Niemandsland in De Klos, 18 november 2023

Tussen alle beslommeringen van werk, de was doen, boodschappen, liefde en formulieren, formulieren, formulieren… door, is er natuurlijk ook tijd voor muziek. Na het einde van ons vorige bandje (wereldberoemd in heel Flevoland) hebben we sinds 2018 al enige tijd aangerommeld onder de naam Niemandsland. Nu werd het toch eens tijd – inmiddels is het tweemanscollectief een viermansformatie geworden – naar buiten te treden. Dat werd het podium van De Klos in Emmeloord (dat al sinds 1969! bestaat), ons vertrouwd en het geluid is er goed.

Vriend T. heeft van de ij’s ij’s gemaakt, dat taalgevoel waardeer ik erg aan hem. Er volgt nog een blogpost over waarom de ij wel degelijk één letter is, en niet twee, zoals sommige kwade, onwetende tongen beweren.

Nu zijn wij dus nog niet zo goed. We hebben welgeteld twee nummers uitgebracht en in deze hoedanigheid nog geen podiumervaring. Je moet ergens beginnen en dat deden we 18 november jongstleden. Vriend J. had er al een stukje over geschreven. Hij heeft alles gefilmd op een rode oude camera (ik denk omdat hij dat leuk vond, iets met vreemde kostgangers, anyway bedankt J.) maar ik maakte dankbaar gebruik van zijn beelden in combinatie met de bootleg op mijn fieldrecorder.

We speelden een paar covers: Nog een kopje koffie (One more cup of coffee van Dylan), Beste Bill van Gorki en Huis op palen (Gimme Shelter van de Stones). Die laatste blijkt nog erg actueel. Jagger mag deze versie wel eens spelen, hij spreekt immers een aardig woordje Nederlands.

Middenstand was een try-out, het is een van onze nieuwe nummers. Met een knipoog naar Mia van Gorki natuurlijk. Tenminste, dat denk ik, want deze tekst is van A. Grappig dat de verkiezingen, drie dagen later, uitwezen dat we juist niet verloren hebben van de middenstand.

Over arbeidersklasse gesproken: het laatste nummer – tekst ook van A. – dat ik hier deel is inmiddels aangekocht als campagnelied voor de BBB in aanloop naar de volgende Tweede Kamerverkiezingen, over een half jaar. Het is in dialect en je kan meelezen, als je de ondertitels op YouTube (vreemd dat YouTube geen Nedersaksisch kent, in tegenstelling tot Wiki) aanzet. En de vertaling staat in het bijschrift.

Ik ben blij met deze “eerste” gig, het maakt dat we weer gestaag aan het opnemen en componeren zijn. Veel kan beter, veel kan slechter, het duurt nog wel even voordat we in de Ancienne Belgique staan.

Dit huis is op een rots gebouwd

Ik heb de eer mij ‘stadsdichter’ van Urk te noemen. Wat dit inhoudt: zo nu en verschijnt er een gedicht van mij in de plaatselijke courant en ik draag weleens een gedicht voor bij een belangrijke gebeurtenis. Het wordt echt leuk als anderen met je werk aan de slag gaan. Dat gebeurde de afgelopen weken: zes jonge Urker kunstenaars (‘JUK’) maakten werk rondom mijn gedicht ‘Dit huis is op een rots gebouwd’, dat ik in 2021 schreef om een kunstmanifest vanuit de gemeenschap kracht bij te zetten.

Vandaag opende de mini-expositie in Museum het Oude Raadhuis. Hier begon JUK vijf jaar geleden met een eerste kunstmanifestatie. Sindsdien organiseren we ieder jaar een makersdag, kunstroute door het oude centrum of een expositie.

Er is geen bloeiende kunstscene op Urk, er gaat mijns inziens relatief weinig geld naar kunst en cultuur en voor jonge makers is er niet echt een podium. Dit begint te veranderen sinds de komst van Plein 1890, een lokale galerie, en sinds SCAB thema-avonden voor jongeren houdt. Met de gedachte dat representatie belangrijk is: als je iemand ziet die serieus met kunst bezig is, dan is naar de kunstacademie gaan misschien niet zo’n heel gek idee.

Mooi dus om ieder jaar het werk van de jonge Urker makers – zowel professionals als amateurs – te zien. Dit jaar maakten Salam Kadhim, Hinke Brouwer, Jennie Koffeman, Johan Steller, Pieter Brouwer en Laura Zijlstra beeldend werk bij mijn gedicht. Het gedicht werd in stukken geknipt: ieder werk verhoudt zich tot een deel van het gedicht. Je moet van Urk komen om alle referenties te begrijpen, maar ik heb destijds wel geprobeerd het gedicht een universeel karakter te geven.

Dit huis is op een rots gebouwd

Tekenles. Hier heb ik een lijn getrokken. Nog een keer het hoekje om. Het lijntje wordt een vierkant. Het vierkant wordt een kubus. Dak erop: de kubus wordt een huisje. Tuintje achter, straat van voren, rondom kan wel een leiboom groeien, stokroos bloeien. Op het dak een makelaar. Huisje klaar.

Een huis hoort aan een weg te staan. Prins Hendrikstraat of Raadhuisstraat, Oude Dijk of Staartweg, Vlaak, stuk grond waar nu mijn wiegje staat. Ik zie de weg: er lopen mensen. ‘Dag’, zwaai ik. Bedenk de kachel aan, laat de wereld langs de ramen gaan, want ik heb nog zoveel wensen.

Hier kan mooi een boekenkast. Plank vol oude, maar ook nieuwe schrijvers, boeken die ik niet mag missen, tal van stenen in de vijvers. Plaats voor dichters die de woorden schikken, denkers die de wonden likken. Nog een plank: de Bosatlas. Ik kijk waar Nova Zembla ligt en voel mij Gerrit Westerneng,

aardbol plots wat minder eng. De muren dan, nog wit en kaal, een canvas voor een groot verhaal. Ik maak een spieraam, breed en sterk, span het doek en ga aan ’t werk. Leyden, Sluijters, Lussenburg, Van Mastenbroek, aangenaam! Zovelen zijn u voorgegaan. Terpentijn en handen schoon, aan de muur een monochroom

van blauw op blauw. De zee zo heilig, zo onveilig, altijd in mijn hart gesloten. Dit huis is op een rots gebouwd. Want als ik in de kelder kijk, met mijn handen langs de muren strijk, voel ik keileem als een vaste basis. De bodem is een tijdmachine: fossielen, keien, weerspiegeling, zoveel leven in een laagje aarde. Zoveel meer nog

is van waarde: ik voel de kennis door mijn aderen stromen, leer verhalen die ik nooit kon dromen. Het houdt de bruine ratten buiten, doet vrienden in mijn armen sluiten. Dan nog slechts een naam verzinnen. Het Wakend Oog. Een huis voor eeuwen.

Ook dit jaar stelde Museum het Oude Raadhuis weer een ruimte beschikbaar, waarvoor dank. De expositie is tot en met eind november te zien.

Op zoek naar Neutraal Moresnet

Ik was vorig weekend vlak over de grens bij Klein-Kuttingen. Niet zozeer vanwege die plaatsnaam, maar omdat twee vrienden daar een huisje hadden gehuurd, waar deze ontheemde een paar dagen mocht komen te logeren. Meer precies in Beusdael, in Wallonië, aan de voet van het Kasteel van Beusdael, waarvan de geschiedenis teruggaat tot de twaalfde eeuw. Lekker. We aten vis en dronken wijn en wandelden door het mooie grensgebied. Ik blijf in mijn hart een kustbewoner, ben altijd op zoek naar zee en de verre horizon, maar ook in een heuvellandschap kan ik mij bijzonder goed voelen.

Abdijbier, Hugo Claus en het hier behandelde boek Moresnet.

Mijn leven hangt van toevalligheden aan elkaar. Ook nu: vlak voor deze onaangekondigde, impulsieve vakantie was ik namelijk net in het boek Moresnet van Philip Dröge begonnen. Een hele fijne, leesbare geschiedenis van het ministaatje, landje, of beter gezegd ‘geval’, dat iets meer dan honderd jaar bestaan heeft en vlakbij Beusdael lag. Neutraal Moresnet was een driehoekig gebied waarvan de noordelijke punt het drielandenpunt (dat later nog een tijdje een vierlandenpunt werd) bij Vaals raakte.

Dröge beschrijft in dit boek hoe Moresnet ontstond als slordigheid tijdens het Congres van Wenen, na 1815 dus. Na de val van Napoleon vond een nieuwe staatkundige en politieke ordening plaats. Zo kwam in de Nederlanden Koning Willem I aan de macht, de zoon van stadhouder Willem V, die tevens groothertog van Luxemburg werd. Het blok moest ten noorden van Frankrijk een stevige buffer gaan vormen. De grenzen werden met potlood getrokken en in alle haast ontstond een stukje betwist gebied: het was niet duidelijk of de zinkmijn en omgeving in Moresnet nou bij de Nederlanden of Pruisen zou moeten gaan horen. Twee artikelen in het Weense verdrag spraken elkaar tegen. Het onverdeelde gebied Moresnet was geboren.

Ik weet niet goed wanneer ik voor het eerst van Neutraal Moresnet heb gehoord. Het zal ergens in mijn kindertijd geweest zijn: ik was verzot op zulke marges in de geschiedenis. Ministaatjes, verre eilanden… En op tv was Boudewijn Büch, die andere fantast, die zijn fascinaties de huiskamer inslingerde. (Man man man, wat mis ik zulke televisie.)

Ik heb Moresnet van Philip Dröge bij aankomst in Beusdael dus maar snel uitgelezen en leerde hoe Neutraal Moresnet een gebied werd dat meer dan honderd jaar min of meer autonoom bestond. Met een eigen burgemeester, een eigen veldwachter, een eigen school, een eigen industrie en vooral veel casino’s en sekswerkers.

Na de afscheiding van België in 1830 werd het drielandenpunt een vierlandenpunt: hier ontmoetten de grenzen van Pruisen, Nederland, België en Moresnet elkaar. Het staatje, wat in feite geen staat was maar neutraal gebied, geregeerd door een ‘mannetje’ uit België en een ‘mannetje’ uit Pruisen, bleef bestaan tot 1920. Niemand durfde echt zijn vingers aan Moresnet te branden. Intussen ontwikkelde Moresnet zich tot een bijna echt landje: er werden Moresnetters werden geboren (in feite statelozen). Na wat getouwtrek stabiliseerde de situatie rondom het neutrale gebied. Een generatie Moresnetters groeide erop: voor hen was dit staatkundige foutje een werkelijkheid.

Andere leuke thema’s rondom Moresnet, die in het boek uitgebreid aan bod komen: dankzij het ontbreken van een douaneapparaat kon driftig worden gesmokkeld via Moresnet, omdat het geen staat was had het aanvankelijk ook geen belastingplicht, er werden (clandestien) postzegels uitgegeven en als je wilde ontsnappen aan de dienstplicht ging je naar Moresnet. Vergeet ik iets? Ohja, het ministaatje werd ook bekend vanwege een culturele beweging, namelijk de beweging rondom de kunsttaal Esperanto.

Het huidige drielandenpunt bij Vaals

Esperanto kende ik dankzij onze schoolbibliotheek. Daar had je van die kleine boekjes over een bepaald onderwerp. Ik vond zo’n kunsttaal mateloos interessant. Toen we internet in huis kregen kwam ik op een site terecht waar je het kon leren. Het duurde niet lang voor ik mijzelf kon voorstellen en friet kon bestellen in het Esperanto. Maar er was niemand die het sprak.

De internationale taal werd in 1887 bedacht door een Poolse oogarts. In de tijd van opkomend nationalisme zou zo’n kunsttaal ervoor zorgen dat mensen beter met elkaar gingen communiceren. Met de gedachte dat conflicten vermeden konden worden door een gemeenschappelijke taal. Want wie elkaar verstaat, slaat elkaar niet de hersens in.

Een taal heeft sprekers nodig. En nog mooier: een thuisland, dat als basis kon dienen. De ogen vielen op Neutraal Moresnet, waar Duits, Nederlands, Frans, Engels en streektalen gesproken werden. Hoe mooi zou het zijn om het Centrale Bureau van de Esperantogemeenschap daarheen te verhuizen en de Esperantocongressen daar plaats te laten vinden? Door de toenemende spanningen in Pruisen, in de aanloop naar de Grote Oorlog, ontstond de vrees voor een diplomatiek conflict en raakten de plannen van de baan. Moresnet zou nooit een Esperantoparadijs worden, maar de kunsttaal werd wel voor eeuwig verbonden aan het neutrale gebied.

Die Eerste Wereldoorlog betekende ook het einde van Moresnet. Het nieuwe Duitsland wilde al langer het ‘probleem Moresnet’ oplossen. Bij de Belgische inval werd Moresnet ingelijfd door Duitsland. Na de oorlog ging het bij België horen. En zo kwam er een einde aan het bijzondere landje.

Het kostelijke museum ‘Vieille Montagne’.

Veel meer nog over Moresnet lees je dus in dat boek van Philip Dröge. Of je gaat naar het museum ‘Vieille Montagne’, een heel aardig museum (met vriendelijke medewerkers) over de geschiedenis van het gebied. Er is een audiotour beschikbaar in het Nederlands, de meeste A- en B-teksten in het museum zijn in het Frans en Duits en sommige teksten in het Nederlands.

Als je, na het bezoek aan dit fijne museum, al een beetje hebt rondgedwaald door het gebied, moet je natuurlijk een bezoekje brengen aan het drielandenpunt in Vaals. Met de geschiedenis van Neutraal Moresnet in het achterhoofd wordt zo’n toeristische attractie natuurlijk heel wat interessanter. Ga maar niet googelen naar de geschiedenissen van het gehannes met al die grenspalen die daar staan, want voor je het weet ben je een avond kwijt.

De grensmarkering is godzijdank verlegd.

Büch zit zich in bovengenoemde tv-aflevering op te winden over waar de grens tussen Nederland en België nou precies loopt. Ik heb het even nagekeken: in de tussentijd is de grensmarkering een stukje verlegd. Verstandig, voor je het weet heb je weer een nieuw Neutraal Moresnet.

Art-based learning in de praktijk

Een (te) korte reflectie op de methode ‘Art-based learning’, een waardevol hulpmiddel voor museumeducatie.

Marijke van Warmerdam, Lichte Stelle, 2000, videoinstallatie, Museum de Fundatie

Bij het volgen van mijn opleiding – Cultureel Erfgoed aan de Reinwardt Academie – mag ik veel naar kunst kijken. Talloos zijn dan ook de museumbezoeken die ik de afgelopen jaren heb afgelegd. Eerlijk gezegd ben ik inmiddels eigenlijk ‘verpest’ door mijn opleiding, dat wil zeggen: door over alle kennis over objecten, het beheer en behoud ervan, de presentatie ervan, de inrichting van musea, de manieren van tentoonstellen, etc. te leren, kan ik nog nauwelijks onbevangen naar kunst kijken. Voortdurend word ik afgeleid door de mensen in de ruimte, de camera’s, de hygiëne, het lichtgebruik…

Ik heb in 2019 het genoegen gehad de minor Liberal Arts, aan de kunstacademie ArtEZ in Zwolle, te volgen. Eerste excursie: Museum de Fundatie, tentoonstelling “Vrijheid”. Alwéér een museumbezoek. Maar deze keer, tot mijn grote opluchting, om daadwerkelijk naar kunst te kijken. Dat aan de hand van een methode: Art-based Learning, ontwikkeld door Jeroen Lutters. Ik wil niet zeggen dat ik een geoefend kunstkijker ben, nee, verre van dat – maar aanvankelijk stond ik nog wat wantrouwig tegenover deze, voor mij onbekende, methode.

Deze ontmoeting met bovenstaand kunstwerk beschrijf ik aan de hand van de aantekeningen die ik tijdens deze excursie heb gemaakt.

Tijdens de eerste stap werd ons als opdracht meegegeven enkele vragen aan jezelf te stellen en daar vervolgens één vraag uit te kiezen. Uit de vragen “Hoe kan kunst mij helpen in het dagelijks leven”, “Welke waarden in de kunst kunnen mij persoonlijk helpen”, “Wat in de kunst kan mij maatschappelijk en creatief prikkelen en daarnaast sturing bieden” en “Hoe kan kunst mij troost bieden”, koos ik de laatste. Vervolgens draalde ik een half uur door de tentoonstelling Vrijheid – welke vijftig toonaangevende kunstwerken van Nederlandse kunstenaars behelst – tot ik bij een werk kwam dat mij raakte. Moeilijk was dit niet, ik kwam terecht bij Van Warmerdams video-installatie. Waarom? Uit mijn notities een paar kernwoorden: “zee”, “stilte”, “herkenbaar beeld”, “rust” en “vragen”.

Bij de tweede stap (“Close reading”) keek ik tien minuten naar het object, in mijn geval de video, zelf. Wat zag ik? Een film in een loop van ongeveer twee minuten (gedigitaliseerde film), een landschap (een meertje, bomen, jongen, eend), kabbelend water in het meertje en water dat uit de broek van de zwembroek van de jongen druppelt. Ik legde de link met Friedrichs “Monnik aan Zee”, al was in vergelijking met dat bombastische schilderij dit een veel realistischer, onschuldiger beeld. Maar de associaties moest ik nog even voor mij houden.

In de volgende stap (“Into the possible world”) verhield ik mij tot het werk. Ik noteerde wat ik ervaren had: “Ik hoor geruis van bomen, maar vooral eigenlijk helemaal niets. Ik ruik zoet water en het is niet heel koud. Misschien is het rond het begin van de zomer. Er zwemt een eend voorbij. Dat jongetje, dat ben ik. Dit zijn mijn kinderjaren. Onzeker, veel gedachten, overweldigd door de natuur. Ik ruik nog meer: de geur van zonnebrand. Ik voel me rustig, ik proef de stilte. Dadelijk stap ik op de fiets en ga ik naar huis. Ik neem de langste weg terug, door de bossen, omdat ik van die geuren houd. Mijn lichaam is moe en ‘s avonds val ik snel in een diepe slaap. VRIJHEID. STILTE. RUST.”

Reflecteren op deze methode van kunst-kijken deed ik met een cursusgenoot. We concludeerden dat je op deze manier heel anders naar een werk gaat kijken. Wij zijn allebei een gesprek aangegaan met het kunstwerk. Ik had het gevoel dat dit bij iedereen in de klas het geval was, ook bij diegenen die nauwelijks in een museum komen. Dit spreekt in het voordeel van de methode: de drempel is laag, maar het effect is groot.

Terugkijkend op deze ontmoeting met het kunstwerk had ik niet gedacht dat ik zo in dit werk getrokken zou worden. Ik heb het gevoel gehad dat ik daar zelf aanwezig was, in dat beeld. Sterker nog: ik voelde mij zelf dat jongetje. Hoe langer ik naar het werk keek, hoe meer mijn zintuigen geprikkeld werden. Ik kon bijna de geuren van het bos ruiken, de warmte van de zon en de kou van het water voelen. Een heel zacht briesje over mijn vochtige huid.

Deze gevoelens heb ik eerder gehad, bij abstract werk. De grote werken van Rothko en Newman bijvoorbeeld. Hoe je door het lange kijken naar de werken een geweldige ervaring kan krijgen.

Bij figuratieve kunst heb ik dit minder. Zelfs bij lang kijken vind ik het moeilijk om zo geprikkeld te worden. Bij “Portret van Albert Verwey”, Jan Veth, 1885 (https://nl.wikipedia.org/wiki/Portret_van_Albert_Verwey) heb ik dat wel gehad. Ik vond het waanzinnig om een soortgelijk gevoel weer opnieuw te beleven in Museum de Fundatie.

Art-based learning is een uitnodiging om een dialoog met een kunstwerk aan te gaan. Het verrijkt een museumbezoek, maar verandert ook de manier hoe we naar kunst kijken. Bovenstaand verslag doet geen recht aan de inhoud van de methode, maar geeft hopelijk een beeld van een mogelijk effect ervan.

Jeroen Lutters is als lector verbonden aan ArtEZ. Zijn boek Art-based learning is verkrijgbaar onder ISBN-nummer 9789046907238. De methode wordt als cursus aangeboden aan ArtEZ.

Column SCABskoel ‘Erfgoed’

Column uitgesproken bij de SCABskoel op UrkFM op 29 maart 2021. Terugkijken kan hier. (Ik heb geprobeerd volgens de Schrijfwijzer van Stichting Urker Taol te schrijven, maar in alle gauwigheid heb ik ongetwijfeld wat fouten gemaakt.)

D’r is een bult dat oens verbint, d’r is een bult dat oens verdielt. Een warreld in verangering, een gruuiend gevoel van onbehagen. In de politiek klinken stimmen: we moeten groos wezen op oenze cultuur, oenze cultuur wordt bedreigd, we stoon onger drok. We ewen erfgoed waormie we oens tot enkanger verhouen: gekunstelde dingen as een volkslied, tradiessies as Suunterklaos, ’t Vreems (’t Nederlans) as taol. Kuunen wij Nederlander wezen zonger disse symboliek? Is dit ’t erfgoed dat oens bij enkanger moet ouwen? Of is d’r maar?

’T likt wel een reflex: ’t krampachtig vastouwen an veraolen, tradiessies in rituelen, omdat de warreld verangert. Ok de Urker cultuur wordde bedreigd – in 1932 kwam de Ofsleutdik in de Zuierziecultuur liek ‘ten dode opeskrieven’. ‘Vaarwel mijn Zuiderzee’, skrief Mariap van Urk in weemoed. ’t Veraol ging dat de vlaggen op de kotters in 1932 alfstok gingen.

Die gevoelens, die angst, ze wazzen op Urk niet basierd op een ongerbukgevoel. Urk krieg nauwelijks een plekkien in ’t narratief van ’t Naaie Laand: Flevolaand zou een provincie worren van superboeren in noeste arbeiders – een perfecte in ofewoegen ofspiegeling van de samenleving, misskien zelfs een geconstruïerde samenleving. Die Urkers, nou, die moesten derluiers eagen boontjes maar zien te doppen.

Urk blief an de iene kaant een eiland binnen Flevolaand. Mar ’t arremoedige begin van de twientigste ieuw wordde goedemaakt duur de goeie verdiensten op zie, e-ulpen duur ’t arbeidsethos: ora et labora, bid in warrek. Het Wonder van Urk.

Mit de gruuiende rikdom van de Urkers, de globalisiering, Urk as belangrijke spuuler in de internationale handelsmarkt, verdwienen ok zuutjesan de erinneringen an ’t eilandleven. Over ’t Ouwe Durp daolde een glaozen stolp neer, ’t toerisme kwam op in erfgoed maakte plaos vor folklore.

We kuuzen vor een moment in de teed, die we gingen musealisieren. ’t Urk van vlak vor de inpoldering. Krampachtig ouwen we vast an krek die kliederdracht, an ’t veraol van de gevolgen van de ofsleuting van de Zuierzie. An Urk tuugen de warreld. Misskien zelfs Urk in een slachtofferrol?

Mar d’r is nog zovuul maar, d’r is nog zovuul moois. Urk as vrijplaos vor kunstenaors in skreevers. Een Urk vol volkscultuur: van spoekveraolen in bijgeloof. Kiengervursies. Rijmpies. Legendes. Veraolen over bevuurbield de walvisvaort – wie kint die eagenlijk nog?

Je hoeven echt niet zo’n linkse rotte as ik te wezen om te bedinken dat ’t geconstruierde Urker narratief ok een instrumint van eutsleuting kan wezen. Want wie oort erbij en wie niet? ’t Wordt teed om oens, an de aand van ’t Urker erfgoed, opnijt te wortelen: eupenstoon vor verangering – zo dynamisch as erfgoed is – in tegelikkerteed bewust te bleeven van ’t verlieën.

Willen we een gemienskap wezen dat zich vergript an loze symbolen, zoas een zieheld mit bloed an z’n aanen, omdat we oens in ’t nauwe edrieven voelen? Of dukken we de archieven in, ontdekken in omarmen we de geschiedenis van Urk in al d’r facetten, gieven we de veraolen duur, op weg nor een eupen in culturiel gezoende gemienskap? ’t Wordt teed vor een nijt Wonder van Urk: de culturele bewustworring van de Urker gemienskap.

As vanzelfspreken lees ik disse column in ’t Urker dialect vuur (’t is trouwens ok de moond van ’t dialect!). Maar oe vanzelfsprekend is dit erfgoed nog, hoe lank got ’t duren aar ’t dialect plaosmakt vor een regiolect in euteandelijk opgot in ’t ABN?

M’n kuukenbessien Mariap wist dat erfgoed bewaord moest worren, maar niet krampachtig. Ze maakte zich stark vor ’t vastleggen van de dracht, ze protestierde tugen de geplande sanering van ’t ouwe durp, ze ding bijdragen vor bijvuurbield ’t Zuiderzeemuseum in ’t Openluchtmuseum.

Eur vuurouwer leverde de eerste teksten in ’t Urker dialect. Um z’n zuun ulp Meertens in Kaiser mit materiaol vor z’n archieven. De zuun van Mariap richtte mit angeren ’t eerste Urker museum op, dat zich tot op de dag van vandage inzet om de veraolen duur te vertellen.

Kortomme: Oe goon we in de toekomst omme mit erfgoed – of mit cultuur in de brieëre zin van ’t woord? Wie binnen de naaie erfgoedhoeders van Urk in kreegen ze de plekke in teed binnen de Urker gemienskap om Urk klaor te maken vor een duurzame relatie mit cultuur in erfgoed in de toekomst?

Dat erfgoed niet statisch is, maar dynamisch, dat maken we elke dag mie. Vurige week won de van Urk ofkomstige dichter Cornelis Kapitein een prees vor een prachtig gedicht in ’t Nedersaksisch (lees: in ’t Urkers). In ofeloepen zaoterdag eupenden twie vriendinnen van mij een succesvolle vierde editie van een expositie mit jonge Urker kunstenaors. Disse jonge Urkers lotten zien dat kunst in cultuur niet inkelt iets is vor ’t volk in de marges – juust niet! – maar dat ’t een prominente plekke innimt – in in moet niemen – in ’t midden van de samenleving. Nijt erfgoed blift koemen, in ’t ouwe omarmen we opnijt maar mit een frisse kiek. Zelfs op Urk, of moet ik zeggen: vanzelf op Urk?

Bas Visscher

“Alleen te zijn en zich alleen te weten”, de strofen van Willem Arondéus

Honderd jaar geleden, in 1920, kwam Willem Arondéus aan op het eiland Urk. Hij kwam hier terecht na contact met zijn kennis Ernst Leyden, die zijn verblijfplaats Urk zou verruilen voor een rondreis door Europa. Arondéus greep de kans met beide handen aan: een plaats om in afzondering te werken.

Over Arondéus is niet bijster veel geschreven. Door Rudi van Dantzig en Marco Entrop werd hij in het nieuwe millennium enigszins uit de rafelranden van de geschiedenis gehaald: als homoseksuele verzetsheld kreeg hij niet bepaald dezelfde aandacht als zijn heteroseksuele kompanen.

Willem Arondéus op Urk, ca 1920-22. bron: Wikipedia

Later meer, veel meer, over Arondéus. Eerst dit.

In 1922 schreef Arondéus een gedichtenbundel, van twintig gedichten, “Afzijdige Strofen” genaamd. De “homo-erotische verzen” [Entrop, “Een droomen van de monden nooit bezeten” de Parelduiker. Jaargang 6, Uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam 2001] waren sterk geïnspireerd door de bundel “Strofen”, van P.C. Boutens, welke in 1919 verscheen.

De gedichten hebben thema’s als eenzaamheid, het eilandleven, zijn genegenheid voor Urker jongens en “het verlangen naar volkomen-zijn”. Opmerkelijk, maar kenmerkend voor de waardering van Arondéus, is dat de bundel pas vele jaren na zijn dood, in 2000 in kleine oplage gepubliceerd door het Drukkerijmuseum.

Een van de sterkste verzen is het vierde, waarin de eenzaamheid, het verlangen en het lijden aan het leven volkomen tot uitdrukking worden gebracht:

IV

Alleen te zijn, en zich alleen te weten,
Van geen ontmoet de dag de nacht;
Ben ik de zilvren menschen-stem vergeten,
Die streelt en lacht.

Van geen begeerd, en vol begeeren wezen
Naar elk, die zwijgend komt en keert;
Het diepst te minnen wat het diepst te vreezen
Is, en meest deert;

Te dwalen, en nooit het waarheen te weten,
Een dolen doelloos zonder end,
Een droomen van de monden nooit bezeten,
En nooit gekend;

Is dit de buit der jaren, doelloos droomen
Van alle waken meer gewond?
Reeds met hun ernst der wonden-teekens komen
Om oog en mond.

Alleen te zijn, en zich alleen te weten,
De dag, de nacht ontmoet van geen;
Van alle woorden deze onvergeten:
Alleen; alleen.

21 April ‘22

Daar het eerste gedicht is ondertekend met 14 april 1922 (precies 98 jaar geleden), leek dit mij een goed moment de bundel Afzijdige Strofen en de gelijknamige website onder uw aandacht te brengen. Laatstgenoemde wil bijdragen aan de waardering van Arondéus en uitgroeien tot een digitaal monument. De bundel Afzijdige Strofen is in zijn geheel terug te vinden op de gelijknamige website.

Verder lezen over Arondéus verblijf op Urk:

  • Entrop, M., “Een droomen van de monden nooit bezeten” de Parelduiker. Jaargang 6, Uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam 2001. (link)
  • Dantzig, R. van, Het leven van Willem Arondéus 1894-1943. Een documentaire. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2003.
  • Afzijdige Strofen. De wereld van Willem Arondéus. https://afzijdigestrofen.nl
  • Omroep Flevoland, “25 Dingen die je moet weten over Urk: het interbellum” (versie 16 augustus 2019). (link)

The Kaiser’s Holocaust – David Olusoga en Casper W. Erichsen

Twee dingen die ik al tijden niet heb gedaan: een goed non-fictieboek lezen en er een stukje over schrijven. Laat The Kaiser’s Holocaust dan weer de eerste zijn. Een goed boek over de macabere geschiedenis van Namibië. Het gaat voornamelijk over de koloniale periode van Namibië – de bezetting door het Duitse Tweede Rijk – waarin de genocide op de Herero en de Nama centraal staat.

Continue reading “The Kaiser’s Holocaust – David Olusoga en Casper W. Erichsen”

Solargraphy: dagenlange belichting

Solargraphy is het maken van een foto met een dagenlange belichtingstijd. De foto wordt gemaakt op fotografisch papier welke geladen wordt in een pinholecamera, bijvoorbeeld een blikje waar een gaatje in is geprikt.

De naam zegt het al: Solargraphy is een fotografische techniek om de zon te fotograferen. Het is dus de bedoeling dat de camera -het blikje- deels naar het zuiden is gericht (als je op het noordelijk halfrond zit, natuurlijk) om de loopbaan van de zon vast te leggen. Voor het mooiste effect laat je deze camera meerdere dagen hangen. Immers staat de zon in de loop van het jaar van laag naar hoog naar laag.

Een pinholecamera gemaakt van een frisdrankblikje, geladen met fotografisch papier.

Het maken van zo’n pinholecamera is heel eenvoudig. Drink een blikje cola leeg, haal met een blikopener de bovenkant eraf, vul deze in een donkere plaats met een passend stukje fotografisch papier (het enige dat eigenlijk echt geld kost) en sluit het blikje goed af met waterbestendig plakband. Zorg er dus voor dat er geen water naar binnen kan komen! Hierna ga je ‘s avonds of ‘s morgens vroeg op zoek naar een goeie spot om je camera te bevestigen.

Het eerste resultaat. Geen succes, al is de zon duidelijk te zien (boog links).

Mijn eigen eerste test was niet echt een succes. Dit had meerdere oorzaken.

  • De camera stond niet goed op het zuiden gericht.
  • Een straatlantaarn zorgde dat het papier ‘s nachts teveel belicht werd.
  • Voor een goed resultaat moet de camera toch minstens drie dagen blijven hangen.

Een solargraphy-foto hoeft trouwens niet ontwikkeld te worden. Omdat de zon er zo lang op gestaan heeft, is de foto er als het ware ingebrand. Echter is de foto wel een negatief. Het eigenlijke ontwikkelen is een digitaal proces: zorg dat er niet teveel lampen thuis aanstaan, haal het papier uit de camera en leg deze onder de scanner. In Photoshop (o.i.d.) de foto omkeren en zorgen dat de kleurenbalans goed is. Et voilà, daar is je solargraph.

Resultaat 2: Boulevard Urk. Belichtingstijd 5 dagen.

Na de eerste test heb ik door ons kustdorpje een stuk of 5 gevulde blikjes opgehangen. Natuurlijk zijn er 3 kwijtgeraakt, weggepakt of weggegooid. Dat is trouwens een risico als je de cameraatjes laat hangen. Probeer ze dus zo onopvallend mogelijk op te hangen. Behalve een frisdrankblikje kun je praktisch alles gebruiken wat van aluminium of blik is, als het maar lichtdicht is en als je er maar een gaatje in kan prikken. De foto boven is vrij goed gelukt, al is de camera een paar keer bewogen (te harde wind, of een hond heeft z’n kont er tegenaan gezet).

Resultaat 3: Strand Urk. Belichtingstijd 5 dagen.

Voor het allergaafste resultaat bevestig je een camera op de kortste dag van het jaar, en haal je die eraf op de langste dag van het jaar (of visa versa). Dat staat dus voor 22 december op de planning.

Op het internet zijn een paar hele gave sites te vinden met betrekking tot solargraphy. Hier vind je een handige tutorial over het bouwen van je pinholecamera. Hier vind je de website van Stichting Volkssterrenwacht, die een project in Zeeland hebben gehouden. En in deze Flickr Pool vind je hele gave solargraphs. Lichtgevoelig papier kun je onder andere bestellen bij Fotohuis Rovo, een winkel die ik zeker kan aanbevelen voor alle vormen van analoge fotografie.

Als je het überhaupt gaat proberen, deel je foto’s met de rest van de wereld!