten van de persoon Curtis. Meer dan een epileptische, zwaarmoedige frontman was het een getroebleerde en ongelukkige fantast.

De teksten van de songs op de paar verschenen albums en singles zijn zo persoonlijk dat het lezen ervan bijna voyeuristisch is. Naast de brutale artistieke metaforen over eindigheid, leegte en de verschrikkingen van de mensheid komt de onmacht en de eindeloze onrust van een individu in de teksten sterk naar voren.

Veel mensen kunnen zich op een of andere manier verhouden tot Joy Division. Vanwege de teksten, de kunstige tijdloze muziek, vanwege het imago of vanwege het mysterie.

Epping Walk Bridge, Manchester (eigen foto). De lantaarnpalen zijn op een gegeven moment verplaatst naar de andere kant van de brug.

Ik ben er ook geweest. In de muziek. Maar ook in Manchester en Macclesfield. Ik zag de brug, de locatie van de iconische foto van Kevin Cummins, het laatste huis van Curtis en zijn grafsteen.

Gedenksteen Ian Curtis, Macclesfield (eigen foto).

Het lijkt wel pathetisch, zo veel naar één band te luisteren. Maar ik ben niet de enige, zo blijkt trouwens ook uit dit boekje.

Er werd iets groots verricht in die smerige Noord-Engelse stad. Velen zullen die paar platen saai vinden, of lelijk, of te koketterend, maar er zit een betovering waar zelfs dit zoveelste boekje geen vinger op weet te leggen.

‘Ode aan Joy Division’ is vlot geschreven. Het neemt af en toe iets te veel zijwegen en het is jammer dat het een grondige eindredactie mist (wat zet- en taalfouten). Maar het is onmisbaar op de boekenplank van elke Factory Records-fan.

En ik draai nog maar een keer Ceremony. Een van de laatste nummers van Joy Division, de eerste single van New Order.

Millen, waar ze de katten villen

Een kat hoort op een boerderij. Als er een boerderij is zonder kat, dan is dat niet per se gek. Als er een heel boerendorp is zonder katten, dan is dat wel wat vreemd. Als er een heel gebied is zonder katten, dan gaan de alarmbellen rinkelen. Waar is de kat?

Afgelopen weekend verbleef ik, met iemand bij wie ook thuis een kat rondloopt, in het Vlaamse dorp Millen, een kwartier weg van Maastricht. We spraken naar elkaar uit dat het ontbreken van de kat op straat zeer merkwaardig is. Met daarbij natuurlijk onze eigen katten, die in Zwolle achterbleven, in het achterhoofd.

Op het plein, naast de kerk, stuitten we plots op een merkwaardig standbeeld, met de volgende tekst in het lokale dialect: Millë bo zë dë kattë villë, dë hoon spoarë en d’ aa pjad dë nak aofvoarë (“Millen waar ze de katten villen, de honden sparen en de oude paarden de nek afrijden”).

De kattenviller van Millen

Het beeld, geschonken door de lokale carnavalsvereniging, zou een verwijzing moeten zijn naar het zware leven op het platteland. Honden en paarden waren nuttig, katten niet.

Werden er echt katten gevild in Millen? We tastten een weekend lang in het duister, navraag hier en daar leverde geen bevredigend antwoord. Het zou een goed format voor een podcast zijn.

Ach, spookverhalen, kinderschrik, folklore. Dat kleine, dorpse leven, waar men leefde op het ritme der seizoenen, had een eigen belevingswereld, met elk dorp een eigen dialect en vertellinkjes. Die verhalen, om het leven wat draaglijker te maken, ze verdwenen met de komst van straatverlichting, televisie en internet.

Op mijn eigen dorp deed je een kat in de zak en ruilde je ‘m met de duvel voor een wisseldaolder – en een zwarte kat gaf natuurlijk ongeluk. In hoeverre waarin werd geloofd, zullen we nooit weten: de mensen, die elkaar, bij kaarslicht, schrik aanjoegen, terwijl op de houten muren spookachtige silhouetten door de kamer dansten, zijn allang overleden en ze lieten geen bronnen na.

In Millen dacht ik niet alleen aan de Boze Balleboe van vroeger, maar ook aan het eenvoudige leven op het dorp. En achter een oude hoeve, met een volle maan, een kudde koenen recht tegenover ons, een lokaal bier en verder de stilte van het land, was nog even die herinnering aan het mystieke van een eeuwenoude gemeenschap.

Maar ik zou toch wel verrekte graag willen weten waarom we in heel Limburg geen kat op straat hebben gezien.

Emotioneel weerzien met d’n kat

Een iPod Mini gebruiken in 2024

Met de opkomst van streamingdienst en smartphone is de mp3-speler uit het straatbeeld verdwenen. Ze rollen ook bijna niet meer uit de fabrieken. Apple stopte in 2022 bijvoorbeeld met de productie van iPods, waarmee een tijdperk eindigde.

Dit is misschien het meest boomerige artikel dat ik geschreven heb. Maar ik miste een audiospeler – iets los van mijn telefoon. Omdat ik nog muziek koop, van Bandcamp, uit de Apple Musicstore of fysiek: vinyl of cd. En omdat er ook momenten zijn dat ik mijn telefoon niet gebruik of wil gebruiken.

Toen ik naar de middelbare school ging, werd mp3 populair. Gedownloade liedjes en podcast-afleveringen waren steeds gemakkelijker te verspreiden en op een draagbare audiospeler te zetten. 32MB, 64MB en later 128MB. Ik kocht er een van de zakjes geld die ik kreeg voor het onkruidwieden in de polder.

iPods waren onbetaalbaar. Tot de Shuffle en de Nano uitkwamen. Die vond ik laatst terug, helaas niet langer werkend.

Terug naar de zoektocht: een betrouwbare mp3-speler, die samenwerkt met mijn iTunes (dat tegenwoordig ‘Muziek’ heet…). Op Marktplaats kwam ik iemand tegen die iPod Mini’s upgrade. Het blijkt dus dat die interne schijf perfect vervangen kan worden door een Compact Flash-kaart, waarmee je het geheugen gemakkelijk kan vergroten (en de laadtijd!). Absurd eigenlijk, dat flashgeheugen twintig jaar geleden nog in zijn kinderschoenen stond en we voor zulke toepassingen nog harde schijven gebruikten.

Ook vervangt deze vriendelijke man de batterij van de iPod. En dat resulteert in… tja, niets meer en niets minder dan een perfect werkende iPod Mini uit 2004. Maar dan met veel meer geheugen.

Waar ik zo van sta te kijken: na twintig jaar nog steeds compatible.

Ok, ik gebruik ‘m inmiddels alweer paar maanden. Vooral thuis, aan mijn stereo, en op straat. Ik ben er blij mee, want als ik een ander nummer op wil zetten, hoef ik niet direct die appjes te beantwoorden. En dit was ik vergeten: hij is dus redelijk compact, voelt lekker zwaar in de hand, en een degelijke alu + hard plastic afwerking. Waarom zijn we gestopt met zulke dingen maken? Een apparaat met een 3,5mm jackplug waar je eigen muziek mee kan luisteren! Luister je mee, Apple?

Een kleine camera

Je bent snel en je snelt naar moeheid, / ongedurig als een dag vliegen van land naar land, / je wisselt goede levensuren in voor / gezegende regens in een onbekende ruilhandel. (Uit: ‘En niet om te gedenken’, Yehuda Amichai, Gedichten I [van Maaskant Haun, 2021] Vertaling: Tamir Herzberg en Tsafrira Levy)

Je vergeet soms dat je hobby’s hebt: het leven gaat snel voorbij en er is zo weinig tijd. Bij mijn laatste verhuizing borg ik mijn verzameling camera’s weer op in een verhuisdoos. Om binnenkort toch maar weer eens te gebruiken?

Een doos vol spiegelreflexcamera’s en wat lomospul. Ik hield de camera’s vast, aaide ze liefkozend en pakte ze een paar weken later weer uit. Ik bedacht dat ik deze keer de drempel laag zou moeten houden. Een kleine, simpele camera, die in mijn broekzak past. En het zelf ontwikkelen – dat maar oppakken wanneer ik er echt tijd voor zou hebben.

De Minox 35 werd jarenlang verkocht als ’s werelds kleinste 35mm-camera. Tegelijkertijd levert dit kleine zwarte doosje professionele resultaten. Vroeger kregen ze dit nog voor elkaar. Ik kocht twee jaar geleden een gereviseerd exemplaar.

De Minox beschikt over een 35mm f/2.8 Minotar lens en biedt diafragmavoorkeuze met een bereik van f/2.8 tot f/16. De sluitertijden variëren van 1/500 seconde tot 1/30 seconde. De plastic behuizing zorgt voor een lichtgewicht ontwerp, waardoor hij ideaal is voor straatfotografie en reizen. Bovendien biedt de inklapbare lenskap extra bescherming wanneer de camera niet in gebruik is. Dit monstertje heeft maar één klein batterijtje nodig, voor de lichtmeter en de sluiter. Gelukkig verkoopt de webshop Conrad deze nog.

Ik heb al een hele tijd geen camera aangeraakt. Ik schrok van de huidige prijzen van filmrolletjes. Gelukkig is de Fomapan z/w-film nog steeds betaalbaar. Maar voor een A-merk betaal je al gauw een tientje of meer. Tien jaar geleden was het nog de helft van dat geld.

Ook op Marktplaats weten verkopers ook best wat ze voor een rolletje kunnen vragen. Daar zijn de prijzen al snel zo’n vijf tot tien euro voor een rol van dertig jaar oud. Hoe durf je het te vragen. Gelukkig kon ik een partijtje Kodacolor VR 200 op de kop tikken. Geen geweldige kwaliteit, maar fijn om weer mee te experimenteren.

Een koelkastplankje vol fotorolletjes en een half-automatische camera die ideaal is voor straatfotografie. Ik hoop dat deze post een follow-up krijgt, dat betekent dat ik meer tijd vrijmaak voor hobby’s.

Wende en de poëzie

Woensdag 17 april zag ik Wende in Zwolle. Ik had haar al eens eerder gezien op Down the Rabbit Hole, maar in een zaaltje is de beleving toch weer even anders dan op een brakke zondagmorgen in de openlucht (ook al stond ik helemaal achter in de zaal).

De vertolkingen van chansons door Wende luister ik al jarenlang. Ze heeft een energie in haar performance waar weinig andere Nederlandse artiesten aan kunnen tippen.

Dan zijn er nog die prachtige teksten. Op de setlist van afgelopen woensdag stonden drie meer recente nummers die mij raken. Lappen tekst, door anderen geschreven en door Wende op muziek gezet.

Joost Zwagerman vroeg Wende Snijders om van zijn gedicht ‘Voor alles’ een lied te maken. Het lied kwam uit na het overlijden van Zwagerman.

Het lied ‘Troostzoekers’ is een bewerking van het gelijknamige indrukwekkende gedicht van Lucas Rijneveld.

Dimitri Verhulst schreef ‘Deze gin’ (en schreef trouwens nog meer liedteksten voor Wende).

Joost Zwagerman – Voor alles (2004)

Voor te veel mensen in een lift of streekbus
of gewoon een kamer. Voor de krans van
melkwegen, sluiers, nevels en hun zwarte gaten.
Voor je eigen brein, een stuk of wat insecten,
vrouwen, hun stemmingen en stemmen, voor
kokend water, vliezen, scharen, ademhaling.
Voor de meeste onbenulligheden, groot en groter.
Voor de ontijd van mijn ouders, toen vanaf kansels
en in kazuifels men met hel en nauwe poorten dreigde.
Voor sommige geluiden en het levende bij die geluiden.
Voor mails en sms’en, voor enveloppen op mijn tafel.
Voor dromen en demonen, voor uitsluiting en
vrijwel alle onbekenden. Voor woorden in zinnen.
Voor volwassenen die te hard lachen. Die lachen.
Voor de elementen. Voor volk en vaderland.
Voor grote drommen, de deurbel en voor straf.
Voor gepatenteerde gekken en sommige familieleden.
Natuurlijk ook voor ziektes waarover je op school iets leerde.
Voor school, en alles wat erna moest komen.
Voor de ontdekking dat die ziektes ook in dingen huizen
en dat dingen vaak mensen in vermomming zijn.
Voor de aanblik die ik bied en niet wil bieden.
Voor de benauwenis van aangeboren schaamte.
Voor de waarheid, of liever: de dynamiek van harde feiten.
Voor toekomst en verleden en het stuiterende
hier en nu. Voor saters, hufters, brede schouders
en voor types die met messen spelen.
Voor dieren, hoewel niet de meeste. Voor 
personen die snoevend zeggen vrij te zijn
van alle vrees. Voor gedachten, andermans of eigen.
Voor tekens. Sporen. Hoogte. Diepte.
Voor alles wat aan taal ontsnapt
en voor vermoedens van om het even.
Voor God, toch nog. Voor mijn hartslag,
en nog net niet voor figuren
die spontaan aan goede doelen geven.
Voor, een fractie later, die figuren.
Voor alles altijd bang geweest,
niet vrijblijvend maar met recht en reden.
Voor zowel de grote greep
als laatste resten, rafelranden.
Voor de kleinste deeltjes, neutronen, elektronen,
ook de quark, alles groter dan het wijkend Zelf.
Voor sferen, suizingen en de zekerheid
ook thuis in één oogwenk alles kwijt te zijn.
Voor gebouwen zonder ramen, voor
doodgaan en voor alle doden, in films of van nabij.
Voor doodzijn misschien iets minder.
Voor deze constatering. Voor constateren.
Voor kinderen die vragen stellen. Maar
meer nog voor die vragen.
Voor schijnbewegingen, herhalingen
en de grandeur van allerhande eeuwigheden.
Voor alles altijd overtuigd, hoog in de adem
en zuiver in de leer tot in het merg bang geweest,
op het stupide en futiele af,
met oogkleppen en hondentrouw.
Voor alles altijd bang geweest,
ook in tijden waar je alles
op de vingers van één hand.
Voor alles altijd bang geweest,
maar niet voor jou,
nee, niet voor jou.

Lucas Rijneveld – Troostzoekers (2022)

Zoals geluk gevaarlijk is voor wie er spaarzaam mee omgaat,
voor wie niet-leven een koud kunstje werd, voor wie hier binnenkomt
en twijfelt aan alles wat mooi is, twijfelt aan zijn plek in de wereld,
voor wie eindeloos teert op het verlangen naar beterschap,

voor wie niet breekbaar wil zijn net zo min als populierensterk
en wie mij raakt geef ik de wind, voor wie met een bevel tot
omhakken in de hand rillerig plaatsneemt of juist wil opbloeien
en zie me, voor wie alleen wil zijn maar het niet langer meer kan.

Zoals geluk gevaarlijk is voor hen die het niet kunnen delen,
voor wie wel glimlacht maar de snik onzichtbaar en hoog in
de keel heeft, voor wie alles verloor waar hij van hield, voor hen die
de koek uit de mond sparen en altijd andermans honger stillen,

voor wie weerloos omgaat met de dingen, voor wie iedere
avond zichzelf het donker van zijn kop injaagt, voor wie de hoop
heeft opgegeven als een zieke kameraad, voor wie van alles denkt
maar te weinig uitspreekt, voor wie moe is maar niet meer

in slaap komt en eeuwig ligt te woelen, voor hen die willen leunen,
voor wie onder de mensen wil zijn als onder een warme deken,
voor wie niet weet wie hij is en altijd onzeker, we zijn de leegte,
zeggen we, we zijn de leegte en weten niet hoe ons te vullen.

Zoals geluk gevaarlijk is voor de roekeloze, voor wie verstrikt zit
in eigen-ik, voor wie de weerloosheid weg-eet, koopt, slikt, voor wie
zichzelf bezeert omdat een ander het niet meer doet, voor wie
stemmen hoort maar zelden een lief woord, voor wie bang is om

verlaten te worden en in een leeg huis thuis te komen, voor wie zélf
uit voorzorg iedereen verlaat, voor wie weet dat het hart op vele
manieren kan breken en vergeet dat het ook op vele manieren
weer kan helen, voor wie en voor iedereen is hier de plek.

Dimitri Verhulst – Deze gin (2018)

Deze gin verscheen als kakkerlakje. Ik kan het gedicht zo snel niet online terugvinden.

Een gedicht op de begraafplaats

In juni van het afgelopen jaar kreeg ik een telefoontje van de gemeente Urk. Of ik als stadsdichter een gedicht wilde schrijven voor een openingshandeling door de wethouder van een nieuw deel van de plaatselijke begraafplaats. ‘Dat zou een eerwaardige aanvulling zijn bij de speeches en openingshandeling’, aldus de gemeente.

Ik vond het mooi dat ik hiervoor werd gevraagd. Tegelijkertijd ook best een opgave. Je wilt een gedicht schrijven waar iedereen, iedere inwoner van Urk, van iedere gezindte, zich in kan vinden. Een eerwaardig gedicht…

Toen ik aan de slag ging, bleef ik dicht bij mezelf. Wat voel je, als je op een begraafplaats bent, waar je voorouders en dorpsgenoten begraven liggen? Daarna komt de vraag: hoe zwaar of licht moet je zo’n gedicht aanzetten?

Daarom schreef ik een gedicht waar zowel ruimte is voor verdriet als voor hoop. Daar koos ik een rijmvorm bij die eeuwen oud is, een sonnet. Daarmee heb ik het respect voor het verleden willen uitdrukken. In de laatste zinnen komt het protestantse vertrouwen van het dorp en het eeuwenoude geloof van onze voorouders naar voren. Tegelijkertijd is het door de rijmvorm een makkelijk leesbaar gedicht, dat door iedereen begrepen kan worden.

Ik heb deze zo geschreven, dat het behalve geestelijk ook letterlijk kan worden geïnterpreteerd. De ‘loodsende hand’ is in die betekenis de zorg en het nabuurschap in de gemeenschap, het ‘leven na de dood’ de plek van herinnering die achterblijft voor het nageslacht. En ik hoop dat het hiermee een gedicht van troost voor echt alle inwoners van Urk is geworden.

Eind vorig jaar hoorde ik dat het gedicht ook een fysieke plek zou krijgen op de begraafplaats. Het is daarmee het eerste gedicht in de openbare ruimte van een Urker stadsdichter. En ik vind dit een mooi gebaar van de gemeente, dank daarvoor.

Vanochtend werd het gedicht onthuld en kon ik het met eigen ogen bekijken.

De begraafplaats

De stilte draagt het missen, lijden:
Hier zingt een vogel zacht zijn lied.
Ruimte is hier voor verdriet,
Gedachten aan voorbije tijden.

Een wind waait langs de bankjes, bomen,
Grassen, graven, om ons heen,
Streelt hun namen, één voor één,
Dorpsgenoten, thuisgekomen.

Vertrouwen is ons meegegeven:
Aan het einde van het leven
Is een zachte hand die loodst.
En voor ons, die achterbleven,
Is hier een stille plaats die troost,
Tot aan een leven na de dood.